EEN GEVAARVOLLE TOCHT.

Het is stil geworden op Vrederust. De heer Van den Oever is gister met

den kapitein naar Heusden vertrokken. Met leede oogen zagen de jongens

beiden weggaan. Den vorigen dag hebben allen nog een bezoek gebracht

aan Dirks moeder. Mevrouw was ook medegegaan en voorzichtig had deze de

arme moeder in kennis gesteld met het tegenwoordige verblijf van haar

zoon. De burgemeester had beloofd alles in ’t werk te zullen stellen om

Dirks straftijd te verkorten. Vrouw Oudkoop was ontroostbaar over het

ongeluk en verweet zich zoo zwak te zijn geweest jegens haar eenig

kind. Hij had een meegaand karakter, zeide ze, maar slecht was hij

heusch niet. Alleen liet hij zich spoedig door iemand inpalmen en dat

was zijn ongeluk. Van gezelschap en oppassing wilde ze nu heelemaal

niet hooren. Ze kon de blikken van nieuwsgierige dorpelingen niet

verdragen en wilde liever alleen zijn, dan over haar zoon te hooren

spreken. Wanneer de jongens een enkelen keer bij haar kwamen, zou ze er

hoogst dankbaar voor wezen, maar anders had ze liever niemand bij zich.

Deze gevoelden zich nu eenzaam na het vertrek van den reeds beminden

zeeman. Roelof en Toon waren steeds samen. Hunne makkers Piet en

Hendrik moesten voortdurend thuis blijven om hunne moeder te helpen en

op te passen. Deze was ook ziek geworden en nu moesten de jongens bij

gebrek aan vrouwelijke hulp het huishouden doen.

Niet wetende wat te doen, lieten de beide knapen zich met de bakken

overzetten naar de pastorie. Daar gekomen, vroegen zij het primitieve

vaartuig een uurtje te mogen gebruiken. Dit werd hun gereedelijk

toegestaan, daar er toch nog een bootje aanwezig was voor wie er

gebruik van wilde maken. Ze vormden nu het plan om vrouw Oudkoop een

bezoek te brengen en haar zoo noodig met een en ander te helpen. Anton

wilde eerst nog een tweeden stok gaan halen, want dien ze hadden scheen

niet sterk te zijn. Roelof vond het echter minder noodig. Op de

pastorie was waarschijnlijk geen lang stuk hout te vinden en ze konden

immers om beurten het vlot voortduwen. De tocht ging aanvankelijk vrij

voorspoedig, tenminste voor zoo ver dat mogelijk is in een vlot van

twee voerbakken met twee korte balken er onder en een drooglat tot

riem. Ze stuurden aan de westzijde het dorp om. Nauwelijks waren ze een

eindje op de vlakte, of het kostte door den hevigen stroom heel wat

moeite om de bakken in de goede richting te houden. Met een boot voelde

men de kracht van het water niet zoo erg als nu op het vlot, anders

waren de jongens gewis niet met één stok op reis gegaan. Daarbij kwam,

dat een dichte mist het water bedekte, die op het vlakke veld

ondoordringbaar scheen. Nog niet lang waren ze op weg of de droogstok

brak en de jongens waren aan de willekeur van het water overgeleverd.

