We zijn in den winter en de Kerstvacantie is aangebroken. De jongens
hebben den zomer en herfst doorgebracht met ijverig studeeren. Goed
voorgaan doet goed volgen, zegt het spreekwoord en dit werd ook hier
weder bewaarheid. De lust en de ijver, waarmede Anton de studie had
aangepakt, oefenden een gunstigen invloed uit op den werklust zijner
kameraads.
De jongens Den Bosch zitten in de school. Ze hebben hun vacantiewerk
verder afgemaakt, ze hebben gekibbeld, een vlieger geplakt en een paar
appels gegeten. Nu geeuwen zij.
Toch is het nog vroeg, tien uur in den morgen. Buiten spelen kunnen ze
niet. Het regent dikop. Toen ze om zeven uur opstonden, regende het al,
het bleef regenen en het regent nog. Dikke droppels vallen van het dak.
Tik, tik, gaat het op de steenen. De goot voert het water over de volle
regenton. Tik tik klinkt het op het open tuimelraam; tik tik in het
schoolportaal door een gebroken dakpan. De jongens turen naar buiten en
vervelen zich. Ze gapen en gapen nog eens. Alleen poes zit bij de
kachel en snort welbehagelijk.
„Kwam er maar iemand. Kwam Anton maar. Hij zou mijn themaboek brengen,
doch wie komt er met zoo’n weêr van Drongelen?”—
„Heeft hij het gezegd,” vraagt Pieter.
„Zeker, hij zou het van morgen terugbrengen. Ik moet mijne Engelsche
vertaling immers nog maken.”—
„Dan komt hij stellig.”—
„Zou je denken?”—
„Stellig, wat Toon belooft, doet hij.”—
Het gesprek is weder uit en de jongens leunen met de ellebogen op een
venster.
Daar wordt gescheld. Ze vliegen overeind.
„’t Zal de post zijn,” zegt Piet, en herneemt zijne vorige houding.
„Zijn de jongens thuis,” klinkt eene stem door den gang. Verheugd
springen deze overeind.
„Hoezee! ’t Is Anton.” De jongens stormen den gang in. Druipnat schudt
de nieuw aangekomene de paraplu buiten uit en slaat de pet af. In
triomf wordt hij de school binnengebracht.
„Ik had je niet verwacht, Toon! Piet wel.”—
„Belofte maakt schuld, niet waar, en eene regenbui is geen reden om
zijn woord te breken.”—
„Hoe is ’t thuis?”—
„Vervelend natuurlijk. ’t Water staat tot aan den drempel van ’t
veerhuis en ’t wast nog voortdurend. De koeien in den stal zijn al op
een vloer van horden, hekken en planken geplaatst en staan hoog genoeg.
We wonen al in de opkamer; die is een voet of anderhalf hooger dan de
herberg.”—
„En wat weet je van den waterstand?”—
„Van morgen hoorden we, dat de peilschaal in Den Bosch 6,10 M. wees en
te Vlijmen 6 M. De dijklegering is ingetreden, dat weet je zeker.”—
„O ja, al van den 16en af. Toen is de burgemeester reeds naar Heusden
vertrokken. Vandaag zou hij even thuis komen voor gemeentezaken, als
het ten minste kan.”—
De heer Van den Oever is heemraad, moet ge weten en toen den 16
December de peilschaal te Heusden 4,70 meter boven A.P. wees, nam het
dijkbestuur volgens reglement zitting. Burgemeester Van den Oever was
te Heusden gestationneerd met nog een heemraad en den dijkgraaf. Het
dijkbestuur, waarvan hier sprake is, had het toezicht over „den Hoogen
Maasdijk van Stad en Lande van Heusden, met den Doeverschen en
Drongelschen Zeedijk.”
„Nu,” vroeg Hendrik verder, „zou er nog gevaar van doorbraak bestaan?
Gister middag hoorden we er bij den smid over spreken.”
