astronomische waarheden in verband met het bouwwerk der Pyramide
symbolisch zijn voorgesteld, doch dan zouden voor een populaire
verhandeling als deze te veel technische punten aangevoerd moeten
worden. Ik vrees zelfs dat het voorafgaande vele lezers zal doen
terugschrikken voor een verder ingaan op deze punten. Aan hen die
echter daarin belang stellen, raad ik aan daarover na te slaan _Our
Inheritance in the Great Pyramid_ en bovenal Marsham Adams' _House
of the Hidden Places_; dit laatste werk vooral aan Theosofisch
studeerenden. Over de symbologie der Pyramide in verband met de
maçonnerie kan men lezen in de navolgende lezenswaardige brochures
_The Great Pyramid and Freemasonry_ door John Chapman. P. P. G. D. en
_A Lecture on the Great Pyramid in Egypt, suggesting an intimate
relationship with the Probable Foundation of Freemasonry_, door
W. Charles Langley.
Hoewel dus over dit punt vrij wat meer te zeggen valt dan ik hier deed,
laat ik dit na om de gemelde reden en zal er toe overgaan de mystieke
theorieën te behandelen, welke volgens mij van het meeste belang zijn.
HOOFDSTUK VIII.
MYSTIEKE THEORIEËN.
Onder de schrijvers van jongeren datum over ons onderwerp bekleedt
Marsham Adams eene plaats, welke geheel afgescheiden is van die der
ouderen. De meeste theorieën, welke wij tot dusver nagingen, vertoonden
een punt van overeenstemming met elkander en berustten vaak op een
gemeenschappelijk uitgangspunt. Marsham Adams echter heeft ons in
zijn beide werken _The Book of the Master_ en _The House of the Hidden
Places_ een geheel nieuwe richting van denken aangeduid, welke ik thans
beschrijven zal. De godsdienstige denkbeelden der Egyptenaren zijn
in hoofdzaak weergegeven in _Het Boek der Dooden_ en de Egyptenaren,
wel wetende dat de papyrus, waarop de denkbeelden neergeschreven zijn,
vergankelijk is, wenschten deze denkbeelden aan de latere geslachten
bekend te maken en na te laten. Vandaar hun onvermoeide ijver om in
schoonen kunstvorm op de muren van de tempels en van hunne andere
bouwwerken hunne godsdienstige denkbeelden en geschiedenis weer te
geven. Doch ook hiermede was de vergankelijkheid dezer mededeelingen
aan het nageslacht niet overwonnen.
Eén middel was nog mogelijk, en wel een dat bij dit volk van groote
bouwwerken zeer voor de hand lag, namelijk het in een bouwwerk in
symbolischen vorm weergeven van deze leeringen. Een tweede doel werd
hiermede gediend, want een belangrijk kenmerk van den godsdienst van
dit volk was, dat de profanen, zoowel als de trapsgewijze opklimmende
graden van priesters, de zedeleer en wijsheid van hun godsdienst
leerden door symbolen en ritueel. Het bouwwerk kon dan tevens dienst
doen als een tempel van inwijding in de mysteriën van den godsdienst.
Met betrekking tot deze zeer uiteenloopende wijzen om hun godsdienstige
begrippen voor het nageslacht te bewaren, merkt Adams op:
Het is moeilijk een grooter tegenstelling te bedenken dan die
welke geboden wordt door de beide vormen, waarin het verslag der
Egyptische leer bewaard werd. De papyri zijn vergankelijk, talrijk,
afwisselend in lengte en volgorde. Het monument in steen is eenig
tot het onvergankelijke toe, niet onderhevig aan afwijking, en
het staat daar onveranderd en onveranderend, onverschillig voor
de aanvallen van tijd of mensch. [61]
In beide genoemde werken handelt Adams eveneens over andere aanzichten
van het vraagstuk der Pyramide, doch deze aanzichten zijn meerendeels
verkorte overzichten van de sterrengodsdiensttheorie, terwijl zijn
opvattingen van enkele verzinnebeeldingen van natuurfeiten in het
bouwwerk zeer oppervlakkig en geenszins te bewijzen zijn. Dit is
jammer, daar het natuurlijk afbreuk moet doen aan de waarde van
het geheel zijner theorieën. Nochtans is het hoofddenkbeeld van
zijne uiteenzetting van groote waarde voor Theosofen, omdat zij
in verband met andere gegevens uit hunne literatuur hier steun
vinden voor hunne bewering dat de Groote Pyramide een tempel van
inwijding was. Waarschijnlijk is het dan ook om deze reden, dat zijne
werken den Theosofischen studeerende van bevoegde zijde steeds ter
bestudeering aanbevolen werden. Stellig kunnen wij veel schoons vinden
in zijne theorie, en om deze reden wil ik ze hier dan ook uitvoerig
vermelden. Tot een beter begrip van hetgeen wij zullen aanhalen,
dienen wij ons in de eerste plaats echter een denkbeeld te vormen
van wat het _Boek der Dooden_ is.
