DE VERJAARDAG.

In den tijd, toen we als kleine jongens bij onzen ouden dominée vragen

opzegden, hadden we weinig kunnen denken, eens in hetzelfde lokaal

zooveel genoegen te zullen smaken met Thijs Groen als gastheer. De kale

consistoriekamer met koude, witte muren en met ramen, uitziende op het

kerkhof, was voor ons doorloopend het allergezelligste oord, wanneer we

zuidwester en oliejas aan den wand zagen hangen en den ouden matroos

bezig vonden om bij de kachel zijn vetleeren laarzen onder ’t smeer te

zetten. Deze werkzaamheid, met de grootste zorg verricht, bracht den

gemoedelijken veerschipper steeds in eene aangename stemming en we

konden dan ook vast op eene anecdote of korte vertelling rekenen, die

hij bij andere bezigheden nooit ten beste geven wou. Reeds vroeg in den

morgen van den verjaardag van den schipper waren we met Roelof en Stans

bijeen om onzen ouden vriend met een klein geschenk bestaande uit een

kistje sigaren en eene houten tabakspijp te vereeren. Stans deed op

eene allerliefste manier het woord en gaf hem na de overreiking van ons

gezamenlijk cadeau namens hare ouders eene zilveren tabaksdoos.—

Thijs was zeer gevoelig voor de blijken van toegenegenheid en beloofde

zijn best te zullen doen, allen een aangenamen middag te verschaffen.

Allen moesten om drie uur bij hem komen theedrinken en als ze mochten

van hunne ouders ook den avond bij hem doorbrengen. Nu echter kon hij

de jongelui niet langer hebben. De andere schipper zou direct komen en

dan moesten ze nog even voor de heeren met de boot uit.

Prettig gestemd verlieten de jongelui het vertrek en scharrelden

tusschen de koeien door om op het eiland eenige afleiding te zoeken.

Niets beters te doen wetende, vroegen ze in de voorkamer van het

schoolhuis te mogen komen, waar de commissie uitdeeling hield. Toen ze

binnentraden was juist Rooie Dirk aan de beurt.

Dirk Oudkoop, in de wandeling Rooie Dirk genoemd, was een opgeschoten

jongen van 16 of 17 jaar. Hij was de eenige zoon van het vrouwtje, dat

we hebben leeren kennen op weg naar Heusden, toen de jongens haar op

den bolderwagen lieten mede rijden.

Dirk had een ongunstig uiterlijk en was innerlijk niet veel beter.

Wegens slecht oppassen, luiheid en kleine diefstallen, was hij bij den

burgemeester als daglooner weggejaagd. De jongens mochten hem nooit

graag lijden en na de ontdekking van den eieren- en appelendiefstal was

de verhouding er niet op verbeterd.

Met zijne moeder woonde hij aan het andere eind van het dorp op den

zolder van hun huis, vanwaar hij elken morgen op een vlot naar het

eiland kwam om zijn rantsoen te halen. Veel vrienden had hij daar niet,

dat weten we reeds. Bovendien had hij veel ontzag voor den meester,

zoodat hij zich liever niet ophield in de omgeving van het schoolhuis.

Beter beviel het hem in de herberg nabij zijn moeders huis, waar hij de

spaarduiten der arme vrouw opmaakte, die haar eenigen zoon niets kon

weigeren.

Of hij dan niets om het oude mensch gaf? Jawel, zeker, dat ondervonden

we reeds vroeger. De goede ziel was onuitputtelijk in lof over haar

„goeden” jongen en blind voor zijne ondeugden. Hij, van zijn kant, was

zeer gehecht aan zijne moeder, maar had haar op zijne wijze lief. Al

vroeg had hij geleerd, en dit was waarlijk zijne schuld niet, dat zijne

moeder voor hem en niet hij voor zijne moeder was.

Bewees hij haar een dienst, dan was het eene gunst.

„Heb je nog iets,” vroeg de meester den wachtenden jongen.

„Ja meester, mag ik alsjeblieft wat suiker en koffie, want moeder is

ziek en ze heeft er zoo’n trek in.”