„Voorloopig niet. Ten minste, dat meent de baas en die weet van die
zaken veel af.”—
De jongens waren in druk gesprek over het water, toen op eens Roelof
door de schooldeur kwam binnenstormen, de kraag omhoog en de broek
opgestroopt tot half weg de knieën.
„Ga je mee, jongens? Janus moet met den tentwagen naar Heusden om pa te
halen. Moe vraagt of je mee rijdt. Stans blijft thuis, dus er is voor
jouw ook nog een plaatsje, Toon.”
„Hoe laat?”—
„Half 1, direct na ’t eten; wij eten heel vroeg. Ga je ook mee Toon?”—
„Ze weten er thuis niets van. Ik geloof anders wel, dat ik zal mogen;
ik heb niets meer te doen vandaag.”—
„O, dat is niets,” antwoordt Piet. „Straks komt de brievenbesteller en
hij wil wel een briefje meenemen. Daar hoor ik hem al. Ik zal vragen of
hij even wacht. Schrijf maar, hier is pen en papier.”
Sijmen is gaarne bereid de boodschap te doen en allen zijn in de wolken
over het plan. De moeder van Piet en Hendrik zal haar best doen om nog
vóór 12 uur het eten klaar te hebben en Toon is natuurlijk dien middag
haar gast.
Roelof heeft nog eenig nieuws over den waterstand en de jongens zijn
spoedig vol vuur aan ’t redeneeren over de mogelijkheid van doorbraak
en wat ze in dat geval zouden doen.
„We spraken zooeven over het dijkbestuur, Roel! Weet jij ons ook te
zeggen, hoe de leden daarvan benoemd of gekozen worden.”—
„O, ja wel. Luister maar:
„Wat een polderbestuur is, weet je wel. Nu zijn er twee soorten in deze
streek. Er zijn waterschappen, die geene en er zijn er, die wel rivier-
en zeewaterkeerende dijken onder beheer hebben. De besturen van de
binnenpolders—zoo heeten de eersten—hebben alleen te zorgen voor de
behoorlijke in- en uit watering der landerijen en het onderhoud der
polderwegen.
„De andere echter hebben een gewichtiger werkkring. Zij hebben de
verantwoording over de dijken.
„De leden van het dijkbestuur heeten heemraden en worden door de
ingelanden gekozen; dit zijn personen, die bezittingen in den polder
hebben en eene vaste som aan polderbelasting betalen.” Eigenlijk is dit
niet geheel waar, de ingelanden kiezen eene voordracht van 3 personen,
doch na advies van Gedeputeerde Staten wordt door den koning No. 1
gekozen. De voorzitter van dat bestuur heet de dijkgraaf. Dan zijn er
ook nog noodheemraden. Zij worden door het bestuur benoemd, telkens
voor een jaar en zij moeten in tijd van nood de heemraden aflossen en
in alles bijstand verleenen. Voor het geregelde dagelijksche toezicht
is er een opzichter-bode. De stads-architect te Heusden vervult
tegenwoordig die betrekking. Maar met dat al is het half twaalf
geworden.—Roelof zet de kraag weder op, trekt de pet over de ooren en
zet het op een loopen, om niet doornat thuis te komen.
„Tot straks hoor,” roept hij, „je komt maar zoo gauw mogelijk.”
„Het onderhoud der dijken kost nog al wat,” merkt Hendrik op. „Wie zou
dat betalen?”
„Ik denk het Rijk,” antwoordt Piet, „wat jij, Toon?”—„Dat weet ik ook
niet. Misschien het Rijk en de Provincie samen, want er worden van
Rijkswege hier en daar ingenieurs gestationeerd, wanneer de dijken
gevaar loopen. Bovendien moet de voordracht voor een lid van het
dijkbestuur goedgekeurd worden door de Gedeputeerde Staten.”—
De jongens worden weldra geroepen om te komen eten, en als ze het maal
op hebben, verwisselen zij zich vlug van kleeren en begeven zich naar
Vrederust.
