Wij zien dus dat het op zichzelf heel wat studie en zeer veel kennis

zou vorderen om het _Boek der Dooden_ aldus te ontleden, en het kan dus

thans ook niet mogelijk zijn dit te dezer plaatse in een kort bestek

te doen in verband met ons onderhavig onderwerp. Ik wenschte er echter

alleen op te wijzen, daar anders mijn aanhalingen uit de verschillende

hoofdstukken van het _Boek der Dooden_ zonder een bepaalde volgorde

eenigszins willekeurig zouden gelijken. Bij een juist denkbeeld van

de samenstelling van het werk valt deze willekeurigheid weg.

Tot beter begrip van enkele gebeurtenissen in het ritueel is het niet

onnoodig het volgende op te merken. Er wordt in enkele gedeelten

van het ritueel veel gesproken over de "krokodil" en veel over het

"hart". Het is natuurlijk steeds in symbolische beteekenis dat deze

woorden gebruikt worden. De "krokodil" beteekent in de meeste gevallen

Manas, het Denkvermogen en wordt dan gewoonlijk beschouwd als vijand

van den _werkelijken_ mensch Osiris, als trachtende hem te bewegen

tot afscheiding, de gevaarlijkste eigenschap van den "vijfpuntigen"

mensch. De vijfpuntige ster, het symbool van den mensch gereed voor

inwijding, gaf aanleiding tot het ontstaan van het krokodil-symbool,

namelijk door de vijf uiteinden van voorpooten, achterpooten en

staart. Soms is deze krokodil voorgesteld als draak en in enkele

gevallen als visch.

Het "hart" is het reïnkarneerende beginsel of het ware Ego, het

zoogenaamde "voorouderlijke hart".

In verband met deze diepgaande symbologie is het voor den studeerende

zeer belangrijk, na te gaan hetgeen H. P. Blavatsky in dit verband

zegt in de _Geheime Leer_ I, 288, 289. Zooals ik reeds opmerkte vindt

men in het _Boek der Dooden_ vele dooreenstrengelen van verschillende

leeringen, doch ook de ritueelen van verschillende inwijdingen zijn aan

elkander vastgeknoopt of onderling verward. Zoo is bijvoorbeeld het

begraven in een mummiekist en het gaan in de onderwereld een eerste

inwijding en dit komt overeen met hetgeen thans in symbolischen vorm

in den leerlingsgraad der Vr.·. M.·. doorloopen wordt, volgens mijn

vroeger reeds vermelde opvatting, namelijk het gaan door den dood

en het bekend worden met de werelden aan gene zijde des grafs, het

bekend worden met astrale en devachanische toestanden, het bevriend

raken met de elementalen dier gebieden, enz. Vandaar bijv. de offers,

en het graan dat medegegeven werd in de mummiekist. De astrale

tegenhangers daarvan kon hij hun als offers aanbieden. Later werd dit

gebruik voortgezet bij de werkelijke dooden, hoewel waarschijnlijk

de redenen, die er aanleiding toe gaven, reeds vergeten waren; doch

wie weet hoeveel nut de afgestorvenen er aan gene zijde van hadden!

Dit gaan in de onderwereld en deze inwijding is natuurlijk volstrekt

niet die waarover wij reeds spraken als de Christus-inwijding,

waarbij de kandidaat op de Tau geplaatst werd. Bovendien had deze

lagere inwijding veelvuldig en ook in vele andere tempels en pyramiden

plaats. De inwijding waarover wij in een volgend hoofdstuk zullen

handelen in verband met de groote Pyramide, aan de hand van het

_Boek der Dooden_, is die inwijding welke als eindzege de geboorte

van het Buddhisch lichaam had en symbolisch de uitstorting van den

Logos verzinnebeeldde in het bouwwerk dat symbolisch zijn veld van

werking voorstelde, namelijk ons zonnestelsel.

HOOFDSTUK X.

