Op denzelfden avond, dat Thijs en zijne vrienden gezellig feest
vierden, zouden we in een der herbergen van het dorp twee personen
hebben kunnen vinden, die blijkbaar weinig goeds in hun schild voerden.
Een van deze is voor ons een oude bekende, het is Rooie Dirk. Kon deze
al niet roemen op een gunstig uiterlijk, de andere nog veel minder. Wie
hij was, weten we niet. Hij had den heelen dag gezworven in en om de
herberg en scheen eindelijk in Dirk den gewenschten man gevonden te
hebben. Hem precies te beschrijven, achten we overbodig. Genoeg, dat
hij er tamelijk verloopen uitzag en omstreeks 30 jaar oud was. Hoewel
het gesprek fluisterend gevoerd werd en niemand iets verstaan kon,
bevielen aan het eene sujet blijkbaar de wantrouwende blikken van den
kastelein niet, tenminste na eene korte beraadslaging betaalde hij en
beiden vertrokken.
Met het vlotje van den Rooie voeren ze achter het huis van dezen om en
beklommen door een luik den zolder van den kleinen stal, die echter
sinds verscheidene jaren als zoodanig geen andere dienst gedaan had dan
om een geit en kippen te herbergen. De landlooper haalde een eindje
kaars te voorschijn, stak het aan en plaatste het op een balk. Toen
zette hij het gesprek voort.
„Ge ziet, ik heb mijne maatregelen goed genomen. De burgemeester is in
Heusden en op Vrederust is geen mannelijk persoon dan een oude knecht.
De brandkast staat in het kantoor en gij weet den weg door het heele
huis. Als we den buit binnen hebben, deelen we eerlijk, jij gaat naar
bed en ik verberg me eerst een dag hier op den stalzolder; morgen nacht
zoek ik met mijn bootje een goed heenkomen. Daar de burgemeester den
sleutel, dien ik hem in zijn logement ontstolen heb, wel niet missen
zal, blijft de diefstal de eerste week zeker geheim. Ik ga nu dadelijk
terug naar de kroeg, drink me schijnbaar dronken en kruip dan net als
gister op den hooizolder. Op jou valt dus niet de minste verdenking.
Doe je nu mee of niet?”—
Vrees, hebzucht en misschien nog een klein sprankje beter gevoel
streden bij Dirk om den voorrang. Eerst scheen het of hij wilde
weigeren. De behandeling bij de bedeeling gaf eindelijk den doorslag.
Hij stemde toe.
„Om half 1 kom ik je met het schuitje afhalen. Kan het vannacht in de
schuur geborgen worden?”—
„Jawel, alles komt in orde hoor, vertrouw maar op mij.”—
„Neen wacht even, ik heb nog iets,” riep de Rooie den andere na. „In
het kantoor moet, naar ik hoor, een schippersjongen slapen.”
„Is ’t anders niet. Koord en een doek heb ik bij me. Je zult eens zien
hoe gauw of ik dien rekel klaar heb. Maar dan moet ik vannacht al
maken, dat ik weg kom.”—
Toon werd dien nacht zeer onzacht wakker geschud uit zijn rustigen
slaap. Eer hij echter om hulp kon schreeuwen, had hij een prop in den
mond, was hij geblinddoekt en waren hem handen en voeten met sterke
koorden gebonden, zoodat hij zich niet bewegen kon, welke wanhopige
pogingen hij in ’t werk stelde.
De dieven, die door het raam binnengekomen waren, konden nu ongestoord
hun slag slaan. De brandkast ging zonder gerucht open en nadat een
groote doek op den grond was uitgespreid, begonnen zij behoedzaam de
kast te ledigen.
Indien de booswichten echter dachten, dat niemand iets hoorde,
vergisten zij zich zeer. Naast het kantoor was de logeerkamer, waar
kapitein Rondhout lag. Deze sliep altijd zeer onrustig, een gevolg van
zijne verantwoordelijke betrekking. Het geluid van het opschuiven van
een raam, had hem wakker gemaakt. Eerst dacht hij zich vergist te
hebben, maar toen hij eenige oogenblikken later iets hoorde vallen,
achtte hij het raadzaam eens te gaan zien. In den gang gekomen zag hij
licht in ’t kantoor. Hij opende de deur en in nachtcostuum stond hij
voor de hevig verschrikte inbrekers. De een was echter bekwaam in het
vak. „Jij van achter en ik van voren,” beet hij den ander toe;
tegelijk vlogen beiden op den kapitein toe. Zij hadden zich echter in
dezen deerlijk misrekend. De landlooper kreeg, eer hij er erg in had,
een vuistslag, dat hij aan de andere zijde van het vertrek tegen het
raam vloog. Dirk voelde zich, terwijl zijn kameraad het hazenpad koos,
door een ijzeren vuist bij de keel gegrepen. De kapitein zag heel
spoedig, hoe het met Toon gesteld was en terwijl hij den booswicht als
een trillend schoothondje op den grond smeet met de belofte hem bij de
minste beweging tegen den muur te plakken, verloste hij Toon van zijne
knellende banden. Dirk werd met dezelfde koorden gekneveld, dat hem de
banden door ’t vleesch sneden.
