De bewoners der hooggelegen huizen, zooals ook Vrederust, mochten in de
stormachtige dagen van 7 en 8 Januari van geluk spreken. Wie op zolders
van meer of minder diep onder water staande woningen verblijf moesten
houden, hebben toen in het overstroomde land van Heusden en Altena
angstige oogenblikken doorgebracht. De steeds heviger wordende wind
zweepte het water op tegen muren en daken. De vereende kracht van storm
en golven verbrijzelde hier eene schutting, elders een muur en deed
ginds een heel huis kraken in zijne binten en nederstorten in het
schuimende nat, dat woest draaiende het losgerukte hout mede voerde,
als zoovele overwinningsteekenen. De doorweekte leemen muren der
arbeiderswoningen konden weinig of geen weerstand bieden aan den
hevigen stroom van het wegvloeiende water en de losgerukte balken deden
het dak instorten, dat menigmaal als een eiland voortdreef tot het
tegen boomen stootte of op hoogere punten aan den grond raakte.
Was het de eerste dagen Nieuwkuyk, dat van het losgebroken element het
meest te verduren had, nu was het benedenland de plaats van verderf en
vernieling. Het eerst kalm door de hulpgaten wegvloeiende water vloog
nu kokend en bruisend over de lage of afgegraven dijkvakken. Het is te
begrijpen, dat, zoo spoedig men van den eersten schrik der doorbraak
was bekomen, alle middelen in ’t werk gesteld werden om het water weder
te lossen. Hiertoe dienen de hulpgaten, die ten getale van 16 in het
land van Heusden en Altena voorkomen. Het zijn verlaagde dijkvakken,
die in de kleidijken met zand gevuld zijn om ze in korten tijd te
kunnen openen. Ze hebben eene lengte, die afwisselt van 30 tot 150 M.;
zeven zijn 100 M. lang. Zij lossen op het Oude Maasje of op de
Bakkerskil en heeten dan buiten-hulpgaten. Andere gaten in grintwegen
of binnendijkjes heeten binnen-hulpgaten; zoo heeft men er in den
grintweg van Dussen op Werkendam alleen al 6. Deze dienen om het water
uit hoogere polders naar lagere te voeren. Polders toch loozen hun
water elk afzonderlijk door sluizen, maar staan onderling niet in
gemeenschap. Alleen hulpgaten kunnen hoogere polders van water
verlossen, ten koste van de lagere. Deze gaten zijn echter, evenals die
in de buitendijken, alleen daar aangelegd, waar de grond de minste
waarde heeft. De hulpgaten no. 5 lossende op de Amer en no. 8 lossende
op de Bakkerskil waren reeds dadelijk geopend, toen het water daar
verscheen, en andere werden spoedig in werking gesteld. Die te
Oud-Heusden en Doeveren in den dijk van ’t Oude Maasje konden de eerste
dagen geen dienst doen, omdat het water buiten nog 1 M. hooger stond
dan binnen.
Het behoeft ons nu niet te verwonderen, dat eene sterke strooming was
waar te nemen van de doorbraak naar den Biesbosch in welks omtrek de
meeste hulpgaten liggen. Deze trekking bemoeilijkte echter het werk der
beringing, d.w.z. het leggen in een halven cirkel van een nieuw dijkvak
om den doorbraak, in geene geringe mate.
We zullen echter niet verder afdwalen in bijzonderheden over de
werkzaamheden tijdens de overstrooming, maar liever tot Vrederust
terugkeeren. Wat echter hierboven verteld is, kunnen we straks tot goed
begrip van ons verhaal, niet missen.
Het duurde lang, eerdat den morgen van den 7den Januari de gasten aan
de ontbijttafel verschenen. Reeds een uur hadden mevrouw en Constans
zitten wachten en nog kwam niemand opdagen. Ten laatste duurde het
Stans toch te lang en opstaande zeide ze, „ik zal Roel er eens uit gaan
kloppen.”
„Zacht wat, op de trap,” riep hare moeder haar na.
„Wel neen moe, hoe harder hoe beter, dan worden de anderen meteen
wakker.”—
Roel was spoedig door een paar bonzen op de deur gewekt. Toen hij
beneden kwam, waren de kapitein met Toon juist binnen gekomen. De
eerste maakte op voorzichtige wijze mevrouw bekend met het nachtelijk
avontuur. Het trof hem echter, dat zij, hoewel ten hoogste verbaasd,
maar weinig scheen te verschrikken.—
„O moe, als nu de kapitein er eens niet geweest was, dan waren we arm
gestolen,” riep Stans uit. „Waarom heeft u Bello niet evenals anders in
huis gelaten?”