MYSTIEKE THEORIEËN. (SLOT.)

Wij zullen nu trachten den kandidaat bij zijn inwijding in de Groote

Pyramide te volgen, en daar wij enkele gedeelten van het ritueel

van het _Boek der Dooden_ in verband met deze inwijding in een vorig

hoofdstuk reeds toelichtten, is het thans mogelijk om zonder verdere

uitweiding over onderdeelen het geheel dezer inwijding te volgen.

Adams beweert dat het mogelijk is den kandidaat bij deze inwijding door

de geheele Pyramide heen stap voor stap te volgen. Dit schijnt mij een

eenigszins gewaagde opmerking om algemeen te worden aangenomen. Indien

men de theorie op gevoelsgronden aanneemt is het wel duidelijk

dat men tot deze conclusie komt, doch door iemand die de theorie

kritisch beschouwt, zou deze opmerking zeer zeker niet onderschreven

worden. Zooals wij reeds zagen is in de hoofdstukken I-XVII een soort

inleiding belichaamd tot het eigenlijk ritueel; van hoofdstuk XVIII

af wordt de kandidaat onderworpen aan beproevingen en maakt hij de

inwijding door; het "Doorbrengen der Dagen" neemt een aanvang. Nadat de

"doode" geplaatst is in de onderaardsche crypt, worden zekere mantrams

over hem uitgesproken en ik meen dat dit gedurende den eersten tijd

van de inwijding enkele malen geschiedde over het beweginglooze en

schijnbaar levenlooze lichaam. Zulke mantrams vinden wij weergegeven

in de hoofdstukken XVIII, XIX en XX. In hoofdstuk XVIII lezen wij o.a.:

Wanneer dit hoofdstuk opgezegd wordt, zal de doode te voorschijn

treden bij dag, gelouterd na den dood en [hij zal] al de

vervormingen [doormaken] die zijn hart zal voorschrijven. Indien

dit hoofdstuk over hem opgezegd wordt, zal hij op aarde te

voorschijn treden, hij zal aan alle vuur ontkomen; en geen

enkele van de slechte dingen die hem [toebehooren] zullen hem in

eeuwigheid en altijd en altijd belemmeren.

In hoofdstuk XIX wordt gesproken over het plaatsen van talismans op

het gelaat van den doode, over het branden van wierook en het plaatsen

van offeranden; terwijl dan merkwaardig is het volgende:

[Dit hoofdstuk] moet door u tweemaal opgezegd worden bij

het aanbreken van den dag--nu is het een nimmer falende

bezwering--regelmatig en voortdurend.

Hoofdstuk XX moet blijkbaar eveneens als mantram opgevat worden.

In de eerstvolgende hoofdstukken wordt daarna beschreven wat

intusschen met het astraallichaam plaats vindt, en wel in de eerste

plaats hoe het astraal _bewustzijn_ begint te werken en hoe het ego

in het astraallichaam handelen kan. Zoo spreekt hoofdstuk XXII van

het "openen van den mond", terwijl in XXIV en XXV vermeld wordt hoe

het denkvermogen weder begint te werken in dit nieuwe astrale leven;

wij lezen n.l.:

Het Hoofdstuk over: een mensch geheugen te doen bezitten in

de onderwereld.

Eindelijk komt in hoofdstuk XXVI het "hart" wederom terug tot

Osiris en wij lezen er in hoe de kandidaat daarna kan werken in zijn

astraallichaam. Een gedeelte van dit hoofdstuk haal ik daarom aan:

....."Moge mijn mond mij [gegeven worden], opdat ik daarmede kan

spreken; en mijn beide beenen om daarmede te wandelen, en mijn

twee handen en armen om mijn vijand neer te werpen. Moge de deur

van den hemel mij geopend worden; moge Seb, de Vorst der Goden,

zijn beide kaken wijd voor mij openen; moge hij mijn beide oogen,

welke geblinddoekt zijn, openen; moge hij zorgen dat ik mijne

beide beenen van elkander uitstrek welke tezaam gebonden zijn; moge

Anubis mijne dijen zoo stevig maken dat ik er op staan kan. Moge

de godin Sekhet mij doen opstaan zoodat ik ten hemel kan stijgen,

en moge datgene gedaan worden wat ik beveel in het Huis van de _Ka_

van Ptah (Memphis). Ik begrijp mijn hart. Ik heb heerschappij

over mijn hart verkregen, ik heb macht over mijn beide handen,

ik heb macht over mijne beenen, ik heb wederom macht om te doen

wat mijn _Ka_ gelieft. Mijn ziel zal niet gebonden zijn aan mijn

lichaam bij de poorten der onderwereld; maar ik zal in vrede

binnentreden en in vrede te voorschijn komen."

Thans komen de beproevingen en gevaren. De kandidaat ziet in zijn

astraal bewustzijn de vijanden die hem tegenhouden, n.l. zijn

hartstochten, die zich in allerlei vormen aan hem opdringen, en

trachten hem te vernietigen, van zijn doel af te leiden of op den

verkeerden weg te brengen. Eenige hoofdstukken spreken zelfs van "het

wegnemen van het hart van Osiris". Blijkbaar doelt dit op het gevaar

van een kandidaat, die bewust op het astraal gebied werken kan, om

af te dwalen in de paden der zwarte magie, waarbij ten slotte zijn

"ego" losgescheurd zou worden uit de lagere lichamen. Een groote

vijand van hem is hier ook de "krokodil", d.w.z. het denkvermogen.

In de hoofdstukken XXVII-XXXII vinden wij dan voornamelijk beschreven

hoe de kandidaat zijne hartstochten onder de oogen moet zien en

toonen moet dat hij ze overwonnen heeft; blijkbaar blijven ze,

doch onderworpen aan den wil van den Osiris-mensch, en niet als zijn

heerschers. Van een moeilijker strijd wordt verhaald in de hoofdstukken

XXXIII-XLI, en wel van den strijd tegen het denkvermogen, dat een

kandidaat op allerlei wijzen van zijn doel tracht af te leiden. Ook

is hier sprake van magische of ordewoorden, die den kandidaat kunnen

helpen. De strijd schijnt bemoeilijkt te worden door "slangen". Ik

vermoed dat deze eene voorstelling zijn van de leidende hierofanten,

die de standvastigheid van den kandidaat beproefden; wij moeten

dus geen werkelijke vijanden in deze slangen zien, maar slechts

schijnbare. Dit zou ook verklaren waarom bij het einde van dit deel

der inwijding in hoofdstuk XLII een vignet staat, waarin de "doode"

een koord heeft om het bovenste deel van een _tet_, wat volgens

Naville het zinnebeeld van standvastigheid is.

Thans schijnt een tweede gedeelte van de astrale beproevingen aan

te vangen om zijn zelfbeheersching te toetsen; er wordt n.l. veel

gesproken over het wegnemen van zijn hoofd, het vergeten der magische

woorden enz., terwijl ook nieuwe vijanden zich in allerlei gedaanten

aan hem opdringen. Van zijn astraallichaam wordt echter gezegd dat het

gelouterd is in het "water" der onderwereld, en schoon en schitterend

geworden is. Niettemin wacht hem bij gebrek aan zelfbeheersching en

standvastigheid de dood door de schepselen der duisternis (XLIII-LI).

Wanneer wij thans weder verband zoeken met de groote Pyramide in dit

ritueel van inwijding, is het waarschijnlijk dat het lichaam van den

kandidaat opwaarts gebracht werd naar de zoogenaamde "Put", terwijl

daarna (in het derde gedeelte van de astrale inwijding) het ego van

den kandidaat _wetend bewust_ werd van zijn goddelijke afkomst. Adams

spreekt van dit bewustworden van den kandidaat van zijn goddelijken

oorsprong als "de tweede geboorte". Dit schijnt mij wel eenigszins

voorbarig, aangezien de tweede geboorte zelf het slot van de geheele

inwijding vormt.