Ze hadden er door den nevel geen erg in gehad, dat ze reeds een eind

van het dorp waren afgedreven. Nu ze hulpeloos rondzwalkten, zagen

beiden spoedig het gevaar, waarin ze verkeerden. Roepen baatte niets,

hoezeer ze hunne kelen inspanden en niemand kon hen zien. Ze waren

zeker al een heel stuk afgedwaald en zelfs al had men hun geroep

gehoord, stond het nog te bezien of er eene boot bij de hand was om hen

terug te halen. Hoe het ook zij, er kwam niemand en de jongens hielden

op met hun noodeloos geschreeuw, om te beraadslagen, wat hun te doen

stond. Hunne hoop was nog op een ding gevestigd, namelijk, dat ze de

boomen langs den weg zouden kunnen grijpen om daarlangs met behulp van

een paar afgesneden takken terug te keeren. Op het veld was dit

onmogelijk, want daar stond te veel water om met korte latten grond te

kunnen bereiken. Fortuin was hun echter niet gunstig. Op eene plaats,

waar een paar boomen ontbraken, staken ze onwillens en onmachtig het te

voorkomen den weg over en dreven al verder en verder de wijde

watervlakte op, waar zelfs bij helder weder huis noch boom te zien zou

zijn geweest. Moedeloos hurkten de arme jongens elk in een bak op den

bodem van het lekkende vaartuig. Ze zetten de kragen op om zich voor

den guren wind en den natten mist te beschutten. Waren ze jonger en

minder flink geweest, ze zouden zeker in schreien uitgebarsten zijn. Nu

teekende de doffe, starende blik genoeg hunne wanhoop.

„Zouden de bakken het uithouden,” aldus verbrak Roelof de drukkende

stilte. „Verbeeld je, dat we hier eens zinken, er staat wel twee meter

water. Had ik maar niet zoo onvoorzichtig geweest en naar jou raad

geluisterd. Met nog een stok waren we gered.”

„De bakken zullen het wel uithouden,” zoo stelde Toon zijn makker

gerust. „Ze lekken niet noemenswaard en bovendien liggen er een paar

dikke balken onder. In het ongunstigste geval zullen we tot onze knieën

in ’t water staan. Het ergste is, dat we voorbij geen enkel huis komen.

De stroom gaat in de richting van de hulpgaten nabij Dussen in den

Almkerkschen weg. Deze zal wel een eind onder staan, maar verreweg het

meeste water vloeit door de vier hulpgaten nabij eerstgenoemd dorp. Ook

trekt het water naar de Bakkerskil, zoodat naar mijne berekening wij

juist tusschen Meeuwen en Babeloniënbroek door drijven en misschien aan

den Dussenschen dijk uit zullen komen. We vorderen echter langzaam hier

op de vlakte en hebben uren en uren voor den boeg. Waarschijnlijk zijn

we den heelen nacht op dit wrak. Als we ergens landen, zullen we

minstens verstijfd, misschien bezwijmd aankomen.”

Eene rilling loopt de beide jongens door de leden. Het vooruitzicht is

zoo donker mogelijk. Verbeeld u met een paar aan elkaar gespijkerde,

lekke bakken meegesleurd te worden over diep onder water staande

velden, met het vooruitzicht er den heelen nacht in nevel en koude op

door te brengen, zonder eenige beschutting, dan die hunner kleeren.

Eene heele poos zwijgen beiden onder den indruk van Toon’s

voorspelling. Ze zijn troosteloos. Nu en dan kijken zij even omhoog,

maar niets treft hun oog dan nevel en nevel. Zelfs geen struik steekt

boven de eindelooze zee uit.

Geruimen tijd zitten de ongelukkigen weder stil. Het water dringt

steeds meer in het vaartuig. Druppel voor druppel komt het binnen, maar

langzaam gaat zeker en de jongens zitten reeds tot de enkels in het

nat. Eindelijk rijst Toon vermoeid op en rekt zich de stijve leden.

„Hoe laat is het Roel?”—

„’t Is bij vieren, aanstonds wordt het donker.”—

„Zou er ook maanlicht zijn?” vraagt Toon weer.

„Ja, zeker het is volle maan of ’t scheelt niet veel!” roept Roelof

uit, terwijl hij bijna verheugd opspringt. „Gelukkig, want nu zal de

mist wel spoedig optrekken en dan kunnen we tenminste zien.”

„’t Mocht wat,” bromde Toon. „Licht of donker, we moeten maar willoos

voortdrijven met geen ander vooruitzicht dan den nacht in de bakken

door te brengen. Ik word er koud van, als ik me den toestand goed

indenk. Hu!”

„Er valt ons niets te doen dan te berusten en.... moed te houden. Ik

ben tenminste nog liever hier, dan in het lands-logement van den

Rooie.”—

„Wat een wonder!” zegt Toon. „Ik wou dat de ongelukkige stakker hier

was.”

„Ik niet hoor. Dat gezelschap is me niet bijzonder aangenaam. Wie weet,

wat kool hij ons zou trachten te stoven.”