Ge moet weten, dat overal de zieke menschen uit den grond verrezen.

Geen wonder, door het water en de natte huizen, niet waar! Nu ja, er

waren vele zieken, maar meer nog waren er, die zich ziek hielden, om op

die manier zich iets extra’s te verschaffen. Dirk stond bekend als de

grootste leugenaar, die op twee beenen rondliep, en geen der drie

heeren kwam het in de gedachten, deze artikelen aan Dirk te

verschaffen. Een oogenblik liet deze, half ter neer geslagen, half

beschaamd, daar zijne woorden niet geloofd werden, het hoofd hangen.

Spoedig echter, met een vloek tusschen de tanden, verwijderde hij

zich.—

We zullen ons niet bezighouden, hoe Thijs zijne gasten dien middag

trakteerde op thee en beschuiten met boter en suiker, maar liever met

hen luisteren naar wat de oude matroos eerst in het rustige middaguur

hun en daarna verder in den avond aan de steeds aangroeiende bezoekers

vertelde. We geven dus verder het woord aan Thijs.

—„Ik ken geen schooner en eervoller beroep dan dat van zeeman, maar ook

geen moeilijker.

„Nauwelijks heeft men voet aan boord gezet, of men begint te begrijpen,

dat het leven daar heel iets anders is dan thuis bij moeders pappot;

doch ook, men begint reeds het zelfde oogenblik zijn schip en de zee

lief te hebben.

„De scheepsjongen, die voor het eerst het dek betreedt, wordt

gewoonlijk met heel weinig liefde ontvangen. Niet alleen is hij weinig

in tel, maar de zeeman moet eerst zien, wat er in hem zit, eer hij

eenige blijken van toegenegenheid zal geven, waar hij toch al karig

genoeg mee is.

„Te Nieuwediep kwam ik voor ’t eerst aan boord van een

Oost-Indiëvaarder.

„Den kapitein zag ik eerst den volgenden dag. De 1e stuurman ontving

me, al was het niet heel deftig. Hij vroeg mijn naam en vertelde me

daarop, dat het schip, de Zeemeeuw, voortaan mijne heele wereld zou

zijn, waar ik hard moest werken, maar niet het minste te zeggen had. Ik

moest vliegen op elk commando en moest nu maar gauw naar den drommel

loopen, dat wil zeggen, naar het logies. Scheepsjongen te zijn is een

hondenbaantje. Je wordt gecommandeerd door iedereen, van den bootsman

af tot den minsten lichtmatroos toe. Is de kapitein uit zijn humeur,

dan moeten de scheepsjongens het ontgelden. Niet onmiddellijk

natuurlijk, maar trapje voor trapje omlaag. Door de matrozen wordt je

uitgescholden bij het minste vergrijp en als een matroos zelf iets

onaangenaams van zijn meerdere ondervindt, moet de jongen, die hem het

eerst tegen komt, er meestal voor opdraaien. Hoeveel scheldwoorden,

stompen en slagen mijn deel geweest zijn, zal ik maar niet vertellen;

dat is nu eenmaal met iederen jongen het geval. De zeelui beschouwden

dat, ten minste in mijn tijd, als een noodzakelijk deel van onze

opvoeding.

„Hoewel ik meer dan eens in een hoekje heete tranen gestort heb, als ik

terug dacht aan ons vriendelijk, armoedig huisje in ’t duin, kon ik me

er vrij spoedig in schikken. Thuis was ik niet veel gewend, liefde had

moeder wel voor ons jongens, maar eten gewoonlijk niet. Mijn vader was

als visscher verdronken, toen ik nog geen tien jaren oud was. Wat ik

echter steeds van mijn jongenstijd aan boord heb overgehouden, is dit

geweest, dat ik later als matroos nooit een scheepsjongen noodeloos

verdriet aangedaan heb.

„Erger was het lot der jongens, die uit den beschaafden stand kwamen,

te meer nog, daar verscheidene matrozen zich er een feest van maakten,

om hen dubbel te plagen. Het waren de adspirant-officieren op een

koopvaardijschip en als zoodanig moesten die belhamels van matrozen

zich nu al wreken over wat de jongens, eenmaal zelf superieur, hun en

hunnen kameraden zouden aandoen.

