Zoolang het weder goed bleef en dat duurde tot den avond van den 7den
Januari, was er op het eiland—voor de jongens wel te verstaan—eene
gezellige afwisseling. Roelof bracht er met goedkeuren zijner moeder
langdurige bezoeken en mocht zelfs eens een heelen avond blijven.
De jongens dwaalden in en om de kerk, keken uit naar de booten, die bij
de speelplaats eene geschikte aanlegplaats vonden en vischten allerlei
hout op, dat aan de andere zijde van de school door den tuin kwam
aandrijven en door eene haag bij het bleekveld gestuit werd.
Verschillende voorwerpen voerde de stroom daarheen.
Bij de bedeeling waren ze steeds tegenwoordig en ze verleenden vaak
hulp bij het wegen en het meten. Eene groote vreugde was het uitpakken
van de kisten en tonnen met kleedingstukken. Wat daar uit te voorschijn
kwam, is moeilijk te beschrijven. Het is wel te begrijpen, dat bij den
overstelpenden arbeid van de allerwege opgerichte
Watersnood-Commissies, van sorteeren geen sprake kon zijn. De
kleedingstukken en velerlei goederen, die alom in den lande werden
ingezameld, schenen wel in groote bakken of kisten te zijn opgehaald
langs de huizen om daarna voor den voet op ingepakt en weggezonden te
worden. Het is me later gebleken, dat dit op verscheidene plaatsen
werkelijk het geval is geweest.
Hoe het zij, genoemde goederen waren eene bron van pret voor de jongens
en ook voor Stans, die een enkelen keer kleine Anna een bezoek bracht.
Wat vermakelijks er in die uitpakking gelegen was, zal ik u zeggen, of
liever, ik zal u opnoemen, wat er uit de kisten te voorschijn kwam:
witte overhemden naast wollen dassen, warme jekkers en witte
doopjurken, bouffanten en kanten sjaals, geborduurde kinderslabbetjes
naast moffen en kousen, wollen dekens tusschen baljapons en
wandelcostuums, half versleten tafelkleeden bij nieuwe dikke
overjassen, lichte dameshoeden en ruige petten met oorlappen, broeken
en katoenen clowns hansoppen, en zoo verder. Er is geen gekker
mengelmoes van wollen, linnen en katoenen goederen bijeen te denken,
dan er uit die kisten vaak te voorschijn kwam. Eens zelfs werd tot
algemeene hilariteit een compleet hansworstenpakje, tot de muts met
belletjes toe, uit den chaos te voorschijn gehaald, waarmede, om de
vreugde ten top te brengen, Hendrik allerpotsierlijkst werd uitgedost.
In triomf werd hij door zijne kameraads naar buiten en naar de pastorie
gebracht en den geheelen dag bleef hij er mee rondloopen.
Wanneer misschien een der gevers uit dien tijd mij een verwijt wil
maken over het den draak steken met de voorwerpen van liefde en
weldadigheid, dan moet ik er mij mede verontschuldigen, dat het toch
werkelijk zoo echt grappig was.
We zullen de jongens volgen naar de pastorie.
Ze willen dus den predikant wat opvroolijken in zijne eenzaamheid? Dat
zeker niet, want door den dood van dominee, een paar jaar geleden, is
de gemeente zonder herder. Toch is het groote heerenhuis bewoond,
bevolkt, mocht ik liever zeggen. Tusschen de kerk en de pastorie is
slechts eene ruimte van nog geen 50 meters, waarvan slechts de helft
onder water staat. Tusschen deze beide gebouwen of beter, tusschen
beide eilanden wordt een gratis veerdienst onderhouden met twee aan
elkaar gespijkerde voerbakken. Oud en jong, ieder is op zijne beurt
schipper, al naar de gelegenheid zich voor doet. De bakken zijn publiek
eigendom en een der vele middelen van vervoer door de dorpelingen in
gebruik, om heen en weer te varen en elkander bij goed weder een bezoek
te brengen.
„Hei—daar, o—ver”, roepen de jongens met luide stem en weldra zijn een
paar knapen uit de pastorie, gewapend met droogstokken, in het
vaartuig, om de welkome gasten over te halen. Eerst gaat het door de
achterdeur naar de groote keuken, waar de vroegere baker der 3
Eethensche jongens, haar man, zoon en dochter, het uitschateren van
lachen bij het zien van Hendrik.
„’t Is een Indiaan,” roept de een; „welneen, hij komt van Carré,” roept
een ander.
Hendrik schudt het hoofd heen en weer, dat de belletjes rinkelen. In
triomf wordt hij in de aangrenzende kamer gevoerd, het voormalige
studeervertrek van den ouden predikant en nu het verblijf van den
dorpsbarbier, tevens daglooner, doch alleen, wat zijne eerste
betrekking aangaat, in functie. De stoet groeit aan en gaat verder,
begroet en achtervolgd door een aanhoudend gelach. In elk der zes
benedenvertrekken woont een huisgezin en in bijna elk gezin zijn
kinderen. Het heele gebouw davert van toejuichingen. Aangemoedigd door
het succes, put Hein zich uit in grappen en grimassen. De tocht gaat
verder, de breede trap op en de algemeene slaapzaal binnen, dat is de
uitgestrekte afgeschoten zolder van het hoofdgebouw. Hier vinden
kinderen en jongelui hun beddeke op den vloer gespreid. Twee rijen, één
en twee persoons matrassen liggen met een gang in ’t midden, over de
ruimte en bijna 20 personen slapen er ’s nachts. Echtparen met
zuigelingen hebben de bovenkamers in gebruik genomen en jonge meisjes
slapen op de vliering. Het groote gebouw lijkt wel eene volksplanting,
waar, naast meer dan 35 personen, nog honden, katten, duiven,
kanarievogels een onderkomen hebben gevonden. Dag aan dag is het er
kermis; buurvrouwen hebben ruzie over hunne kinderen en razen en
schelden nog als het twistende kroost reeds lang vredig en wel hun spel
hervat heeft. Wanneer de ouders weder verzoend zijn en elkander
bebabbelen, krijgen de kinderen het opnieuw te kwaad en zoo komen zij
allen den tijd door. Werken doet haast niemand. Als het niet was om een
onsje koffie of een pakje tabak te verdienen, vrouw noch man zou eene
hand uitsteken.—