De algemeene wetenschappelijke verklaring is deze. Het _Boek der
Dooden_ bestaat uit een groot aantal bijeenverzamelde hoofdstukken,
waarvan de tekst zoowel op tempelmuren ingegrift, als op papyri
gevonden werd. Deze papyri werden ontdekt, verborgen in de gewaden
van mummie's. Naar het tijdperk, waarin de verschillende afschriften
werden opgeschreven, hetzij op tempelmuren of op papyri of op een
andere wijze, worden zij verdeeld in vier verzamelingen, namelijk
de Heliopolische in hieroglyphen, de Thebaansche eveneens in
hieroglyphen [62], dan die van de twintigste Dynastie, geschreven
in hieratisch schrift, en ten slotte de Saïtische of die van de zes
en twintigste Dynastie [63]. Op deze papyri zou dan vermeld staan
de levensgeschiedenis van de mummie, zijne zonden, deugden en daden,
zijne verwachtingen voor een toekomst na dit leven, wat hem overkwam of
overkomen moest aan gene zijde des doods, en voornamelijk de smeekbeden
van de nagelaten betrekkingen aan "den God van de stad" en andere
goden om den doode voort te helpen op zijn vredespad aan gene zijde,
hem te steunen en te beschermen, welke smeekbeden uitgesproken werden
door "de priesters van de _ka_" (het dubbel). Deze smeekbeden werden
op papyri opgeteekend en met de mummie begraven. Toen dit gebruik
in verval raakte, werden papyri geschreven waarop alleen de plaats
voor den naam opengelaten werd. Deze werden verkocht en wanneer
iemand stierf werd de naam ingevuld en de papyrus bij de mummie
ingewikkeld. Waarschijnlijk was dit om tijd en geld te sparen. Met
betrekking tot de geschiedenis en den oorsprong van het _Boek der
Dooden_ zegt Budge in zijn vertaling van de Thebaansche verzameling
van dit werk:
Noch onderzoekingen, noch ontdekkingen hebben ons tot nog toe
eenigerlei inlichting verschaft aangaande het tehuis, den oorsprong
en de vroegste geschiedenis van het _Boek der Dooden_. Het schijnt
vrij duidelijk dat, zooals boven gezegd werd, de allereerste vorm
van het _Boek der Dooden_ bestond uit de woorden of smeekbeden,
door verwanten en vrienden gericht tot den "god der stad" en tot
een verzameling bovennatuurlijke machten, ten behoeve van den
afgestorvene.... [64]
en verder
Waar en door wien de teksten van het Boek der Dooden werden samen
gesteld, is eveneens onbekend. [65]
terwijl wij lezen:
Sinds onheuglijke tijden werd de God Thoth, die zoowel het
goddelijke verstandswezen, dat bij de schepping de woorden uitte
welke ten uitvoer gebracht werden door Ptah en Khnemu, als de
schrijver der goden was, in verband gebracht met de voortbrenging
van het _Boek der Dooden_, en hoewel hij oorspronkelijk de god van
den tijd en de tijdaanteekenaar van hemel en aarde was, verschijnt
hij vaak als de raadgever en helper van den afgestorvene. [66]
In het _Boek der Ademhalingen_ (een deel van het _Boek der Dooden_)
lezen wij:
Thôth, de machtigste god, de heer van Khemenna, komt tot u en hij
schrijft voor u het _Boek der Ademhalingen_ met zijn eigen vingers.
Van een Theosofisch standpunt zouden wij gaarne een andere opvatting
willen aanvoeren over dit _Boek der Dooden_. Adams denkt eveneens
anders over het werk. Gaarne zou hij zien dat men vooral den
Turijnschen papyrus niet het _Boek der Dooden_ zou noemen, of beter
(zooals Champollion deed) _Begrafenis Ritueel_, maar dat men er den
titel aan gaf, dien het zich zelf geeft. "_Het Boek van den Meester
van het geheime huis is zijn naam_" [67]. Mijn gevoelen nu is dit. Ik
zou in plaats van louter _Dooden_ willen lezen: _Dooden voor het
vleesch, Ingewijden_; of kortweg _Boek der Ingewijden_ of _Boek over
de Ingewijden_.
