De Zaterdagmorgen beloofde niet veel goeds.
’s Morgens om 5 uur was Roelof reeds uit het bed om naar ’t weêr te
zien. Het regende dikke droppels en de lucht was zwaar bewolkt. Met een
onbehagelijk gevoel kroop hij weer onder de wol. De zon stond reeds
hoog aan den hemel toen hij gewekt werd.
„Jongen wat slaap je lang, zus is al gekleed.” Met een sprong was hij
het bed uit. „Dat valt mee, moe,” zegt hij terwijl hij naar het raam
loopt en de zon vroolijk ziet schijnen. „Van morgen vroeg was het niet
pluis. Hoe laat is het?”
„Half acht, vent! Janus heeft Bles al uit het land gehaald. ’t Is hoog
tijd; om acht uur komen de gasten.”—
Roelof is in een oogenblik gewasschen en gekleed en treedt spoedig de
huiskamer binnen, waar zijn zusje hem reeds wacht met het ontbijt.
Geen kwartier later zijn beiden op de laan en zien uit, of hunne
vriendjes reeds in aantocht zijn.
Werkelijk naderen Anton met de beide jongens Zwart reeds in de verte en
eer deze Vrederust bereikt hebben, zijn ook de Eethensche jongens en de
twee vriendinnetjes van Stans reeds aangekomen.
De jeugdige gasten worden in de huiskamer gelaten, waar ze door mevrouw
hartelijk verwelkomd worden; Anton niet het minst. De burgemeester
wilde hem al dadelijk in een armstoel doen plaats nemen, als de held
van den dag. Met veel takt wist mevrouw echter dit gevaar voor Toon af
te leiden. De vriendelijke dame begreep zeer goed, dat dit niet de
manier was om den jongen op zijn gemak te zetten.
Roelof gaat even naar boven om zijn pet te halen. Als hij terugkomt,
geeft Stans hem een knipoogje, wijst ongemerkt naar zijn opgevulde
binnenzak en geeft hem de pet, die aan den knop van zijn stoel hing.
Hij wil nu maar dadelijk vertrekken, want met een zak vol cigaretten
acht hij het bij pa en moe niet erg vertrouwd. Juist brengt de meid een
groote kan versche melk met glazen. Zijn geduld wordt echter op geen
zware proef gesteld, want Janus tikt met de zweep tegen de ruiten.
Het vroolijke troepje stormt naar buiten en neemt plaats op den
bolderwagen.
Heel gemakkelijk rijdt zoo’n wagen op lage wieltjes en zonder veeren
wel niet, maar dat is niet erg; er kunnen er veel op.
Janus, de oude knecht stond brommende den halster om den nek van het
paard te binden. Toch zag hij er niet onprettig uit. Zijn pet zit hem
diep over het voorhoofd. Een grijs ringbaardje verbreedt het toch niet
smalle aangezicht nog meer. De klompen heeft hij voor deze gelegenheid
met lederen pantoffels verwisseld; een zwarte das is tweemaal om zijn
hals gewonden; op de klepbroek bengelt een koperen kettinkje met twee
horlogesleuteltjes.
Janus is al meer dan veertig jaren in dienst van de familie Van den
Oever. Oorspronkelijk was hij bouwknecht. Hij is reeds getuige geweest
van veel lief en leed van de familie en reed den tegenwoordigen
burgemeester als jongen op zijn knie.
Voor geen geld zou de burgemeester den trouwen knecht missen. Voor de
kinderen is hij bezorgd als eene moeder, al bromt hij er den ganschen
dag op. Niemand weet beter dan hij, wanneer de groenten gezaaid, de
aardappelen gepoot, of de wingerd gesnoeid moeten worden. Geen, die
beter de eieren kan vinden, welke kippen en eenden wegstoppen in de
groote schuur of buiten op het erf. Verder is hij boodschaplooper voor
mijnheer en mevrouw en koetsier. Ten slotte brengt hij Vrijdags boter
ter markt en drijft den handel in eieren en jonge hanen. In één woord,
hij is onmisbaar op Vrederust.
Eene rare gewoonte heeft hij en die maakt hem juist zoo vermakelijk.