„Van een dergelijken jongen wil ik u een en ander vertellen.

„Ik was reeds vol matroos, toen Eduard aan boord kwam. We hadden met de

Antilope eene lading stukgoederen ingenomen, bestemd voor Batavia, toen

hij, een dag voor de uitreis, aan boord kwam. Zijn vader bracht hem. Al

dadelijk merkten we aan hem en aan zijn oude, dat hij uit eene heele

andere omgeving kwam, dan allen, die op het voordek hun verblijf

hadden. Hij had eene beschaafde uitspraak, nette manieren en was

drommels geleerd. Lezen, schrijven, rekenen, brieven opstellen, van

alles kon ons heertje en menigeen van ons is hij van dienst geweest,

als wij met onze kromme vingers geen letter op papier konden krijgen.

Toch was hij geen verwende fat. Ik zie hem nog voor me met zijne open,

heldere oogen, flinke, eenigszins breede gestalte en kalme, soms

brutaal uittartende houding. In weinige dagen was hij aller vriend

geworden en wel vooral door het volgende feit:

„Pas enkele dagen waren we onder zeil, toen Jim, een Engelschman van

geboorte en een goed, doch zeer ruw matroos, den reeds meermalen

geplaagden scheepsjongen toevoegde.

„„Laat eens zien of je de zeemansvloeken al kent, fijne meneer.”—

„De jongen keek hem brutaal aan en zei: „Die zal jij me nooit leeren.”

„„Pats,” klonk het en Jim gaf hem onder de hevigste verwenschingen een

klap tegen ’t aangezicht, dat mond en neus in een oogenblik een

driedubbelen omvang kregen. Bloedend en half bewusteloos bleef hij

liggen. Toen we hem ophelpen wilden, rees hij zelf overeind, duwde ons

op zijde en waschte zonder iets te zeggen het bloed weg.

„Nu wil het ongeluk, dat juist de kapitein eene inspectiereis op ’t

voordek maakte en den jongen in ’t oog kreeg.

„„Wat is er met jouw gebeurd, jongen?”—

„„Gevallen mijnheer,” zei hij en dat was immers zoo.

„„Hoe kwam dat?”—

„„Weet ik niet mijnheer.”—

„„Wat, satansche jongen, weet jij dat niet?”—

„„Neen mijnheer!”—

„Op nog een paar dergelijke vragen van den ouwe, gaf hij hetzelfde

antwoord.

„Wij hoorden alles aan en toen de kapitein weg was, gaf de ruwe Jim hem

eene hand met de woorden: „Je bent een flinke kerel; jammer, dat je de

zeemanstaal niet kent.” „Jammer, dat jij ze wel kent,” was het antwoord

en daarmede was de vriendschap gesloten.

„Eén was er echter aan boord, die Eduard maar niet mocht lijden. Dat

was de 2de stuurman, ook een goed zeeman, maar iemand met een laag

karakter. Daarbij kwam, dat hij gaarne voor een heer doorging. Hij was

van afkomst ook een visschersjongen en langzamerhand stuurman geworden.

Bij het volk was hij niet in tel en bij de passagiers evenmin; die

schenen hem er nog al eens tusschen te nemen, maar daar merkten wij

matrozen natuurlijk weinig van. Van Eduard kon hij maar niet verdragen,

dat deze hem, tot groot vermaak der andere officieren en der

passagiers, zonder eenige vrees en steeds met dezelfde koude

beleefdheid te woord stond.

„Een zekeren keer riep hij hem bij zich.

„„Scheepsjongen Eduard, kom hier.”—

„„Present mijnheer.”—

„„Maak dat bindsel eens vast in het boven-bramrazeil.”—

„Eduard zei niets, salueerde en klom niet te vlug en niet te langzaam

naar boven.

„„Nog iets mijnheer?” en weer salueerde hij.

