Toon heeft nu voor goed zijn beroep gekozen. Hij zal opgeleid worden
voor stuurman bij de groote vaart en, zoo het hem mag gelukken, hoopt
hij eenmaal als zoodanig geplaatst te worden op eene der groote
passagiersbooten naar Oost-Indië of Amerika.
Het toelatingsexamen voor de zeevaartschool zal in de maand Juni worden
afgenomen en die tijd nadert snel. De laatste weken werkt hij met
verdubbelden ijver, want hij zou gaarne in alle vakken een voldoend
cijfer behalen. De adspiranten, die in alle vakken een goed examen
afleggen, hebben de voorkeur om in het gesticht te worden opgenomen, en
het is bekend, dat het aantal mededingers vaak meer dan het dubbele
bedraagt van het aantal beschikbare plaatsen.
Toon was in alle vakken goed onderlegd, behalve in Fransch en Engelsch,
waarin hij nog maar kort had les gehad. Gelukkig werd de kennis van de
Engelsche Taal niet vereischt.
Op den dag van het examen gevoelde Anton zich niet erg op zijn gemak.
Trouwens geen wonder. De jongen had geheel alleen de reis naar
Amsterdam gemaakt. Hij moest vroeg zelfstandigheid leeren, was de leus
van kapitein Rondhout en diens woord was voor grootvader Thijs eene
wet.
Het examen zelf viel den knaap echter niet tegen. Reken-, stel- en
meetkunde ging hem zeer gemakkelijk af, evenals Nederlandsche Taal,
Geschiedenis en Aardrijkskunde. De vragen en opgaven waren veel
gemakkelijker, dan hij zich had voorgesteld.
Al ging het nu met de Fransche Taal wat minder goed, hij maakte over ’t
geheel een goed figuur.
Anton Groen kwam met no. 12 op de ranglijst en werd toegelaten op de
kweekschool voor Zeevaart.
Tegen het einde van de maand Augustus, dus kort na de thuiskomst van
Dirk uit de gevangenis, brak voor Anton een nieuw levenstijdperk aan.
Het leven in de groote stad Amsterdam en de nieuwe omgeving deden de
eerste weken bij den dorpsjongen heimwee ontstaan. Lang duurde dit
niet. Spoedig had hij vele vrienden onder zijne medescholieren en
eveneens onder zijne superieuren.
Reeds het tweede jaar van zijn verblijf op de kweekschool deed hij
zijne eerste reis op een koopvaardijschip naar de Levant en weinige
jaren later was hij 3e stuurman op eene der booten van de maatschappij
Nederland, die door het Suez-kanaal een geregelden dienst op
Nederlandsch Oost-Indië onderhouden.