goed bewaard, en de geschiedenis van de menschelijke evolutie staat
opgeteekend _aan de Hemelen_ zoowel als op _ondergrondsche muren_. De
menschheid en de sterren zijn onverbreekbaar verbonden, vanwege de
Verstandswezens, die de laatste besturen."
Zouden deze _ondergrondsche muren_ niet op muren van de Pyramidekamers
doelen? Ik denk van wel, want verder zegt H. P. Blavatsky dat Staniland
Wake gelijk heeft met te zeggen: "Het is onbetwistbaar dat de Zondvloed
in de legenden van Oostersche volkeren verbonden geweest is, niet
alleen met de _Pyramiden_, maar ook met de _sterreteekens_." Dit
schijnt rechtstreeks op het voorgaande te doelen.
Het is ook niet onnoodig op te merken, dat het volgens de Egyptische
denkwijze niet voldoende was de grondkrachten van het heelal te
kennen, benevens al de verschijnselen des hemels en de samenstelling
van de meest verwijderde zonnen. Ook was het niet mogelijk de
wetenschappelijke kennis zoodanig uit te breiden dat men door den wil
een bewerktuigde wereld scheppen kan uit de atomen van de peillooze
diepte, enkel en alleen door uitbreiding van het aanzicht van kennis
van het bewustzijn. Neen, niet alleen deze uitbreiding van het verstand
was voldoende tot inwijdingen in de mysteriën, en de afmetingen en
verhoudingen van het verborgen Huis werden niet verklaard zonder dat
hij die ingewijd wenschte te worden, _wijsheid_ had, de leeringen
van Thoth (den God der wijsheid) in zich had opgenomen.
Geen mensch kan de Godheid aanschouwen wanneer hij niet in de waarheid
onderricht is, ook kan niemand de inwijding ontvangen tenzij hij _dood_
voor het vleesch is.
HOOFDSTUK IX.
MYSTIEKE THEORIEËN II.
Aleer ik mij waag aan een verdere uiteenzetting van deze theorieën,
wil ik hier nogmaals uitdrukkelijk vermelden dat ik deze hier geheel
geef als _persoonlijke_ opvatting, en geenszins beweren wil, of
trachten het te bewijzen, dat deze de juiste is. Ik kan dan ook
hier slechts een beroep doen op het intuïtief gevoel van mijne
lezers bij het maken van gevolgtrekkingen uit de _feiten_, die ons
in ruime mate door verschillende schrijvers verschaft worden. Deze
opmerking is te meer noodig aangezien ik, hoewel de theorie van Adams
geheel volgende (en hoewel ik het in dezen volkomen met hem eens
ben) enkele onderdeelen meer in bijzonderheden kan uitwerken nu de
Theosofie ruimere en diepere begrippen over dergelijke zaken heeft
verspreid, doch hiermede tevens een zeer gevaarlijk terrein betreed,
waar het moeilijk is bewijzen aan te voeren die _wetenschappelijke_
waarde zouden hebben, omdat ik grootendeels persoonlijke opvattingen
moet geven en deze moet laten steunen op enkele aanwijzingen, in
de _Geheime Leer_ en andere Theosofische werken gegeven; en hoewel
deze natuurlijk voor mij en vele anderen grooter waarde hebben dan
menig geleerd wetenschappelijk betoog, kan ik hier nochtans niet van
een betrouwenswaardige theorie spreken: het is en blijft louter een
persoonlijke uitlegging van gegevens.
Thans het _Boek der Dooden_ ter hand nemend wil ik alvorens, over
te gaan tot het bespreken van de inwijding in de Groote Pyramide, er
nog aan toevoegen dat ik thans dit werk alleen in zooverre wensch te
volgen, als noodig is voor het verband met het onderwerp, _De Groote
Pyramide_, en dus niet op een bijzondere beschouwing van den tekst van
het werk zelf kan ingaan. Dit zou op zichzelf een te zware taak zijn.