Dat is zijn brommen. Hij bromt altijd. Geen kip is voor hem veilig, en
toch meent hij er niets van.
„Als hij bromt,” zegt Roelof, „dan kun je alles met hem doen, maar o
wee, als hij ophoudt. Dan is ’t geraden om zijn zin te doen.”
De kinderen zoeken op den rolwagen elk een plaatsje.
„Nog niet klaar? Zit dan stil. Geen oogenblik bedaard. Net jonge
schapen. Vort Bles, vort! Heb jij ook al haast! Niet te hard. Loop dan
door! De klap weer van de zweep! Lastige jongens, overal aanzitten!”
Zoo bromt onze Janus maar zonder ophouden door.—Dan is zijn pijpje
verstopt, dan weer deugt de tabak niet of kan hij zijn lucifers niet
vinden. ’t Is hem nooit goed.
Roel geeft hem een sigaar. Hij heeft er 6 gekocht, voor een dubbeltje,
allemaal voor Janus, want de kinderen houden toch veel van hem.
„Weer sigaren gekocht,” bromt Janus, „kan niet op, verboden waar,
trekken slecht;” zoo gaat het verder, onder het vroolijk gejuich van
knapen en meisjes, die het uitgieren van lachen, als Janus ten laatste
zijne hooge ontevredenheid te kennen geeft zelfs over de plasjes op den
weg, de boomen die geen schaduw geven, de hoed van een voorbijgaande
dame, en eindelijk over den bolderwagen, die misschien droog zal
loopen, wijl hij zelf het smeren verzuimd heeft.
Toon zit bij den voerman. In de verte zeult een vrouwtje met een
grooten korf. „Mee laten rijden nietwaar Roei?”
„Ja, zeker, wie is het?”—
„Ik geloof waarlijk de moeder van den Rooie.”—
„Dan kan ze wel loopen, hoor. Die mag onze vreugde niet bederven.”—
„Hé, Roel, dat staatje niet mooi,” zegt Anton; „kan die ouwe ziel het
helpen? Ze heeft er misschien genoeg verdriet van, dat Dirk zoo is.”
Janus houdt Bles in. Hij bromt over te veel volk in den wagen en later
over den korf, die hem te groot is. Toch riep hij al ho tegen het
paard, eer de jongens het hem vroegen.
Toon maakte een praatje met de vrouw, een pittig, helder, klein wijfje
van ruim vijftig jaar. Ze had eene neepjes muts op en een blauwe
boezelaar voor.
„Moet je nog naar Heusden, vrouw Oudkoop?”—
„Ja, jongen, dat moet ik. Ik moet eieren weg brengen, zie je. D’r
bennen er 110 in en ze gelden wel 4 en een halve cent, kijk eens aan.
Ik verkoop ze langs de deur en de minse hebben ze graag zie je. Van m’n
zoon, een bovenste beste jongen, hoor, daar willen ze niet van koopen.
Hij is zoo niet bekend met de minse, zie je, anders een beste jongen.”
„Een beste jongen,” grinnikt Roelof, en Janus bromt: „galgenaas, zeg
ik, beste jongen, bovenst ja, hoogste galg, mooie beste jongen, deugt
nergens voor.”—
Toon wil het vrouwtje hare illusie echter niet ontnemen. Toch wil hij
er meer van weten en het oudje schijnt wel niets liever dan van haar
jongen te vertellen.
Haar man, aldus deelt ze met veel „zie je’s” met hare radde tong mede,
was zoo veul als een dronkaard. Dirk evenwel paste goed op. Van zijn
weekgeld gaf hij altijd trouw de helft af. Dat hij zoo weinig
verdiende, kwam van den slappen tijd. Nu ging ze de eieren verkoopen,
want d’r jongen moest voor den winter eene nieuwe jas hebben. Ze had
nog wat geld bespaard en voor negen gulden wist ze een kostelijke jas
te krijgen. Hij was toch zoo’n goeie jongen, hij had haar laatst nog
eene nieuwe muts gekocht; eens had hij drie nachten bij haar gewaakt,
toen zij ziek was.—Zoo vertelde ze nog heel wat deugden van haar zoon.