„De Rooie is zoo slecht niet als we wel denken,” herneemt Toon, wien

het gevaar zeer verzachtend stemt jegens zijn aartsvijand. „Ik geloof

eer, dat hij bedorven is door zijne moeder, die hem in alles zijn zin

heeft gegeven. Van haar houdt hij veel, dat is zeker. Ik hoop, dat het

geval van voor drie dagen hem eens genezen zal. Weet je, wat we doen

moesten Roel! We zullen hem bij zijne terugkomst niet hard vallen en

trachten zijn vertrouwen te winnen. Als hij ziet, dat we ’t goed

meenen, sluit hij zich misschien wat bij ons aan.”

„Ik vind het plan heel aardig,” zegt de ander, „maar ik heb weinig lust

me met een dief af te geven.”

„Als we er zóó over denken,” antwoordt Toon, „handelen we evenals de

heele wereld doen zal, en er schiet voor Dirk niets over dan het

gezelschap te zoeken van zulke personen, als zijn verleider voor den

diefstal. Gerust Roel, we moesten hem wat helpen, al is het dan maar

voor zijne arme moeder. We behoeven daarom zijn makker nog niet te

worden. Wat ons te doen staat, zullen we over laten aan de

omstandigheden. Kom Roel, geef me je hand erop, dat je mee doet. Je pa

en je moe zullen ons stellig behulpzaam zijn en je zusje ook.”

„Je bent een beste jongen Toon. Hier is mijn hand. Ik ben je man

hoor!”—

Zoo werd op het water door de jongens, die zelve in groot gevaar

verkeerden, een edel verbond gesloten om een rampzalig mensch op den

goeden weg te brengen, om een vijand te vergeven. En de opkomende maan

wierp hare bleeke stralen over het tweetal, als wilde zij hun edel

voornemen bezegelen.

„De maan is er!” riepen beiden plotseling uit.

Zelden werd de nachtvorstin met zooveel vreugde begroet als door de

beide knapen. Met verlangen wierpen zij hunne blikken nu onbelemmerd in

’t rond. De maan had het mistkleed opgetrokken en in de verte ontdekten

ze bij het zwakke licht eene donkere stip aan den westelijken horizon.

„Zeker een groepje boomen,” zei Toon, „we drijven er rechtstreeks op

aan.”

„Neen!” roept Roel met blijdschap uit, „neen ’t zijn geen boomen. ’t Is

de Hengmensche molen. Dat we daar niet aan gedacht hebben, de molen

ligt juist in onze richting.”

In de grootste spanning brachten de jongens de daarop volgende

oogenblikken door. Zouden ze den molen kunnen bereiken of tenminste den

grooten boom rechts ervan of zou de stroom hen er dicht langs voeren,

zonder dat ze hem konden naderen?

De donkere groep deed zich werkelijk kennen als de bedoelde molen met

den alleenstaanden boom er bij. De bakken dreven langzaam voort juist

in de goede richting. Duidelijk konden ze weldra de wieken

onderscheiden, waarvan een geheel was afgebroken en eene andere

ongeveer half. Het luik boven in stond open en een eind touw hing er

uit naar beneden.

Een kreet van vreugde ontsnapte beiden knapen, toen Anton

voorovergebogen een tak van den boom had vastgegrepen. Met vereende

krachten gaven ze nu hun vaartuig een fikschen duw, zoodat het tegen

den molen aandreef. Hier werd het aan een der balken achteraan

vastgemaakt met een touw, dat Anton in zijn zak had. Terwijl Roelof

voor alle zekerheid het vlot stevig vasthield, klom zijn makker als een

kat tegen de balken op. Hij nam het touw in de hand en met behulp van

dit was hij in een oogenblik naar boven geklauterd en door het kleine

venster gekropen.

„Voorzichtig!” riep Roelof hem toe. „Verzet geen voet, eer ge steun

hebt. Je kunt gemakkelijk door een luik naar beneden vallen.”