Enkele hoofdstukken duiden blijkbaar op de water- en vuurproef van

het astraal gebied; zoo lezen wij o.a. in hoofdstuk LXIIIa:

Het hoofdstuk van het water drinken en het niet door vuur verbrand

worden in de onderwereld.

Hoofdstuk LXIV zinspeelt op het welslagen van den kandidaat na de

verschillende astrale beproevingen en geeft hem onderricht. Zoo

lezen wij:

"Ik ben Gisteren, Heden en Morgen en [ik heb de macht] een tweede

maal geboren te worden..." "Ik ben de Heer van de menschen die

opgeheven worden, [de Heer] die uit de duisternis komt, en wiens

vormen van bestaan die zijn van het huis waarin de dooden zijn".

Vooral de laatste uitdrukking past zeer wel in onze theorie. Indien

de hierofant hier de spreker is, vertegenwoordigt hij als zoodanig de

Logos; het huis dat den vorm van diens bestaan bevat is de Pyramide;

de dooden zijn de in-te-wijden kandidaten.

Terwijl nu het astrale lichaam rust verkrijgt, vangt de beproeving in

het verstandslichaam aan. Deze regeneratie van het verstandslichaam

vindt plaats nadat het in trance verkeerende lichaam in de zoogenaamde

Koninginnekamer geplaatst is. Dit tweede gedeelte van de inwijding

is moeilijk te volgen, zelfs in het _Boek der Dooden_, niet omdat het

er niet beschreven staat, maar omdat wij er zoo weinig van begrijpen

kunnen.

In hoofdzaak schijnt dit tweede gedeelte der inwijding te bestaan

uit het doormaken van zekere beproevingen, die de rijpheid van het

oorzakelijk lichaam zullen bevorderen, opdat de geboorte in het

Buddhisch lichaam vergemakkelijkt worde.

Uitvoerig wordt daarna beschreven hoe, na de tweede periode der

inwijding, Osiris tot het lichaam terugkeert. Hij is namelijk

zoo schitterend geworden dat "het lichaam verteren zou door den

glans", en vandaar dat er verschillende transformaties moeten

plaats vinden, voordat het lichaam weder bezield kan worden. In de

hoofdstukken LXV-LXXV worden de wedergeboorte en de terugkeer tot

het lichaam beschreven, terwijl in de hoofdstukken LXXVII-LXXXVII de

verschillende transformaties beschreven worden, alles in symbolischen

vorm natuurlijk. Het goddelijk Ego hult zich dus in een Khaibit

of licht-dampkring (aura), bestaande uit een reeks etherische

omhullingen, die het schitterend licht van de Ikheid temperen en

vatbaar maken, om opgevangen te worden door het aardsche lichaam. De

vorm die het eerst aangenomen wordt is die van de gouden wolk, het

symbool van den Eeuwige; daarna heeft eene vervorming plaats, welke

symbolisch voorgesteld wordt door het hoofd van Osiris in een lotus,

de Godheid geopenbaard in de onbevlekte stof; vervolgens wordt de

slangvorm aangenomen, duidende op de verkregen wijsheid, terwijl ten

laatste het Ego wedergekeerd is in het lagere verstand en als symbool

daarvan den krokodil-vorm aanneemt. Adams merkt met betrekking tot

het krokodil-symbool in den vorm van vijand zoowel als in den vorm

van goddelijke belichaming het volgende op:

"Want daar de menschelijke hartstochten deel uitmaken van de

natuur waarin de mensch oorspronkelijk geschapen werd, zijn

zij niet uitteraard slecht, maar worden slecht wanneer zij niet

onderworpen zijn aan de ziel. En aldus wordt de krokodil, die den

"doode" aanviel vóór de wedergeboorte, goddelijk in den nieuwen

vorm. Daarom werd de krokodil in hoog aanzien gehouden bij de

Egyptenaren, want deze sprak hun van den tijd waarop de mensch

heerschappij over zijne hartstochten zou hebben verkregen en

waarop de laatste hinderpaal tusschen hem en zijn verheerlijkte

ziel weggenomen zou zijn."

