Vier vroolijke kinderen, een meisje en drie jongens marcheerden met
gezwinden pas van het kleine dorpje Eethen naar het niet veel grootere
Drongelen.
Blijkbaar hadden ze het een of andere pretje in ’t vooruitzicht. Hunne
aangezichten vertoonden blijde trekken en hun gang werd steeds vlugger.
Waarlijk geen wonder. De vier kinderen waren Stans en Roelof van den
burgemeester en Pieter en Hendrik, zoons van het hoofd der school.
Den vorigen dag, des Zondags, waren ze met hunne ouders naar het
Drongelsche veer gewandeld en met hunne toestemming hadden ze met hun
vriend Anton Groen afgesproken om den volgenden dag na schooltijd een
roeitochtje te maken. Ze verheugden zich bij voorbaat over het
genoegen, dat ze zouden smaken.
Het Drongelsche veer was de meest geliefkoosde uitspanningsplaats uit
den omtrek. Vooral voor de jongelui had het veerhuis veel
aantrekkelijks. De familie Van den Hoven waren vriendelijke en prettige
menschen. De oude veerknecht, Thijs Groen, had vroeger jaren alle zeeën
bevaren en kon heerlijke vertellingen doen, en zijn kleinzoon Anton was
de vriend van oud en jong. Hij was een flinke jongen, waar ook de
jeugdige lezers en lezeressen naar ik hoop, spoedig evenveel van zullen
houden als het viertal, dat we zooeven op den weg naar het veer
ontmoetten.
Anton heeft niet stilgezeten in de morgenuren. Terwijl zijne vrienden
te Eethen hun Fransche les hadden,—die ze slechts matigjes kenden—was
hij bezig geweest om met behulp van zijn grootvader de kleine schouw in
het Maasje te brengen. Het was een net, groen en wit geschilderd bootje
met 3 zitbanken.
Het vaartuig werd zeilrêe gemaakt. Zeilrêe zeg ik, want Anton had zijn
kameraads eene verrassing bereid. De wind was zeer gunstig om terug te
zeilen en Anton had de toestemming van den baas en van zijn grootvader
weten te verkrijgen, om de schouw op te tuigen. De goede jongen
verheugde zich reeds over de blijde gezichten van Stans en van zijne
vrienden. Bovendien, de eene dienst was de andere waard. De kinderen
van den burgemeester en die van den meester hielpen hem met toestemming
hunner ouders vaak aan leesboeken en studiewerkjes. Leerde Toon dan zoo
gaarne? Ja en neen! Op school deed hij goed zijn best. Hij zat reeds in
de hoogste klasse. Maar behalve dat, werkte hij thuis zeer dikwijls of
las boeken uit de schoolbibliotheek en van zijne kennissen. Nu geloof
ik wel, dat hij veel liever met de boot op ’t water was, dan dat hij
sommen maakte, maar alles heeft zijn tijd. Met het grootste genoegen
hielp hij zijn grootvader een paar uur met overzetten, maar met
evenveel genoegen kon hij dan weder den tijd tot hij naar bed ging bij
zijn atlas en boeken doorbrengen. Dagelijksch hield zijn grootvader hem
voor, dat men zeer knap moest wezen om op zee vooruit te komen.
Eerzucht aan de eene zijde en liefde tot zijn trouwen grootvader aan
den anderen kant, prikkelde hem tot studie en deed hem goede
vorderingen maken.
Eén ding echter bezwaarde hem. Hij wilde Fransch leeren. Fransch gold
bij de dorpelingen voor de hoogste geleerdheid. Was het wonder, dat de
eenvoudige schippersjongen er ook het meeste heil van verwachtte.
Toen nu om 4 uur de school uitging, spoedde hij zich naar huis en vond
zijne opgetogen makkers reeds bij de boot.
„Hé, Toon, wat is dat lief van je,” zei Stans, terwijl ze hem een hand
gaf en hartelijk voor zijne goede zorgen bedankte.
Op het veerhuis wachtte hen echter nog eene welkome verrassing.
De jongelui uit Eethen waren reeds ruim te 3 uur uit school gegaan.
Meester had hen een vroegertje gegeven. Spoedig waren allen bij den
burgemeester. Natuurlijk was er niet van gekomen om eene boterham te
eten.
Mevrouw Van den Oever, die als eene liefhebbende, zorgzame moeder er
steeds op uit was om hare kinderen een genoegen te bereiden, had zich
den middag onledig gehouden met een grooten korf vol met broodjes en
andere lekkernijen te pakken en had den korf door Janus den knecht naar
het veerhuis laten brengen. Het is te begrijpen, welke vroolijke
uitroepen het zien van den korf met haar inhoud den jongelui deed
slaken.