„De stuurman gaf hem achtereenvolgens eenige steeds moeilijker op te

volgen bevelen, die echter met dezelfde kalmte vervuld werden, zonder

dat iemand der aanwezigen slechts den minsten weerzin konden bemerken

in het gedrag van den jongen. De stuurman moest dus eindelijk zijne

klaarblijkelijke plagerijen staken, die op den jongen geen vat schenen

te hebben, tot zijne verbeten woede, maar tot stille hilariteit van den

bootsman, den opperstuurman en twee passagiers, die er bij tegenwoordig

waren. Hij beet hem toe: „Ruk nu maar op.”

„„Dank u, mijnheer,” salueerde en ging regelrecht naar het logies, waar

hij stikkend van lachen ons zijn wedervaren verhaalde. Zoo werd hij

door dezen op alle manieren geplaagd en Eduard betaalde hem zeer

onderdanig met dezelfde munt.

„Dienzelfden jongen heb ik nog gekend als kapitein.

„Na een paar reizen had ik hem uit het oog verloren en niet meer

ontmoet, toen ik op een mooien dag te Rotterdam mijn naam hoorde

roepen. Ik had me laten afmonsteren na een reis met een hond van een

kapitein en zocht eene andere „steê”. Met dat ik nu omkijk, staat

Eduard voor me. Ge kunt nagaan, welk eene hartelijke begroeting nu

volgde. Hij vroeg me of ik al een schip had en of ik geen lust

gevoelde, weer met hem op denzelfden bodem te varen. Het lokte mij wel

aan en we gingen dus samen naar de Boompjes, waar hij me voorging naar

de achterkajuit van een schip, weder bestemd naar Oost-Indië.

„„Hoor je al achter thuis, drommels, dan ben je al officier?”—

„„Dat ben ik, maar dat doet aan onze vriendschap niets af.” Toen hij

echter mijn naam enz. ging opteekenen, kreeg ik er lucht van met wien

ik te doen had. „Ben je, is u dan?....”

„„Ja zeker,” vervolgde hij lachend, „ik ben de kapitein.”

„Ik heb er nooit spijt van gehad bij hem aan boord te zijn gekomen.

Integendeel, de jaren, die ik bij hem gevaren heb, behooren tot de

gelukkigste mijns levens. Hij was bemind door oud en jong en de

matrozen vlogen voor hem door ’t vuur. Het is ééne gebeurtenis, die er

veel toe bijgedragen heeft om hem in onze oogen tot een soort van

halfgod te verheffen.

„We waren van Makassar op weg naar Sidney. Toen we de Torresstraat

gepasseerd waren, raakten we door een noodlottig verzuim van den

opperstuurman te midden van rotsachtige eilandjes en koraalriffen. Nu

wil het ongeluk, dat een storm losbreekt in de onmiddellijke nabijheid

van die hoogst gevaarlijke klippen, waarheen een hevige stroom ons in

’t verderf trachtte te slepen. Wij wisten van dat alles niets en zaten

voor ’t meerendeel in ’t logies. De meesten gaven luide hunne afkeuring

te kennen over het feit, dat de kapitein met zulk noodweer liet lenzen,

dat is, met stormweer met weinig zeil voor den wind wegloopen. Met

razenden spoed sneed ons vaartuig de golven en alles knarste en kraakte

van de vaart.

„„Hij voert ons naar de haaien,” zei de bootsmansmaat. „Straks slaat

alle tuig over boord en dan kunnen we mekaar wel genacht zeggen.”

„Ook ik was er bang voor, moet ik eerlijk bekennen, al trachtte ik de

anderen zooveel mogelijk neer te zetten.

