DE RAMP VAN NIEUWKUYK. [1]

„De wel, de wel, allemaal zand,” klonk het dof en angstig door de

woning van den noodheemraad Van de Wiel en de hevige slagen op de deur

gaven duidelijk de vrees van den boodschapper en den ernst van het

oogenblik te kennen.

Het is in den nacht van den 29sten op den 30sten December 1880.

In minder dan een oogenblik is de heer Van de Wiel gekleed en stapt hij

met gezwinden pas de deur uit in de richting van de Peperstraat. Het is

stik donker; de storm huilt en met moeite houdt hij zich staande.

Weldra is hij op den straatweg in de richting van de laan van

Onzenoord. Het is omstreeks 2 uur. Eene zwarte gestalte snelt hem

voorbij en roept hem toe, dat er geen oogenblikkelijk gevaar is. Geen

gevaar! Maar wat is dan het geluid, dat zijne ooren treft. Is het de

stormwind, die door de takken giert, of is het ’t geruisch van golven

in de verte. Een suizend geluid doet hem omlaag zien en hem bukken naar

den slootkant. Het water staat tot aan den rand van den weg en vliegt

snel door de takken van struiken en laag houtgewas. Dwars door de

akkers spoedt hij zich verder. De angst slaat hem om het hart en zich

zijne verantwoordelijkheid bewust, haast hij zich zoo snel mogelijk om

het bedreigde punt te bereiken. Op eens stapt de heemraad tot de knieën

in ’t water en in een oogenblik is het tot zijn middel gestegen. Een

donderend geluid van woest rollende golven treft zijne ooren. Loeiend

en brullend stort een ontzagwekkende stroom zich over de landerijen. In

de schier ondoordringbare duisternis ziet hij slechts de lichte koppen

der neerstortende golven.

Een oogenblik staat hij stil, gedachteloos van schrik. Maar plotseling

schiet hem bliksemsnel de gedachte door den geest, dat het onheil

onherroepelijk is geschied, de dijk is bezweken. De dijk is bezweken!

Rauw klinkt de kreet door de lucht en als de torenklok zijne

onheilspellende tonen doet klinken, is weldra heel Nieuwkuyk in de weer

om het veege lijf te redden.

Het geloei van het vee, het angstgeschrei der ongelukkigen, overstemt

den stormwind.

Ontwortelde boomen, hooibergen en houtstapels worden meegesleurd door

den alles vernielenden vloed; huizen storten in, en balken en planken

stooten met donderend geweld tegen waggelende muren.

Enkelen weten zich te redden op den dijk en voeren hun vee voor zich

uit. Anderen kunnen alleen de arme beesten los snijden en de deuren

openen. Velen echter kunnen nauwelijks eigen leven redden en moeten

hunne koeien, paarden en ander vee jammerlijk laten omkomen in de

stallen.

Het was duister in de woning van de weduwe N., maar donkerder nog in

het hart der arme vrouw, toen zij, opgeschrikt door de noodklok, het

bed uitsprong en plassende door het water in allerijl hare vier

kinderen wekte.

De doodschrik sloeg haar om het hart, toen ze het geloei der golven

hoorde, dat ieder oogenblik heviger werd. De beide jongste kinderen nam

ze onder de armen en droeg hen de steile zoldertrap op, de anderen

volgden. Terwijl de oudste jongen voor de kleine kinderen zorgde, liep

zij weder terug om wat kleeren en beddegoed naar boven te sleepen.

Daar werd hevig op de deur geklopt en een geroep: „doe open, om

Godswil, doe open,” trof haar oor. Ze schoof de grendels van de

voordeur en een oude buurman en diens vrouw traden binnen; een golf

water ging hun voor. Met moeite maakten ze gezamenlijk de deur toe en

ijlden, reeds tot de knieën in ’t water, naar den zolder. De vloed

steeg met het oogenblik. Bange uren bracht het zevental door op den

zolder van het kleine boerenhuis. De kinderen waren verkleumd van

koude, onder de meegebrachte dekens en eenige zakken gekropen. De ouden

hurkten angstig bijeen en staarden door het kleine zoldervenster naar

den steeds toenemenden stroom en het hooger en hooger stijgende water.

