DE OVERLAAT WERKT.

Het is druk op het Drongelsche veer. Alle handen reppen zich. Thijs

brengt met zijn kleinzoon de pont in veiligheid, die stevig vast

gesjord wordt, alsof zij den eersten tijd niet gebruikt zal worden. De

anderen bergen alles op, wat zich in de omgeving van het veerhuis

bevindt en zelfs sommige hekken worden van de palen genomen en in de

schuur geborgen.

Er schijnt iets bijzonders op til. Zie maar eens naar het Oude Maasje.

Het water staat hoog tegen den wal. Gelukkig, dat het huis en de stal

hoog en droog op een heuvel staan, anders liepen beiden gewis onder. In

de verte zien we het water reeds over de zomerkade stroomen, eerst

langzaam, vervolgens met meer kracht. Er ontstaat eene geul, spoedig is

het een gat geworden. De brokken land worden meegesleurd en weldra

stroomt het water over het vlakke land. Treedt de rivier dan buiten

hare oevers? Welneen, zoover is het gelukkig niet. Aan beide zijden van

het Oude Maasje liggen, evenals bij de meeste rivieren, lage dijkjes:

de zomerkaden. De dijken zelve liggen verder weg. Aan den Noordkant

loopt de dijk langs het dorp, dat is nog geen 200 M. van het riviertje

af. Aan de andere zijde echter is de dijk slechts even te zien. Geen

wonder trouwens, want die loopt vlak langs Waalwijk, bijna drie

kilometer Zuidwaarts. En zal nu al dat land tusschen die dijken

overstroomen? Zeer zeker. Gister reeds is de polder van Waalwijk onder

geloopen, aan de overzijde van de haven, die deze plaats met het Maasje

verbindt. Reeds vroeg in den morgen was er een Baardwijksche boer over

het veer gekomen met de tijding, dat het water nog steeds wies en dat

de overlaat werkte met eene overstorting van ruim 3 d.M. Het water

overstroomt bij eene middelbare overstorting, zooals nu, van 3 tot 4

d.M., al het land tusschen de beide dijken van het Maasje tot aan de

Kapelsche haven. Wast het water nog meer, dan loopen ook de

buitenpolders onder tot aan den Keizersweg, dat is de straatweg van

Breda naar Gorinchem, die indertijd door Napoleon tot beter vervoer

zijner troepen is aangelegd.

Het is wel te begrijpen, waarom er nu aan het veerhuis zulk eene drukte

en beweging heerschte en welk eene verandering spoedig de omgeving

onderging. Weldra stak het huis en een deel van de werf als een eiland

uit boven den uitgestrekten waterplas van Drongelen tot de Langstraat

en naar Oost en West, zoover men zien kon.

Tegen den middag was alles in veiligheid en Van den Hoven en de zijnen

konden met een gerust gemoed de toekomst afwachten. Zelfs al kwam het

water in huis, dan nog liep het vee in de stallen geen gevaar.

Bovendien was het heele gebouw bij ijsgang voldoende beschermd door

boschjes van zware boomen vóór en achter het huis.

De jeugdige lezers en lezeressen zullen misschien vragen: waar kwam

toch al dat water vandaan?

Ik zal trachten het u duidelijk te maken, maar dan moet ge uw atlas te

voorschijn halen en trouw alles opzoeken, wat ik u opnoem.

In ver vervlogen tijden waren er geene dijken. Als het water in de

rivieren hooger en hooger steeg, trad het weldra buiten hare bedding en

overstroomde het lage land. Daarom woonden reeds de Batavieren en

andere oude bewoners op hoogten of terpen, die men in het land van

Heusden en Altena nog overal aantreft.

De Romeinen waren al begonnen om dijken aan te leggen, doch dat ging

slechts uiterst langzaam en eerst 1200 jaren later werd de linkeroever

van de Maas van een dijk voorzien en wel tot aan de hooge gronden van

Oefelt, een dorpje, dat ruim een uur gaans boven Kuyk ligt. De

rivierloop is echter van hier tot aan de Merwede zoo kronkelend, dat

men terecht vreesde voor overstroomingen bij elken hoogen waterstand.