In het _Boek der Dooden_ dan vinden wij allereerst enkele inleidende
hymnen, lofzangen op Ra, ontleend aan den papyrus van Ani. Volgens
de gewone opvatting werden deze hymnen over de mummie uitgesproken
door de priesters, om den doode in staat te stellen zijn "geestelijk
lichaam" naar den hemel te doen opstijgen. Mijn gevoelen hieromtrent
echter is dat de candidaat door het opzeggen van deze hymnen in een
soort trance-toestand kwam, en dat zijn hoogere lichamen hierdoor van
het grofstoffelijk lichaam of _khat_ bevrijd werden, daar de hoogere
inwijdingen niet plaats vonden in het stoffelijk lichaam, maar in
het astraal (_ba_ en _ka_) en in het oorzakelijk lichaam (_Sahu_.)
Gedurende deze ceremonie verliet dus Osiris (de ware mensch), in
zijn _Sahu_, de _khat_, waarna het fysiek lichaam in een mummiekist
geplaatst werd in een sarcofaag, in de crypt onder de pyramide. In deze
crypt werd het Nijlwater langs ondergrondsche kanalen gevoerd, zoodat
de sarcofaag geheel omringd werd door dit water dat tevens diende
als beveiliger tegen het indringen van invloeden van buiten in het
in trance verkeerende lichaam. De crypt waarin het lichaam geplaatst
werd, is waarschijnlijk nog lager gelegen dan de ondergrondsche kamer
in de pyramide.
De _Sahu_ wordt gezegd gedurende zijn verblijf buiten het lichaam
gehuld te zijn in een lichtgevend doorzichtig lichaam of _Khu_. Dit
_Khu_ schijnt mij toe de zoogenaamde _Augoeïdes_ te zijn, en aangezien
dit punt niet van belang ontbloot is, wil ik voor deze meening
eenige gronden aanvoeren. In Annie Besant's _Esoterisch Christendom_
lezen wij:
Het glanspunt van de Mysteriën was wanneer de Ingewijde een God
werd, hetzij door vereeniging met een goddelijk wezen buiten
hemzelf, _of door de verwezenlijking van het goddelijk zelf_
in hem. Dit werd genoemd vervoering en was een toestand van wat
de Indische Yogi hooge Samâdhi zou noemen, waarbij _het grove
lichaam in trance is_ en _de bevrijde ziel haar eigen vereeniging
met het Groote Eene_ tot stand brengt. [72]
en Mead zegt:
"Vervoering is niet een eigenlijk zoogenaamde eigenschap, zij is
een _toestand_ van de ziel, die haar op zulk eene wijze vervormt,
dat zij dan _waarneemt wat tevoren voor haar verborgen was_." [73]
In deze aanhalingen vinden wij mijns inziens hetzelfde weergegeven
als hetgeens Adams met betrekking tot de inwijding in de pyramide
uitdrukt in Egyptischen symbolischen zeggingsvorm.
Alvorens de kandidaat echter gekomen is tot het punt in zijn evolutie,
waarop wij hem thans denken om hem te kunnen volgen bij zijne inwijding
in de Pyramide, moet hij vele eigenschappen verkregen hebben, die hem
geschikt maken kandidaat voor deze mysteriën te worden, welke laatste
hem in hun derden graad willen maken tot een Christos, en het kan
nuttig zijn, alvorens het ritueel van het _Boek der Dooden_ bij de
Pyramide-inwijding te volgen, eerst na te gaan wat de weg is, dien de
kandidaat tot op dat oogenblik van zijn evolutie moet hebben afgelegd.