Thôth toch is mijns gevoelens de groote leeraar Hermes, [68] die
als onderrichter in de mysteriën van het oude Egypte optrad, en uit
bovengenoemde aanhalingen blijkt vrijwel dat er hier sprake van kan
zijn, dat aan den leerling een geschrift gegeven werd, waarin de
ritueele wijsheid opgeteekend stond tot zijn verdere voorlichting,
en dat als bewijs diende dat hij tot een zekeren graad bevorderd was.
Adams dacht reeds in deze zelfde richting, hoewel niet zoo ver gaande,
doch hij merkt op dat de titel van het werk zeer ongelukkig gekozen is,
want hij geeft het denkbeeld, de heilige afgestorvenen te
beschouwen als dood, terwijl de geheele opvatting van de leer de
onderrichting in het Leven en het Licht was. [69]
Wij kunnen thans, nu wij weten wat bedoeld wordt met het _Boek
der Dooden_, en geholpen door de kennis die wij bijeenverzameld
hebben omtrent de Groote Pyramide, overgaan tot het opbouwen van
eene theorie waarin deze beide gegevens de hoofdfactoren zijn tot
het in overeenstemming brengen van hetgeen Adams ons mededeelt in
zijn werken, hetgeen maçonnieke schrijvers (voorstanders van het
beginsel dat de Vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Mysteriën)
ons verkondigen als hunne meening, en hetgeen door Theosofische
schrijvers is beweerd. Het komt mij voor, dat ik deze theorieën niet
afzonderlijk kan behandelen, daar zij te veel gemeen hebben en de
een de andere steunt. Ik zal mij dus in dezen er toe bepalen aan de
hand van hetgeen Adams mededeelt als zijn opvatting, de maçonnieke
en Theosofische lezingen op dit punt te beschrijven.
In zijn _Boek of the Master_ zegt Adams:
Alleen wanneer wij het Geheime Huis vergelijken met het
Geheime Boek van zijn Meester, begrijpen wij de beteekenis
van zijn geheime plaatsen--duisternis die duisternis verlicht
en mysterie dat mysterie onthult. En alleen dan kunnen wij
opmerken hoe wij in deze plaatsen den sleutel bezitten tot de
'Ordewoorden' van het Geheime Boek. Zoo wordt dan de bepaling
van de Egyptische Theosofie gebracht uit het gebied van de
archaeologische bespiegeling en teruggebracht tot de vergelijking
van twee bestaande en duidelijk omschreven verslagen. Hier is een
papyrus die beweert de geheime schriftrol te zijn welke behoort
aan den Meester van het Geheime Huis; daar is een geheim huis,
waarin, volgens de Egyptische overlevering, de geheime wijsheid,
waarop die schriftrol betrekking heeft, aan den kandidaat werd
medegedeeld. Die schriftrol vangt aan met den Ingang tot het
Licht; en het Licht was de naam waaronder dat huis bekend was. De
schriftrol is vol verwijzingen naar geheime gangen en kamers;
en geheime kamers en gangen maken het geheele inwendige van dat
huis uit. De voornaamste van de in de schriftrol genoemde kamers
is de Dubbele Zaal van Waarheid; en de voornaamste van de kamers
van het huis is de Dubbele Zaal van gebeeldhouwde Pracht. In de
schriftrol verhaalt het laatste hoofdstuk van de wederopstanding
van het Lichaam, en in het huis is de laatste kamer de kamer van
het Open Graf. En terwijl het eene verslag in overeenstemming
is met het andere in het uitdrukken van de Waarheid in Licht,
zijn de beelden die de vastgelegde waarheid der leering in het
Ritueel uitdrukken, in overeenstemming met de verhoudingen van
wetenschappelijke waarheid die in het gebouw hare uitdrukking
vinden." [70]
Het is wellicht noodzakelijk, op te merken dat Adams hier in beeldrijke
spraak en volgens eigen opvatting andere dan de gebruikelijke
benamingen bezigt. Zijn boek van den Meester van het verborgen Huis
is het Boek der Dooden, zijn verborgen Huis is de Groote Pyramide,
de zaal van gebeeldhouwde Pracht is de Groote Galerij.