De vereeniging van ziel en lichaam na het tweede gedeelte der inwijding

vindt plaats in de hoofdstukken LXXXIX-XCIII.

Het is echter niet goed mogelijk den kandidaat in werkelijkheid

in de Pyramide te volgen, zooals Adams dit doet en wel hoofdstuk

na hoofdstuk. Zoo zou in dit laatste gedeelte der inwijding de

"ziel" wedergeboren worden in de Koninginnekamer, en het lichaam zou

wachten op den bodem der "put". Daarna zou de ziel nederdalen tot het

lichaam. Der fantasie is hier te veel spel gelaten. Meer waarschijnlijk

is wel, dat het in trance verkeerende lichaam eerst onder den grond,

en daarna in de Koninginnekamer werd gedragen. Het laatste gedeelte der

inwijding (3 dagen en 3 nachten) werd doorgebracht in de Koningskamer.

Wanneer wij dus uit het rijk der fantasie van Adams treden en zien

wat werkelijk plaats vond met den kandidaat, zooals H. P. Blavatsky

ons dit mededeelt, dan moeten wij den bouw van het inwendige der

Pyramide louter als den symbolischen weg opvatten en niet letterlijk

den kandidaat gedeelte na gedeelte laten doorloopen in gelijken tred

met den voortgang zijner inwijding op hoogere gebieden. De symboliek

van het bouwwerk moet geheel gezocht worden in de getalwaarden

van de verhoudingen der afmetingen, en deze getalwaarden vormen de

symboliek, waarin de voortgang van den kandidaat in zijn evolutie

wordt voorgesteld. Zooals wij reeds vroeger betoogden, is de Groote

Pyramide een stoffelijk symbool van den Zonne-Logos. De mensch

nu volbrengt zijn evolutie binnen het veld van den Logos, legt een

zekeren weg af in het lichaam van dien Logos (vandaar het symbool van

den dierenriem als de baan der evolutie). Gedurende de inwijding nu

legde de kandidaat dezen weg wederom af in het bouwwerk, dat dit

"lichaam" verzinnebeeldt en dus op symbolische wijze: naarmate

zijn inwijding vorderde, moest hij zich in een ander gedeelte van

de Pyramide bevinden, om ten slotte het einddoel te bereiken in de

Koningskamer, "het hart". Op zijn pad leidden hem de Hierofanten, die

hem telkens, na doorstane beproevingen op andere gebieden, leering

gaven door hem de symbolische beteekenis van den afgelegden weg te

verklaren. Aldus werd een kennen van het inwendige van "het Huis",

een kennen van fundamenteele kosmische waarheden.

In het derde gedeelte van zijne inwijding onderging de kandidaat

blijkbaar zeer zware beproevingen en werd hij door het college van

Adepten ten nauwste getoetst. Naar ik meen is dit weergegeven in

het tooneel, bekend als "het wegen van het hart" van Ani. Dit zou

dan gelezen moeten worden als een onderzoek naar den staat van het

oorzakelijk lichaam; of alle kiemen van kwaad daar uitgeroeid zijn.

Het zou ons echter blijkbaar te ver voeren en ons zeker de grenzen van

deze verhandeling verre doen overschrijden, indien wij de symboliek van

het ritueel van het _Boek der Dooden_ in zijn geheel zouden trachten

na te gaan. Zulks vormt een onderwerp op zichzelf, waarop ik in een

later werk hoop terug te komen.

