Het oude rijmpje: „Mist, heeft vorst in de kist,” werd ook nu weder
bewaarheid. Op den dag, dat Roelof en Anton verlost werden uit den
molen, was de vorst ingevallen en wel met zulk eene strengheid, dat in
korten tijd de watervlakte met een dikken ijsvloer was bedekt. In hoe
weinig tijd het zoo sterk had gevroren, dat de vaart gestremd was en de
gemeenschap der dorpen onderling te voet kon geschieden, kan ik me niet
goed meer herinneren. We kunnen het echter vrij nauwkeurig bepalen. We
lezen immers, dat met den storm van den 7den en 8sten Januari het water
schuimend en bruisend door de hulpgaten zich een weg baande.
Een droevig feit op den 18den Januari—de herinnering er aan is me nog
levendig bijgebleven—geeft ons de wetenschap, dat toen reeds door
reizigers den weg van Vlijmen over het Bossche Veld naar ’s
Hertogenbosch te voet werd afgelegd. De bedoelde noodlottige
gebeurtenis, hoewel die tot ons verhaal in geen enkel verband staat,
wil ik toch in korte woorden vertellen.
De heer J. A. Vesters, verslaggever van „het Huisgezin” en vader van
zeven jonge kinderen, keerde op dien datum tegen den avond van het
terrein der doorbraak huiswaarts. Verscheidene lieden hadden hem den
tocht over de uitgestrekte ijsvlakte afgeraden. Plichtsbesef weerhield
hem te blijven; bovendien wachtte zijne vrouw hem stellig en hij wilde
haar niet in ongerustheid laten. Het was vreeselijk weêr. De
sneeuwjacht joeg hem in ’t gelaat, de wind gierde over de vlakte en de
koude ging hem door merg en been. Toch schreed de tengere man moedig
voorwaarts, hoe zwaar het hem ook viel. Onderweg kwam hem de postbode
van Den Bosch op Heusden tegen,—M. van Grondelle—die hem met klem
trachtte te bewegen met hem terug te keeren. Hij liet zich niet
overreden, helaas! Na zich nog eene poos te hebben voortgesleept, deed
zich bij Vesters de vermoeidheid met het oogenblik sterker gevoelen.
Zijne ledematen verstijfden, het bloed kwam hem uit den neus. Eindelijk
zonk hij neder.
Den volgenden middag werd zijn lijk gevonden in de houding van iemand,
die uitgeput in slaap gevallen is. Het was half bedolven onder de
sneeuw.—
Omstreeks denzelfden tijd, dat de heer Vesters op zoo droevige wijze om
het leven kwam, begaven zich de jongens Roelof en Anton op weg naar
vrouw Oudkoop. Het was niet de eerste keer na hunne gevangenschap.
Reeds den dag van hunne verlossing hadden ze met Roelofs moeder en
Thijs de zieke bezocht en haar in een erbarmelijken toestand
aangetroffen. Door de krachtige hulp van mevrouw Van den Oever was zij
wel weer een weinig opgekwikt, maar beterschap kwam er niet.
Integendeel, de zieke vrouw werd gaandeweg erger. Iederen dag werd ze
nu door de jongens bezocht, soms meer dan eens. Deze maakten de kachel
voor haar aan, brachten haar het zoo begeerde kopje koffie en heerlijke
soep.
Eens per dag ook kwam de meid van den burgemeester mede om
werkzaamheden te verrichten, die de jongens niet doen konden. Mevrouw
zelve kwam niet meer. Eene hevige verkoudheid belette haar uit te gaan.
Ook nu, we weten in welk weder, begaven zich de jongens naar de zieke
en brachten het potje soep mede. Ze traden binnen en vonden de arme
weduwe in eene ijlende koorts. Het was verschrikkelijk, het lijden der
vrouw aan te zien. Eenige oogenblikken stonden de knapen als aan den
grond genageld. Zoo iets hadden ze nooit bijgewoond. Eindelijk hield
het verwarde spreken op. De strakke trekken ontspanden zich en de
starende oogen vielen dicht. Behoedzaam slopen de jongens nader. Eerst
meenden ze, dat de ongelukkige dood was. Dit vermoeden bleek gelukkig
onjuist. Er was nog leven, maar hoelang zou het duren? Nog één hevige
aanval van koorts en ’t was gedaan, dat beseften ze zeer goed. Wat te
doen?—
„We moeten om den dokter. Als er vandaag geen hulp komt, moet ze
sterven,” meende Roelof.
„Een dokter moet er komen, dat is zeker,” sprak Anton, „maar wie zal er
om gaan in dit weder? Was grootvader maar thuis of de meester. Ze zijn
van morgen naar Heusden vertrokken om voeding en brandstof en komen
stellig niet voor den avond thuis.”
„Laat ons samen gaan,” hernam Roelof.
„Neen, dat in geen geval,” gaf Toon ten antwoord. „Uwe moeder zou het u
nooit toestaan. Weet je wat. Ik ga naar Drongelen en als ik daar ben,
zal ik wel verder raad schaffen. Ga jij intusschen naar huis en vraag
je moeder om raad.”
Zoo gebeurde het ook. Roelof maakte eerst wel tegenwerpingen, maar
moest zwichten voor de redeneering van zijn vriend. Wanneer ze eerst
naar huis gingen, zou mevrouw nooit toestaan den tocht over het ijs te
wagen. Eer er een ander gevonden was, zou het te laat zijn om een
dokter mee te krijgen.
