„De wel, de wel, allemaal zand,” klonk het dof en angstig door de
woning van den noodheemraad Van de Wiel en de hevige slagen op de deur
gaven duidelijk de vrees van den boodschapper en den ernst van het
oogenblik te kennen.
Het is in den nacht van den 29sten op den 30sten December 1880.
In minder dan een oogenblik is de heer Van de Wiel gekleed en stapt hij
met gezwinden pas de deur uit in de richting van de Peperstraat. Het is
stik donker; de storm huilt en met moeite houdt hij zich staande.
Weldra is hij op den straatweg in de richting van de laan van
Onzenoord. Het is omstreeks 2 uur. Eene zwarte gestalte snelt hem
voorbij en roept hem toe, dat er geen oogenblikkelijk gevaar is. Geen
gevaar! Maar wat is dan het geluid, dat zijne ooren treft. Is het de
stormwind, die door de takken giert, of is het ’t geruisch van golven
in de verte. Een suizend geluid doet hem omlaag zien en hem bukken naar
den slootkant. Het water staat tot aan den rand van den weg en vliegt
snel door de takken van struiken en laag houtgewas. Dwars door de
akkers spoedt hij zich verder. De angst slaat hem om het hart en zich
zijne verantwoordelijkheid bewust, haast hij zich zoo snel mogelijk om
het bedreigde punt te bereiken. Op eens stapt de heemraad tot de knieën
in ’t water en in een oogenblik is het tot zijn middel gestegen. Een
donderend geluid van woest rollende golven treft zijne ooren. Loeiend
en brullend stort een ontzagwekkende stroom zich over de landerijen. In
de schier ondoordringbare duisternis ziet hij slechts de lichte koppen
der neerstortende golven.
Een oogenblik staat hij stil, gedachteloos van schrik. Maar plotseling
schiet hem bliksemsnel de gedachte door den geest, dat het onheil
onherroepelijk is geschied, de dijk is bezweken. De dijk is bezweken!
Rauw klinkt de kreet door de lucht en als de torenklok zijne
onheilspellende tonen doet klinken, is weldra heel Nieuwkuyk in de weer
om het veege lijf te redden.
Het geloei van het vee, het angstgeschrei der ongelukkigen, overstemt
den stormwind.
Ontwortelde boomen, hooibergen en houtstapels worden meegesleurd door
den alles vernielenden vloed; huizen storten in, en balken en planken
stooten met donderend geweld tegen waggelende muren.
Enkelen weten zich te redden op den dijk en voeren hun vee voor zich
uit. Anderen kunnen alleen de arme beesten los snijden en de deuren
openen. Velen echter kunnen nauwelijks eigen leven redden en moeten
hunne koeien, paarden en ander vee jammerlijk laten omkomen in de
stallen.
Het was duister in de woning van de weduwe N., maar donkerder nog in
het hart der arme vrouw, toen zij, opgeschrikt door de noodklok, het
bed uitsprong en plassende door het water in allerijl hare vier
kinderen wekte.
De doodschrik sloeg haar om het hart, toen ze het geloei der golven
hoorde, dat ieder oogenblik heviger werd. De beide jongste kinderen nam
ze onder de armen en droeg hen de steile zoldertrap op, de anderen
volgden. Terwijl de oudste jongen voor de kleine kinderen zorgde, liep
zij weder terug om wat kleeren en beddegoed naar boven te sleepen.
Daar werd hevig op de deur geklopt en een geroep: „doe open, om
Godswil, doe open,” trof haar oor. Ze schoof de grendels van de
voordeur en een oude buurman en diens vrouw traden binnen; een golf
water ging hun voor. Met moeite maakten ze gezamenlijk de deur toe en
ijlden, reeds tot de knieën in ’t water, naar den zolder. De vloed
steeg met het oogenblik. Bange uren bracht het zevental door op den
zolder van het kleine boerenhuis. De kinderen waren verkleumd van
koude, onder de meegebrachte dekens en eenige zakken gekropen. De ouden
hurkten angstig bijeen en staarden door het kleine zoldervenster naar
den steeds toenemenden stroom en het hooger en hooger stijgende water.