„Steun heb ik al,” klonk het van boven. „Maar ik kan geen hand voor

oogen zien. ’t Is hier binnen stik donker. Hebt ge soms lucifers?”—

„Ja, nog een vol doosje.”—

„Goddank, kom nu maar vlug omhoog.”—

Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het houtwerk was nat en

glad van den mist en Roelof muntte niet uit in klimmen, zooals Toon.

Toen hij op den rand van een der bakken ging staan om zich naar boven

te werken, tapte hij het touw stuk en terwijl hij tot de knieën in ’t

water gleed, dreef het vaartuig langzaam af. Daar zat hij nu en goede

raad was duur. Met moeite klemde hij zich vast. Gelukkig was zijn

makker beter klauteraar dan hij. In een oogenblik was deze bij hem en

bond zijn zakdoek stevig om den balk. Hieraan had Roelof steun en toen

Toon den zakdoek van zijn kameraad nog eens hooger vastgemaakt had,

kwam de eerste eindelijk aan het touw. Hierdoor gesteund kwam hij ten

slotte bovenaan en klom, geholpen door Anton, het luik binnen. De

lucifers waren gelukkig droog gebleven. De jongens maakten licht en

zagen nu dicht bij hunne voeten in eene opening van den zolder eene

ladder staan. Deze klommen ze af en nu waren ze op een ruimeren zolder

dan boven, waar ze telkens gevaar liepen zich het hoofd te stooten

tegen de as van den molen en andere zware balken. Ook hier vonden ze

een trapgat, maar bij het licht van een lucifer bemerkten zij, dat de

daarop volgende zolder onder water stond.

„Hier dienen we ons in te richten,” sprak Anton. „Als ik me niet vergis

liggen op dezen zolder verscheidene voorwerpen, die ons van grooten

dienst kunnen zijn.”

„Ja, dat dient wel,” antwoordde Roelof. „De bakken zijn afgedreven en

we moeten wel blijven tot we verlost worden. We hebben nu veel van

Robinson Crusoë op het afgelegen eiland; alleen zullen hier wel geen

wilden komen.”

„Is het vlot dan weg?” vroeg Toon verschrikt.

„Ja, ik heb het touw losgetrapt en had genoeg te doen om me zelve vast

te houden.”—

„Dan kunnen we niet beter doen, dan geduldig wachten. We loopen geen

gevaar van verdrinken en eer we verhongeren zal wel eene boot voorbij

komen. Het eerste, wat ons te doen staat, is een stok zoeken en hem met

een zakdoek er aan bij wijze van eene vlag op den molen plaatsen. Steek

eens een lucifer aan, dan zullen we zien, wat er te vinden is.”—

De jongens waren niet ongelukkig. De watermolenaar had zijn huisraad op

deze verdieping in veiligheid gebracht. Zooals wel meer gebeurt, woonde

de molenaar met zijn gezin in het dorp. Daar hij echter bij hoogen

waterstand in den polder dagen lang en soms nachten in den molen moest

wezen, had hij eenige onmisbare voorwerpen bij zich, die nu hier

opgeborgen waren. Het eerste, wat ze vonden, was eene lantaarn. Ze

schommelden er mede; er was warempel olie in. De lantaarn werd

allereerst aangestoken en nu ging het zoeken in den rommelhoop

gemakkelijker. Eene flesch halfvol met petroleum werd voorzichtig in

een hoek gezet. Daarna haalden zij eene oude potkachel te voorschijn

met een paar stukken pijp. Vervolgens wat bossen stroo, eene bijl, eene

zaag en twee half versleten dekens. Gij kunt u voorstellen met welk

eene vreugde deze voorwerpen begroet werden door de verkleumde jongens,

wier beenen tot aan de knieën nat, en ijskoud waren. De kachel, hoe

roestig en oud ook, was gelukkig compleet en er was zelfs een elleboog

bij. Nu was er in het rieten dak van den molen een raampje met één

ruit. Deze werd stuk geslagen en de kachelpijp zoo goed en zoo kwaad

het ging er doorgestoken. Toen de kachel nu stond, ruimden ze eerst

alle brandbare voorwerpen op en begonnen daarna uit alle macht blokjes

hout te zagen en te hakken van eindjes balken en planken, die er in

overvloed te vinden waren. Met behulp van een bosje stroo werd er vuur

gemaakt en spoedig brandde de kachel, dat het een lust was. Toon klom

naar boven om te zien of er ook brandgevaar was. Zijn onderzoek was

zeer bevredigend. De pijp stak een heel eind buiten het dak, dat

trouwens doornat was en bijgevolg niet ontvlambaar. Het luikje,

waardoor de pijp stak, was van ijzer en leverde dus evenmin gevaar op.