„De tweede is er van door, maar ik heb hem op zijn oogen een kenteeken
bezorgd, dat hij de eerste week niet kwijt is. Wat moeten we met hem
doen. Zouden we mevrouw waarschuwen of niet, wat dunkt je?”—
„Ik zou eerst Roelof roepen en het aan hem overlaten, vindt u dat
goed?”—
„Wel zeker, dat lijkt me een flinke knaap. Weet je zijn slaapkamer?
Goed. Roep hem dan, maar voorzichtig.”—
In een oogenblik was deze gekleed en beneden, waar nu krijgsraad
gehouden werd. Op voorstel van den zoon des huizes zouden ze wachten
tot den volgenden morgen om het aan iemand te vertellen. Zijne moeder
was flink genoeg, maar Stans zou vreeselijk schrikken. Hij en Toon,
zouden met de boot, die achter het huis lag, naar de pastorie roeien,
waar de veldwachter zijne tijdelijke woonplaats had, en deze kon, daar
het reeds bij drieën was, tot den morgen op den gevangene passen.
De kapitein bleef dus bij den dief; de jongens, staken eene lantaarn op
en gingen op weg.
„Durf je het wel aan,” vroeg de zeeman. „De andere kan nog wel hier of
daar zitten.”
„Geen nood, mijnheer,” antwoordde Toon, die plezier begon te krijgen in
het nachtelijk avontuur. „Op de werf is u in de nabijheid en op ’t
water moet hij een kerel wezen om me de baas te zijn.”
Roelof vond, toen hij zich den toestand goed ingedacht had, het geval
niet onaardig en moedig roeiden de knapen tusschen de boomen door een
weiland over en de poort van het groote huis binnen. Het bericht
verwekte hier groote ontroering, want den veldwachter wekken zonder het
meerendeel der bewoners wakker te maken, ging niet. Deze was spoedig
gereed en daar hij zoo verstandig was om ook de voerbakken op sleeptouw
te nemen, hadden ze voor ongewenschte nieuwsgierigen niet te vreezen.
In het kantoor van den burgemeester zat de kapitein op zijn gemak eene
pijp te rooken. Zijn gevangene stond in eene deerniswekkende houding
voor hem. Zijn knieën knikten, zijn gelaat was doodsbleek en duidelijk
waren de rillingen te zien, welke hem over ’t lichaam liepen. Toen hij
den dienaar van den heiligen Hermandad zag binnentreden, op militaire
wijze den kapitein groetende, zakte hij van schrik en overspanning
ineen.
„Ik heb den knaap de boeien maar weer afgenomen, jongens,” zei de
zeeman, na eerst den veldwachter gegroet te hebben. „Gij zult me
verplichten, Baars, zoo is immers uw naam, om er nota van te nemen, hoe
gij hier alles gevonden hebt. Als gij ’t gezien hebt, kan de zoon van
den burgemeester de stukken en het geld weder opbergen en de kast
sluiten. Dezen veelbelovenden jongen vond ik bezig met inpakken; de
andere, die er van door is, was met zijn lange vingers aan ’t uithalen.
We hebben hem hier, zooals ik zooeven zeide, gebonden met dezelfde
touwtjes, waar ik Anton mee vond, maar toen ik alleen met den jeugdigen
booswicht was, schaamde ik me een beetje over mijne hardhandigheid en
bovendien, ik mag de justitie het werk niet uit de handen nemen. Nu is
hij tot uwe beschikking.”
„Wat dunkt u, mijnheer, zouden we nog moeite doen om nummer 2 te
vangen. Als Toon en ik samen roeien zullen we hem wel inhalen.”—
„Om u de waarheid te zeggen, Baars, dan zag ik liever de jongens niet
meegaan. Wat u betreft, daarover mag ik niet oordeelen. Daargelaten,
dat ge hem in de duisternis moeilijk zult krijgen, daar hij al een uur
voorsprong heeft, ligt er voor mijn gevoel iets stuitends in om jongens
te gebruiken voor eene dergelijke jacht. Geloof niet, dat ik iets
onteerends vind in uwe betrekking. Integendeel, ik heb veel respect
voor uw stand. Ik zie er echter dit in. Als de jongelui met u meegaan
(en ze zullen het gaarne doen), wekt de jacht bij hen onedele
hartstochten op. Gij zult uw best doen om de maatschappij te verlossen
van een schadelijk individu. Die man is in zekeren zin een
ziekteverschijnsel en de politie met de justitie is de geneesheer. De
jongens echter zien in hem een vijand en eenmaal op weg, wordt hij
gaandeweg meer het voorwerp hunner wraak. Deze jeugdige booswicht hier,
wekt bij mij slechts een gevoel van medelijden. Ik bejammer het in
zoo’n gezonden, flinken knaap zoo’n verdorven karakter te ontdekken.”—
Tot Dirk vervolgde de zeeman:
„Hebt ge ouders? Zoo, eene moeder! In plaats van haar, die u zeer zeker
lief heeft, tot zegen en steun te wezen, strekt ge haar tot schande.