Roelof ging huiswaarts en Anton maakte zich reisvaardig. Hij zette den
kraag van zijne duffelsche jas op, deed eene groote wollen das om, trok
de muts over de ooren en deed de broek in de laarzen. Gewapend met een
ijshaak toog hij moedig op weg. Jemmy volgde hem. Gaarne had hij het
arme dier teruggebracht, maar hij gunde er zich geen tijd voor. De
tocht viel hem niet mee. Wel had hij gerekend op groote bezwaren, zóó
moeilijk echter als de werkelijkheid zich deed kennen, had hij het zich
niet voorgesteld. De oostenwind zwiepte de scherpe sneeuw tegen zijn
gelaat; het kostte hem groote moeite om op de been te blijven. Nu eens
gleed hij uit over de spiegelgladde vlakte, dan weder waadde hij tot de
knieën door de opgehoopte sneeuw, een volgend oogenblik stond hij voor
een wak of open watervlak en moest hij een omweg maken om verder te
kunnen. Eer hij half weg was, had eene doodelijke vermoeidheid hem
overvallen. Toch sleepte hij zich moedig voort, aangemoedigd door zijn
hondje, dat blaffende tegen hem opsprong. Het gladde ijs, de
sneeuwheuvels waren lastig, maar oneindig meer last gaf hem de scherpe
sneeuwjacht. Alleen wie zelve in een sneeuwstorm is geweest, kan zich
het gevaar voor stellen, waarin de moedige knaap verkeerde.
Een slaperig gevoel kwam over hem, dat hij met moeite bestreed. Hij was
reeds dicht bij Drongelen. Daar struikelt hij over een sneeuwberg. Te
vermoeid om op te staan, zinkt hij neder op de witte vlokken, die,
scherp in het aangezicht, zooveel te zachter zijn om op te liggen. Zal
hij inslapen om niet meer te ontwaken? Neen, daarvoor zorgt Jemmy. Het
beest beseft het gevaar, waarin zijn baas verkeert. Het springt over
hem heen, likt hem het aangezicht, blaft hevig, en bijt hem ten laatste
zacht in de handen. Verschrikt ziet Anton op. Hij doorziet zijn
toestand en springt overeind; hij is gered.
Voorwaarts gaat het weder. De ijshaak dient hem tot steun. Eindelijk is
hij in het dorp en, beschut voor den storm, is hij weldra aan het Veer,
waar hij met blijdschap wordt ontvangen en waar hij als een gezonde en
sterke jongen spoedig van de vermoeienissen bekomen is.
Baas van den Hoven wil hem niet alleen laten gaan. Het gevaar is te
groot en al is de Zomerdijk droog en de weg dus niet zoo vermoeiend als
over het ijs, de sneeuwstorm is er even sterk. Een ander, bereid om
voor Dirk’s moeder een gewaagden en misschien nutteloozen tocht te
ondernemen, is niet te vinden en Toon is niet van zijn plan af te
brengen.
„Laat ons dan samen gaan, vader!” vraagt de oudste zoon des huizes. Van
den Hoven stemt nu toe en vlug spoeden de jongens zich voort.
Het is reeds laat in den middag als zij te Waalwijk aankomen. De
dokter, waar ze aanschellen, heeft geen trek den moeilijken tocht te
ondernemen. Anton smeekt hem om mede te gaan. De geneesheer laat den
dapperen knaap van de zieke en van zijne reis vertellen. Toen hij
hoorde van het levensgevaar, waaraan de flinke jongen door zijn hondje
ontsnapt is, roept hij uit: „Jongen, ik ga met je mee. Ik zou me altijd
voor je moeten schamen, als ik het niet deed.” Fluks wordt nu een
rijtuig met twee paarden ingespannen en als de dokter in de apotheek
een en ander heeft klaar gemaakt om mede te nemen, stijgt het drietal
in. Aan het veer worden de paarden op stal gezet en nu wordt de ijsvlet
in gereedheid gebracht, een bootje, dat van onder als slede is
ingericht. De geneesheer met Toon nemen er in plaats en een viertal
krachtige mannen met hooge laarzen duwen het vlet voort. Kwamen ze aan
een open watervlak, dan konden de mannen zich in de boot redden en
verder roeien tot het ijs weder sterk genoeg was, om het als slede
ingerichte vaartuig te dragen. Gelukkig konden ze telkens bijtijds een
wak ontdekken en behoefden ze er dus niet over te varen. Er omheen ging
natuurlijk veel sneller. Spoedig was de dokter bij de zieke. Zijne
komst was zeer noodig, den volgenden dag zou hij te laat gekomen zijn,
zeide hij. Hij deed eene keus uit de geneesmiddelen, welke van te voren
gereed gemaakt waren en begaf zich toen naar Vrederust, waar hij
huisdokter was. In overleg met mevrouw werden de noodige maatregelen
getroffen. Eene vertrouwde vrouw werd gevonden, om de zieke op te
passen en na de noodige wenken en voorschriften aan deze en ten
overvloede aan mevrouw te hebben gegeven, vertrok de geneesheer. Anton
was, zooals wel te begrijpen is, uitgeput van vermoeienis. Zoodra hij
thuis kwam, ging hij te bed en sliep weldra in. Hij had de heerlijke
voldoening een mensch het leven te hebben gered.
De moed en zelfopoffering van den knaap werden alom geprezen. Constans
wachtte den volgenden morgen met bewondering haar vriend en redder van
weleer op, om hem het eerst te kunnen geluk wenschen. Met bewondering
zeg ik, want het meisje zag tegen hem op als een held.