Nu de lamp is aangestoken, treden we de huiskamer van Vrederust weder
binnen. Een vroolijk geruisch van stemmen klinkt ons tegen. De kinderen
lijken wel onvermoeid en.... niet te verzadigen; op de tafel staat een
groote schotel met wafels. Daarnaast prijkt eene mand met sappige
peren, terwijl bordjes en kopjes overal verspreid zijn. De tafel is op
zijde geschoven en het heele gezelschap bevindt zich op den vloer. Toon
zal, op eene liggende flesch gezeten, met een brandenden lucifer in de
eene hand een zwavel in de andere aansteken, maar telkens rolt hij
onder schaterend gelach omver. Een oogenblik later worden Roelof de
handen saâmgebonden met een zakdoek. Nu moet hij trachten de beide
beenen tusschen de handen door te steken. Hij laat zich duchtig
beetnemen, want als hem de toer is gelukt, ligt hij geheel weerloos. De
meisjes trekken hem links en rechts; de jongens kittelen hem en eerst
als de kopjes weder gevuld worden, mag hij los.
De andere gasten zijn in de voorkamer bijeen, waar het er recht
huiselijk en gezellig uitziet.
We vinden hier de heeren Den Bosch en Zwart met hunne echtgenooten en
Thijs Groen. De laatste is op dringend verzoek van den heer en mevrouw
Van den Oever mede gekomen. Hij zelf had liever thuis gebleven. Mevrouw
had hem echter zoo hartelijk ontvangen, dat zijne verlegenheid spoedig
verdween, en hij zich na korten tijd volkomen thuis gevoelde.
De vooravond werd doorgebracht in gezelligen kout. Onder het genot van
een heerlijk kopje chocolade met banket vloog de tijd om en het was
negen uur eer men het wist.
De burgemeester zag op zijn horloge en keek zijne vrouw aan. „Zullen we
de jongelui nu maar binnen laten komen?” Na toestemmend antwoord
schelde hij de meid en vroeg deze, de kinderen te willen roepen.
Het vroolijk gedruisch in de achterkamer verstomde weldra en de jongens
en meisjes, hunne kleederen goed trekkende en de haren opstrijkende,
traden binnen. Er stonden nog stoelen langs den wand en schuifelend
zouden de jongelui op eene rij achter af hebben plaats genomen, indien
niet mevrouw ware opgestaan, om het werk van haren echtvriend over te
nemen.
„Kom, kom, het lijkt hier wel een 1e en 2e rang. Anton, schuif je stoel
eens bij en kom eens naast me zitten. Hier zusje, aan mijne andere
zijde, naast juffrouw Zwart. Zeker, Roelof, zet je maar naast Groen
neer. De kinderen zoeken u altijd, niet waar Thijs?”—
„Och, mevrouw, dat is steeds al zoo geweest. Als ik bij den kapitein
kom, is het net zoo, dat wil zeggen vroeger. De jongste is nu ook al
haast volwassen.”—
„Toe, jongens, schuif wat bij. Niet te veel bij elkaar,” zegt mevrouw
lachend, „we moeten eene bonte rij hebben, dat is gezellig.”
„En nu eene aanspraak, hoor pa, eene sierlijke, dan trekken we allen
een deftig gezicht, niet waar Toon?”—
Allen lachen hartelijk met mevrouw mede en het ijs is gebroken. De
gedwongenheid van zoo even heeft plaats gemaakt voor gezellige
gesprekken, en zelfs de boerenmeisjes hebben hunne verlegenheid al
spoedig afgelegd.
De burgemeester tikt met zijn lepeltje tegen zijn chocoladekop en staat
op.
„Waarde vrienden!” zoo begint hij, „we hebben getracht, mijne vrouw en
ik, om dezen dag tot een feestdag te maken voor onze jeugdige gasten.
Wanneer ik het jolige troepje overzie, geloof ik wel reden tot
voldoening te mogen hebben.
„Om nu aan ons feestje meer luister bij te zetten, hebben we de geachte
dames en heeren hier tegenwoordig, uitgenoodigd, getuige te zijn van
onze vreugde. En waarlijk, onze blijdschap is groot. Onze lieve dochter
is van een bijna wissen dood gered door de kloeke en cordate houding
van onzen jongen vriend Anton. Ik weet geen woorden te vinden, beste
jongen, om u onze dankbaarheid te toonen, maar ook, we kunnen niet
genoeg bewonderen uwen moed en zelfopoffering. Zonder u waren we nu in
diepen rouw. Toch zou uwe edele daad misschien nog vruchteloos geweest
zijn, indien niet uw brave grootvader, ons aller vriend, te rechter
tijd gekomen ware om door welgeslaagde middelen de levensgeesten onzer
lieveling weder op te wekken.