Het rijtuig is al ingespannen: Janus de brommer is weder voerman.
Zoodra hij de jongens ziet, laat hij het weder en de modder met rust en
geeft zijne ontevredenheid te kennen over zooveel passagiers. „’t Lijkt
wel eene landverhuizing,—laat ze thuis blijven—veel te zwaar voor ’t
paard,” zijn uitroepen, die hij steeds herhaalt.
Mevrouw vraagt, of Janus wil zorgen voor ’t donker—als ’t kan—terug te
wezen en het rijtuig vertrekt. De regen klettert nog wel tegen de kap,
maar de jongens hebben er nu geen hinder van, zooals des morgens.
Integendeel, ze vinden ’t wel leuk, om met zoo’n weêr in een gesloten
rijtuig te zitten.
„Zou je pa mee komen,” vragen de jongens aan hun kameraad.
„Ik vrees van neen,” is het antwoord. „Moe gelooft het ook niet, want
de berichten worden steeds onrustbarender.”
„Weet je ook Roel, wie de kosten draagt of dragen van het onderhoud der
dijken? Doet dat het Rijk niet?—”
„Zeker niet. Dat doen de ingelanden zelve. Het dijkbestuur trekt zijne
inkomsten van de in zijn kring gelegen waterschappen. Elke polder heeft
zijn vast aantal quota, waarnaar hij heeft bij te dragen.”—
Als de jongens na bijna een uur rijdens langs doorweekte wegen te
Heusden aangekomen zijn, begeven zij zich dadelijk naar het station van
het dijkbestuur. De heer Van den Oever heeft de wacht en is dus
aanwezig. Roelof treedt binnen. Nauwelijks heeft de burgemeester de
stemmen der anderen, die buiten wachten, gehoord, of hij roept ook deze
in de wachtkamer. Roelof vraagt zijn pa of deze nu mee terug rijdt. Dit
is echter onmogelijk. De berichten van gevaar voor doorbraak waren wel
is waar zeer overdreven, maar de toestand was toch van dien aard, dat
niemand zijn post verlaten mocht. Het meeste gevaar dreigde van de
dijken, die de polders van Drunen, Nieuwkuyk, Vlijmen, Hedikhuizen enz.
tegen het water van de Beersche Maas moesten beschermen. De Heidijk van
Drunen tot Vlijmen leverde geen gevaar op. Deze dijk heeft een zeer
flauw hellende buitentalud en eene kruinsbreedte van 5 tot 10 M. Anders
was het met den dijk tusschen Vlijmen en Hedikhuizen. Deze liet
voortdurend veel water door en elken avond brachten de boeren in dien
omtrek hun vee naar de noodstallen op den dijk en op den Konijnenberg.
Er was zelfs afslag van grond waargenomen. De toenemende was van het
water gaf aldaar ernstige reden tot bezorgdheid.
(Spoedig zullen we zien, hoe deskundigen zich kunnen vergissen en hoe
zij het gevaar zagen, waar het niet was.—)
„Ge begrijpt dus wel,” aldus spreekt de heer Van den Oever, „dat ik den
Zondag niet thuis kan doorbrengen, hoe graag ik ook wilde. Dit nu zal
zich voor een keer wel schikken, maar ik zit met de
gemeente-administratie duchtig verlegen. Er is heel wat werk, dat
noodig afdoening vereischt. Hier heb ik weinig tijd en thuis is
niemand, die het doen kan.”—
De lezer en lezeressen moeten weten, dat de heer Van den Oever niet
alleen burgemeester, maar ook secretaris van twee gemeenten was en
bijgevolg geregeld veel administratie had.