En hier nu zou ieder Br.·. Vr.·. mij geheel kunnen volgen indien hij
het slechts eens met mij was dat de mysteriën der Vrijmetselarij eene
weerspiegeling zijn op dit gebied van de inwijdings-ceremoniën, en dat
de kandidaat in het ritueel der symbolische graden op zinnebeeldige
wijze de verschillende stadiën der inwijding doorloopt. Want zegt
Annie Besant niet:
"Voornamelijk werden zij (de kleine mysteriën) als nuttig beschouwd
ten opzichte van het bestaan _na den dood_, daar de Ingewijde
dat leerde wat zijn toekomstig geluk verzekerde." [74]
En is het niet duidelijk dat dit nut voor den kandidaat bewerkt werd
in het doorloopen van de symbolische reizen, die wel degelijk, volgens
mijne theorie, het doorloopen van het bestaan na den dood door de ziel
verzinnebeelden, al weet ik zeer goed dat bijna geen Br.·. dit met mij
eens zal zijn, en men mij zal zeggen dat het een gaan door dit leven
verzinnebeeldt. Zeer wel, maar dan beweer ik dat zijn reizen zeer wel
reden van bestaan vinden in een dusdanige zedelijke verzinnebeelding
van het leven, maar dat mijne opvatting van een hooger orde is. En dan
hebben wij beiden gelijk. H. P. Blavatsky maakt ook deze onderscheiding
en zegt dat er in die tijden was: een vrijmetselarij _in den tempel_
en een vrijmetselarij _in de Crypt_. [75]
Hoe dit zij, het is mijn vaste overtuiging dat de vrijmetselarij in
dien tijd als bedoeling had door hare symbolische en andere leeringen
verdedigers en kenners van den godsdienst te vormen en dat een meester
vrijmetselaar _in de crypt_ degene was, die de hoogste inwijding had
doorgemaakt en een Christos was geworden.
Echter is het hier niet de plaats op deze dingen in te gaan, doch
tot zoover had ik eene vermelding er van noodig, om er op te wijzen
dat de vrijmetselarij een verklaring van haar ritueel geheel moet
zoeken langs de hier aangegeven lijnen, om ten slotte in het ritueel
van het _Boek der Dooden_ haar hoogste uiting te vinden; en hoewel
ik, zooals ik reeds schreef, hier niet verder op wensch in te gaan,
ben ik gaarne bereid ieder Br.·. die belang stelt in deze theorie,
mijn gevoelen nader uiteen te zetten.
Geheel zonder steun van Theosofische zijde is de bewering, dat er eene
opeenvolging van mysteriën was in verschillende graden en scholen,
aleer eene inwijding in de Pyramide plaats vond, niet. Een goed
verstaander moet echter in dezen aan een half woord genoeg hebben,
daar eene uitlegging van de woorden licht te veel kan onthullen. Na
verschillende deugden en hare wijze van verkrijging beschreven te
hebben, schrijft Annie Besant in _Esoterisch Christendom_, blz. 30.
Deze deugden waren noodig voor de Groote Mysteriën, daar zij
betrekking hadden op het louteren van het ijle lichaam, waarin
de ziel werkte, wanneer zij buiten het grove lichaam was. De
gedrags- of praktische deugden behoorden tot het gewone leven van
den mensch en werden tot op zekere hoogte vereischt alvorens hij
een kandidaat kon zijn zelfs voor een zoodanige school als hierna
beschreven wordt.
In deze aanhaling zien wij de vereischten die noodig waren om
als leerling aangenomen te worden. Ook in andere boeken wordt er
op gezinspeeld dat in die tijden een der vereischten voor _alle_
inwijdingen was dat men in het astraal lichaam werkzaam kon zijn.
Nu komt iets verder:
...Dan kwamen de zuiverende deugden, waardoor het ijle lichaam,
dat van de aandoeningen en het lager denkvermogen, gelouterd werd.
Dit vond plaats gedurende de evolutie van den kandidaat als leerling.
Ten derde de verstandelijke, die behoorden tot den augoeïdes of
den lichtvorm van het verstand.