„Kom, kom meid, zoo erg zou ’t niet geweest zijn. Veel geld was er niet
in de kast, en wat Bello betreft, die kunnen we toch niet in Toon’s
slaapkamer laten. Anders laat ik de deur van het kantoor open staan,”
vervolgde de gastvrouw tot den kapitein, „dan kan het beest vrij
rondloopen. Nu hebben we in u echter den besten wachter gehad, dien we
konden wenschen. Ik weet geen woorden te vinden om u mijne dankbaarheid
te toonen.”
„Dat behoeft ook niet mevrouw. Wat ik deed zou ieder in mijn geval
gedaan hebben en dank mag ik er niet voor aannemen. Integendeel, uwe
gastvrijheid heeft me in de gelegenheid gesteld de dieven te verrassen,
zoodat ten slotte u zelve de oorzaak is van het verijdelen van den
diefstal. Heeft u een goeden waakhond, mevrouw?”—
„Een beste, mijnheer, een grooten Ulmerdog, die zijn man wel staat.”—
„O, dan behoeft u geen vrees te hebben. Trouwens, deze zullen wel niet
terug komen. Ik was echter bang, dat u in ’t vervolg geen gerusten
nacht meer hebben zou en tot mijne blijdschap ontdek ik, daaromtrent
onbezorgd te kunnen wezen. Het doet me intusschen genoegen, dat de
veldwachter en de bedienden hebben kunnen zwijgen. Is die oude knecht
ook thuis? Van hem kunnen we misschien hooren, hoe laat Baars
vertrokken is.”—
„Nu zal je Janus eens hooren brommen,” grinnikten de jongens en ze
hadden waarlijk geen ongelijk.
„Goeien morgen en smakelijk eten,” mompelde de oude, toen hij
binnentrad.
„Hoe heb je het verder gemaakt van nacht, Janus?” vroeg Roelof.
„Gemaakt—hm—gewaakt hebben we, met den rakker—koffie gezet voor den
diender en toen is hij in een hoek in slaap gevallen—den Rooie, bedoel
ik. Opsluiten moeten ze hem—6 jaar geven.”—
„En hoe laat is Baars met hem vertrokken?” vroeg de kapitein.
„Wel, om half 8, toen ’t licht werd. We hebben hem naar ’t eiland
gebracht, den Roodkop met zijn „sivieligheid,” hij zal nou z’n lange
vingers branden. Thijs en de diender zullen hem wegbrengen,—naar ’t
spinhuis,—daar kan die nou dievigheid uithalen. De burgemeester moet
hem levenslang laten geven. Een fatsoenlijk mensch om 3 uur uit zijn
bed halen en dat in den winter,—ze moeten hem hangen.”—
„Janus, ga nu eens zien of de kippen al gelegd hebben,” aldus brak
mevrouw zijn woordenstroom af, „en vraag Mina of ze komt afnemen.”
Nog een uurtje blijft de kapitein bij zijne gastvrouw praten.
„Hoe denk je er over, jongelui, om het dorp eens door te roeien?”
vraagt hij.
„Heel graag, mijnheer,” antwoorden beide jongens en Stans, „we mogen
dan zeker Piet en Hendrik van den meester ook wel aanhalen.”
„Zou het niet te hard waaien voor Stans?”—
„Er is een stevige wind, mevrouw, maar nu is er misschien nog wat te
zien.”—
„Toe moe, laat me maar mee. Mijnheer is er immers bij.”—
Slechts aarzelend krijgt het meisje toestemming. Alleen het bijzijn van
den zeeman stelt hare moeder eenigszins gerust. De jongens trekken
hunne overjassen aan, Stans wordt warm ingepakt en weldra zitten allen
in de boot. Toon neemt de riemen. Hij is er trotsch op zijne handigheid
te toonen en de kapitein maakt hem er dan ook spoedig een compliment
over. Heel gemakkelijk is het echter niet. Er loopt een sterke stroom
en het stormt geducht. De jongelui zien geen gevaar, wat er trouwens
niet is met een flinken schipper aan boord, en ze hebben veel schik in
het tochtje. Ook den zeeman boeit het gezicht van wankele, half onder
water staande huizen zeer. De meeste woningen hebben het reeds zwaar te
verantwoorden. Van sommige zijn de muren aan de oostzijde ingestort;
bij andere hangt het dak aan den eenen kant diep in ’t water. Het zijn
vooral de arbeidershuizen, die het meest te lijden hebben en die
natuurlijk allen onbewoond zijn. Het gezelschap roeit, na de beide
andere jongens te hebben afgehaald, het dorp aan den oostkant om en is
spoedig aan de kleine boerderij van Dirks moeder gekomen, die ze
volgens belofte zullen opzoeken.