„„Hij moet laten bijdraaien,” riep eindelijk zelfs de bootsman uit,

toen we inmiddels weder op ’t dek waren. „Zoo gaan we den grond in,

daar helpt niets aan.” Ten slotte werd de bootsman afgevaardigd om den

oude te verzoeken bij te draaien en te zeggen, dat we ’t anders zelf

zouden doen. ’t Was geen gemakkelijke taak; niemand anders had

tenminste lust. Een van ons, een groote Deen, die het hardst had

opgespeeld, gevoelde weinig trek om den kat de bel aan te binden en

bijna was het me zelfs gelukt de lui over te halen maar op den ouwe te

vertrouwen. De kapitein stond op de verschansing en alles brulde en

kookte en kraakte om hem heen. Recht op, met den ernst op ’t gelaat,

kalm en vastbesloten, stond hij daar en gaf zijne bevelen. Doodsbleek,

half wezenloos en versuft, stond de opperstuurman naast hem. De

toestand was schier hopeloos, dat was voor ieder ervaren zeeman te

zien.

„De bootsman naderde hem.

„„Mijnheer, we gaan den grond in,” begon deze aarzelend.

„Geen antwoord.

„„Mijnheer, ’t kan zoo niet blijven.”—

„Feitelijk beging de bootsman insubordinatie en in angstige spanning

wachtten wij af. Verzet en oproer lag in ’t vooruitzicht.

„„Mijnheer, we moeten bijdraaien,” hervatte hij, voor de derde maal.

„De kapitein zag hem kalm aan en op den eenvoudigsten toon ter wereld,

zonder de minste verheffing van stem, klonk het uit den mond van dezen:

„„Nog iets, bootsman, dan kunt u gaan!”—

„Hij nam geen notitie meer van onzen afgevaardigde, die, als een hond

met den staart tusschen de beenen, afdroop.

„Niemand had lust zich aan een dergelijk onthaal te wagen en we

wachtten dus af. Ruim een uur later, liet de ouwe werkelijk bijdraaien.

„De bootsman werd geroepen. Met looden schoenen ging hij heen.

„„Bootsman fluit het volk voor een extra oorlam. We zijn bijna door den

hevigen stroom op de riffen gedreven, maar gelukkig hebben we ’t gevaar

ontzeild.”—

„Met deze boodschap kwam hij bij ons terug. Eerst was het doodstil, we

waren allen onder den indruk. Toen stond de Deen op, sloeg met de vuist

op tafel en riep: „Hij heeft meer verstand in zijn duim dan wij

allemaal samen. Dat kan hij me niet meer commandeeren of ik doe het.

Leve de ouwe, hij weet alles ’t beste! Hoera!”

„Nooit heb ik met zooveel vuur, „hoera!” hooren roepen, als toen in ’t

logies.

„Ook tegen den opperstuurman heeft de kapitein nooit een woord gerept

over ’t heele geval en deze was er toch feitelijk de schuld van.

„Van dat oogenblik hadden we een blind vertrouwen op onzen kapitein.”

Onder het verhaal was het langzamerhand donker geworden. De jongelui en

Thijs zaten gezellig om de rood gloeiende kachel en verscheidene andere

bezoekers hadden plaats genomen op de beide banken en een paar stoelen

in het vertrek. Niemand lette op de binnenkomenden; ’t konden slechts

goede bekenden zijn. Niemand lette onder de vertelling ook op den

vreemdeling, die ongemerkt binnen trad en op een stoel dicht bij een

raam plaats nam.

„Heb je lang bij dien kapitein gevaren?” vroeg Roelof.

„Ja jongen, nog verscheidene jaren, totdat een schipbreuk aan de

Fransche kust al mijne makkers het leven kostte.”—

„Toe Thijs, vertel dat eens.”—

„Neen jongens, we gaan eerst eene boterham eten, jelui thuis, en ik

hier. Die schipbreuk was buiten iemands schuld en zonder den kapitein,

was ik eveneens verdronken.”—

„Die kapitein had ik wel eens willen zien. Hoe heette hij wel?”—

„Rondhout, jongens, maar gelooft de helft niet, wat die ouwe je op den

mouw spelt. Rondhout, en hier is hij;” zoo klonk eene stem van het

raam.

Verbaasd vliegen allen overeind; Thijs het meest. „Hemelsche goedheid,

hij is ’t zelf!”

„In levende lijve,” herneemt de vreemdeling, terwijl hij eerst Thijs en

daarna Anton hartelijk de hand schudt.

