HAAST U, REP U.

In den morgen van den beruchten 30sten December doet niets in het

dorpje Eethen vermoeden, dat de bewoners aan den vooravond staan van

een langen en bangen winter.

De jongens Den Bosch zijn reeds vóór half 8 op het aanplakbord wezen

zien, wat waterbericht het bulletin aangeeft. Waterstand te ’s Bosch

6,25 M. boven A.P., Vlijmen 6,15 M. Van Nieuwkuyk nog geen bericht

dus.—Het zou spoedig komen.

Voor het huis van den meester hield deze met eenige buren een praatje

over het onderwerp van den dag. Nieuwsgierig stonden de jongens in den

kring. Verschillende mogelijkheden werden overwogen, toen—omstreeks

kwart over 9—een man te paard in galop over de laan van den

burgemeester naar Vrederust reed. Om half 9 was deze particuliere bode

door den secretaris-penningmeester van het dijkbestuur—burgemeester

„Van den Oever” van Eethen—naar zijne woonplaats gezonden met het

volgende bericht: „Gerucht doorbraak bij Nieuwkuyk. Ik geloof het.

Zekerheid ontbreekt mij.”

Nauwelijks was de mare in het dorp verspreid, of het was overal „haast

u, rep u.” Onmiddellijk gevaar dreigde er niet. Er zouden eenige uren

verloopen, eer het verwoestende element in Eethen zijn sloopingswerk

zou beginnen. De bewoners maakten zich dien kostbaren tijd ten nutte,

om in veiligheid te brengen, wat te bergen was. Overal liepen loeiende

kudden koeien en ander vee; wagens reden door het dorp en de laagst

gelegen huizen werden geheel ontruimd. Velen droegen alles op zolder en

richtten zoo goed en zoo kwaad het ging de naakte ruimte tot

woonvertrek in.

Ook bij den meester waren allen druk in de weer. De beide jongens

sleepten en sjouwden de aardappels uit den kelder met mandjes en

zakken. Boven in eene groote kast nabij den schoorsteen werd alles

opgeborgen: aardappels, de vleesch- en spekkuip, groentepotten en

allerlei provisie, die een huisgezin gewoonlijk buiten voor den winter

opslaat. Vader, moeder en kinderen, allen werkten om het hardst. Toen

de mondvoorraad voldoende in veiligheid gebracht was, kwam de beurt aan

de steenkolen. In de schuur, nabij het huis, lag eene groote

hoeveelheid van die brandstof, gedeeltelijk voor eigen, gedeeltelijk

voor schoolgebruik en beide hoopen minderden gaandeweg. De jongens

wisselden elkander af, de een opscheppen, de andere dragen. In eene

niet gebruikte bedstede achter op den zolder, werden de steenkolen

neergestort. Het ruimen en opbergen gaf weldra zulk eene

aantrekkelijkheid aan de beide knapen, dat ze spoedig het hoogste lied

zongen. Toen vader van zijn werk in huis even achter kwam kijken, vond

hij de jongens zingend en jubelend groote takkenbossen en ander hout

uit de schuur slepende, om alles boven op te stapelen.

„’t Lijkt wel of jelui er een feest van maken,” roept hij.

„Welnu, pa, hebt u dan wel eens een watersnood gezien,” roepen beiden.

„Wanneer zou ’t water hier zijn?”

„Voor eerst nog niet, hoor, levenmakers. Ik ga weer naar moe. Werk je

niet te veel in ’t zweet en denk om bijl, hamer, zaag, nijptang enz.”—

„O ja, pa. We brengen alles boven, wat we denken, dat gebruikt kan

worden en de konijnen ook.”—

„Ben je mal, jongens, die stinkende dieren.”—

„Moeten die dan verdrinken, pa?”—

„Wel neen, laat ze los. Om de kerk ligt hooi en koren in overvloed,

daar zullen ze met de kippen hun weg wel vinden.”—

„Waar is Annie toch, pa?”—

„Wel, drommels, die zouden we geheel vergeten. Piet, loop vlug naar den

Kleiberg. Even vóór de tijding kwam, is ze door de meid van de familie

Van der Wal gehaald.”—

Piet vliegt heen of het water hem op de hielen zit. Gelukkig voor boer

Van der Wal, dat Piet kwam. Op de eenzame boerderij hadden de bewoners

nog niets van het gerucht vernomen en ijlings begonnen ze ook hier have

en vee in veiligheid te brengen. De klok had nog niet geluid. De

officiëele tijding was nog niet gekomen. Eerst geruimen tijd daarna

verkondigde het bom-bam der torenklok, dat geen twijfel mogelijk was.

Bij geene enkele gelegenheid mocht de klok in die dagen anders luiden

dan bij doorbraak, zoodat nu allen waren gewaarschuwd.

Toen Piet weder thuiskwam, was alles opgeruimd.