„Hoe moeten we die ark binnen komen?” vraagt de kapitein. „Nu kunt ge
uwe krachten eens toonen, Anton; er loopt hier veel stroom. Wil ik je
helpen?”
„Dat behoeft niet mijnheer, ik zal het wel klaar spelen. Aan den
anderen kant van het huis is de voorgevel, daar zal wel gelegenheid
wezen om aan te leggen.”—
Met veel behendigheid roeide Toon tusschen de boomen door en legde voor
een der beide zolderramen aan, bij een waarvan een trapje uithing. Het
raam was er uit genomen en eene deur hiervoor in de plaats gebracht.
Deze gaf toegang tot een portaaltje, dat van ruwe planken en een oud
karpet was samengesteld. De geheele zolder diende voor woonvertrek.
Deze was wel groot, maar had behalve de ruimte geene enkele verdienste.
„Ben je daar, Dirk,” klonk eene zwakke stem uit een ledikant achter den
schoorsteen.
„Neen, vrouw Oudkoop,” antwoordde Roelof, terwijl hij nader trad en
vroeg of zij mochten binnen komen. „Ik ben het met Stans en nog een
paar anderen. We komen eens zien hoe het met u gaat.” Stans ging naar
de zieke en de anderen volgden haar.
„Hoe is het met u, vrouwtje?” vroeg de kapitein.
„Zwakjes, mijnheer, zwakjes en een beetje koortsig. God zegen u, voor
uwe komst. Ik ben al bijna vier en twintig uur alleen. Van morgen heb
ik getracht op te staan, maar ik kon het niet volbrengen.”—
„Hebt ge ook ergens trek in, vrouw Oudkoop?” vroeg Stans medelijdend.
„Drinken, mijn kind, ik heb zoo’n dorst. Ik heb niets dan water en dat
is troebel.”—
„Wilt u wat thee of liever koffie? We hebben het beide meegebracht.”
„Koffie, o, als ’t u blieft,” en de blik der arme zieke verhelderde bij
dat woord.
„Nu, even geduld en dan zullen we u een lekker kopje brengen,” zei het
meisje. „Blijf maar gerust liggen, wacht, laat ik even uw kussen
opschudden. Zie zoo en nu gauw den boel wat opgeruimd.”
Terwijl de zeeman met de zieke vrouw een praatje maakte en haar wat
opvroolijkte, legden Toon en Roelof de kachel aan. Deze stond aan de
raamzijde van den schoorsteen, waarin door het uitbreken van een paar
steenen ruimte voor de kachelpijp was gemaakt. Stans ruimde intusschen
de tafel af, waschte de kopjes en had in korten tijd de plaats tusschen
schoorsteen, raam en portaal een huiselijk aanzien gegeven. Dit
gedeelte van den zolder was feitelijk de woonkamer, hier stonden tafel,
stoelen, kachel en wat er verder in noodig was. Langs het dak en aan de
achterzijde vonden verschillende dingen eene plaats, die op elken
boerenzolder te vinden zijn: maten, tonnen, zakken, eene weegschaal,
een paar oude koperen kannen, een paar zeven enz.
Het duurde niet lang of het water kookte. Verlangend snoof de zieke den
geur der koffie op en heerlijk smaakte haar het kopje, dat het lieve
meisje haar bracht. Ook de koekjes, die Stans op het schoteltje gelegd
had, schenen haar wel te smaken.
Stans pakte nu verder het mandje uit, dat op aanwijzing van den
kapitein uit diens voorraad was gevuld. De zakken met thee, koffie en
suiker, het busje melk en tal van andere zaken waren voor de weduwe een
heele schat. Van het meegebrachte vleesch zette de kleine keukenmeid
een gedeelte in een pannetje op de kachel om er bouillon van te
trekken. Allen hadden er schik in om de zieke vrouw zooveel mogelijk te
gerieven.
„Hebt ge niet eene kennis of vriendin, die u kan komen oppassen?” vroeg
de zeeman.
„Dat behoeft niet, mijnheer, mijn jongen past me goed op. Waar hij toch
mag zitten. Die goeie Dirk. Hij tracht zeker wat te verdienen om mij
eene versnapering te verschaffen. Kwam hij maar thuis. Als hem maar
geen ongeluk is overkomen.”—
„Stel u daaromtrent maar gerust,” hernam de kapitein. „We hebben hem
pas nog gezien, maar nu moeten we noodig vertrekken. Dag vrouw Oudkoop,
beterschap hoor. Morgen komen we u nog eens bezoeken. We moeten dus
niemand zenden?”