Toen ze te Heusden waren, bedankte het moedertje met een stroom van
woorden, natuurlijk weder tegen Janus zin.
„Die Rooie is toch nog zoo kwaad niet, als ik dacht,” zegt Roelof, toen
ze weg was.
„Neen waarachtig,” antwoordt Toon. „Ik had eerst medelijden met den
sukkel, maar nu valt hij me toch nog mee. Al heb ik nog zoo’n hekel aan
Dirk, ik moet toch zeggen, dat er ook iets goeds in hem zit.”
De jongelui stapten onderwijl ook uit. Met den bolderwagen door de stad
rijden, zou wat al te veel gevergd zijn van den samenhang van spieren
en gebeente.
Bovendien had ieder zijne boodschappen. Roelof moest vliegertouw
koopen, Stans bitterkoekjes en flikjes, voor onderweg, Pieter moest
koffie en suiker bestellen voor zijne moeder en een der twee
boerinnetjes een drankje bij den veearts halen.
Anton moest een horloge laten maken. ’t Was van zijn grootvaders vader
geweest en nu voor hem bestemd.
„Een aardig knolletje,” merkt Piet op, en zijn broer voegt er bij, „die
van Janus kan er wel grootvader tegen zeggen.” „Weet je wat, Toon,”
zegt Roei, „laat het werk er uitnemen en gebruik het voor tabaksdoos.”
„Neen voor turf hok,” grinnikt Hendrik weder en allen lachen hartelijk
mee.
„Goed,” zei Toon, insgelijks lachend, „maar dan moet je mij om het hok
te sluiten de ketting leenen, die je Zondags draagt. Je 10 centime stuk
kan je wel in de voering van je vestzak laten naaien, als je bang bent,
dat het weg zal loopen.” Hendrik zweeg, maar zijn kameraads proestten
het uit. Inderdaad droeg Hendrik nu en dan een horlogeketting met een
Fransche geldstuk voor uurwerk er aan.
Janus stond al geruimen tijd aan de Herptsche poort te wachten. „Bromt
ie nog,” vroeg Piet aan Roel, die den voerman zijn 3e sigaar gaf. „Hij
heeft het over muggen en vliegen, maar stijg nu vlug in, anders zwijgt
Janus,” is het antwoord.
Janus is echter in te goede luim om zijn brommen te laten en neemt met
welgevallen zijn sigaar onder handen. „Hij weet er vlug weg mee,” zegt
Piet.
„Geen wonder,” roept Toon naar achter, „hij rookt de eene, en kauwt de
andere helft.”
Onder dergelijke scherts rijden ze naar het eiland. Janus schijnt niet
te hooren, dat hij het mikpunt der grappen is. Dat is zoo zijne
gewoonte. Hij schijnt nooit iets op te merken. Toch begrijpt hij alles.
Toon spant zijne krachten in, om Janus aan ’t praten te krijgen, maar
hoe meer hij zijn best doet, hoe harder zijn buurman bromt.
Roei heeft onderwijl zijne metgezellen in den bak een wenk gegeven.
Allen verlaten heimelijk den wagen, wat zeer gemakkelijk gaat bij een
rolwagen. Ze kruipen achter het geboomte en proesten het uit, want Toon
noch Janus schijnen het te merken. Plotseling houdt de wagen op.
„Mot je d’er ook af,” vraagt de brompot. „Niet? Ook goed. Vort Bles,
houd je staart stil, knol. Nare vliegen!” en zoo gaat het maar door.
Lachend kijkt Toon om, maar wie beschrijft zijn verbazing, nu hij den
wagen ledig ziet. Met één sprong staat hij ook op den grond, Janus doet
of hij ’t niet merkt. Hij rijdt en bromt door.
Ze komen wel, denkt Toon terwijl hij voetje voor voetje door het gras
langs den weg loopt en ijverig zoekt.
„Wat zoek je Toon?” roept het heele gezelschap, dat hem uit de verte
gadeslaat en ten slotte nieuwsgierig naar hem toestuift.
„Jelui,” is het laconiek antwoord, waarop allen in een hartelijk gelach
uitbarsten.