Nu was het eerste werk eene seinvlag te plaatsen bovenop den molen en

toen dit was gebeurd met behulp van een stok en Roelofs zakdoek, konden

de afgetobde jongens eindelijk rust nemen. Het luik boven en dat op den

zolder, waar ze verbleven, werd met planken toegemaakt en weldra

verspreidde zich eene weldadige warmte over de ruimte. Eer ze echter

voor goed hun gemak konden nemen, moest er nog een en ander werk

verricht worden. Bij een tweeden ontdekkingstocht, vonden ze een

tonnetje halfvol steenkool. Die kwam goed te pas, daar de houtblokken

onrustbarend veel vlam gaven.

Van het stroo en de dekens werd in een hoek een leger gespreid. Toen

dit gebeurd was, ruimden de jongens nog eens alles op om te zien of er

nog iets van hunne gading was. De verschillende vondsten hadden hun

moed gegeven en opgeruimd en blij door den betrekkelijk gunstigen

afloop deden ze hun werk, onder druk gesprek over het avontuur en over

hun gezellig kamertje. Het was een geluk voor de jongens, dat de

molenaar door den haast alles had moeten achterlaten. Uit de wild op

elkaar geworpen hoop haalden ze nog iets anders dan brandstof. Roelof

vond bij het zwakke licht van den lantaarn een ijzeren pot zonder oor

en Anton een zakje aardappelen en in een kistje, met een verroest mes,

eene vork, en een stukje vet spek. Met gejuich werd alles begroet.

Anton ging naar beneden om water te halen en Roelof schilde onderwijl

eenige handenvol aardappelen.

„Hadden we nu maar zout,” zei de eerste, „dat is in ieder geval

smakelijker; hoewel, ik zal ze toch wel lusten, want ik rammel van

honger.”

„Geen nood,” zei Anton, „laat mij maar begaan, en ik maak een maal

klaar zoo lekker, dat we er van smullen.”

Toen eindelijk de pot met aardappels kookte, goot de jonge kok het

water er af en sneed reepjes spek, waarmede hij ze verder opstoofde.

Een lekkere geur van warm eten prikkelden de reukorganen der

uitgehongerde jongens. De pot deed dienst voor bord en schotel beide en

stond op een tonnetje. Toon en Roelof zaten er om heen, de een op een

vaatje, de ander op een boomstronk. Zij smulden van het eten en aten

alles schoon op, doch toen waren ze ook verzadigd. Nu eerst dachten ze

eraan, dat het water hun nog in de schoenen stond. Terwijl zij rustig

om de gloeiende kachel zaten, trokken ze kousen en schoenen uit, hingen

de eerste te drogen en zetten de andere op den voet der kachel. Na alle

moeite en gevaar gevoelden ze zich nu welbehagelijk te moede. Ze

dachten weinig aan den onrust, waaraan ze thuis ten prooi zouden zijn.

Roelof bracht dit onderwerp nog even ter sprake, doch hem werd spoedig

door zijn kameraad het zwijgen opgelegd. „We hebben genoeg met ons

zelven te doen gehad,” zeide deze, „om ons nog te vermoeien met de

ongerustheid van anderen. Grootvader zal ons morgen ochtend stellig

zoeken en men zal wel begrijpen, dat we niet verongelukt zijn.”

Geruimen tijd bleven ze nog bij de helder brandende kachel zitten.

Eindelijk doofde het vuur, ze bliezen de lantaarn uit en kropen

onbezorgd onder de dekens op hun strooleger.