Spoedig waren allen aan boord. Thijs maande zijn kleinzoon nog eens tot
voorzichtigheid aan en voort ging het. Toon greep een riem en Pieter
den anderen. Stans had plaats genomen bij het roer.
De boot ging aanvankelijk slechts langzaam vooruit. Indien Anton het
alleen had kunnen doen, zou de snelheid er niet op verminderd zijn.
De mast stond echter juist in het midden van de roeibank. De krachten
der roeiers waren verre van gelijk. Hoe wel het Pieter’s eerste keer
niet was, dat hij de riemen voerde, kon hij zich niet meten met den
ervaren schippersjongen. Langzamerhand echter raakte hij er mee op
dreef, en vorderde het beter.
Nog niet lang waren zij op weg, toen de opmerking gemaakt werd, dat op
elk vaartuig een gezagvoerder hoort. Thijs zeide immers altijd: „er is
maar een groote mast op een schip.” Men ging aldus over tot de
benoeming van een kapitein en Anton werd gekozen.
Hij nam de benoeming echter niet aan.
Eensdeels vreesde hij den naijver van Roelof, anderdeels bleef hij in
het terugkeeren liever geheel baas van het zeil en ten slotte hoopte
hij op de instemming van Constans, die niet weinig trotsch was op haar
flinken, grooten broer, al speelde hij ook wat graag den baas. Zij
gunde hem tenminste gaarne den voorrang. Misschien was dit laatste wel
de voornaamste reden, want het lag overigens niet in Toon’s aard om
zich door anderen te laten overheerschen.—„Neen, dat gaat niet,” sprak
hij. „Wie heeft er ooit van gehoord, dat de kapitein de riemen had,
terwijl twee zijner matrozen rustig sigaretten zitten te rooken? Laat
Roelof kapitein wezen, dan zal ik als zijn stuurman dienst doen. Hij is
toch de oudste.”
Zijn voorstel ontmoette bij de beide andere jongens eenige
tegenkanting. Zij erkenden op het water Anton voor hun meester, maar op
Roelof, die gaarne iedereen naar zijn hand wilde zetten, waren ze wel
een beetje jaloersch. Hij was echter de oudste, bovendien had hij een
heel doosje sigaretten in den zak en dat gaf den doorslag. De keuze
werd dus goedgevonden.
Sigaretten was verboden waar voor onze jongens, maar Roelof, die nog al
ruim van zakgeld voorzien was, wist zich altijd een goeden voorraad te
verschaffen, wanneer de knecht Vrijdags met boter en eieren ter markt
ging. Hij zorgde wel, dat het niet ontdekt werd en zijn zusje verklapte
hem nooit. Veel nadeel deed deze gewoonte hem en zijne makkers, die hij
steeds ruimschoots mede deelde, niet. Toch was het jammer. Het waren
alle vier zulke flinke levenslustige knapen, en rooken kan niet anders
dan welopgevoede jongens ontsieren. Ook Anton paste het stukje papier
met tabak kwalijk bij zijn jolig gelaat en echt jongensachtige
vroolijkheid. Hij was even opgehouden met roeien en zat aan
stuurboord—dat is de rechterzijde; de andere kant heet bakboord.—Onder
het rooken noemde hij de deelen van het tuig.
De mast was bevestigd aan den bodem van de boot en aan de roeibank.
Twee dwarsstokken, waarvan de onderste de langste is, kunnen om den
mast draaien met een ring, die zich aan het einde ervan bevindt. De
giek, dat is de stok beneden, is zoo hoog boven boord geplaatst, dat
hij vrij kan bewegen en de gaffel is bijna boven aan den mast
bevestigd. Aan deze beide stokken en aan den mast is het zeil
vastgebonden, dat dus om den mast kan draaien, naarmate de wind en de
koers het vereischt. De gaffel wordt omhoog gehouden door een lijn of
touw, dat door een katrol loopt, welke hoog in den mast is bevestigd.
Met deze lijn kan het zeil geheschen worden.
De mast is dus het eene steunpunt voor het zeil. Maar dit moet ook nog
aan den anderen kant worden vastgehouden, om wind te kunnen vangen.
Hiervoor dient nu de schoot, een stevig touw, dat aan den beneden hoek
van het zeil, aan de giek, is vastgemaakt. Met de schoot kan men het
zeil naar zich toe halen of van zich af laten; men kan de schoot
aanhalen of vieren. Nu echter is het zeil gestreken, want om tegen wind
in te zeilen is het Maasje te smal.