Het zal onze lezers en lezeressen wellicht verwonderen, dat men zoo
zonder varen op een eiland kwam.
Nederhemert, ook wel het Eiland genoemd, is alleen ’s winters geheel
door water omgeven. Dan loopt het Heusdensche Gat, zoo heet de doode
rivierarm, die tot even voorbij Heusden strekt, door, tot het in een
halven cirkel weder de Maas ontmoet. De linker Maasdijk loopt geheel om
het Eiland heen, dat niet eens door zomerkaden beschermd wordt. Daarom
staat dit bij hoogen waterstand steeds onder water, behoudens enkele
deelen, die hooger gelegen zijn en waarop zich ook het schoone kasteel
bevindt. De barones van het kasteel is ook eigenares van het geheele
eiland, van het hooiland—de waarden—en de schoone bosschen. Het
gezelschap dwaalt spoedig onder de hooge boomen, waar de wandeling in
naam voor het publiek gesloten is, maar toch steeds oogluikend wordt
toegelaten. Het kasteel wordt natuurlijk eerst van alle zijden bekeken.
Het is inderdaad een schoon gebouw. Aan den voorkant gelijkt het
volkomen op eene prachtige villa. Overigens doet het met den wal en de
gracht, die het gebouw en den tuin omringen, nog denken aan een
middeleeuwschen burcht. Toch geven hoektorens en wallen het al heel
weinig het aanzien van eene versterkte plaats. De wal is een mooie met
boomen beplante wandelweg. Vrucht- en treurboomen van grooten omvang
hangen over in de gracht. Al dwalende in de bosschen en daarna op de
waarden, spreken allen over het kasteel en scheppen droombeelden over
het geval, dat zij er eens de heerschers van waren.
Janus is intusschen in de uitspanning van het dorp en vermaakt zich
met.... wel natuurlijk, met brommen, en wel voornamelijk op de
onhebbelijkheid der walvisschen, om zulke groote ribben te bezitten.
Boven de deur der dorpsherberg hangt eene walvischrib uit, moet ge
weten.
De jongelui doen zich te goed aan heerlijke zure room. Janus lust die
niet. „’s Morgens pap”—bromt hij—„nooit van gehoord—zure
pap—varkensvoer—eet pap als je naar bed gaat, zoo hoort het.”
Roelof zou gaarne over Heusden terug; Janus met den wagen achter om en
zij over het veer. Van ’t eiland naar de wallen van Heusden is een
roeibootveer. Ook den jongens lokt dit aan.
Stans heeft weinig zin, maar Janus nog minder. „Mag niet roeien,” bromt
deze.
„’t Is immers geen roeien, we worden maar over gezet,” zegt Roelof.
„Niet roeien”—klinkt Janus’ bromgeluid—„Mooi zoo—pollepelen dan,” maar
op eens kijkt hij effen. „’t Gebeurt niet,” zegt hij kalm en steekt
terwijl een reusachtig stuk brood met spek in den mond, „ik houd me aan
’t voorschrift.”
„Laten we dan maar gaan,” herneemt Roelof, nu hij ziet, dat er toch
niets aan te doen is.
Het paard wordt ingespannen en over Aalburg, waar een pontveer is,
rijden ze huiswaarts, waar zij in eene opgeruimde stemming aankomen. Ze
hebben flinken honger. Een enkel bordje room beteekent immers niets
voor gezonde magen.
Het eten is spoedig op tafel. De knapen en meisjes laten zich het
heerlijke rundvleesch, en aardappelen met snijboontjes goed smaken. De
schotel met pannekoeken is ook weldra verdwenen, zoodat nieuwe aanvoer
uit de keuken noodig is. Maar ook jongensmagen zijn eindelijk verzadigd
en na gedankt te hebben, stormen allen den tuin in om te zien of er ook
rijpe peren en appels hangen. Ook mevrouw gaat mede tot aller vreugde
en ieder moest getuigen nog nooit zoo’n heerlijken middag te hebben
doorgebracht als toen in burgemeesters tuin.
We zullen echter de luidjes verder alleen laten en liever straks nog
eens terug komen.