Woest rolden de golven langs den voorkant van het huis, over tuin en

akker heen. Donkere voorwerpen vlogen pijlsnel voorbij, gedragen door

het schuimende water. Het huis trilde op zijne grondvesten. Boomen en

planken stootten dreunend tegen den waggelenden voormuur. Zwemmende,

half verdronken beesten, brullend in hun doodstrijd, schoten voorbij.

Daar stort eensklaps met donderend geraas de bedreigde muur in het

kokende sop en een eindeloos gezicht van woest rollende golven vertoont

zich grimmig aan de van schrik bestorven ongelukkigen. De kinderen

staren wezenloos door de open ruimte naar het losgebroken element.

Reeds schudt de zoldering, misschien is onder hen de grondslag reeds

ondermijnd. De toestand is hopeloos. Langer te wachten, kan aller

ondergang wezen. Er moet gehandeld worden. De oude man grijpt een bijl,

die gelukkig aanwezig is en met alle kracht slaat hij een gat in den

binnenmuur. Vlugger, vlugger nog klinken de slagen. De muur brokkelt

af. Ze kunnen er door. IJlings vluchten allen op den stalzolder. Langer

talmen is de dood. Het achterhuis met zijn stevige binten kan het

misschien houden tot er hulp daagt. De koeien en het paard in den stal

strijden hun laatsten strijd. Woest klinken hunne jammerkreten den

ongelukkigen in de ooren. Eindelijk zijn de dieren uit hun lijden

verlost. Alles heeft de arme weduwe verloren. Als ze nu hare kinderen

nog maar behouden mag. Nog hooger stijgt de nood. Het water doorweekt

het hooi en spoelt de losse takken weg, waar het is opgestapeld en als

de middag aanbreekt zonder dat hulp genaakt, moeten de rampzaligen een

laatsten toevlucht zoeken op het rieten dak.—

Reeds in den vroegen morgen hebben uit alle omliggende plaatsen, tot

uit Den Bosch, booten met redders zich naar de plaats des onheils

begeven. Wonderen van moed en zelfopoffering zijn verricht. Ook de nood

der weduwe bleef niet onopgemerkt. Maar wie zal hier redden? Er heen

varen is zoo goed als onmogelijk. Enkele booten hebben het getracht,

maar pijlsnel zijn ze langs het waggelende huis heen geschoten. De

stroom is daar op zijn sterkst en en wie recht op het huis zou

aanvaren, kon zeker zijn van zijn ondergang.

Twee schippers waarvan reeds één in de boot zit, zijn op het gespaarde

dijkvak in levendige woordenwisseling.

„Eén moedige varensgezel en we zullen trachten hen te redden.”—

„Onmogelijk,” zegt de andere en moedeloos schudt hij het hoofd. „Daar

kan geen boot zich wagen. Bij God, dat is den dood zoeken.”—

Niemand beantwoordt den kreet van den eersten. Niemand heeft lust om

bijna zeker het leven te verliezen.

Niemand? Geen man, ja, maar toch wel één. Een jongen, een stoere knaap,

wringt zich door de menigte en springt in de boot. „Aan ’t roer of aan

de riemen?” vraagt hij.—Het is Toon.

„Nergens” en een krachtige hand weerhoudt hem. „’t Kan niet, hoe graag

ook ik zou willen.” ’t Is de twijfelaar van zoo even, die hem uit de

boot zet. De jongen laat zich den geheelen toestand uiteen zetten, door

een schipper, die er langs is gevaren. Daarna zet hij ’t op een loopen.

„Hij heeft er genoeg van,” zegt dezelfde varensgezel. „Hij heeft

gelijk, en toch—het spijt me van hem—’t scheen zoo’n echte, flinke

waterrot.”

Toon vlucht echter niet. Integendeel. Hij wist in de nabijheid een

lang, dik touw—een wagen- of kartouw genoemd—te verkrijgen. Met dit op

den rug keert hij terug bij de verbaasde menigte. Het anker van de boot

heeft hij weldra aan het eene eind vastgeknoopt, terwijl zijn plan

vertellende. „Waarachtig, de jongen heeft gelijk,” roepen beide

schippers. „We werpen het anker in den dikken boom, die een 20 pas vóór

het huis staat. Mislukt het, dan hebben we net nog tijd te wenden en

rechts langs de schuur te schieten.” Een kreet van bewondering ontsnapt

aan allen, daar tegenwoordig.

