Op het tijdstip, dat Anton zijn levensgevaarlijken tocht om den dokter
deed, was het water reeds aanzienlijk gevallen. Elken dag werd het
lager en het duurde nog slechts weinige weken of de meeste wegen waren
vrij van water en alleen nog bedekt met eene ontzaggelijke ijskorst.
Voor we ons verhaal verder voortzetten, komt het me wenschelijk voor,
nog eens voor ’t laatst een blik naar Nieuwkuyk te werpen.
Het werk der beringing of met andere woorden het leggen van eene
ringkade om de doorbraak aan de buitenzijde van den dijk, waar binnen
het nieuwe dijkvak zou worden aangelegd, was omstreeks half Januari
voltooid. Den 17den Januari werd te Vlijmen het leggen van den dijk
aanbesteed. De laagste inschrijvers waren de heeren Van Haaren (van
Utrecht en van Kerkdriel), en de heeren De Vries van Rossum. Aan deze
beide laagste inschrijvers werd het werk gegund. Dat zij heel wat
aandurfden, bleek duidelijk uit de biljetten van de overige zes
mededingers. De hoogste inschrijver toch vroeg voor het werk meer dan
100,000 gulden. De verwachtingen, die het dijkbestuur in tegenstelling
van vele anderen koesterden van de voortvarendheid der genoemde heeren,
werd niet gelogenstraft. Reeds denzelfden avond begonnen ze de richting
uit te bakenen trots koude en sneeuwjacht, en den volgenden dag kon met
het reuzenwerk een aanvang worden gemaakt. Een reuzenwerk zeg ik en met
recht. Het was niet zoozeer den omvang, dan wel de groote moeilijkheden
er aan verbonden, die het dien naam waardig maakte. Niet alleen was de
grond bedekt met eene dikke ijslaag, maar de bodem zelfs was tot
decimeters diep bevroren. Op vijf punten werd de arbeid begonnen en met
den grootsten spoed, met taaie volharding voortgezet. Eerst werd het
ijs weggeruimd, daarop de steenharde grond losgebroken en eerst toen
kon met het leggen van den dijk worden aangevangen.
De arbeid vorderde snel en de pogingen der heeren aannemers schenen met
gunstigen uitslag bekroond te worden. Er gebeurde echter iets, dat
aller arbeid tevergeefsch dreigde te doen zijn. Plotseling viel de dooi
in, een hevige, onrustbarende dooi. Het ijs op de rivieren raakte los,
het water wies met het oogenblik en de dijk was in lange niet gereed en
verre van sterk genoeg, om de watermassa te weerstaan. Ieder oogenblik
kon de ijsvloer over het Bossche Veld losscheuren en konden de
ontzaglijke, opeen geschoven, opgestapelde schollen den zwakken, hier
en daar nog uiterst lagen dam verwoesten. Eene tweede, maar nu veel
wreeder overstrooming stond voor de deur. Waar zou het einde zijn, als
de verwoestende golven nu ook de alles meesleurende ijsschollen zouden
landwaarts voeren en huizen, neen, heele dorpen wegmaaien!
Slapeloos lag een der aannemers op zijne legerstede, terwijl drie der
andere heeren in de directiekeet zaten. Daar schiet hem plotseling de
gedachte door het hoofd, dat een houten teen met eene behoorlijke
verzwaring den dijk misschien redden kan. Terwijl hij zich naar de keet
spoedt, werkt hij zijn plan verder uit. Het wordt zonder veel beraad
door de andere heeren goedgekeurd en den volgenden morgen reeds werd
eene vergadering van het dijkbestuur te Heusden belegd om het plan te
bespreken. Ook hier werd het met vreugde begroet en werden de
voorwaarden voor overwerk op billijke wijze geregeld. Aan den C. van
Haaren is voorzeker voor een goed deel het behoud van den dijk te
danken.
Er dreigde echter nog meer gevaar.
Eenige kwaadwilligen trachtten den 27sten Januari de ringkade door te
steken. Hun toeleg werd gelukkig bijtijds verijdeld.
Een anderen keer werd eene wel ontdekt in den nieuwen dijkaanleg. Eerst
laat werd het gat gevonden en slechts 14 mannen hadden de wacht; de
anderen waren op grooten afstand in keeten en hutten gehuisvest. Het
water stroomde reeds bruisend en kokend door de steeds grooter wordende
opening. De aannemers waren bijna radeloos, al behielden ze hunne
tegenwoordigheid van geest.
Hadden ze voldoende manschappen onder hunne bevelen, dan kon het gat
nog gestopt en het gevaar afgewend worden.
Het heele detachement infanterie, in Nieuwkuyk gelegerd, onder bevel
van sergeant Jhr. van Panhuis, bood zijne diensten aan. Met deze
welwillende hulp en nog andere toegesnelde personen werd de strijd
tegen het water aangegord. De wakkere aannemers stonden zelve half het
lichaam in ’t water, gaven hunne bevelen en vuurden allen tot de
grootste krachtsinspanning aan. De overwinning was het heerlijke loon.