Aan een groot vaartuig—een volgetuigd schip, zou Thijs zeggen,—zijn
natuurlijk nog wel 100 verschillende deelen, maar die boezemen ons nu
geen belang in.
Onder vroolijke scherts gaat de tijd snel voorbij en de jongelui zijn
te Gansoijen eer zij het weten. In dit gehucht zullen ze uitstappen.
Behalve een brugwachter woonden hier slechts een 3-tal huisgezinnen. In
vroeger tijden stond er ook een kasteel, doch op dit oogenblik wees
eenig puin nog slechts de plek aan, waar een 20-tal jaren vroeger zich
een oude, wankele toren bevond. Op deze plaats, die wat hooger gelegen,
en van struiken en heesters omgeven was, werd alles voor eene gezellige
pic-nic in gereedheid gebracht. De hengselmand werd geopend en de
inhoud op een servet uitgespreid.
Wat kwam er al niet uit dien korf te voorschijn? Er leek geen einde aan
te komen. Broodjes met rookvleesch, boterhammen met koek,
krentenbollen, een ketel met melk, heerlijke appels, suikerperen en ten
slotte nog een half fleschje frambozenlimonade.
„’t Is een maaltijd, die de ridders van voorheen uit dit kasteel ons
zouden benijd hebben,” sprak Stans.
De jongelui sleten aangename oogenblikken op de fondamenten van het
kasteel.
Ze bemerkten onder den maaltijd, gepaard met scherts en gezang, niet,
dat de tijd ongemerkt voortging en dat ook de lucht betrok. Dreigende
wolkenmassa’s pakten zich samen. Een dof gerommel in de verte doet
allen opschrikken. Spoedig is het kamp opgebroken en zijn zij op weg
naar de boot. De bui drijft gelukkig af, zoodat de vroolijkheid er niet
door verstoord wordt. Toch zet Anton zijne metgezellen tot spoed aan,
want het weêr blijkt niet te vertrouwen.
Terwijl Constans nog op den wal staat, geeft de kapitein zijne bevelen.
De jongens maken de touwen los, waarmede gaffel en giek en daartusschen
het zeil, zijn bijeen gebonden.
Het zeil wordt geheschen en ook het meisje stapt in de boot.
De wind waait uit het Zuid-Oosten en is aanmerkelijk sterker, dan voor
eenige uren.
Het kleine vaartuig neemt spoedig een flinke vaart. Anton heeft plaats
genomen bij het roer en wijst het voorstel van den kapitein, die zelf
wilde sturen, beslist van de hand. De jongen is zijne verantwoording
ten volle bewust. Had Thijs geweten, dat de wind zou opsteken, de mast
had nu niet op de boot gestaan.
De stuurman neemt weinig deel aan de luidruchtige gesprekken zijner
kameraads, die opgetogen zijn over de gemakkelijkheid, waarmede de boot
over het water schiet.
Zacht wiegt het ranke vaartuig op de baren en alles lokt tot zingen
uit. Weldra klinkt een lustig lied uit volle borst over de watervlakte,
en als alles goed gaat, stemt ook de schipper van harte mee in.
Toch verliest hij Pieter, die de schoot heeft, geen oogenblik uit het
oog. Hij neemt dien bij elke kronkeling der rivier van hem over. De
wind steekt inmiddels meer en meer op en doet het zeil sterker spannen.
De bemanning vindt natuurlijk de snelle vaart overheerlijk en ook Anton
verheugt zich over de voorspoedige reis. Reeds is het veerhuis in het
gezicht, toen er iets gebeurt, dat hun noodzaakt te stoppen. Door de
kracht van den wind raakte het touw los, waarmede de katrol boven aan
den mast vastgemaakt was. Spoedig zou de katrol en daarmede het zeil
naar beneden rollen, indien de knoop niet wat sterker aangehaald werd.
Anton stelde voor verder naar huis te roeien, maar dit voorstel
ontmoette de heftigste tegenkanting van alle zijden. De jongens hadden
er zoo op gehoopt om met flinke vaart te Drongelen aan te komen, dat ze
zich het genoegen niet wilden ontzeggen om zich door de daar verzamelde
jeugd te laten bewonderen. Ook Constans trekt een pruilend lipje en dit
doet Anton ten slotte toegeven. Of de kapitein al beval om de schade te
herstellen, legde weinig gewicht in de schaal. Deze, altijd haantje de
voorste, wilde reeds dadelijk in den mast klimmen, doch Toon weerhield
hem. Eerst het zeil strijken en de boot met den kop in den wind leggen.