Wat zal zij gevoelen, als ze hoort van uwe snoode daad? Zal zij, die
geheel onschuldig is, die nu misschien bidt voor uw welzijn, nog met
opgeheven hoofd over straat durven gaan?”—
Onderwijl de kapitein sprak, had de Rooie getracht, zijne
onverschillige houding weder aan te nemen. Het gelukte hem echter niet,
zoo zeer had de angst hem bevangen. Toen hij echter zijne moeder hoorde
noemen, kon hij zich niet meer inhouden. Tranen van spijt en berouw
kwamen hem in de oogen. „Moeder! o, moeder!” kreunde hij.
De veldwachter zag hem streng aan. Den kapitein evenwel scheen deze
uitroep te verrassen. „Ge hebt dus nog gevoel,” vervolgde deze. „Wie
nog met eerbied aan zijne moeder denkt, is nog niet totaal verdorven.
Jammer, dat ge niet eerder aan haar dacht.”
„O, spaar het haar tot ze beter is. Mijnheer, laat me even spreken, om
te doen zien, dat ik niet zoo slecht ben, als gij denkt. Wat een ander
van me zegt, is me onverschillig, maar wees u alsjeblieft billijk voor
me. Mijne moeder is ziek, erg ziek, en ik vroeg gister om eenige
versnaperingen aan de Commissie. Ze gaven me niets en scholden me voor
een leugenaar. Niemand gelooft me, al spreek ik ook nog zoo dikwijls
waarheid. Iedereen heeft een hekel aan me. Nu kwam gister die ander me
vragen om ... dit ... hier te doen.”—Snikkend ging hij verder.—„Tot
vijf maal heb ik geweigerd en eindelijk heb ik toegestemd. „„Men plaagt
jou,”” zeide hij, „„welnu plaag ze weer. Een ander krijgt, wat hij
vraagt voor eene zieke en jou wordt het geweigerd. Neem, wat ze niet
geven willen.”” Nu is hij vrij en ik moet in de gevangenis.”—Eene
rilling beving hem bij dit woord.—„Mijne moeder zal vast sterven,
niemand ziet naar haar om. O!” Hij verborg zijn aangezicht achter zijne
handen.
De kapitein, die een zeer gevoelig hart bezat, was zichtbaar aangedaan.
„Wat ge zegt,” sprak hij, „verhoogt mijn medelijden. ’t Is weer het
gewone verhaal van den leugenaar, die zich ergert als men hem niet
gelooft, den enkelen keer als hij waarheid spreekt. De waarheidlievende
alleen gelooft men op zijn woord. Wanneer ik morgen op mijn schip tegen
de jongens vertel, dat de koning mijn grootvader is, dan zullen ze ’t
allen voor waar aannemen. En waarom? Omdat ze weten, dat ik zulk eene
ongerijmdheid, zoo min als iets anders, zal vertellen, als het niet zoo
is.
„Hoe graag ik het echter voor mijn persoon nog eens zou wagen met u los
te laten, mag ik het niet doen. Ik ben jegens den burgemeester, jegens
de maatschappij verplicht, om u over te geven aan de politie, zooals ik
trouwens reeds gedaan heb. Wel wil ik u beloven, dat ik eens naar uwe
moeder zal zien. Laat het u echter eene les zijn voor het vervolg en
kunt ge dan hier in de streek uw goeden naam niet meer terug krijgen,
kom dan bij kapitein Rondhout op de Alblasserdam en hij zal je helpen
om een goed zeeman te worden.”—
De woorden van den zeeman hadden grooten indruk gemaakt ook op de
andere jeugdige toehoorders. Toon noch Roelof hadden langer leedvermaak
in den erbarmelijken toestand van hun ouden vijand.
„Je hebt het wel gezegd, Toon,” zei Roelof, „je weet nog wel toen we op
den bolderwagen naar Heusden reden. „„Hij is zoo slecht niet als we
dachten,”” zeide jij immers, toen zijne moeder met ons meereed en
zooveel van hem vertelde.”
Verwonderd keek de gevangene beurtelings Toon en Roelof aan. Hoe Toon
zoo iets had kunnen zeggen, was voor hem een raadsel, dezelfde Toon,
dien hij altijd zóó geplaagd had.
Hij kon er zich niet lang in verdiepen, want de veldwachter nam hem mee
naar de keuken. Janus werd geroepen om vuur aan te leggen en de
overigen gingen weder te bed.
Zoodra het licht werd, zou Baars zijn gevangene naar Heusden brengen en
daar den burgemeester raadplegen.
„Had ik u slechts eerder ontmoet, kapitein,” kreet de ongelukkige onder
het heengaan.