„Ik was nog geen dag te Rotterdam binnen, toen ik hoorde, dat jelui

hier tot de keel in ’t water zat. Van alles heb ik al beleefd en in

alle zeeën heb ik gevaren, doch nooit op een ondergeloopen polder. Mijn

oudje is op ’t oogenblik bij mijn schoonzoon; die is, zoo je misschien

weet, ontvanger te Heusden. In dat nest kon ik het geen twee dagen

uithouden en ik dacht, weet je wat, ik ga Thijs eens opzoeken, en nu

ben ik hier. Maar zeg eens, heb je niet een paar mannetjes om mijn kist

binnen te slepen.”—

Wel 6 personen vlogen tegelijk naar buiten om aan het verzoek te

voldoen.

„Ga nu maar gauw eten, jongens,” hernam Thijs. „Om half 7 verwacht ik

je weer hier.” Ook de andere bezoekers vertrokken en Thijs bleef met

zijn gast en zijn kleinzoon over.

De jongelui vlogen weg en het behoeft wel niet gezegd te worden, dat ze

binnen den kortst mogelijken tijd weer bijeen waren om met ongeduld te

wachten tot de klok half 7 wees.

„Welkom binnen, jongelui, welkom binnen,” riep de kapitein den jongens

toe, toen ze precies op tijd binnenstormden. „Zeg me eerst allen uwe

namen eens en breng me dan een hamer en een nijptang om deze kist open

te maken, als je wilt.”

Nu, dat wilden ze graag genoeg, want allen waren al even nieuwsgierig

naar den inhoud van den grooten koffer.

„Toen ik in Rotterdam van het ongeluk hoorde, dat de bewoners van deze

streek getroffen had, maakte ik al direct plan om je hier op te zoeken,

te meer daar ik toch naar Heusden moest. Om je de waarheid te

zeggen”—aldus redeneerde de kapitein, terwijl hij met hamer en nijptang

het deksel van de kist losmaakte—„om je de waarheid te zeggen,

verwachtte ik je half uitgehongerd aan te treffen. In Rotterdam werden

overal giften en kleederen ingezameld voor de noodlijdenden en in

Heusden werd ik in mijne meening nog versterkt, doordat er handen te

kort kwamen om alle booten te vullen, die er levensmiddelen en

brandstoffen kwamen halen. Om kort te gaan, ik heb in Rotterdam dezen

koffer voor een goed deel laten vullen en te Heusden heb ik hem zelf

verder vol gedaan. „Thijs en zijn jongen zijn bij hun vrienden,” dacht

ik,—want toevallig sprak ik uw burgemeester in het Wapen van

Amsterdam,—en we zullen zorgen, dat ze aan een ongenooden gast geene

schade hebben. ’t Is van mij intusschen eigenbelang, want ik zou hier

graag een paar dagen rondkijken en je weet, aan heel of half

hongerlijden heb ik vreeselijk het land. Zie zoo, heb je nu hier een

kast of zoo iets, dan zullen we ’t wel redden. O ja, die in den hoek

daar is groot genoeg.—

„Hier heb ik eerst een paar potten met vleesch. Er is samen ongeveer 50

pond in. Wat je niet versch gebruiken kunt, moet je maar met dezen zak

zout in de pekel zetten. Hier Toon, berg jij dat brood eens op. Dit is

een trommel met groot brood en dit met kadetjes en krentenbroodjes en

deze hier is met beschuit. Kunt ge dezen zak ook een plaatsje geven. ’t

Is wat snoeperij voor de jongelui om je verjaardag te vieren, Thijs!

Die flesschen wijn zijn er ook voor en deze zijn voor ’s middags bij ’t

eten, want mijn glas wijn kan ik bij ’t middagmaal niet missen.

Kolossaal, wat is die Leidsche kaas zwaar. De Edammer kaasjes zijn wat

oud. Neemt eens aan: twaalf bussen zalm, 24 sardines, 12 kreeft en 12

flesschen haring in ’t zuur. Groenten en vruchten zitten in deze bussen

en hier heb ik nog gecondenceerde melk ook, maar dat is zeker

overbodig, want je breekt je hals over de koebeesten als je binnenkomt.