Spoedig was hij bij de katrol en trachtte hij den knoop vaster aan te
halen. Met ééne hand ging dat echter niet gemakkelijk.
Aller blikken waren omhoog gericht en daardoor ontging het den jongens
en ook Anton, die Roelof aanwijzingen gaf, dat het bootje met het getij
afdreef. Op eens kreeg het een hevigen schok en met schrik bemerkte
Toon, dat het vaartuig dwars in den wind gedreven was.
„Er uit, er uit!” riep hij Roelof toe, doch eer deze tijd had het
gevaar te beseffen en vóór Anton het roer kon grijpen, deed een hevige
rukwind het bootje kantelen, dat door den toplast van Roelof zeer
wankel op het water lag.
Allen vielen in het water.
Anton, die de beste zwemmer was, kwam het eerst boven. Het bootje lag
overzij en gevaar, dat er iemand onderlag, was er niet.
Weldra klemden ook de andere jongen zich vast aan de kiel van het
vaartuig. Roelof was een eind ver weggeslingerd, maar daar hij ook wat
zwemmen kon, zat hij spoedig met de anderen buiten adem op de
gekantelde boot.
„Waar is Stans?”—
Deze vraag gelijktijdig geuit, deed de doodelijk verschrikte jongens
nog meer ontstellen.
„O hemel, waar is Stans?”—
Roelof duizelde en Pieter moest hem ondersteunen, opdat hij niet
achterover in ’t water zoude slaan.
Eer iemand er op verdacht kon zijn, was Toon reeds te water gesprongen.
Het meisje, dat niet zwemmen kon, zat vóór in de boot. Zeker zou ze met
het tij reeds een eind ver afgedreven zijn.
De moedige zwemmer begreep spoedig, waarheen hij zich wenden moest.
Reeds tweemaal was hij gedoken, toen hem toegeroepen werd: „vooruit,
recht vooruit, daar is ze even boven geweest.” Werkelijk verscheen ze
het volgende oogenblik weer. De dappere jongen verdubbelde zijne
slagen. Nog 2 krachtige stooten, even duiken, hoera! daar had hij het
meisje vast.
Een vreugdekreet weerklonk van de boot.
Spoedig evenwel verstomde dat geluid.
„O God, ze is dood!” riep Roelof. De andere jongens moesten hem met
geweld weerhouden, anders ware hij te water gesprongen, waar hij alleen
met moeite zich zelve redden kon.
Anton had intusschen het meisje vóór zich genomen en met korte stootjes
duwde hij de drenkelinge voor zich uit. Het kostte hem de grootste
krachtsinspanning met haar boven te blijven. Om vrijer te zijn in zijne
bewegingen hield hij haar niet vast, maar gaf haar telkens een duwtje.
Hij zelve ging door den stoot onder water, maar met één slag was hij
weer boven, waarna hij dan dezelfde beweging herhaalde.
Zelfs voor iemand, die niet zwemmen kan, is het gemakkelijk te
begrijpen, dat deze herhaalde beweging uiterst vermoeiend is, al is het
ook de veiligste manier. Immers, wanneer de drenkeling zich aan den
redder vastklemt, zijn beiden verloren.
Op de boot zat men onderwijl niet stil.
De schoot werd losgesneden en aan een riem bevestigd. Deze werd naar
Anton geduwd, die zoo goed als niets vooruit kwam. Het leek zelfs of
hij afdreef.
De lijn en het hout waren echter te kort en een tweede stuk touw werd
er aan vastgeknoopt, maar het was te laat. Redder en drenkeling
verdwenen in de diepte.
Nu was het Piet’s beurt om te handelen. In het water springen en zich
ijlings aan den riem vast grijpen, was het werk van een oogenblik.
Toon, die het meisje nog vast had, kwam boven en werd door Piet bij de
haren en daarna bij zijn arm gegrepen. In weinige oogenblikken waren nu
allen op het wrak getrokken.
Constans gaf geen teeken van leven meer.
De wanhoopskreten der jongens werden afgewisseld door knetterende
donderslagen. Schelle bliksemflitsen doorkliefden de lucht.
Toon, altijd de flinkste, hing buiten adem over den mast. Hij was meer
dood dan levend.
Dikke druppels vielen neer en de lucht was donker, maar donkerder nog
was het in de harten der jongens. Ze waren de wanhoop nabij.
Moest het meisje nu sterven bij gebrek aan hulp! „O Stans, o mama!”
kreet Roelof.
Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij. Overstelpt door
schrik en angst hadden de jongens niet bemerkt, dat de veerboot snel
naderde. Reeds van verre had Thijs, die op den uitkijk stond, het zeil
bemerkt. Toen hij het plotseling zag verdwijnen, had hij alles in den
steek gelaten en was zoo snel zijne stramme leden het toelieten, naar
de plaats des onheus geroeid. Juist toen hij even opkeek, had hij het
tweetal in het water zien liggen en hij repte zich met
bovenmenschelijke kracht. Het zweet liep hem tappelings langs het
gelaat en doorweekte zijn boezeroen. In minder dan geen tijd lag hij
langs het wrak. Spoedig waren allen in de boot. Thijs gaf de riemen aan
zijn kleinzoon, die weer wat hersteld was van zijn vermoeienis en
maande hem tot dubbele spoed aan. Hij zelf nam het meisje en trachtte
de levensgeesten weder op te wekken. Eerst scheen het of ze niet weder
herstellen zou, doch ten laatste, nadat de oude er alles mee beproefd
had, voorover houden en achterover liggen, kwam er eindelijk een golf
water uit haar mond. Zij zuchtte en de ademhaling was weder merkbaar.
Toch bleef ze bewusteloos.
Nu kwam het er maar op aan zoo spoedig mogelijk thuis te wezen. Thijs
nam zelf weder de riemen en in weinige minuten waren ze aan den
veerdam, waar ze door de ontstelde menigte werden opgewacht.
Reeds van verre had men bespeurd, dat er iets gebeurd was. Alleen de
burgemeester en mijnheer Den Bosch, die de kinderen zouden afhalen,
vermoedden het ergste en liepen hevig ontsteld langs den waterkant. De
laatste had het eerst weder zijne zinnen bij elkaar, toen hij den
toestand overzien had.
Constans werd onmiddellijk binnengebracht, ontkleed en tusschen wollen
dekens en warme kruiken op bed gebracht. Eerst toen de vader zijn kind
de oogen zag opslaan kwam hij wat tot bedaren. De goede man zag bleek
als een doode en beefde als een riet. Van den Hoven gaf hem een glas
water en toen nu inmiddels de anderen verkleed, en eveneens van den
schrik bekomen waren, was hij genoegzaam hersteld om het verhaal van
het ongeluk aan te hooren.
Trillend van opgewondenheid vertelde Roelof in levendige kleuren den
moed, de zelfopoffering en het beleid van Toon, en de dankbare vader
drukte den flinken jongen aan de borst. Zijn gemoed was te vol om te
kunnen spreken. Alle omstanders drukten den moedigen knaap de hand en
prezen om ’t zeerst zijn gedrag. De grootvader was inmiddels verdwenen
en bevond zich weder op de pont.
Constans was in een rustigen slaap gevallen.
De heer Den Bosch wist den burgemeester te overreden om naar huis te
gaan. Het was beter, dat hij zelf aan zijne vrouw de eerste tijding
bracht. Een ander zou natuurlijk het bericht, zooals het gewoonlijk
gaat, vreeselijk overdreven overbrengen en mevrouw zou doodelijk
ontstellen.
De burgemeester zag dan ook het verstandige van den raad in en begaf
zich op weg. Hij zou ook juffrouw Den Bosch met het geval in kennis
stellen, en zijn rijtuig naar het veer sturen om allen af te halen.
Toen dit aankwam was het lieve meisje weder genoegzaam hersteld om
vervoerd te kunnen worden. Goed ingepakt werd ze achter in den
tentwagen geplaatst en weldra waren allen thuis.
De moeder sloot haar kind in de armen en overdekte haar met duizend
kussen. Tranen van aandoening en dankbaarheid rolden over haar
vriendelijk gelaat. Constans werd weder te bed gebracht en mevrouw
bleef den ganschen nacht bij hare lieveling.
Den volgenden dag is het rijtuig van den burgemeester reeds vroeg aan
het Drongelsche veer. De morgenschooltijd is nauwelijks geëindigd, als
mevrouw Van den Oever uitstapt en zich in de zijkamer van het veerhuis
begeeft. Ge begrijpt zeker allen, waarom.
Toon wordt bij haar gebracht en nauwelijks heeft de beminnelijke dame
den redder van haar kind bij zich in de kamer, of ze sluit den verlegen
knaap aan de borst. Door aandoening overmeesterd dankt ze hem met
afgebroken zinnen en kust hem op het voorhoofd.
Mijn lieve, beste jongen, roept ze telkens uit, dappere redder van mijn
kind.
Toon kan zich niet langer goedhouden. Ook bij hem komen de waterlanders
voor den dag en hij is hartelijk blijde, als hij ’s middags weer goed
en wel in school zit.