De ontwikkeling van deze eigenschappen kenmerkten den tweeden graad,
en ten slotte hebben wij:
Ten vierde de bespiegelende of vóórbeeldige, waardoor vereeniging
met God verwezenlijkt werd,--
kenmerkende het doorloopen van de laatste kenbare inwijding, waarbij
de volmaakte mensch als Christos wedergeboren wordt. Dat het mogelijk
is bij deze laatste inwijdings-ceremonie wederom een verdeeling in drie
graden te maken zooals Adams dit doet is mijns inziens volkomen logisch
wanneer wij aannemen, dat in een hoogere school eene herhaling plaats
vond van wat in de voorgaande scholen was geschied, en dat het nu op
een hoogeren trap plaats vond, terwijl dan de hoogste graad verder
opwaarts voerde.
Men kan uit deze gegevens tot de gevolgtrekking komen dat het lichaam
_Khu_, waarin Osiris verblijft vóór zijn vereeniging met God-Osiris,
hetzelfde lichaam moet zijn als dat hetwelk door de Theosofen Augoëides
genoemd wordt.
Thans kunnen wij ons een denkbeeld vormen van den kandidaat en zijn
evolutie tot op het oogenblik van zijn inwijding in de Pyramide, en
dat deze inwijding daar plaats vond kan (behalve de vele bewijzen die
wij vroeger reeds vermeldden) ook in het aangehaalde werk van Annie
Besant gevonden worden:
Alleen zij konden erkend worden als kandidaten voor Inwijding,
die reeds goed waren zooals menschen goedheid rekenen, volgens
de gestrenge maat van de wet. Rein, heilig, zonder bezoedeling,
zuiver van zonde, levende zonder overtreding--zoodanig waren
enkele van de beschrijvende gezegden die omtrent hen gebruikt
werden. Verstandig ook moeten zij zijn, met welontwikkeld en
welgeoefend denkvermogen. De ontwikkeling die in de wereld leven
na leven voortgezet wordt, het ontwikkelen en meester worden
van de vermogens van het denkvermogen, de aandoeningen en den
redelijken zin, het leeren door exoterische godsdiensten, het
uitoefenen van plichtsvervulling, het streven anderen te helpen
en op te heffen--dit alles behoort tot het gewone leven van een
ontwikkeld mensch. Wanneer dit alles gedaan is, is de mensch "een
goed mensch" geworden, de Chrêstos van de Grieken, en dit moet
hij ook zijn vóór hij de Christus, de Gezalfde kan worden. Het
exoterisch leven goed vervuld hebbende, wordt hij een kandidaat
voor het esoterisch leven en vangt de voorbereiding tot Inwijding
aan, hetgeen bestaat in het vervullen van zekere voorwaarden. De
voorwaarden bepalen de eigenschappen die hij verkrijgen moet en
terwijl hij hard werkt om deze te scheppen, zegt men soms van hem
dat hij het Proefpad betreedt, het Pad dat tot de _Enge Poort_
leidt, aan gene zijde waarvan de _Smalle Weg_ is, of het _Pad
van Heiligheid_, de _Kruisweg_." [76]
En wanneer wij in verband hiermede lezen hetgeen H. P. Blavatsky in de
_Geheime Leer_ vermeldt, (reeds vroeger door ons aangehaald) namelijk:
"En thans, in 1882, schrijft Staniland Wake het volgende:
'De koningskamer... was waarschijnlijk de plaats waar de in te
wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche
gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan,
hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der
Heilige Mysteriën.'
Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er
wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar
de Koningskamer leidt, inderdaad een 'enge poort' had; dezelfde
'enge poort' die 'tot het leven leidt', en dat het aan deze
poort van den Tempel van Inwijding was dat de schrijver dacht,
die de woorden opgeteekend heeft, welke naar beweerd wordt door
een Ingewijde gesproken zijn." [77]
dan zal het duidelijk zijn dat de Christus-Inwijding inderdaad in de
Pyramide plaats vond; temeer waar er ook gezegd wordt:
"Want Egypte is een van de wereldmiddelpunten der ware Mysteriën
gebleven...." [78]
Wij kunnen thans overgaan tot eene beschouwing van het Ritueel van het
_Boek der Dooden_. De in trance verkeerende kandidaat werd geplaatst,
zooals wij reeds zeiden, in de kamer onder de Pyramide. Hij werd op
een kruis geplaatst, soms van den gewonen kruisvorm, soms van den vorm
van de Tau. Zijn handen werden met een touw bevestigd aan het kruis,
doch het eind van dit touw werd losgelaten, om aan te duiden dat de
kandidaat vrijwillig dezen figuurlijken kruisdood doormaakte. De doode
verliet thans in zijn "_ba_" of astraal lichaam zijn "_Khat_", en
ging buiten zijn lichaam de verschillende voorbereidende beproevingen
doormaken.
Wij moeten om deze na te gaan, opslaan hfdst. XVII van het _Boek der
Dooden_, waarvan de tekst luidt:
(I) Hier begint de lof en verheerlijking van het uittreden en
het ingaan tot de heerlijke onderwereld welke is in het schoone
amentet, van het uittreden (II) bij dag in alle vormen van bestaan
welke hem ["den doode"] behagen, van damspelen en in de zaal
zitten en te voorschijn komen (III) als een levende ziel.
Zooals ik reeds zeide is het onmogelijk diep in te gaan op eene
volledige uitlegging dezer teksten; slechts de breede beteekenis er
van kan hier gegeven worden in verband met het geheel. Hier slaat de
tekst op een bekend feit. De kandidaat moest bij zijne inwijding eerst
afdalen in de onderwereld: hij "daalde neder ter helle". Belangrijk is
tot een juist begrip, hetgeen C. W. Leadbeater zegt in de _Christelijke
Geloofsbelijdenis_.
"De formule door de beoefenaren van Atlantische Magie in overoude
tijden aan de Egyptenaren overgeleverd, luidde aldus:
'Dan zal de kandidaat op het houten kruis gebonden
worden, hij zal sterven, begraven worden en
nederdalen in de onderwereld; na den derden dag zal
hij teruggebracht worden van de dooden en ten hemel
worden opgenomen om de rechterhand te zijn van Hem
uit Wien hij kwam, daar hij geleerd heeft de levenden
en de dooden te besturen.'
De hal der Inwijding was dikwijls onder den grond in een
Egyptischen tempel--vermoedelijk vooral om hare ligging geheim te
houden, ofschoon het ook bedoeld kan zijn als deel der symboliek
van de nederdaling in de stof, die zulk een groote rol speelde in
al die oude mysteriën. Het is mogelijk dat er een dergelijke hal
_in of onder de Groote Pyramide_ was, want nog slechts een zeer
klein deel dier ontzaglijke massa is onderzocht of zal denkelijk
ooit onderzocht worden." [79]
C. W. Leadbeater vermeldt daarna hetgeen wij reeds zeiden omtrent
het binden op het kruis, en vermeldt tevens dat het lichaam dan in
"een nog lager gelegen gewelf" gebracht werd. Een ieder leze dit
gedeelte van het bedoelde werkje dus aandachtig na in verband met
deze verhandeling. Vooral ook hetgeen volgt op blz. 81-85. Een kort
overzicht van hetgeen daar gezegd wordt moge hier voldoende zijn voor
een juist begrijpen van hetgeen wij verder zullen vermelden.
