We verplaatsen ons in gedachten eenige maanden later. Het is in den
nazomer. Van de rampen, die de dorpen in het land van Heusden
geteisterd hebben, zijn alle sporen verdwenen. De huizen zijn hersteld
of weder opgebouwd. De velden prijken met een goed gewas en zullen
stellig een overvloedigen oogst opleveren. Deze vergoedt misschien den
landbouwers voor een deel de schade, aan het winterkoren geleden.
Ook het huis van vrouw Oudkoop vertoont een heel ander aanzien, dan
gedurende den watervloed. Wel was de schade vrij aanzienlijk, doch op
kiesche wijze is de weduwe door den burgemeester en door kapitein
Rondhout geholpen. Zij zelve is weder de oude van vroeger. Rustig leeft
ze voort van de opbrengst van het eenig overgebleven stukje weiland,
van den boomgaard en hare kippen. Haar zoon is nog gevangen, doch ze
kan hem iederen dag verwachten. Zijn tijd is bijna om.
Op het Drongelsche veer is alles, zooals voorheen. Thijs zet over met
pont en boot. Anton studeert hard, maar hij krijgt nu alleen les. De
gezellige tijd van vroeger is verdwenen. Roelof is te Gorinchem op het
Gymnasium; Stans is op eene kostschool nabij Arnhem en de vier
onderwijzerszoons gaan op de Rijksnormaallessen te Heusden, de beide
oudsten zijn geslaagd voor de eerste, en de anderen voor de
voorbereidende klasse. Zij hebben, als ze niet in Heusden op de les
zijn, druk hun werk, en alleen op Zondag kan men hen nog vaak op het
Drongelsche veer aantreffen. Toon is dus alleen over, maar ook zijn dag
van vertrek nadert. Het zal niet lang meer duren of het prettige
troepje jongens is uit elkander. Loopen hunne levenspaden echter in
verschillende richting, hunne vriendschap houdt hen bijeen.—
De genegenheid tusschen vrouw Oudkoop en haar jeugdigen oppasser en
redder in de bange winterdagen is zoo mogelijk nog sterker geworden. De
jongen zal nooit te Eethen komen of hij brengt haar een bezoek. Met
verlangen verbeidt de weduwe den Maandagmiddag, als haar jonge vriend
bij mijnheer Den Bosch les haalt. Zij brengt hare eieren niet meer te
Heusden ter markt; ze heeft hare afnemers gezocht en gevonden te
Waalwijk, waarheen de weg langs het Veer leidt.
Het is weder Maandag en Anton pakt na afloop der les zijne boeken
bijeen. Hij slaat den weg in naar de bekende kleine boerderij. Vrouw
Oudkoop staat reeds op den uitkijk en begroet den jongen hartelijk.
„Kom je nog een oogenblik met de oude vrouw praten, beste vent? Daar
doe je wel aan. Ik heb een lekker kopje warme melk voor je klaar.” Ze
gaat hem voor in het ruime, eenvoudige ingerichte vertrek.
„Ik ben zoo blij, dat je gekomen bent Toon, ge kunt niet denken, hoe
verheugd ik ben. Van avond komt mijn jongen thuis en ik had er zoo vast
op gerekend je hier te hebben, als hij weder voor ’t eerst voet in huis
zet. Ik zou zoo gaarne hebben, dat gij tegenwoordig waart bij het
weerzien en dat gij hem ook met een handdruk wildet verwelkomen. Ik
weet wel, dat ge het mij wel tienmaal verzekerd hebt, maar toch durfde
ik u niet te vragen. Nu het zoo treft, dat ge uit u zelve hier zijt,
had ik zoo innig graag, dat ge met mij op Dirk wachttet. Zoudt ge dat
willen? Zeg het maar gerust, jongen. Maar neen, hoe kan ik het vragen.
Gij zijt altijd zoo eerlijk en Dirk is....”
„Kom, kom, vrouw Oudkoop, geen praatjes hoor. Je weet heel goed, dat
het ook mijn wensch is met je zoon goede vrienden te worden. Het zal me
een genoegen zijn hem de hand te reiken.”—
„Goeie, beste Toon. Als alle menschen zoo maar waren, dan zou er nog
wel een beter mensch van hem groeien. Ik ben altijd zoo bang voor de
gevolgen, als ieder de handen van hem aftrekt. Zou hij nog wel ooit
ergens werk krijgen? Of zouden allen zeggen: ga heen, een.... een....
kunnen we niet gebruiken.”—Het woord dief wilde de moeder niet van de
lippen.
Eene donkere schaduw glijdt langs het raam; het tweetal bemerkt den
nieuwaangekomene niet, die aarzelend door de op een kier staande deur
kijkt.
—„Dat is al in orde, vrouw Oudkoop. Roelof heeft er reeds bijtijds voor
gezorgd. Zoodra Dirk thuis is, mag hij weer bij den burgemeester in
dienst komen. Na al, wat gij van hem verteld hebt, gelooven ze op
Vrederust stellig, aan zijne beterschap. Later, als hij liever hier
vandaan wil, is er nog iemand, die hem gaarne zal voorthelpen. Met
goeden wil kan hij zeer zeker een degelijk mensch worden.”
„En die iemand is Toon Groen, niet waar?”—
„Hoe zou dat nu kunnen, vrouw Oudkoop, hoe zal ik iemand kunnen helpen,
die zelf nog niets ben. Neen hoor, ’t is een ander, maar dat is van
later zorg.”—
„En zult ge u ook niet schamen met Dirk samen te zijn?”—
„Ik wil dadelijk met hem gaan wandelen, ’t heele dorp door; wat ik zeg,
meen ik, dat weet u wel.”—
Aarzelend wordt de buitendeur geopend.
„Daar is Dirk”, roept de vrouw verheugd uit, terwijl ze hem tegemoet
snelt.
„Moeder!” is het antwoord en de verloren zoon valt haar snikkend om den
hals.
Anton is verlegen met zijne houding. Gaarne had hij moeder en zoon
alleen gelaten, maar zijn plicht gebood hem te blijven.
Eindelijk maakt de moeder zich los uit de armen van haar zoon, die
onthutst en beteuterd voor zich uit ziet. De aanwezigheid van een
vreemde maakt hem beschaamd.
Toon treedt nu naar voren en met de woorden: „dag Dirk, welkom thuis,”
steekt hij hem de hand toe.
De ontslagen gevangene grijpt die gretig aan. „Je wilt me dus nog
kennen, Toon,” vraagt hij, zonder de oogen op te slaan. Maar op
hetzelfde oogenblik laat hij angstig de aangeboden hand los en
bedremmeld klimt hij de zoldertrap op om alleen te zijn. Het gezelschap
benauwt hem. De woorden van vergeving, zooeven aan de deur overdacht,
willen hem nog niet over de lippen.
Anton staat op om te vertrekken.
„Ik kom eens gauw terug, vrouw Oudkoop. Nu moet ik heen. Als Dirk lust
heeft, komt hij me maar eens opzoeken.” En zacht fluistert hij haar in
’t oor: „Zorg, dat hij morgen op Vrederust vergeving gaat vragen”—
„Dag beste jongen. God zegen je!” zegt de dankbare moeder, terwijl ze
hem uitlaat.