De kerk staat te Eethen op een heuvel, tegen welks helling ook school

en schoolhuis gebouwd zijn. Dat het water in de kerk komen zou, was zoo

goed als onmogelijk; ook de woning van den meester, hoewel aanmerkelijk

lager staande, leverde geen direct gevaar op voor de bewoners. Een

vreemd schouwspel bood de omgeving van de kerk aan. Op de speelplaats

stonden groote hoeveelheden ongedorscht koren, hooi en strooi. In het

z.g. koor—eene groote bergplaats, een deel van de oude kerk—waren meer

dan vijftig koeien gestald. Het was er een af- en aandragen, een rijden

en sjouwen, als bij eene groote verhuizing.

Bij den meester werd in plaats van middageten koffie en brood met

vleesch gebruikt. Daarna vlogen de jongens weder de deur uit, vol

verlangen naar de dingen, die komen zouden. „’t Is, of ze er een feest

van maken,” had vader dien morgen gezegd en het leek er werkelijk veel

op. Onbezorgd en niet denkende aan de rampen en onheilen, die uit den

watersnood zouden voortvloeien, aan ongelukken, die reeds geschied

waren, stelden de knapen zich allerlei pret en eene aangename

afwisseling van de overstrooming voor. Indien ze echter dachten overal

vrij rond te kunnen loopen, hadden ze het mis. „Bij huis of bij vader

blijven,” luidde het strenge bevel. Gelukkig, dat ook deze nieuwsgierig

was en aldus liepen ze in den namiddag gezamenlijk den weg op ten

Oosten van het dorp. De slooten waren reeds tot den rand gevuld en

pijlsnel vloot het water onder de bruggen door. Toen ook de landerijen

overstroomden, kwam al het gedierte des velds voor het water uit en

beklom de nog droog liggende wegen. Ratten, muizen, mollen en hazen

kwamen bij tien- en honderdtallen aanzetten. Wezels en zelfs bunzings

trof men onder de vluchtende dieren aan, die allerwege een goed

heenkomen zochten. Een paar jongens stortten zich op een haas. Het dier

ontsnapte, doch de knapen spartelden kopje onder in de sloot. Met een

haak werden ze aan wal getrokken. In de verte liepen Roelof en Stans,

maar daar ook deze hetzelfde consigne hadden als Piet en Hendrik,

moesten de jongelui zich het genoegen van elkanders gezelschap

ontzeggen.

De weg liep reeds onder. Als de branding der zee kwamen de golven

aanrollen over het veld. Steeds meer dieren zwommen en renden voor den

vloed uit. Vader ging naar huis en noode volgden hem zijne zoons.

De avond begon reeds te vallen en het water rees zienderoog. Mannen met

hooge laarzen plasten voorbij het huis.

De weg naar de kerk stond reeds blank, toen de meester met zijne zoons

omstreeks 6 uur aldaar een kijkje gingen nemen, en een pad zochten

langs den muur van het kerkhof.

Het geloop en gedraaf der gelaarsden ging voort, paarden voor karren

met voer plasten door het nat. Het geheel werd door lantaarns hier en

ginds fantastisch verlicht.

Het inwendige van het bedehuis leverde een eigenaardig schouwspel op.

Een paard stond vastgebonden aan den voorzangerslessenaar; rustig vrat

het dier hooi en was er volkomen op zijn gemak. Kalvers lagen in de

banken en het geblaat van schapen klonk door het kerkruim. En de

jongens.... Ze schaterden het uit, zoodra ze weer iets nieuws

ontdekten. Het was voor hen een onvergetelijke dag.

Den volgenden morgen waren ze reeds vroeg uit de veeren. Uit het

zolderraam keken ze over de wijde watervlakte. Tuinen en boomgaarden,

veld en weiden, alles was water, zoover ze konden zien. Met een gevoel

van ontevredenheid echter bemerkten zij, dat moeder rustig in de

woonkamer het ontbijt gereed zette. Het water kwam nauwelijks tot aan

de stoep voor de deur, terwijl het bij andere huizen tot aan het dak

reikte.

Liever hadden ze gezien, dat ook zij in de bovenkamer en op zolder

moesten bivakkeeren.

In een oogenblik had ieder zijne boterhammen genuttigd en waren ze

buiten. Van wegloopen was geen sprake meer. De kerkhoven aan

weerszijden der kerk en de speelplaats vormden een eiland, vol leven en

bedrijvigheid. Bootjes voeren af en aan, boerenarbeiders verzorgden met

hunne bazen het vee. De koeien werden gemolken. De post kwam weldra

aan, kortom het was voor de jongelui eene eindelooze afwisseling. Ook

kwam er ieder oogenblik bezoek. Heeren kwamen om hun vader te spreken

over eene commissie van bedeeling en nieuwsgierigen voeren op vlotten

en in voerbakken naar het eiland, dat het middelpunt vormde van het

dorp en weldra het eiland heette.

Toon van 't Veer · 第 11 / 26 题