De zoogenaamde "doode" bevond zich dus op het astrale gebied vol
leven en bewustzijn. Gedurende zijn verblijf aldaar moest hij vele
ondervindingen opdoen om hem tot een nuttig wezen in die wereld te
maken. Deze nederdaling in de onderwereld (Amentet) bij een inwijding
geschiedt opdat de kandidaat zal trachten aan de vele ongelukkigen op
dit lage astrale gebied (Kama Loka) hulp te brengen door hen te wijzen
op hunne kansen tot verbetering. Tevens moest volgens Egyptisch gebruik
de kandidaat gedurende deze "nederdaling ter helle" de zoogenaamde
aard-, water-, lucht- en vuurproeven ondergaan--_tenzij hij die reeds
in een vroeger stadium zijner ontwikkeling doorstaan had_. Hij leerde
dus dat geen dezer elementen hem deren kan in zijn astraal bestaan. Ook
moest hij om deze reden (en ook thans moet dit nog) de vreeselijkste
verschijningen in de afschuwelijkste omgeving ontmoeten om vertrouwd
te worden met alle omstandigheden dezer gebieden. Ziedaar het nut
van dit oude Egyptische ritueel.
De tekst van hfdst. XVII van het _Boek der Dooden_ zal nu duidelijk
zijn in algemeene trekken. Vele der voorafgaande hoofdstukken geven
hetzelfde weer, bijv. hfdst. Ib:
(I) Het Hoofdstuk van het doen gaan van de Sahu [het Geestelijk
Lichaam] in den Tuat [de Onderwereld] op den dag van de begrafenis,
wanneer de volgende woorden moeten opgezegd worden (hier volgt
een uitgebreide tekst, dien de lezer wel doet na te slaan in
dit verband).
en hfdst. VIII:
(I) Het Hoofdstuk van het gaan door Amentet [en het
Tevoorschijntreden] bij dag.
en hfdst. IX:
(I) Het Hoofdstuk van het tevoorschijntreden bij dag na den gang
door het graf gedaan te hebben.
terwijl in hfdst. X ook gezinspeeld wordt op den strijd en de
moeilijkheden aldaar.
Een moeilijkheid doet zich echter voor, en geen oplossing is
daarvoor te vinden. C. W. Leadbeater spreekt van deze inwijding als
de Sotapatti-inwijding, terwijl alle andere gegevens er tot dusver
op duidden dat de Christus-inwijding zou hebben plaats gevonden in
de Pyramide. De Christus-inwijding is dan ook de _hoogste_ kenbare
inwijding, niet de Sotapatti-inwijding, welke laatste tot de kleine
Mysteriën behoort. Verwondering baart het dus dat C. W. Leadbeater
hier de Sotapatti-inwijding noemt de "hoogste" inwijding die in Egypte
plaats vond.
Dit laatste kan slechts het geval zijn wanneer wij spreken van Egypte
in zijn vervaltijd, doch niet toen het zijn grootsten bloei beleefde
en de Groote Mysteriën hun zetel hadden in de Groote Pyramide.
Zeer zeker zou licht gewenscht zijn op dit punt, doch geenszins zie
ik kans het dilemma op te lossen.
(I) Nog een Hoofdstuk [dat opgezegd moet worden] door iemand
die bij dag te voorschijn treedt tegen zijne vijanden in de
Onderwereld.
Hetzelfde wordt weergegeven in de hoofdstukken XI (i), XII (ii), XIII,
en ik vermeen dat hfdst. XV een zegezang is na de overwinning en den
gelukkigen doorgang door de onderwereld.
Adams meent dat deze hoofdstukken den kandidaat medegedeeld worden
aleer hij in het "graf" daalt om hem voor te bereiden op hetgeen
hem wacht. Ook deze uitlegging is nu wel te aanvaarden indien men
veronderstelt dat al deze hoofdstukken op één persoon in denzelfden
tijd betrekking hebben. Doet men dit niet, dan is het eer aan te
nemen dat zij hetzelfde feit, namelijk het gaan naar de Onderwereld,
op verschillende wijzen beschrijven.