„Neen heusch niet mijnheer, ik kan me nog wel wat redden. Dag mijnheer,
dankbaar hoor, ten hoogste dankbaar, God zegene u. Dag kinderen, dankje
wel, dat je een oud mensch helpt.”—
„Dag vrouw Oudkoop, beterschap.”—
Vlug zijn allen het portaaltje door, de trap af en de boot in. Nu de
vrouw over haar zoon begint te spreken, hebben allen evenveel haast.
„Ik wist waarachtig niet wat te antwoorden, toen het mensch over haar
lieven jongen begon,” zei de kapitein. „Ze moest eens weten, waar hij
nu is; ik geloof, ze zou ’t besterven.”
„We dienen haar langzaam voor te bereiden en het dan zeggen,” zei
Stans. „Ze moet het toch eens weten en ’t is beter, dat wij het haar
vertellen, dan dat een ander het doet.”
„Dat is zoo,” hernam de kapitein, „als ik het dan maar niet behoef te
doen. Zulke zaakjes laat ik liever een ander opknappen. Misschien weet
uwe mama er wel raad op.”
Het duurde niet lang of het gezelschap landde behouden en wel aan de
burgemeesterswoning, trots wind en stroom, die vooral op ’t laatst
schenen samen te spannen om het te beletten.
In spanning wachtte mevrouw hare gasten op. Een zucht ging haar van het
hart, toen ze de boot naderen zag. Ze had de koffietafel klaar. Toen
allen aan tafel zaten, haalde ze een brief te voorschijn.
„Een brief van pa,” riep Stans, „ik zie het aan de enveloppe. Mag ik
hem lezen moe?”
„Ik zal u wel zeggen wat er in staat. Vanmiddag of van avond komt pa
thuis.”—
„Hoera! Pa komt thuis,” riepen beide kinderen verheugd. „Hoe lang
blijft hij?”—
„Tot morgen of overmorgen, dat wist hij nog niet. Hij komt met de
commissieboot mee. Het verheugt me zeer, dat mijn man het genoegen zal
hebben, met u kennis te maken, mijnheer Rondhout!”—
„In dat geval is het genoegen wederkeerig,” antwoordde de kapitein, „u
zal wel blijde zijn, evenals de kinderen. Hoelang is mijnheer reeds
afwezig?”
„Met Kerstmis is hij voor ’t laatst thuis geweest, het is dus nog niet
lang geleden. Door al de gebeurtenissen schijnt het echter wel
maanden.”—
„Ik ben nieuwsgierig, hoe het met het werk van de beringing staat,”
sprak Roelof. „Pa weet er alles van, misschien is hij er gister pas
geweest.”
„Ik ook,” zei Toon, „ik zou nog wel eens een kijkje te Nieuwkuyk willen
nemen.”
„Ik ook, jongen,” zei de kapitein. „Wanneer mij tijd overschiet, zal ik
er stellig nog heen gaan, eer ik weer den grooten plas ga bevaren. Hoe
denken de jongens erover om eens op het eiland te gaan zien? Goed? Nu,
dan moesten we maar vertrekken.”
„U komt den avond bij ons doorbrengen, niet waar, kapitein? Breng Thijs
ook mee, als hij tijd heeft, Toon.”
„Heel graag, mevrouw. We zullen tegen donker weerkomen, dan kan
mijnheer eerst wat uitrusten van de vermoeienissen. ’t Is een heele
reis met dit stormweer.”—
„Dat is het wel. Ik hoop maar, dat ze geen ongeluk krijgen. Er loopt
immers zoo’n hevigen stroom?”—
„Kom, kom, mevrouw. Thijs is een goed zeeman en als hij op overstroomde
polders zoo goed bevaren is als zijn kleinzoon, zal hem niet licht iets
overkomen.”—
Al sprekende geleidt mevrouw het drietal naar buiten, waar ze na hun
vertrek nog geruimen tijd blijft turen over het water, of ze in de
verte ook eene boot ziet naderen. De bezorgde echtgenoote wacht niet te
vergeefs. Aan den gezichtseinder vertoont zich een stip, die na eenige
minuten de commissieboot blijkt te zijn met den burgemeester aan boord.
Deze is hartelijk blijde, vrouw en kinderen, huis en erf weder te zien.
Roelof had zich met de bakken van de pastorie weder terug laten
brengen, zoodra hij de boot uit Heusden had bemerkt, zoodat het geheele
gezin bijeen was. Voor het eerst na de doorbraak gebruikte hij weder
thuis het middagmaal. Het speet hem alleen, dat de kapitein niet
tegenwoordig was; deze had beslist geweigerd om aan den maaltijd deel
te nemen. „In de eerste plaats zou de burgemeester liever alleen zijn
in zijn familiekring,” aldus redeneerde hij, „en in de tweede plaats
verlangde hij naar het bijzijn van zijn ouden vriend Thijs.”