Het eindstadium van de inwijding had plaats in de Koningskamer

en wordt in vele werken aangehaald als "het mysterie van het

open graf". Het lichaam van den kandidaat zou namelijk geplaatst

worden in de sarcofaag, om de laatste dagen der inwijding daar te

verblijven. H. P. Blavatsky zegt dat dit werkelijk het geval was en

dat op dit stadium der inwijding de kandidaat Osiris het mannelijk

of scheppende beginsel in den Kosmos voorstelde en de sarcofaag het

vrouwelijk beginsel, aldus de nederdaling van den Logos in de stof

verzinnebeeldende. Veel kan men in verband met dit gedeelte van ons

onderwerp vinden in Gerald Massey's _The Natural Genesis_.

Nadat de kandidaat op hoogere gebieden wederom zijn "Pad" beëindigd

had, werd hij op den morgen van den laatsten dag zijner inwijding

op het kruis uit de koningskamer gedragen en aldaar zoo geplaatst,

dat de zonnestralen door een luchtkanaal op zijn voorhoofd vielen en

hem deden ontwaken als een der Ingewijden.

Een schoon symbool van dit ontwaken wordt ons gegeven in _Records

of the Past_ deel XII blz. 77, waarin wij zien dat op een zalfvaas

van Osor-Ur, de godin Nout het water des eeuwigen levens op den doode

stort. De beste bron om iets te weten te komen omtrent hetgeen plaats

vond, is echter de _Geheime Leer_, en ik wil mijne verhandeling over

dit onderwerp dan ook eindigen met mede te deelen wat H. P. Blavatsky

ons in dit werk mededeelt met betrekking tot de Inwijdingen die in

verband stonden met de Pyramide.

In de _Geheime Leer_, Deel II, blz. 689, lezen wij:

"De ingewijde Adept, die met goed gevolg alle beproevingen

doorstaan had, werd _gehecht_, niet _genageld_, maar eenvoudig

gebonden aan een bank, die in Egypte den vorm van een Tau, T in

Indië die van een swastika zonder de vier verlengstukken (+,

niet [swastika]) had, en _in een diepen slaap gedompeld_, 'den

slaap van Silvam', zooals die tot heden nog onder de Ingewijden

in Klein-Azië, Syrië en zelfs Boven-Egypte genoemd wordt.

Hij werd _drie dagen en drie nachten_ in dien toestand gelaten,

gedurende welken tijd zijn Geestelijk Ego, naar het heet, _zich

'gemeenzaam' met de 'Goden' onderhield_, nederdaalde naar den

Hades, Amenti of Pâtâla--naar gelang van het land--en liefdewerken

voor de onzichtbare Wezens verrichtte, hetzij dat Zielen van

menschen of Elementale Geesten waren; terwijl zijn lichaam al

dien tijd in een _tempelcrypt of in een onderaardsche grot_ bleef

liggen. In Egypte werd het in de _Sarcophaag in de Koningskamer

van de Pyramide van Cheops_ en in _den nacht van den naderenden

derden dag naar den ingang van een galerij gedragen, waar op

zeker uur de stralen van de opgaande Zon ten volle op het gelaat

van den in trance verkeerenden Candidaat vielen, die ontwaakte om

door Osiris en Thoth, den God van Wijsheid, ingewijd te worden_."

In deze aanhaling cursiveerde ik de gedeelten die de bevestiging geven

van onze voorafgaande theorie omtrent inwijding in de Pyramide. In

de eerste plaats wordt hier duidelijk gezegd dat de inwijding er

werkelijk plaats vond, in de tweede plaats dat de ziel gedurende den

trance-toestand van het lichaam zich in Amenti bevond, terwijl ten

slotte ook de ontwaking op het kruis hier nagenoeg onveranderd gegeven

wordt. Nog kunnen wij hier een bevestiging vinden van onze stelling

dat Thoth-Hermes de hoogste Hierofant was bij die inwijdingen en

als gezant der Godheid het wijsheidsaanzicht vertegenwoordigde. Wij

haalden reeds aan eene beschrijving van de voorstelling van het

ontwaken van den kandidaat, zooals die gegeven wordt op de zalfvaas

van Osor-Ur. H. P. Blavatsky haalt in dit verband een voorbeeld aan

van eene voorstelling in _bas-relief_ op den tempel te Philae. Zij

zegt dat deze voorstelling inderdaad een tooneel uit die inwijding is.