Zijn er ook kistjes voor gort en rijst? Anders laat je het maar in de

zakken staan. Dan hebben we nog een kistje met gerookte paling, een met

sinaasappelen en een met noten en kastanjes. Ziezoo, nu zijn wij bijna

aan ’t eind. De gaten zijn volgestopt met scheepsbeschuit. Wacht, hier

is nog wat: koffie, suiker, thee en tabak. Als je soms geen pijpen

hebt, die zijn hier en sigaren zijn in deze blikken trommel. Een bed

heb ik maar niet meegebracht, met deze twee dekens zal ik me wel

redden.”—

„Neem me niet kwalijk, kapitein,” zei Thijs, die met verbazing alle

artikelen uit de kist te voorschijn had zien komen, „heeft u soms ook

een huis en meubelen bij u, dan is alles compleet om 3 maanden in ’t

ijs te zitten.”—

„Of om eene belegering te doorstaan op het eiland,” lachte Roelof en

allen deden hartelijk mee. Kapitein Rondhout schudde van pleizier, toen

hij de halve kamer gevuld zag en met welgevallen zag hij het vroolijke

troepje jongelui aan.

„Nu het laatste,” riep hij schaterend uit. „Ik wist wel, dat Thijs

altijd een troep ondeugende bengels om zich heen had en daar heb ik ook

voor gezorgd. Eerst jou verjaardag Thijs, die zit in deze doos; ’t is

allemaal rookgerij, iets anders wist ik niet voor je uit te denken. En

dan hier, maar weet je wat, deel jelui dat maar samen. Hoe meer je er

om vecht, hoe liever ik het heb.”

De jongens vonden in een kistje vier gelijke inktstellen, 4 mooie

penhouders en 4 verschillende boeken met gelijken band. Van vechten was

dus weinig sprake; het bleek, dat de gever zich goed had laten

inlichten. Zelfs om Stans had hij gedacht en voor haar was een keurig

album en een byouterie kistje in de doos.

Eer de jongens hun dank konden betuigen, nam de kapitein weder het

woord.

„Ik hoorde zoo even, dat er meer gasten komen. ’t Is hoog tijd om den

boel op te ruimen. We moeten er eens een waar feest van maken, ouwe,”

en hij klopte Thijs op den schouder. „Vertoon nu je kunst eens om een

tafel klaar te maken, even als toen we samen om de Kaap op den

verjaardag van den kolonel voor kellner moesten spelen. Waar blijft de

tijd. Tegenwoordig heb je geen passagiers meer op een zeilschip.”

In een oogwenk was alles opgeruimd en terwijl de jongens allerlei

dingen als trommeltjes, glazen, blaadjes en kopjes uit het huis van den

meester haalden, zorgden Thijs, de kapitein en Stans voor eene keurig

aangerichte tafel, waaraan alleen de bloemen ontbraken. ’t Was een

gejubel en een gelach in de consistoriekamer zonder eind. Het vertrek

geleek een feestzaal, toen de heer en juffrouw Den Bosch en mevrouw Van

den Oever binnentraden en met verbazing alles aanzagen. De kennis was

spoedig gemaakt en weldra zaten allen gezellig en prettig in het lekker

warme vertrek. Kleine Anna zat weldra vertrouwelijk op des zeemans

schoot en schaterde het uit, wanneer het gezelschap hartelijk lachte om

de snaaksche invallen van den kapitein. Zij at koekjes, taartjes en

ulevellen tot hare moeder eindelijk vond, dat het genoeg was.

„U moest ons nu eens vertellen, mijnheer,” sprak Roelof, die naast den

zeeman zat, „waarom u bij ’t binnenkomen van middag zei, dat van wat

Thijs vertelde de helft waar was. We hebben hem nooit hooren liegen en

wien moeien we nu gelooven?”