Zoo gemakkelijk als Toon er over redeneerde, dachten ze te Eethen niet

over het verdwijnen der beide jongens. Ongeveer etenstijd, om half 5,

kwam er van Vrederust eene boodschap op het eiland, of Roelof er nog

was. Roelof en Anton waren samen naar de pastorie, maar daar ook Thijs

nog niet thuis was, dacht niemand er meer over. Een uur later kwam

mevrouw zelve en de jongens niet op het eiland vindende, maakte zij

zich ernstig ongerust. Thijs, die inmiddels thuis gekomen was, verborg

zijne eigen vrees en trachtte de burgemeestersvrouw gerust te stellen.

„Ze zijn bepaald weder op de pastorie teruggekeerd,” merkte hij op,

toen men hem vertelde, dat de jongens vandaar met de bakken vertrokken

waren.

Spoedig was een bode daarheen gestuurd. Deze kwam terug met de tijding,

dat de jongens noch de bakken sedert het begin van den middag daar

gezien waren.

„Misschien zijn ze wel naar vrouw Oudkoop gevaren. Het mensch is zeker

erger geworden en nu zullen Roelof en Anton haar wat helpen en

gezelschap houden. Wacht, ik roei er zelf even heen,” zei de oude.

Thijs vond het bij vrouw Oudkoop donker en koud. De weduwe lag

hulpeloos te bed en rilde van de koorts. Van de jongens was geen spoor

te vinden. De veerman bezat een medelijdend hart. Nu echter maakte

zijne eigen ongerustheid hem ongevoelig voor een anders leed. De oude

man gunde zich geen oogenblik om de zieke een vertroostend woord toe te

spreken en roeide snel terug met eene flauwe hoop, dat de jongens

inmiddels weergekeerd zouden zijn. Hij vond ze natuurlijk niet. Mevrouw

Van den Oever was doodelijk ontsteld en liep handenwringend rond. Ook

Thijs kon zich niet langer goed houden. Groote tranen biggelden hem

over de wangen. Beiden verdiepten zich in gissingen en stelden zich het

ergste voor. Hopeloos begaven zij zich naar den meester of die

misschien raad wist te schaffen. Deze liet beiden eerst bedaard

uitspreken, greep vervolgens zijn pet en jas en vroeg Thijs hem over te

zetten naar de pastorie. „Zet voor mevrouw een sterk kop koffie, dat

doet de zenuwen wat bedaren,” zeide hij tot zijne vrouw. „Ik zie nog

volstrekt geen gevaar. Ze zullen door den mist afgedreven zijn en nu

den terugweg niet kunnen vinden. De bakken zijn sterk en van omslaan is

met die dingen geen sprake. Stel u dus gerust. Hoogstens zijn ze wat

verkleumd van de kou. Ik zal op de pastorie eens gaan hooren. Toon en

Roelof zijn sterke en vlugge jongens, die zich wel zullen redden. Al

kwamen ze den heelen nacht niet terecht, dan bestond er nog geene

ernstige reden tot ongerustheid.”

De meester had spoedig voldoende gegevens verzameld om eene

gevolgtrekking te kunnen maken. Hij had alle bewoners van de pastorie

gesproken, die hem iets omtrent de jongens konden vertellen en zelfs op

het geringste acht geslagen. Hij wist nu, dat ze op weg waren gegaan

naar vrouw Oudkoop, dat ze Westwaarts omgevaren waren, juist waar de

grondslag zeer laag was en dat slechts één stok in de bakken lag. Een

kleine jongen vertelde, dat Toon een tweede stuk hout had willen

zoeken, doch dat Roelof één voldoende vond, en een grootere knaap

deelde mede, dat de droogstok dien morgen bij het over zetten half door

gebroken was.

Met deze kennis toegerust keerde de heer Den Bosch huiswaarts en gaf

aan de angstige moeder zijne zienswijze ten beste.

„Terwijl de jongens het dorp om voeren,” aldus onderstelde hij, „zullen

ze op de lage weiden veel moeite gehad hebben om met de bakken tegen

den stroom in te komen. Deze is op dat punt zeer sterk, de stok is bij

hunne pogingen gebroken en toen zijn ze met den stroom westwaarts

afgedreven. Door den mist zijn ze door niemand gezien en waarschijnlijk

waren ze te ver van de huizen, dat hun roepen gehoord is.”

