De schoone heerenhofstede Vrederust is op eenigen afstand van den
Provincialen weg gelegen en door eene mooie laan met iepenboomen ermede
verbonden. Eene groote poort scheidt het erf van den doodloopenden
dorpsweg en deze wordt meestal gebruikt als uitgang voor karren en
boerenwagens, in één woord voor alles, wat betrekking heeft op de
boerderij. Van deze zijde, dus van den dorpskant gezien, komt de
huizinge niet op zijn voordeeligst uit. Men ziet hier slechts de
achterzijde. Het woonhuis vindt men aan den anderen kant, dus van den
weg, en de ramen hebben een schoon uitzicht over den tuin en de velden,
die voor een groot deel bij het goed behooren. De ruime en geriefelijke
woning is geheel omgeven door een prachtigen tuin, ruim voorzien van de
fijnste vruchtboomen. Deels bloemhof, deels moestuin, zijn de
sierheesters, treurboomen en rozestruiken naast bessen- en kruisbessen
boompjes, frambozen, appel- en pereboomen, perziken en abrikozen
geplaatst, doch zóó, dat het geheel toch fraai is. Leiboomen ziet men
tegen de schutting en den muur van het koetshuis. Het schoonste punt is
echter de groote kastanjeboom voor de woonkamer en daaronder de ruime
plaats met vaste banken en tuinmeubelen.
Het is in den namiddag en mooi weder. De familie is juist aan de
theetafel. Ongaarne zouden ouders en kinderen dit gezellige uurtje na
schooltijd willen missen. De burgemeester is rustig in een
gemakkelijken leunstoel gezeten. Hij heeft eene Goudsche pijp in den
mond en blaast met welgevallen kleine rookwolkjes in kringetjes naar
boven.
Het ongeluk voor eenige dagen heeft geene sporen bij Constans
achtergelaten. Misschien is ze nog wat bleek, maar dat heeft niets te
beteekenen. De dokter heeft haar den avond van het ongeluk reeds geheel
buiten gevaar verklaard. Had ze denzelfden tijd in eene Amsterdamsche
gracht gelegen, er zou geen of zeer weinig hoop op herstel geweest
zijn. Het helder stroomend water evenwel zal haar geen kwaad doen,
zeide hij.
„Zou Toon nog hier komen, Roel,” alzoo leidt Constans het gesprek in,
„hij komt immers gewoonlijk ’s Woensdags op ’t dorp.”
„Ik zou het niet denken,” antwoordt deze, „anders was hij wel hier
geweest.”—
„Welneen, mijn kind,” zegt mevrouw, terwijl ze van haar naaiwerk op
ziet. „De jongen is veel te bescheiden om zich te durven vertoonen; die
goede, beste Toon! Wat houd ik veel van hem! Wist ik maar, hoe ik hem
voor zijn kloeke, edelmoedige daad beloonen kon.” En zij nam haar
dochtertje in de armen, als vreesde ze haar nog te moeten beschermen
tegen het gevaar van eergister.
„Een flinke jongen is hij,” sprak nu de burgemeester, die tot nu toe
slechts geluisterd en met kleine teugjes zijn thee gedronken had. „Er
zit pit in dien knaap. Jammer alleen, dat hij zich zoo doldriftig kan
maken. ’t Schijnt een familiekwaal, tenminste Thijs is er zeer bang
voor.”
„Kom, Pa, zoo erg is het toch niet. Toon is de goedheid zelve. Alleen
als hij getergd wordt, dan is hij om bang van te worden.”—
„Nu ja, erg of niet erg, dat doet hier eigenlijk niets ter zake. Wij
zijn hem ten hoogste verplicht en we dienen hem schitterend te
beloonen.”—
„En onze belooning zal aan geen onwaardige besteed zijn,” zoo vervolgt
mevrouw, terwijl mijnheer met aandacht zijn thee omroert. „Van het
oogenblik, dat ik den jongen zag, gevoelde ik me tot hem aangetrokken.—
„Pa en ik hebben nu iets voor hem bedacht, dat hem bepaald veel
genoegen zal doen en we hebben tevens een middel gevonden om u allen
schadeloos te stellen voor het minder prettige zeiltochtje. Me dunkt,
we kunnen Anton geen grooter vreugde bereiden, zoo nu als in de
toekomst, dan om zijne opvoeding ter harte te nemen. Zijn grootvader
meent het wel heel goed met hem, maar èn kennis èn geld ontbreekt hem.
Alleen wat de vorming van het hart betreft, zou de oude zeeman menig
geleerde een lesje kunnen geven. Toon moet zeeman worden, ten minste,
dat staat bij beiden vast. Wie weet, wat er nog van hem bij goede
leiding, groeien kan. We zullen hem voorloopig door de heeren Den Bosch
en Zwart lessen doen geven en dan ondertusschen in overleg met deze
plannen maken voor de toekomst.—
„Hoe vinden jelui dit plannetje?”—
„O, heerlijk moe, prachtig, wat zal Toon blij wezen, en Thijs niet
minder!”—
„Maar nu het andere. Hoe zou je er over denken om Zaterdag eens een
flinke kinderpartij te geven? ’s Morgens een rijtoer met den
bolderwagen, b.v. naar Neder-Hemert, ’s middags laat eten, dan spelen
en vervolgens ’s avonds chocolade met wafels.”
„Lieve, beste moe, wat weet u toch goed, wat wij graag willen,” vleide
Stans en ze kuste haar moeder, dat het klapte.
De burgemeester stond op. „Is je werk al af, kinderen?”
„Natuurlijk niet, pa, we komen immers pas uit school.”
„Ja, dat is waar ook. Ik meende je mee te nemen naar Drongelen, maar
het werk gaat voor.”—
„En ’t is morgen geen school, pa. ’t Is immers onderwijzersvergadering.
U zou er zelf nog wel heen om eene lezing te hooren.”—
„Jongen, ja, dat had ik vergeten. Nu, moeder, maak dan maar vlug een
paar boterhammen voor de kinderen. Ik moet nog even op ’t raadhuis te
Drongelen wezen en dan kunnen ze meteen hunne vriendjes daar vragen.
Maar nog niets zeggen van de studie, begrepen! Dat moet eene verrassing
blijven.”—
Terwijl de burgemeester in zijn kantoor gaat en een paar boeken in een
portefeuille doet, eten Roelof en Stans vlug hunne boterhammen. Weldra
zijn allen klaar en vroolijk stappen de kinderen met hun vader mee.