De verdere hoofdstukken van het _Boek der Dooden_ zijn aan geen
verschil van opvatting onderhevig. Hfdst. XVII beschrijft het gaan in
de Onderwereld zelf met een korte opsomming van de toetsen, vijanden
en gevaren, welke den doode wachten, en van hfdst. XVIII af kunnen
wij het doormaken der beproevingen volgen. Adams zegt dan ook:
"De vrienden zijn verdwenen. De zon, die van zijn vroegste
jaren af het ontwaken van den gestorvene begroet heeft, is voor
altijd uit zijn gezicht verdwenen. De "Poort der Aarde" is hij
doorgegaan; en de Kandidaat voor Wijsheid is de Strever naar
Onsterfelijkheid geworden. Ondenkbare stilte heerscht rondom hem,
een niet te begrijpen duisternis ligt voor hem. Maar onder de
leiding van Anup, den gids der zielen, gaat hij door die Poort
der Opstijging, waar het goddelijk licht den steen van het graf
heft. 'Het is het gebied van zijn vader Shu (het Licht)', vervolgt
het Ritueel: 'hij wascht zijne zonden weg, hij doet zijne wonde
plekken verdwijnen'. Dan, wanneer de gestorvene in de duisternis
voorwaarts treedt en onbevreesd het benedenwaartsche pad afgaat,
onthult het innerlijk Licht, ongezien door het sterfelijk oog,
zich in een visioen. Hij ziet de Onderwereld (hfdst. XVII) het
gebied der Inwijding, den ingang tot de verborgen plaatsen, met
betrekking tot welke de goddelijke Wijsheid hem geleerd heeft,
dat het de plaats is 'waar hij moet binnentreden en van waar uit
hij moet tevoorschijntreden', de veranderingen die hij begeeren
moet door te maken opdat hij tot de gelijkenis van God vervormd
moge worden, de goede werken die hij moet verrichten, de troon
van de herschapen ziel, en het gezegende gezelschap van Osiris
nadat het lichaam ter ruste gelegd is. In datzelfde visioen ziet
hij ook den ingang van de Onderwereld, of Rusta, en verneemt dat
het de noordelijke deur van het graf van Osiris is, terwijl de
eenige ingang van de Pyramide de noordelijke ingang is. [80]
Symbolisch wordt dus het gaan in en het betreden van de
benedenwaartsche gang in de Pyramide beschouwd als het betreden van
de onderwereld. Wanneer het lichaam dan op de Tau geplaatst is in een
trance-toestand, vangt de beproeving op het astraal gebied aan, welke
gevolgd moet worden door de beproeving op het verstandsgebied, om te
worden bekroond door een geboorte op het Buddhisch gebied, terwijl de
lichamen door verschillende transformaties geschikt worden gemaakt om
dit schitterend Buddhisch beginsel ten slotte op te nemen. Dit alles
zullen wij vinden in het ritueel van het _Boek der Dooden_ en met
dezen voortgang der Inwijding gaat eene verplaatsing van het stoffelijk
lichaam gepaard langs den symbolischen weg in de Pyramide. Den tekst
van hoofdstuk XVII vermeldden wij reeds, als te kennen gevende wat den
kandidaat te wachten staat in die onderwereld. Het zal echter niet
wel mogelijk zijn het ritueel te volgen door hoofdstuk na hoofdstuk
in verband daarmede aan te halen, want evenals dit in onzen _Bijbel_
het geval is, werd door de samenstellers van het _Boek der Dooden_
natuurlijk geenszins deze opvatting van den tekst gehuldigd, en is
deze op eene schromelijke manier dooreengeward. In dezen tekst zijn
n.l. door elkaar heen te vinden:
(a) het doorloopen van de inwijding volgens het Egyptische ritueel.
(b) de verklaring van den hierofant aan de leerlingen van het
ritueel zelf.
(c) de verklaring van de inwijding van den kandidaat als
verzinnebeeldende de nederdaling van den Logos in de stof.
(d) de verklaring van verschillende leeringen van den exoterischen
godsdienst, als daar zijn reïncarnatie, de drievoudige, zevenvoudige en
meervoudige samenstelling van den mensch, zijn verband als mikrokosmos
tot den makrokosmos, enz.