„Dan zullen we zoeken, zoolang we ze hebben,” zeide Thijs.

„Dat zal noodelooze moeite wezen,” merkte de meester op. „Daar ze

minstens 5 of 6 uur op weg zijn, bevinden ze zich waarschijnlijk al in

den Dussenschenpolder. Het kan ook, dat ze onderweg opgepikt zijn en

mede genomen naar Meeuwen, Babeloniënbroek of Dussen, en dan worden ze

stellig niet vóór morgen thuis gebracht. Neen, het zoeken kan niet

anders dan vruchteloos wezen. Het eenige, wat we kunnen doen, is nog

eens het dorp om varen en vragen aan de menschen, die er wonen, of ze

ook iets hebben gehoord. We moeten echter voortmaken, ’t is al over

negenen. Willen we u eerst thuis brengen, mevrouw Van den Oever? Mijne

vrouw zal u straks, als ik weder thuis ben, gezelschap komen houden en

kan desnoods vannacht bij u blijven.”

Dit voorstel werd in dank aanvaard en mijnheer Den Bosch met Thijs

gingen op weg om nadere gegevens te verzamelen. Bij twee huizen kwamen

ze aan, waar men niets gehoord had. Een man echter, dien ze uit het bed

klopten, riep hun toe, dat hij vroeg in den middag om hulp had hooren

roepen. „Help, help,” werd er geschreeuwd, „we drijven af!” Hij had er

geen acht op geslagen, omdat kwajongens wel eens meer die grap

uithaalden; bovendien had hij geene boot bij de hand om te onderzoeken,

wat er waar was van het hulpgeroep.

De meester wist nu genoeg. Zijne onderstelling bleek steekhoudend. Met

moeite wist hij den ouden man te bewegen naar huis te varen om morgen

bij het krieken van den dag den onderzoekingstocht voort te zetten.

De bewoners van het eiland en van Vrederust gingen een treurigen nacht

tegemoet. De meester bracht zijne pas herstelde vrouw naar het huis van

den burgemeester en keerde zelve met Thijs huiswaarts. Geen van allen

deed een oog toe. De meester zelve, hoezeer hij de anderen ook moed

insprak, was niet gerust. De vrouwen gingen den heelen nacht niet te

bed en toen Thijs, thuis geen rust kunnende vinden, te middernacht nog

eens naar Vrederust roeide, vond hij de dames schreiende bijeen zitten.

Wij laten het drietal verder alleen in hun verdriet en keeren tot de

schipbreukelingen op den molen terug.

De ongewone omgeving en het stekelige stroo, dat voor matras diende,

deden de jongens reeds vroeg ontwaken. Een half uurtje bleven ze zich

koesteren onder de dekens. Toen het eerste licht door het kleine

dakvenster scheen, stonden zij op. Het was nog voor achten. Hun eerste

werk was de kachel aan te maken. Deze brandde weder lustig op.

Vervolgens klom Anton met de ijzeren pot naar beneden om water te

scheppen. Hij waschte zich frisch en gebruikte zijn zakdoek om zich af

te drogen. Zijn kameraad deed hetzelfde. Daarna werd de pot

omgewasschen en half vol water op de kachel gezet. Bij het daglicht

konden zij hun onderzoekingstocht voortzetten. Alles ruimden ze nog

eens van den eenen naar den anderen hoek, hopende, nog wat mondvoorraad

te vinden. „Als we niets vinden, doen we ons maal weer met aardappelen

en spek,” zeide Anton.