Woest rolden de golven langs den voorkant van het huis, over tuin en
akker heen. Donkere voorwerpen vlogen pijlsnel voorbij, gedragen door
het schuimende water. Het huis trilde op zijne grondvesten. Boomen en
planken stootten dreunend tegen den waggelenden voormuur. Zwemmende,
half verdronken beesten, brullend in hun doodstrijd, schoten voorbij.
Daar stort eensklaps met donderend geraas de bedreigde muur in het
kokende sop en een eindeloos gezicht van woest rollende golven vertoont
zich grimmig aan de van schrik bestorven ongelukkigen. De kinderen
staren wezenloos door de open ruimte naar het losgebroken element.
Reeds schudt de zoldering, misschien is onder hen de grondslag reeds
ondermijnd. De toestand is hopeloos. Langer te wachten, kan aller
ondergang wezen. Er moet gehandeld worden. De oude man grijpt een bijl,
die gelukkig aanwezig is en met alle kracht slaat hij een gat in den
binnenmuur. Vlugger, vlugger nog klinken de slagen. De muur brokkelt
af. Ze kunnen er door. IJlings vluchten allen op den stalzolder. Langer
talmen is de dood. Het achterhuis met zijn stevige binten kan het
misschien houden tot er hulp daagt. De koeien en het paard in den stal
strijden hun laatsten strijd. Woest klinken hunne jammerkreten den
ongelukkigen in de ooren. Eindelijk zijn de dieren uit hun lijden
verlost. Alles heeft de arme weduwe verloren. Als ze nu hare kinderen
nog maar behouden mag. Nog hooger stijgt de nood. Het water doorweekt
het hooi en spoelt de losse takken weg, waar het is opgestapeld en als
de middag aanbreekt zonder dat hulp genaakt, moeten de rampzaligen een
laatsten toevlucht zoeken op het rieten dak.—
Reeds in den vroegen morgen hebben uit alle omliggende plaatsen, tot
uit Den Bosch, booten met redders zich naar de plaats des onheils
begeven. Wonderen van moed en zelfopoffering zijn verricht. Ook de nood
der weduwe bleef niet onopgemerkt. Maar wie zal hier redden? Er heen
varen is zoo goed als onmogelijk. Enkele booten hebben het getracht,
maar pijlsnel zijn ze langs het waggelende huis heen geschoten. De
stroom is daar op zijn sterkst en en wie recht op het huis zou
aanvaren, kon zeker zijn van zijn ondergang.
Twee schippers waarvan reeds één in de boot zit, zijn op het gespaarde
dijkvak in levendige woordenwisseling.
„Eén moedige varensgezel en we zullen trachten hen te redden.”—
„Onmogelijk,” zegt de andere en moedeloos schudt hij het hoofd. „Daar
kan geen boot zich wagen. Bij God, dat is den dood zoeken.”—
Niemand beantwoordt den kreet van den eersten. Niemand heeft lust om
bijna zeker het leven te verliezen.
Niemand? Geen man, ja, maar toch wel één. Een jongen, een stoere knaap,
wringt zich door de menigte en springt in de boot. „Aan ’t roer of aan
de riemen?” vraagt hij.—Het is Toon.
„Nergens” en een krachtige hand weerhoudt hem. „’t Kan niet, hoe graag
ook ik zou willen.” ’t Is de twijfelaar van zoo even, die hem uit de
boot zet. De jongen laat zich den geheelen toestand uiteen zetten, door
een schipper, die er langs is gevaren. Daarna zet hij ’t op een loopen.
„Hij heeft er genoeg van,” zegt dezelfde varensgezel. „Hij heeft
gelijk, en toch—het spijt me van hem—’t scheen zoo’n echte, flinke
waterrot.”
Toon vlucht echter niet. Integendeel. Hij wist in de nabijheid een
lang, dik touw—een wagen- of kartouw genoemd—te verkrijgen. Met dit op
den rug keert hij terug bij de verbaasde menigte. Het anker van de boot
heeft hij weldra aan het eene eind vastgeknoopt, terwijl zijn plan
vertellende. „Waarachtig, de jongen heeft gelijk,” roepen beide
schippers. „We werpen het anker in den dikken boom, die een 20 pas vóór
het huis staat. Mislukt het, dan hebben we net nog tijd te wenden en
rechts langs de schuur te schieten.” Een kreet van bewondering ontsnapt
aan allen, daar tegenwoordig.