„Wanneer we nu u beloonen willen voor de redding van Stans, dan moet je
niet denken, en u ook niet Thijs, dat we onze dankbaarheid beschouwen
als eene schuld, die we zoo gauw mogelijk willen afdoen. Integendeel,
steeds zullen we blijven gevoelen, wat ge voor ons deedt en we zullen
uwe vriendschap op den hoogsten prijs stellen.
„We weten, beste jongen, dat ge gaarne werkt en studeert om vooruit te
komen in de wereld en daarom kunnen we u en uw grootvader misschien van
dienst wezen, door u te helpen in uw arbeid voor de toekomst. Met uw
grootvader, die vader en moeder beiden voor u is, willen we samenwerken
om een flink man van u te maken. Uwe vlijt en oppassendheid tot heden
geven reden om te verwachten, dat ge op den ingeslagen weg zult
voortgaan en hem tot eer zult strekken.
„Zooals ge reeds meermalen aan uwe kameraden hebt te kennen gegeven,
wilt ge naar zee. Nu, daar is carrière genoeg te maken met studie en
flinke leiding. Vindt ge nu goed, dat we de volgende regeling treffen,
die ik met de heeren hier al afgesproken heb?
„Mijnheer Den Bosch zal u les geven in Nederlandsche taal en Wiskunde
en mijnheer Zwart in de vreemde talen. De overige vakken krijg je op de
school wel. Ge ontvangt dan les tegelijk met onze kinderen en die van
de beide heeren. Wat we verder zullen doen, hangt over één of twee
jaren af van uwe keuze. Ge kunt bijvoorbeeld bij de marine komen, bij
de groote vaart, de kleine vaart of misschien machinist worden. Enfin,
dat is van later zorg. Zeg nu maar of ge ’t goed vindt.”—
Hakkelend en stootend gaf de anders zoo vrijmoedige jongen antwoord.
„Ik dank u wel. Ik zal—mijn best doen, burgemeester, mevrouw,” zeide
hij, terwijl hij beiden beurtelings de hand gaf.
„Beste Toon,” zeide mevrouw, met eene van aandoening trillende stem,
„wat hoop ik innig, dat ge gelukkig moogt worden.” En tot Groen: „God
geve het, Thijs.”—„Amen,” zeide deze.
Eenige oogenblikken heerschte eene doodsche stilte in de kamer. Daarop
ging de burgemeester verder.
„De studieboeken, welke ge voorloopig noodig hebt, zijn in dit pak. Ook
zijn er een paar dictionnaires bij en een Nederlandsch woordenboek. De
heeren hier hebben me zoodanige titels van deze opgegeven, dat ge ze
later ook kunt gebruiken. En nu geluk er mee, vent.”—
„Maar nu hebt ge nog geen bewijs van mijne erkentelijkheid, Anton,”
hernam mevrouw, die opstond, uit eene lade een étui te voorschijn
haalde en dit den verlegen jongen ter hand stelde. „Doe het maar open,
vent.”
De jongen deed het. Een prachtig, nieuw, zilveren horloge blonk hem
tegen.
Mevrouw gaf haar dochtertje een wenk. Deze nam insgelijks een doosje
uit dezelfde lade, opende het, en een mooien ketting van het zelfde
metaal hield ze in de hand. „Dit is van mij, Toon. Ik heb het zelf
gekozen,” en zij hing den overbluften jongen den ketting om den hals en
bevestigde er het uurwerk aan.
Hiertegen waren Anton’s zenuwen niet meer bestand. Tranen van
aandoening en dankbaarheid druppelden hem langs de wangen. Zijne
dankbetuigingen waren nauwelijks hoorbaar.
Ook het gemoed van mevrouw schoot vol en Thijs trok met telkens grooter
kracht aan zijne sigaar, om zijne aandoening op deze wijze te
verbergen. Toch kon ook hij de waterlanders niet keeren, die opwelden
in zijne trouwe oogen.
Het geheele gezelschap raakte nog meer onder den indruk, toen de oude
man op stond en met bewogen stem dankte. „Hij is alles, wat ik nog over
heb. Vrouw en kinderen zijn me ontnomen en de jongen is mijn leven,
mijne eenige hoop in de toekomst. Wat gij nu voor me doet, zal u door
God vergolden worden,” zeide de oude man.
Roelof zat al eenigen tijd te wippen op zijn stoel. Nu hij het
geschikte oogenblik gekomen achtte, sprong hij op en riep uit: „Lang
leve de zeelui, hoera voor Thijs en Anton, hiep, hiep, hoera!”
En allen uitten hunne zenuwachtige opgewondenheid in een luid hoera. De
jongelui namen beiden in hun midden en dansten en zongen tot ze buiten
adem waren. Hossend gingen ze met Toon de woonkamer weder binnen, waar
de vreugde voortduurde tot over tienen. Toen gingen allen huiswaarts,
de jongelui blijde en voldaan over het prettige feest, en Toon van de
beste voornemens bezield, om zijne beschermers tot eer te strekken.