Een oogenblik later steekt de boot van wal.

Slechts een tiental krachtige slagen en het ranke vaartuig is in de

draaiende, vliegende stroom. De boot schiet recht vooruit. Een misgreep

aan het roer zou haar gewis doen omslaan, maar ze wordt bestuurd door

een vaste, bekwame hand, al is het die van een knaap.

Weldra zijn ze op de plaats des verderfs. Terwijl Toon, doodsgevaar

tartende, de broze hulk rakelings langs den stevigen ouden boomstam

stuurt, werpt een der anderen met een behendigen zwaai het anker

tusschen twee zware, evenwijdige takken.

De toeleg is gelukt. Het bootje dobbert op den stroom, door de stevige

lijn gestut in zijn vaart. Het touw wordt gevierd en na eenige

moeilijke oogenblikken ligt het aan de achterzijde van het dak.

In angst en vreeze hebben de ongelukkigen daar de pogingen der redders

aanschouwd. Een zucht van verlichting ontsnapt aan de bange borst, als

allen goed en wel op den bodem van het vaartuig zijn neder gezeten. Het

touw wordt losgelaten en voort gaat het, tusschen drijvende

houtgevaarten, losgerukte boomen en allerlei hindernissen, voorbij

huizen en bouwvallen, door struikgewas en door stroo en hooi.

Eindelijk, na een moeilijken en gevaarvollen tocht, landen allen

behouden aan den Konijnenberg. Het schokkend lichaam der gemartelde

moeder knielt neder bij den jongen redder en overdekt zijne handen met

kussen. De anderen zijn sprakeloos. Liefdevolle handen nemen de

verzorging der geredden over en het moedige drietal verwijdert zich.

Toon laat zich afzetten op den oostelijken dijk, waar hij alleen verder

gaat. De beide schippers schudden hem hartelijk de hand en keeren

daarop terug naar het bedreigde dorp.

Toon durft niet langer te blijven. Reeds begint de avond te vallen en

de weg naar Heusden is ver. Te Vlijmen, aan het station van het

dijkbestuur gekomen, verneemt hij, dat de heeren reeds geruimen tijd

vertrokken zijn. Hij spoedt zich verder langs den drassigen dijk van

Vlijmen naar Hedikhuizen om van daar langs den Maasdijk Heusden te

bereiken. De burgemeester wacht misschien reeds in angstige spanning.

Het was zoo. De heer Van den Oever maakte zich ernstig ongerust over

den knaap. Zijne collega’s wisten niets aangaande hun metgezel in den

nacht mede te deelen. Een van hen had een boot van wal zien steken met

een jongen aan ’t roer. „Dat is hij, dat is hij stellig, Toon is moedig

als een leeuw en zelfopofferend als een held,” riep de burgemeester.

Hij verweet zich zoo slecht voor den knaap te hebben gezorgd en bracht

angstige uren door.

Tegen half 8 in den avond—de aanwezige leden van het dijkbestuur waren

in het station bij elkander om tal van zaken te overleggen—werd er

zacht aan de deur geklopt. Mijnheer Van den Oever springt overeind.

„Gelukkig, ’t is Toon,” roept hij. Eer Anton zich verkleeden ging,

wilde hij even zijn beschermer waarschuwen.

De heeren riepen den verkleumden knaap bij de kachel en terwijl hij

zich te goed deed aan een warm kop koffie en een stevig maal, dat

inmiddels voor hem was gereed gezet, moest hij zijn wedervaren

vertellen. Van de redding zweeg hij. Medelijden, oprechte deelneming,

waren zijne drijfveeren geweest, geen hoop op dank. De ware held waagt

zijn leven voor zijne medemenschen, doch niet voor eene belooning.

Een uur later lag hij in een verkwikkenden slaap en den volgenden

morgen vertrok hij uit Heusden. Eene boot met levensmiddelen zette hem

te Doeveren aan den dijk af en met vlugge schreden liep hij verder

huiswaarts.

Toon van 't Veer · 第 10 / 26 题