TOON TE HEUSDEN.

Als Toon op Maandagmorgen bij den heer Van den Oever aankomt, heeft

deze reeds schikkingen omtrent logies en voedsel getroffen. De jongen

zal slapen in een kamertje, in de onmiddellijke nabijheid van het

station van het dijkbestuur. Ledikant en toebehooren zijn door een

medelid van het dijkbestuur welwillend verschaft.

Anton werkte ijverig; wat hij deed zal u, zoomin als mij, belang

inboezemen. Het zij ons genoeg te vermelden, dat reeds in één dag, de

gewillige en beleefde jongen zich in de genegenheid mocht verheugen van

allen, die hem bij den heer Van den Oever aantroffen.

Op den avond van den tweeden dag was Anton reeds een goed eind

gevorderd met zijn arbeid. Dit was goed ook, want er zou spoedig van

staten invullen geen sprake meer wezen, ten minste in de eerste weken.

Op den 28sten December bracht een renbode te Heusden het bericht, dat

ten noorden van Nieuwkuyk eene wel in den dijk ontdekt was. Renboden

waren buitengewone boodschappers. Zoodra de dijklegering is ingetreden

loopen van post tot post—zoo onder andere van Heusden op Vlijmen en

omgekeerd—geregeld boden heen en weer. Deze moeten toezien of er ook

ergens gevaar is en tevens aan de verschillende peilschalen den

waterstand opnemen. Die waterstanden worden door de heemraden op een

briefje genoteerd tot waterberichten. Deze worden in blikken bussen

gedaan en door de boden aan de op post zittende heemraden vertoond, die

er ook hunne aanteekeningen bij schrijven. Zoo weet men van oogenblik

tot oogenblik, hoe het langs den dijk gesteld is.—

Het bericht van de wel veroorzaakte te Heusden weinig ontsteltenis. De

dijk was immers sterk genoeg en er werd blijkbaar niet aan gedacht, dat

deze bestond uit zand en „fles,” eene grondstof, die veenachtig is en

bij aanraking met het water spoedig in eene brij veranderd.

Op verzoek van een der heemraden, reed Toon op den bok mede naar

Nieuwkuyk. Behalve den loco-dijkgraaf en een heemraad, bevond zich ook

de heer Bleckman, een ingenieur van den waterstaat, in het rijtuig.

Omringd door tal van personen begon de heer Bleckman zijn onderzoek.

Met stukjes hout bepaalde hij de snelheid van het uit de wel vloeiende

water. Hij mat de diepte, de breedte enz. De wel gaf helder water en er

was bijgevolg geen gevaar. Toch werd het werk van den burgemeester van

Vlijmen voortgezet, om het binnentalud van den dijk te verzwaren.

Den 29sten December kwamen er geruststellende berichten van het

bedreigde punt en er werd bevel gegeven om den arbeid aan den dijk te

staken. De ingenieur zond denzelfden avond nog een telegram aan den

heer Commissaris des Konings, waarin hij meldde, dat de stand der

dijken gunstig was en dat er geen gevaar dreigde.—

Het was in den nacht hierop volgende. Toon sliep zeer onrustig. De

angst en bezorgdheid der bewoners langs den dijk had hem aangegrepen.

Hij droomde de vreeselijkste visioenen van overstrooming en doorbraak.

De heer Van den Oever had de wacht met den dijk-opzichter, den

stads-architect. Op een gegeven oogenblik hoorde Toon den vluggen stap

van twee mannen en daarna geruisch van stemmen. Dadelijk springt hij

het bed uit en is een, twee, drie gekleed. Hij hoort den opzichter een

bericht voorlezen van dezen inhoud: „Heden heb ik vernomen, dat er

gevaar bestaat aan de Peperstraat. Kom dus spoedig over.” De beide

mannen kunnen geene nadere inlichtingen verschaffen; zij zijn niet aan

den dijk geweest. Wel vertellen ze, dat de bevolking zeer onrustig is

en dat verscheidene boeren hun vee in veiligheid brengen.

Onmiddellijk moet de heemraad, de heer Verhoeven, gewekt en een rijtuig

ingespannen worden. „Doe dus vlug ieder een boodschap, mannen, en stuur

me iemand, om den heer Van Bokhoven, den loco-dijkgraaf, te

waarschuwen,” besliste de heer Van den Oever.

„Wien moeten we wekken om naar Herpt te zenden,” vraagt een der mannen.

„Wien, ja wien,” zegt de opzichter. „Wie is er vlug genoeg gereed. Van

jelui kunnen we niets meer vergen.”

„Ik,” klinkt een stem; een deur wordt geopend en Anton treedt binnen.

„Flink zoo,” zegt de heer Van Tuijl, „weet je mijnheer Van Bokhoven te

wonen?”

„Ja mijnheer, ik heb gister nog een boodschap bij hem gedaan.”—

„En durf je door de duisternis de stad uit. Ja? Best, kranig. Geef

mijnheer dan dit briefje en loop zoo vlug je kunt.”—

„Mag ik straks mee rijden, mijnheer? Ik kan misschien de heeren nog van

dienst zijn.”—

„Jawel,” antwoordt de burgemeester hem, „maar trek je duffelsche jas

aan en blijf vooral uit het gevaar.”—

Dit laatste hoort Toon niet meer. Spoedig is hij de straat op, de poort

uit en is hij den weg naar Herpt over gevlogen, in welke plaats hij de

heeren van het Dijkbestuur opwacht.

Betrekkelijk korten tijd later waren de loco-dijkgraaf, de heemraad en

de opzichter in een rijtuig met twee paarden bespannen op weg naar

Nieuwkuyk. Toon zat bij den koetsier op den bok. Onderweg moest een der

heeren, de opzichter, uitstappen, daar hij plotseling ongesteld werd.

Eenigen tijd reden zij verder, toen een eigenaardig geklots tegen den

bok zich deed hooren en weldra ontdekte men, dat het door de

paardenhoeven opspattende water niet van de plassen kwam, maar dat de

weg blank stond.

„Rijden wat je halen kan,” klonk het bevel van binnen en voort ging

het, zoo snel de paarden loopen konden. Het duurde echter niet lang of

een zware boom dreef voor de pooten der dieren, zij sprongen er over,

maar het rijtuig bleef er voor. Andere hindernissen dreven aan en de

heeren met Toon en den koetsier mochten zich gelukkig prijzen in een

nabijgelegen huis opgenomen te kunnen worden. Toen de koetsier en Toon

de paarden uitspanden, stonden deze reeds tot den buik in het water.

Toon van 't Veer · 第 8 / 26 题