Een oogenblik later steekt de boot van wal.
Slechts een tiental krachtige slagen en het ranke vaartuig is in de
draaiende, vliegende stroom. De boot schiet recht vooruit. Een misgreep
aan het roer zou haar gewis doen omslaan, maar ze wordt bestuurd door
een vaste, bekwame hand, al is het die van een knaap.
Weldra zijn ze op de plaats des verderfs. Terwijl Toon, doodsgevaar
tartende, de broze hulk rakelings langs den stevigen ouden boomstam
stuurt, werpt een der anderen met een behendigen zwaai het anker
tusschen twee zware, evenwijdige takken.
De toeleg is gelukt. Het bootje dobbert op den stroom, door de stevige
lijn gestut in zijn vaart. Het touw wordt gevierd en na eenige
moeilijke oogenblikken ligt het aan de achterzijde van het dak.
In angst en vreeze hebben de ongelukkigen daar de pogingen der redders
aanschouwd. Een zucht van verlichting ontsnapt aan de bange borst, als
allen goed en wel op den bodem van het vaartuig zijn neder gezeten. Het
touw wordt losgelaten en voort gaat het, tusschen drijvende
houtgevaarten, losgerukte boomen en allerlei hindernissen, voorbij
huizen en bouwvallen, door struikgewas en door stroo en hooi.
Eindelijk, na een moeilijken en gevaarvollen tocht, landen allen
behouden aan den Konijnenberg. Het schokkend lichaam der gemartelde
moeder knielt neder bij den jongen redder en overdekt zijne handen met
kussen. De anderen zijn sprakeloos. Liefdevolle handen nemen de
verzorging der geredden over en het moedige drietal verwijdert zich.
Toon laat zich afzetten op den oostelijken dijk, waar hij alleen verder
gaat. De beide schippers schudden hem hartelijk de hand en keeren
daarop terug naar het bedreigde dorp.
Toon durft niet langer te blijven. Reeds begint de avond te vallen en
de weg naar Heusden is ver. Te Vlijmen, aan het station van het
dijkbestuur gekomen, verneemt hij, dat de heeren reeds geruimen tijd
vertrokken zijn. Hij spoedt zich verder langs den drassigen dijk van
Vlijmen naar Hedikhuizen om van daar langs den Maasdijk Heusden te
bereiken. De burgemeester wacht misschien reeds in angstige spanning.
Het was zoo. De heer Van den Oever maakte zich ernstig ongerust over
den knaap. Zijne collega’s wisten niets aangaande hun metgezel in den
nacht mede te deelen. Een van hen had een boot van wal zien steken met
een jongen aan ’t roer. „Dat is hij, dat is hij stellig, Toon is moedig
als een leeuw en zelfopofferend als een held,” riep de burgemeester.
Hij verweet zich zoo slecht voor den knaap te hebben gezorgd en bracht
angstige uren door.
Tegen half 8 in den avond—de aanwezige leden van het dijkbestuur waren
in het station bij elkander om tal van zaken te overleggen—werd er
zacht aan de deur geklopt. Mijnheer Van den Oever springt overeind.
„Gelukkig, ’t is Toon,” roept hij. Eer Anton zich verkleeden ging,
wilde hij even zijn beschermer waarschuwen.
De heeren riepen den verkleumden knaap bij de kachel en terwijl hij
zich te goed deed aan een warm kop koffie en een stevig maal, dat
inmiddels voor hem was gereed gezet, moest hij zijn wedervaren
vertellen. Van de redding zweeg hij. Medelijden, oprechte deelneming,
waren zijne drijfveeren geweest, geen hoop op dank. De ware held waagt
zijn leven voor zijne medemenschen, doch niet voor eene belooning.
Een uur later lag hij in een verkwikkenden slaap en den volgenden
morgen vertrok hij uit Heusden. Eene boot met levensmiddelen zette hem
te Doeveren aan den dijk af en met vlugge schreden liep hij verder
huiswaarts.