In de laatste twaalf jaren is er eene heele verandering gekomen in de
landstreek, welke we beschreven hebben. De ontworpen spoorweg van ’s
Hertogenbosch naar Lage Zwaluwe is reeds kort na den watersnood
voltooid. Oorspronkelijk reden de treinen niet verder dan Waalwijk,
maar nu de bruggen gereed zijn gekomen over den Baardwijkschen Overlaat
en over het Bossche Veld, is ook de verbinding van de nijvere
schoenmakersplaats met Noord-Brabants hoofdstad tot stand gekomen.
Het is op een mooien zomeravond ruim 12 jaren, nadat Anton en Dirk zich
voor goed verzoend hebben.
Aan het station te Waalwijk is juist de trein van Lage Zwaluwe
aangekomen. Uit een coupé tweede klasse wipt vlug een jonge man van
omstreeks 28 jaren, misschien iets jonger, en kijkt rond of hij ook
kennissen ontmoet. Hij schijnt eenigszins teleurgesteld, doch slechts
even. „Hoe kon ik ook zoo dwaas zijn,” mompelt hij, „niemand weet
precies den dag van mijne komst.”
„Zal ik een rijtuig voor u bestellen, mijnheer?” vraagt een persoon,
komende uit de derde klasse, die blijkbaar den koffer van den
aangesprokene draagt.
„Laat maar, Dirk,” is het antwoord, „’t is mooi weder en ik loop
liever. Den koffer kunt ge wel hier laten staan.”
We zien spoedig, dat beiden zeelui zijn. De eerste met zijne kranige
uniform en lange sleepsabel met verguld gevest is blijkbaar een
stuurman van eene der groote Suez-booten. De andere doet in houding en
kleeding duidelijk den zeeman kennen, die eene ondergeschikte
betrekking aan boord bekleedt. Het is een bootsman en de eerste is aan
boord van hetzelfde vaartuig 1e stuurman. Zij slaan den weg naar
Drongelen in en spreken, hoewel zeer verschillend in rang, vrij
kameraadschappelijk.
„Die verandering kan me nog steeds niet bekoren,” zegt de stuurman.
„Het is me als ontsieren die ontzaggelijke dijken deze streek en die
nieuwe woningen, gelijk van grootte en van bouworde hebben voor mijn
gevoel iets van kleine kazernes. Wat een verschil met vroeger. Nu alles
water, waar toen het vriendelijke veerhuis stond; nu een machinist op
de stoompont, terwijl men vroeger zonder dat eeuwige kettinggerammel
werd overgezet met de zacht glijdende veerpont; nu een zwijgende, zij
het ook beleefde beambte, en vroeger een prettige veerman, die voor
ieder een oude kennis was. Het graven van de Nieuwe Maas moge al eene
groote verbetering wezen, voor mij is het eene verstoring van prettige
herinneringen uit mijne jeugd.”
„Ik heb niet zooveel reden om het verleden met genoegen te herdenken,”
zegt de andere, „en toch doen die veranderingen ook mij pijnlijk aan.
Ik wil gelooven, dat zij, die dit breede water en die dijken langzaam
zagen ontstaan, er niet zooveel gevoel voor hebben als wij
vreemdelingen, het is voor hen ook zoo onbekend niet.”
„Zoo is het,” herneemt de eerste. „Wij willen gaarne alles terugvinden,
zooals we het verlieten, vandaar de teleurstelling.
„Zie, ginds hebben we Stans haast levenloos uit het water gehaald. Waar
zou ze nu zijn, zou ze me al wachten?”
„Stellig wel,” antwoordt de bootsman, „ginds bij den meester zit ze
onder de waranda.”
De stuurman snelt zijn reisgezel vooruit en is weldra aan het
Drongelsche schoolhuis. Zijne aanstaande snelt hem tegemoet.
De lezers twijfelen zeker niet meer aan de namen der onbekenden. Het
zijn Anton Groen en Dirk Oudkoop. Nauwelijks was het stoomschip aan den
wal of beiden hebben zich gehaast hunne oude woonplaatsen te bereiken.