"Twee Goden-Hiërophanten, een met den kop van een valk (de

Zon), de ander met den kop van een ibis (Mercurius, Thoth,

de God van Wijsheid en Geheime Kennis, de machtsbekleeder van

Osiris-Zon) staan gebogen over het lichaam van een zoo juist

ingewijd Candidaat. Zij zijn bezig een dubbelen stroom 'water'

(het Water des Levens en der Nieuwe Geboorte) over zijn hoofd

uit te gieten; de stroomen ontmoeten elkaar in den vorm van een

kruis en zijn vol kleine _ansatakruisen_. Dit is een allegorie

van het ontwaken van den Candidaat, die thans een Ingewijde is,

als de stralen der morgenzon, Osiris, de kruin van zijn hoofd

treffen, terwijl zijn in trance verkeerend lichaam op de houten Tau

gelegd was om die stralen te kunnen opvangen. Daarna verschenen

de Hiërophanten-Inwijders en werden de sacramenteele woorden

uitgesproken, schijnbaar tot den Zon-Osiris, doch in werkelijkheid

tot de innerlijke Geest-Zon gericht, die den nieuw-geboren mensch

verlicht. [81]

Dit ontwaken is, naar ik vermeen, in het _Boek der Dooden_ weergegeven

in hoofdstuk CLXVIII, genaamd het hoofdstuk der offeranden. Vele

goden storten hun vaas uit over den "doode", d.w.z. deelen hem hunne

kennis mede.

Nog een belangrijk punt kunnen wij in de _Geheime Leer_ bevestigd

vinden, nl. dat de kandidaat als Osiris in het gebouw, dat het

stoffelijk symbool van Osiris-Zon (Logos) was, dezen laatste

verzinnebeeldde in zijn uitstorting. Wij kunnen dit begrijpen wanneer

wij de volgende aanhalingen aandachtig bestudeeren.

"....en het is op deze 'kennis' dat het programma van de Mysteriën

en van de reeks Inwijdingen gegrond was; daaruit vloeide _de

bouw van de Pyramide_ voort, _de blijvende oorkonde en het

onvernietigbare symbool_ van deze Mysteriën en Inwijdingen op

aarde, gelijk de banen der sterren zulks aan het Uitspansel

zijn. De cyclus van Inwijding was eene nabootsing op kleine

schaal van die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan

sterrenkundigen den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven

hebben. Evenals de hemellichamen bij het einde van den cyclus

van het Siderisch Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën

innemen als bij het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch

bij het einde van den cyclus van Inwijding den oorspronkelijken

toestand van goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij

verliet toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving." [82]

Deze verzinnebeelding van den cyclus der Inwijding in het bouwwerk der

Pyramide is alleen duidelijk voor hen, die de symboliek van getallen en

verhoudingen begrijpen. Wij gaan daarop hier dus niet in, doch duiden

alleen den weg aan om deze symboliek te doorgronden. Dat de kandidaat

bij zijn inwijding op zijn "reis" door het bouwwerk een weg doorliep,

die symbolisch dezen cyclus voorstelde, wordt ons nog duidelijker

door de volgende aanhaling, waaruit wij tevens wederom zien dat de

hemelsche tempel (de tempel van Salomo) verzinnebeeld was in de Groote

Pyramide en ook in alle latere Vrijmetselaarstempels. Wij lezen dan:

De Groote Pyramide · 第 9 / 11 段