„Wacht eens,” antwoordde Roelof, „ik heb nog wat. In mijn binnenzak,

geloof ik, zit nog eene scheepsbeschuit. Warempel, hier is ze.” Hoe de

jongens ook zochten, ze vonden geen eten meer; alleen ontdekten ze in

een kistje met spijkers en allerlei vreemdsoortige artikelen, nog een

busje met gemalen koffie. Of ze hiermede in hun schik waren. De koffie

werd in het kokende water geworpen, de pot van het vuur genomen en op

het blad van de kachel gezet om te trekken. Een heerlijke lucht

vervulde den molenzolder. Anton wist nog een gescheurd kopje op te

schommelen en hiermede schepten ze om beurten van den verkwikkenden

drank. Hun ontbijt bestond uit eene scheepsbeschuit met de laatste

helft van het spek. Nu hadden ze niets meer over dan een handjevol

aardappelen, doch dat was niets. Ze zouden dien dag wel gered worden,

meenden zij. Die hoop werd echter minder levendig, toen ze boven op den

molen klommen en den dichten nevel bemerkten, die weder de watervlakte

bedekte. De mist maakte de kans op redding heel gering. Slechts een

toeval zou hun nu kunnen verlossen en dat kwam niet. Ze wachtten en

wachtten. Het eene uur na het andere verstreek, doch geene boot

vertoonde zich. De opgewektheid der tegen wil en dank gevangenen was

reeds lang verdwenen en had plaats gemaakt voor moedeloosheid. Ze

dachten aan huis, aan de gezellige huiskamer in Vrederust, aan de

consistoriekamer, waar ze luisterden naar de vertellingen van Anton’s

grootvader. Ze dachten aan hunne betrekkingen en vrienden. Roelofs

bezorgdheid over zijne moeder en zijn zusje, en Anton’s vrees voor de

ongerustheid van zijn grootvader verdrongen hunne eigen rampen, totdat

op eens weder het schrikbeeld van den hongerdood in hunne verbeelding

verscheen. Het werd middag en de arme jongens waren radeloos. De honger

deed zich eveneens gevoelen, want de weinige aardappelen hadden hun

maag niet kunnen bevredigen. Troosteloos zaten ze boven op den molen

voor het geopende luik. De koude voelden zij niet. Opeens scherpten

beiden hunne ooren. Ze hoorden gerucht. Een oogenblik later hoorden ze

duidelijk verwijderd hondengeblaf. Verheugd sprongen ze overeind en

riepen als uit één mond: „Goddank, ’t is Jemmy, ’t is ons hondje, nu is

er redding nabij.” Zoo hard ze konden, begonnen nu de jongens te roepen

en te schreeuwen. Het hondengeblaf werd duidelijker en het volgende

oogenblik hoorden ze Thijs roepen. Nog eenige seconden later kwam de

boot met Thijs en mijnheer Den Bosch erin, uit den nevel te voorschijn.

Groot was de blijdschap der jongens, maar grooter nog die van den ouden

man. In minder dan geen tijd waren de gevangenen uit den molen

geklommen en in de boot. De jongens namen de riemen en de zeer

vermoeide veerschipper nam plaats aan het roer. Met grooten spoed

roeiden ze huiswaarts en vertelden onderwijl hun avontuur, waarna ook

Thijs en de meester van hunne tochten verhaalden. Dien morgen waren ze

al vroeg naar de naburige dorpen en eindelijk naar Dussen geroeid, maar

nergens hadden ze eenig spoor gevonden. Op den terugweg vonden ze de

bakken in de takken van een knotwilg verward. Dit gaf hun eenigen reden

te vermoeden, dat de jongens gered waren door eene voorbijvarende boot.

In den molen hadden ze echter heel geen erg gehad en hem trouwens ook

niet gezien. Opeens was Jemmy, die ze op aanraden van Stans hadden

meegenomen, hevig beginnen te blaffen. Kort daarop hadden ze het

hulpgeroep gehoord zonder nochtans aan den molen te denken. Zij wisten

niet, vanwaar het roepen tot hun kwam. Eerst bij het naderen hadden ze

hem ontdekt. Jemmy was hier feitelijk de redder geweest.—

De scherpe Oostenwind floot over de vlakte, maar ze voelden koude noch

vermoeidheid. Binnen een uur landden ze behouden en wel aan het

burgemeestershuis, waar de jongens met uitbundige vreugde ontvangen

werden. Mevrouw Van den Oever lachte en schreide tegelijk, toen ze haar

zoon in de armen sloot. Roelof kuste zijne moeder op de roodgeweende

oogen. Nu eerst kon hij zich den angst voorstellen, dien ze voor hem

had moeten doorstaan.

Toon van 't Veer · 第 17 / 26 题