De voorspelling van een oude van dagen was bewaarheid geworden. Het
wassende water bereikte den dorpel van het schoolhuis, maar kwam niet
binnen. Het bleek veel hooger te staan, dan iedereen dacht; op korten
afstand stond een huisje, oogenschijnlijk weinig lager gebouwd, bijna
tot den nok in ’t water.
De voorkamer van den heer Den Bosch had veel van een winkel. Er stonden
balen met rijst, gort, meel, kistjes met suiker en busjes met koffie.
Wel 200 brooden lagen opgestapeld naast kazen en zijden spek. Tonnen
met erwten en boonen vonden een plaats naast vaatjes margarine, wollen
dekens en omslagdoeken. De meest verschillende zaken stonden en lagen
hier broederlijk naast elkaar. Eene geïmproviseerde toonbank was
opgeslagen en daarop stonden maten en gewichten.
Deze kamer was het terrein van werkzaamheid van de commissie van
bedeeling, bestaande uit den heer Den Bosch met nog 2 heeren. Hier werd
elken morgen gratis voedsel verstrekt aan allen, die het behoefden en
dat waren er velen.
Om tot goed begrip van de werkzaamheid dezer commissie te komen is het
noodig, dat we ons nog eenige oogenblikken naar Heusden verplaatsen.
Nauwelijks was de doorbraak van den Heidijk in Heusden bekend of de
ijverige burgemeester van deze plaats, gesteund door vele weldenkende
ingezetenen, zon op middelen om den nood te lenigen. Duizenden menschen
waren dien dag broodeloos geworden en om nu allerwege in de geteisterde
gewesten, voedsel, kleeding en brandstof te verschaffen, werd onder
voorzitterschap van genoemden heer Honcoop eene commissie van 20 leden
gevormd, waaraan later wegens groote verdienste nog zes leden werden
toegevoegd. Van Z. E. den minister van Oorlog werd de vrije beschikking
verkregen over de ledigstaande rijksgebouwen. Reeds direct wendde het
ijverige comité pogingen aan om den nood te lenigen en trad inmiddels
in overleg met de Algemeene Watersnoodcommissie te Amsterdam en die te
’s Hertogenbosch.
Voor de bedeeling in de verschillende plaatsen zelve, werden
subcomité’s benoemd, waarvan de respectieve burgemeesters ambtshalve
voorzitter waren. Ook de heer Van den Oever was aldus president van de
commissie te Eethen, maar door zijne betrekking als heemraad moest hij
aan zijne 3 medeleden den arbeid overlaten.
De Districts-Commissie te Heusden, die weldra van alle zijden krachtig
gesteund werd, had de zorg over 17 dorpen, de Algemeene Commissie te ’s
Hertogenbosch voorzag de plaatsen Vlijmen en Nieuwkuyk van het noodige
en aan de inmiddels op den 3den Januari 1881 opgerichte
Districts-Commissie te Werkendam werden de overige plaatsen in het
benedenland toevertrouwd. Het comité te Heusden alleen had op den 6den
Januari volgens de opgaven te zorgen voor ongeveer 5000 personen,
waarvan te Eethen 130.
We zullen ons verder niet bezig houden met de blijken van
edelmoedigheid en menschlievendheid, door de geteisterde landstreek
ontvangen uit alle oorden van ons vaderland, hoe zeer ook ons hart
klopt van vreugde bij de gedachte, dat in Nederland mannen en vrouwen
met oprecht medegevoel, nog overvloedig te vinden zijn. Liever nemen
wij den draad van ons verhaal weder op.
De commissie kweet zich ijverig van hare taak. Dagelijks werden groote
hoeveelheden van allerlei voedsel afgewogen en uitgedeeld; oude
menschen, zieken en kleine kinderen ontvingen bovendien ook suiker,
beschuit, chocolade, koffie en andere luxe-artikelen, die de gezonden
natuurlijk niet kregen. Daarenboven werden wollen kleederen, dekens en
brandstoffen voldoende verschaft, zoodat niemand—in Eethen
tenminste—gebrek en koude behoefde te lijden.
„En dan waren al die menschen zeker in de wolken van vreugde en
dankbaarheid,” zult ge vragen.
Waarde lezers en lezeressen, daar spreek ik liever niet van. Alleen wil
ik u doen opmerken, dat iedere goede daad, die met het oog op dank
verricht wordt, feitelijk geene edelmoedigheid meer is, maar winstbejag
wordt. Bovendien raad ik u allen aan, als ge wilt wel doen, om niet te
rekenen op den dank der menschen, want ge zult wreed teleurgesteld
worden. „Doe wel,” maar, „zie niet om.”—
Al de goederen nu, werden uit Heusden aangevoerd met de boot, die ter
beschikking der commissie gesteld en met twee ervaren schippers bemand
was.
En wie denkt ge, was een van deze?
Thijs! Thijs van ’t Veer.
Ge kunt nagaan, hoe verheugd de jongens waren, toen ze zoo dagelijks
hun ouden vriend in hunne nabijheid hadden. Nog grooter echter werd
hunne blijdschap, toen op den vierden morgen ook Toon met eene boot uit
Drongelen meekwam om bij grootvader in de consistoriekamer zijn intrek
te nemen.
Toen Toon er was, kwam de ware pret eerst aan. Toon wist altijd iets
nieuws en... met Toon kregen ze zelfs toestemming tot varen. Met Toon
zouden zij geen ongeluk krijgen. Dit ging echter niet op. Nog
dienzelfden dag zouden de jongens turven gaan visschen, die in den
kelder ronddreven. Deze waren tegen de muren opgestapeld geweest om de
aardappels tegen den vorst te beschutten. Een paar oude deuren, die het
hok hadden gevormd, dreven eveneens rond en dienden den jongens voor
vlot. Met de grootste pret haalden zij achtereenvolgens alle turven op
het droge. Door hunne drukte en beweging kantelde echter het vaartuig
en allen lagen kopje onder. Met veel moeite wist Piet zich tegen de
steenen trap op te werken, waar hij vervolgens met een drooglat uit de
keuken de anderen meer dood dan levend naar boven haalde. Uit was nu de
pret. Moeder kwam op de kreten haastig aanloopen en stuurde hare zoons
naar bed. Anton ontving deze straf niet, zijn grootvader was met de
heeren naar Heusden, maar hij verveelde zich het verdere van den dag
deerlijk.