Het steeds wassende water en de voortdurende dooi bemoeilijkten den
arbeid zeer, maar door een nog grooter aantal arbeiders, veel meer
karren en door te arbeiden, dag en nacht werd eindelijk het werk met
den schitterendsten uitslag bekroond. Den 17en Februari werd na slechts
30 dagen arbeid, het dijkvak opgeleverd. De aannemers ontvingen den
persoonlijken dank van de ministers van Waterstaat en Binnenlandsche
zaken, die enkele dagen van te voren het werk bezichtigd hadden. Eene
som van 8000 gulden aan premie werd hun uitbetaald wegens het 10 dagen
vóór den tijd gereed zijn en feestelijk werden ze met de stoomboot naar
’s Hertogenbosch gebracht.
Keeren we echter tot den held van het verhaal terug. De dijk was dicht
en zooals we in het begin van dit hoofdstuk zeiden: de wegen waren
weldra vrij van water. Ze waren echter nog lang niet vrij van ijs. Had
de dooi aangehouden, het ijs zou spoedig verdwenen zijn, maar dit was
niet zoo. Eensdeels was het nog maar gelukkig. Honderden werklieden
vonden arbeid in het opruimen van de verbazend dikke schollen, die als
een boog alle wegen overdekten. De arbeiders, die met houweel, bijl en
spade het werk verrichtten, kregen elk een gulden daags. Dit was hunne
eerste verdienste na den bangen winter. Zonder dit zouden ze nu toch
wel geleefd hebben, maar het is voor een eerlijk huisvader veel
opwekkender zelf zijn brood weder te verdienen, dan nog langer te
moeten leven van de publieke liefdadigheid, hoeveel lof deze ook
toekwam in die donkere dagen.
Anton was nog te Eethen. Zijn grootvader bevond zich reeds op het
veerhuis en zijn kleinzoon zou hem spoedig volgen. De eerste weken
bleef hij op dringende uitnoodiging van mevrouw Van den Oever nog op
Vrederust. De jongens waren evenals Pieter en Hendrik den Bosch met
frisschen moed aan ’t werk gegaan. De examens stonden voor de deur en
studeeren was de boodschap. De schade moest ingehaald worden en het
moet gezegd worden, ze werd ook ingehaald. Allen werkten om ’t hardst.
Dit nam niet weg, dat ze geregeld bezoeken aan vrouw Oudkoop bleven
brengen. De oude vrouw was hun lief geworden en deze van haar kant wist
geen woorden te vinden om hare dankbaarheid te uiten. Sinds het bezoek
van den dokter, die nog een paar malen terug was gekomen, nam ze
gaandeweg in beterschap toe en nu reeds mocht ze een enkelen keer
buiten komen. Ook woonde ze niet meer op den zolder. Met behulp van
Janus, den brompot, en de meid van den burgemeester was het huis weder
in orde gebracht.
Om den jongens een genoegen te bereiden, had de inmiddels voor goed
thuis gekomen burgemeester de ar van den stalzolder laten halen. Een
paard met rinkelend bellentuig werd er voor gespannen en voort ging
het. Vele plaatsen en ook Nieuwkuyk werden bezocht. Tal van arresleden
kwamen ze overal tegen. De wegen waren uitstekend geschikt voor een
sledevaart en vele gegoeden maakten er ook gebruik van. Nieuwkuyk bood
een toonbeeld van ellende en verwoesting aan. De beschrijving besparen
we onzen lezers maar. Ze hebben al genoeg kennis gemaakt met de rampen
van den watervloed.
Toon vertrok eindelijk voor goed naar huis en met leede oogen zagen
Stans, Roelof en de jongens Den Bosch hun trouwen makker vertrekken. De
studie werd nu op den ouden voet voortgezet en Anton toonde dag aan dag
meer, dat hij ook nog iets anders kon dan roeien en ijsloopen.
Vrouw Oudkoop was spoedig geheel hersteld en kon haar eerste bezoek
afleggen bij haar ongelukkigen jongen. Ze sprak hem bij deze en vele
volgende gelegenheden van de liefde der jongens, van Stans en de heele
burgemeestersfamilie en vooral van de zelfopoffering van Anton. Hare
woorden en hare liefde hadden eene goede uitwerking. Bij Dirk vertoonde
zich iederen keer meer eene merkbare verbetering en ten slotte beloofde
hij zijne liefhebbende moeder met tranen in de oogen een beter mensch
te zullen worden, en deze, gelukkig als ze was, sloeg de armen om den
hals van den beminden zoon. In de gevangenis deed hij zijn best het
vertrouwen der wachters te winnen en zijne oppassendheid gaf hem vele
voordeelen te genieten, die hem anders ontzegd zouden zijn. Het
grootste genot was zeer zeker, dat hij er dikwijls zijne moeder
ontvangen mocht.