„Kan ik U niet helpen, pa? Als U maar zegt waar ik de stukken vinden
kan.”—
„Neen, mijn jongen, dat is het juist. De stukken, en boeken zou ik U
wel kunnen aanwijzen, maar ik kan U van alles niet zeggen, hoe gij moet
invullen, staten opmaken enz. enz. Als ge met de stukken eenige dagen
hier kondet komen en onder mijn toezicht mij helpen, zou het iets
anders wezen. Ik durf U echter niet van huis te halen. Dan zit moeder
immers geheel zonder mannelijke hulp.”—Allen schieten bij dat woord
„mannelijke hulp” in een lach. Het was eene eigenaardigheid van den
ruim 14 jarigen jongen, dat hij zich zoo gaarne voor man liet aanzien,
terwijl de dartele joligheid hem op het gelaat stond te lezen.—
„Neen, het is een gek geval,” hernam de burgemeester ernstig. „Ik weet
er nog geen raad op.”
„Kan ik misschien helpen, mijnheer!” aldus mengde Anton zich beleefd in
het gesprek. „Ik heb eene duidelijke hand van schrijven, mijn
vacantiewerk is af en thuis kunnen ze mij wel eenige dagen missen.”—
„Jongen, dat zou een idee wezen, maar.... neen, dat gaat toch niet.”—
„Als u een briefje meegeeft aan mevrouw, waar alles op staat, wat u
noodig hebt, dan kan ik het meebrengen. Toe, mijnheer, laat ik maar, ik
zou zoo graag iets voor u willen doen, al is het nog zoo weinig.”—
„Weet je, wat we doen zullen, Toon. Ik zal Janus zeggen, dat hij over
Drongelen terug rijdt. Vraag dan even aan grootvader of hij het goed
vindt. Roelof hoort daar wel van u den uitslag en bij goedvinden kunnen
ze thuis morgen alles bij elkaar zoeken. Als ge dan Maandagmorgen naar
Vrederust wilt komen, vindt ge alles gereed en kan Janus u naar hier
brengen. Zorg echter voor een dubbel stel kleeren en enkele paren
kousen. Ik zou u eens mee kunnen nemen naar Vlijmen of Nieuwkuyk en dan
heb je wel verschoongoed noodig.
„Afgesproken dus?”—
„Ja mijnheer, heel graag, er zal niets aan mankeeren.”—
„Goed, ga dan eerst een kop chocolade drinken, en koop er wat lekkers
bij. Hier is een gulden, dien mag je samen opmaken en hoe eerder je me
dan goedendag komt zeggen, hoe beter. Moe is stellig ongerust, als je
in ’t donker terug komt.”—Het duurt geen half uur of de jongens zijn
terug. In dien tijd hebben ze chocolade en elk een paar taartjes
gebruikt, en zijn ze nog even op den dijk geweest om zelve op de
peilschaal de hoogte van het water af te lezen. Spoedig rijden ze weg.
Janus bromt over de drukte, die er over de dijken gemaakt wordt.
„Da’s alle jaar zoo en er komt toch niets van.”
„Je kon je wel eens vergissen, Janus!”
„Wat ben jij een geluksvogel, Toon,” roepen allen uit één mond, als ze
de poort uit zijn. „Ik zou ook wel eens een paar dagen in Heusden
willen doorbrengen,” zegt Piet. „Natuurlijk lekker eten en drinken en
nu en dan eens uit rijden.”
„Had het dan zelf voorgesteld,” antwoordt Toon. „Over eten en rijden
heb ik echter niet gedacht, dat kan ik eerlijk bekennen. Van die
rijtoertjes, zooals ge het gelieft te noemen, stel ik me niets voor,
dan met kaplaarzen aan door de modder baden.
„In ieder geval, het is bepaald en ik doe het graag. Niet voor een
pretje, maar omdat ik niets liever wil, dan den burgemeester van dienst
te wezen.”—
Toon krijgt van zijn grootvader gaarne toestemming. Hij blijft nu thuis
en het rijtuig gaat met zijne kameraads huiswaarts.
„Dag Toon, veel genoegen de volgende week!”—
„Dankje, slaap allen wel. Tot Maandag Roel!”—
„Tot Maandag hoor! Slaap wel.”—