De burgemeester had de geschiedenis van de inbraak van den veldwachter
vernomen. Dirk was voorloopig te Heusden in verzekerde bewaring
gebracht en zou ’s middags naar ’s Hertogenbosch vervoerd worden. Hij
was vreeselijk ter neer geslagen en een beeld der wanhoop gelijk. Hij
had honderd maal vergiffenis en beterschap beloofd. „Als het feit niet
te ernstig geweest ware, had ik hem weer meegebracht,” zei de heer Van
den Oever. „Nu echter moest ik het recht zijn loop laten en we kunnen
alleen zijn moeders lot dragelijk trachten te maken.”
De avond ging op Vrederust zeer genoeglijk voorbij. Toon wachtte er nog
eene verrassing.
„Ik moet u eene boodschap overbrengen, Anton, van een mijnheer uit Den
Bosch.”—
„Aan mij, mijnheer, ik ken niemand in die stad.”—
„De mijnheer, van wien ik spreek, kent u ook niet persoonlijk, maar hij
heeft gehoord van uwe moedige daad te Nieuwkuyk. Ik moet u namens Zijn
Excellentie den Commissaris des Konings de betuiging zijner
tevredenheid overbrengen over uw moedig gedrag op den 30sten December.
Reeds den volgenden dag woonde Zijne Excellentie onze vergadering bij,
vergezeld van twee hoofdingenieurs. Zooals gij allen misschien reeds
weet, werd, als gevolg van het op die en de vorige vergadering genomen
besluit, reeds drie dagen na de doorbraak begonnen aan het werk van
beringing. Eerst is in het water eene kade gelegd van rijshout en
steenen aan de buitenzijde van den dijk. Daarbinnen wordt in een halven
cirkel de nieuwe dijk opgeworpen. Nu het water vallende is, zal het
werk beter gaan vlotten. Tot nu toe is het dijkbestuur niet erg
voorspoedig geweest met het werk, dat het zelve wil verrichten. Er zijn
tal van schier onoverkomelijke bezwaren, waarmede wij te kampen hebben
gehad. Alleen de aanvoer van materiaal ging vrij gemakkelijk, de
schuiten met steenen en rijshout werden door eene stoomboot over het
Bossche Veld naar den doorbraak gevoerd. Met een lager waterstand zal
dit moeilijker gaan. Als de werkzaamheden zoo voortgaan, ligt de dijk
de eerste maanden nog niet en nu reeds komen van verschillende kanten
klachten over den weinigen voortgang.
„De menschen, die door jou gered zijn, Anton, hebben een onderkomen
gevonden op den konijnenberg. In een gat in den grond, waarvan de
wanden met dennentakken bekleed zijn en takken met stroo het nauwelijks
waterdichte dak vormen, zijn moeder en kinderen gehuisvest. ’s Nachts
slapen allen met nog vele anderen in de tenten van het garnizoen van
Den Bosch en overdag warmen zij zich bij het vuur in het hol. Vele
menschen leven op die manier. Hout groeit er op den heuvel genoeg en
daarvan zijn ook noodstallen opgericht voor het geredde vee. Ge kunt
begrijpen, hoe treurig het er uitziet. Als de vorst invalt is de
ellende niet te overzien. Gelukkig, dat het detachement infanterie
alles doet om hulp en bijstand te verschaffen.”—
„De huizen zijn nabij den doorbraak zeker allen onbruikbaar?” vroeg de
kapitein.
„Zoo goed als allen, mijnheer. De bewoners hebben elders een onderkomen
moeten zoeken. Een deel ervan worden liefderijk verpleegd in ’s
Hertogenbosch en andere naburige plaatsen, die van het water gespaard
bleven.
„Anderen bivakkeeren behalve op den nu dichtbevolkten Konijnenberg, in
de tenten van het leger op het drooggebleven kerkhof, op den dijk en op
het naburige fort aan de Hedikhuizensche Sassluis.”—
We behoeven den avond niet verder te beschrijven om te weten, dat hij
prettig en aangenaam werd doorgebracht. Behalve Thijs, kwam ook de heer
Den Bosch een bezoek brengen op Vrederust en eerst bij twaalven ging
het gezelschap uiteen. De kapitein en Toon bleven er weder logeeren,
doch hadden nu een rustigen nacht, en werden niet meer door inbrekers
gestoord.