Daarom werd van Grave tot Kuyk zoo goed als geen dijk aangelegd, zoodat

het water daar vrij over het veld kan stroomen. Zoo is het tot nu toe

gebleven, hoewel er door de vergraving van het Oude Maasje tot een

breeden rivierarm weldra een einde aan gemaakt zal worden. Dan stroomt

het Maaswater langs Geertruidenberg voortaan in de Amer en het

Waalwater door de Merwede. De Maas ontvangt niet meer het overtollige

Waalwater bij fort St. Andries door de Heerenwaardsche Overlaat en dit

water belet bij hoogen stand het Maaswater niet meer de uitloozing bij

Slot Loevestein.

In den tijd, waarvan we nu spreken, was de waterstand in de Maas hoog,

maar in de Waal nog hooger en niet alleen, dat de eerste rivier niet

geregeld in de Merwede kon afvoeren, maar het moest bij genoemd fort

nog een deel van het Waalwater overnemen.

Al dat water van de Maas en soms van de Waal overstroomt dus geheel

Noord-Brabant? Wel neen, dat weet ge wel beter. Deze provincie bestaat

voor een groot deel uit hooge zandgronden, dat kunt ge op uw atlas wel

zien, en daarom overstroomt de Beersche Maas (zoo heet de aldus

gevormde rivier) slechts het lage land langs den linker Maasoever en

het Bossche Veld. Behalve deze laatste uitgestrekte lage landstreek is

de Beersche Maas nergens meer dan een uur gaans breed, want vlak langs

de Maas zijn nog verscheidene ingedijkte stukken land, polders genoemd,

die vrij van water blijven.

Het water van deze nieuwe rivier stroomt echter niet altijd door de

bedding van het oude Maasje naar de Amer. Wanneer dit gebeurt, moet er

reeds een tamelijk groote aanvoer wezen. Eerst stroomt het door sluizen

in de Dieze, als deze het niet meer verzwelgen kunnen, stroomt het over

den Overlaat in den rechter Dieze-dijk, d.i. weder eene verlaging van

een deel van dien dijk.

Het gebeurt echter meermalen, dat de Dommel, de Aa en andere riviertjes

zooveel water in de Dieze afvoeren, dat de Beersche Maas ook hier niet

loozen kan; deze stroomt dus verder, om de wallen van de stad ’s

Hertogenbosch heen, langs de dorpen Vlijmen, Nieuwkuyk en Drunen, die

door een dijk beschermd zijn. Aan de andere zijde bij Kromvoort zijn

het de hooge gronden, die het water tegen houden. Dan komt er van de

Maas bij Bokhoven over een overlaat aldaar vaak nog water binnen, doch

zoodra de peilschaal in de Maas lager stand aanwijst, werkt die

overlaat omgekeerd. Al dat water nu stroomt tusschen twee dijken door

bij Baardwijk in de traverse van het oude Maasje. Maar tusschen die

beide dijken bij Baardwijk is een lage dwarsdijk—een overlaat weder—en

die is 4,12 M. boven Amsterdamsch Peil. Wanneer nu de peilschaal aldaar

meer dan 4,12 M. aanwijst, dan stroomt het water over den

Baardwijkschen Overlaat en het wordt een toestand, zooals we nu te

Drongelen zagen.

Nu begrijpt ge misschien beter, hoe het Oude Maasje soms aan zooveel

water komt. Niet altijd is het echter even hoog. Alleen een enkele keer

echter is het gebeurd, dat het verbazend hoog water was. Dat was o. a.

in het jaar 1799. Niet alleen ontving de Beersche Maas water door de

Beersche en Bokhovensche overlaten en van de riviertjes, die in de

Dieze uitmonden, maar door den onrustbarend grooten aanvoer van

Maaswater, gepaard met ijsverstoppingen in deze rivier, brak de dijk

tusschen Grave en ’s Hertogenbosch op verschillende plaatsen door. Al

dat water kwam er dus bij. De Baardwijksche overlaat werkte toen met

1,20 M. overstorting, de hoogste waterstand, dien men van dezen vindt

opgeteekend. Als we nu weten, dat de Besoyensche polder 0,20 M. boven

A.P. ligt, en genoemde overlaat 4,12 M., dan kunnen we gemakkelijk

berekenen, dat het land tusschen Drongelen en de Langstraat 4,12 M. +

1,20 M. - 0,20 M. = 5,12 M. diep onder water stond.

Er zijn geene huizen, maar indien er een tamelijk burgerhuis met eene

verdieping en een dak had gestaan in dien polder, dan zou er den 18den

Februari 1799 zelfs de schoorsteen niet van te zien zijn geweest.

Toon van 't Veer · 第 6 / 26 题