„Daar heb ik grondige redenen voor, mijn jongen. Thijs liegt nooit, dat

weet ik wel, maar ik evenmin. Liegen doen alle lage karakters en

lafaards. Het is een laffe ondeugd, waar iemand, die eenig gevoel van

eigenwaarde bezit, zich nooit aan bezondigd. Maar ’t is wat anders.

Thijs stelt verschillende dingen voor als deugden, wat niets anders dan

plicht is. Wie b.v. zijn volk als kapitein niet eerlijk en rechtvaardig

behandelt, is een schurk en wie het wel doet, doet alleen, wat hij moet

doen. En wat het geval van die schipbreuk betreft, ja, dat is goed

beschouwd maar half waar. Als Thijs mij op ’t laatst niet gered had,

zou het weinig gegeven hebben, dat ik de lekke schuit op ’t strand had

weten te krijgen.”—

„En als u niet met meesterlijk talent het schip nagenoeg tegen wind en

stroom in op de kust had gestuurd, waren we allemaal als ratten

verdronken en nu zijn er nog 2 van over,” voegde Thijs hem toe.

„Ik zal u zeggen, hoe dat gegaan is,” riep de zeeman uit. „We zaten op

de Fransche kust vast en alleen aan bakboord konden hij en ik ons nog

vastklemmen, de rest van schip en volk was al naar de haaien. Thijs

springt in zee en ik blijf natuurlijk ’t laatst, dat is de plicht van

elken gezagvoerder. Hoe hij door de branding heen geworsteld is, mag

Joost weten, maar hij kwam er. Nu was er wel eene reddingboot op ’t

lage strand, maar die was al meer dan eens terug geslagen. Thijs

sprong, nauwelijks aan wal, en half dood, zooals men mij later

vertelde, zelf in de boot en vuurde de lui daar zoo aan tot de uiterste

krachtsinspanning, dat ze door de branding kwamen en mij half dood in

de boot haalden. Ze legden me naast den inmiddels van vermoeiing en

ontbering bewusteloos geraakten matroos neder en eerst in een hospitaal

te Duinkerken kwam ik weer tot bewustzijn. Thijs was intusschen al naar

Holland gereisd om mijne vrouw gerust te stellen.”

„En hoe kwam het toch,” vroeg de meester, „dat alle anderen van de

bemanning reeds weg waren?”

„Doodeenvoudig, mijnheer, omdat Thijs en ik alleen nuchter waren en de

overigen, zooals het gewoonlijk bij schipbreuk gaat, dronken.”—

Ondertusschen was het al half 10 geworden en de dames spraken van naar

huis gaan.

Daar kwam de kapitein echter tegenop. „Eerst zullen we een glas wijn

drinken,” sprak hij. „De chocoladeketel zullen we nu maar aan de

jongelui overlaten.” Deze lieten zich dan ook niet onbetuigd en dronken

naar hartelust, terwijl ze om de kachel noten kraakten en kastanjes

aten.

Nog geruimen tijd bleef het gezelschap prettig bijeen en het sloeg 11

uur, eer iemand er aan dacht. Toen stonden allen tegelijk op. Anna lag

reeds op een deken in een hoek te slapen.

„Waar logeert u, mijnheer Rondhout,” vroeg mevrouw Van den Oever.

„Hier mevrouw, mijne dekens heb ik mee gebracht.”—

„Gaat u dan alsjeblieft met ons mee. De logeerkamer is klaar en hier

slapen—och kom, hoe kan dat nu.”—

„Zeelui weten zich te behelpen, mevrouw. Uw aanbod is echter wel wat

aanlokkelijker en ik wind er geen doekjes om, dat ik het verre verkies

boven het verblijf hier in de kerk.”—

„Afgesproken dus, u vaart mee over. Anton logeert de laatste dagen ook

bij ons, omdat de andere schipper bij Thijs zijn intrek genomen heeft.

We gaan dus met een heel gezelschap huiswaarts.”—

Na een hartelijk afscheid roeide Thijs de gasten van Vrederust naar

huis en bracht zijn kameraad mede terug. Deze had Janus en de meiden

aldaar gezelschap gehouden en verlangde hartelijk naar kooi.

Toon van 't Veer · 第 14 / 26 题