En waarlijk geen wonder. Weldra zal het huwelijk voltrokken worden
tusschen Anton Groen en Constans van den Oever.
Er heerscht vreugde over de komst van den knappen, stoeren zeeman op
Vrederust en in het geheele dorp. Anton en Stans, de laatste niet meer
een meisje, maar eene bevallige dame, worden om strijd gevierd.
Bovendien zijn er feesten op til, groote feesten voor oud en jong. Er
zal een eereboog gemaakt worden, de muziek van een fanfarecorps zal
klinken door het stille dorpje; de jeugd zal zakloopen, mastklimmen en
turfrapen en allen zullen rijkelijk worden onthaald.
De dag van het feest overtreft de werkelijk reeds gespannen
verwachtingen. De dorpelingen vieren feest, als ze nog nooit gedaan
hadden; de hoera’s weerklinken door de lucht en het „lang zullen ze
leven” weergalmt langs de straten. Groote tafels zijn aangericht op den
ruimen dorschvloer en als bruid en bruidegom komen om de gelukwenschen
te ontvangen, schijnt er aan het gejubel geen einde te komen.
Ook binnen is het feest in vollen gang. Mr. Roelof van den Oever put
zich uit in de vroolijkste toosten. „Of hij spreken kan! Nu, daar is
hij advocaat voor,” zegt Janus, die in een gemakkelijken stoel op den
dorschvloer zit te brommen, tot groot vermaak der aanwezigen. Janus
leeft nog, maar de kleinkinderen van den burgemeester zal hij wel niet
meer vergezellen. De andere oude man in de voorkamer, die tusschen den
advocaat en mevrouw van den Oever is geplaatst, ziet er nog krasser
uit. Het is Thijs, de gelukkige grootvader van den bruidegom. De heer
en mevrouw Van den Oever zijn weinig veranderd. De burgemeester is
alleen wat gezetter geworden en bij zijne echtgenoote beginnen zachtjes
aan zilveren draden zich door de haren te weven. Ook zij hebben reden
tot vroolijkheid en zijn niet minder gelukkig, dan de oude
veerschipper.
„Dit is de schoonste dag van mijn leven,” herhaalt de burgemeester
telkens en zijne vrouw beaamt dit ten volle.
Nog andere oude kennissen treffen we aan tusschen de vele gasten aan
den feestdisch. De heeren Den Bosch en Zwart met hunne vrouwen en nog
vier andere onderwijzers, we weten wel wie die zijn, treffen we hier
aan.
Wie echter het meest bijdraagt tot de algemeene vroolijkheid is de
ronde zeeman aan het raam, het is kapitein Rondhout.
Na de voltrekking van het huwelijk vestigt het jonge paar zich
metterwoon te Rotterdam. De telkens wederkeerende afwezigheid van haar
man is voor de jonge vrouw eene schaduw op haar geluk. Het wederzien na
de scheiding is evenwel weder te aangenamer en gezelschap heeft ze
steeds. Haar oude vriend, nu haar grootvader, woont bij haar in en ik
weet niet, wie het meest wordt vertroeteld, de oude man of de jonge
vrouw. Dit is zeker, dat ze de meest oprechte genegenheid voor elkander
koesteren.
Thijs Groen had dus wel een gelukkigen ouden dag. De zorgen en de
liefde, aan zijn kleinzoon besteed, werden hem ruimschoots vergolden en
hij heeft den dag mogen beleven, dat deze als kapitein van eene der
Suez-booten den Waterweg afvoer.
Dirk Oudkoop is ook reeds gehuwd en verdient als bootsman ruim zijn
brood. Hooger in rang is hij niet gestegen, daarvoor had hij zijne
schooljaren te veel verwaarloosd. Ook kapitein Rondhout is nog in leven
en woont stil op een lief, klein buitentje te Kralingen. Verder het
land in, al is er het leven misschien goedkooper, wil hij niet. Hij kan
de scheepslucht niet missen en menige wandeling maakt hij met zijn
vriend Thijs langs de Boompjes.