Wij zien uit het zooeven aangehaalde wel in, dat Adams denkt dat de
godsdienstige leeringen der Egyptenaren vervat waren in het _Boek
der Dooden_, en dat de Pyramide de Tempel is waarin de leeringen in
steen verzinnebeeld zijn, maar dat deze tevens de plaats was waarin
deze leeringen werden medegedeeld. De wijze van mededeeling is dan in
hoofdzaak de volgende. De kandidaat ziet zekere begrippen verzinnebeeld
of doorloopt in zinnebeeldigen vorm enkele dezer. Daarna wordt hem
de beteekenis medegedeeld van hetgeen hij zag en van hetgeen hij
doormaakte. Dit is in hoofdzaak waar, en komt geheel overeen met de
nog bestaande maçonnieke inwijdingsgebruiken, waarbij de leerling
de reizen in de Loge aflegt, en de Achtbare Meester hem daarna
de beteekenis van dezen symbolischen omgang uitlegt. Het verschil
tusschen de opvatting van Adams en die der vrijmetselaren omtrent
het doormaken van deze reizen moet noodzakelijkerwijze bij eenig
nadenken een ieder duidelijk zijn. Bij de reizen van den kandidaat
voor inwijding in de Pyramide doorliep hij symbolisch de gebieden aan
gene zijde des doods en hem werden bij de uitlegging dezer reizen vele
belangrijke dingen onthuld omtrent die gebieden. Dit was natuurlijk
bij de lagere inwijdingen het geval. Bij verdere inwijdingen werd
hij onderricht omtrent de verschillende lichamen van den mensch,
hun ontstaan en werking en ten slotte hun verband tot den Logos van
dit stelsel. Voor den ernstigen bestudeerder is dit alles na te gaan
in het _Boek der Dooden_, zooals wij zouden kunnen aantoonen.
En nu is het mijn gevoelen, dat de reizen bij de inwijding van den
kandidaat voor Vrijmetselarij oorspronkelijk hetzelfde beteekenden,
doch dat met het verdwijnen van de kennis omtrent de waarde en
beteekenis der symbolen bij de leden dier orde, ook het juiste begrip
hieromtrent verdwenen is. Het is mijne ernstige overtuiging, dat indien
een vrijmetselaar, die grondig bekend is met de verschillende symbolen
en oude gebruiken der Orde, het _Boek der Dooden_ ernstig bestudeerde
in verband met deze, hij de analogie zou vinden en een hoeksteen zou
hebben bijgebracht tot het bewijs van een verband dier orde met de
oude Priesterkasten in Egypte. Want hoewel het mijn en veler anderen
persoonlijk gevoelen is, dat de vrijmetselarij in verband staat met de
oude Egyptische mysteriën, is mijns inziens het _bewijs_ nog nimmer
volkomen geleverd en is er dus nog steeds een ruim veld van arbeid
voor de voorstanders dezer bewering. G. Oliver zegt in zijn werk
_Geschiedenis der Inwijdingen_: "Zonder twijfel zijn de pyramiden
kort na de verstrooiing daargesteld als afbeeldingen van den grooten
toren in de vlakte van Shinar, en evenals de laatste diende om de
inwijdingen te verrichten zoo dienden daartoe ook de eersten." Nu
is Broeder Oliver een man van gezag onder de Broederen; de lezing
van zijn werk echter is wel bevredigend voor wie zijn gevoelen deelt,
doch levert geen bewijs voor een tegenstander der theorie. Evenmin kan
men als bewijs aanhalen hetgeen Clavel zegt omtrent inwijdingen in de
Pyramide in zijn werk _Geschiedenis der Vrijmetselarij_. Het denkbeeld
is aan velen gemeen, doch het bewijs moet nog geleverd worden.
Van een Theosofisch standpunt zou ik zoowel tegen de theorie van Adams
als tegen die der vrijmetselaars willen opmerken dat ik het niet
eens kan zijn met hunne opvatting dat deze inwijding _doorgemaakt_
werd in het _stoffelijk_ lichaam. Ik meen te mogen opmaken dat
alle ons gedane mededeelingen van Theosofische gezaghebbenden er
op duiden dat deze inwijdingen doorgemaakt werden in het astrale
of in hoogere lichamen. Het fysieke lichaam werd wel uit den tempel
langs ondergrondschen weg naar de Pyramide geleid en daar in trance
bewaard tot na afloop der ceremonie, doch de inwijding werd van A tot
Z doorgemaakt in het astraallichaam. Is dit zoo, dan begrijpen wij
eveneens waarom er geen bezwaar aan verbonden was dat de ingang der
Pyramide afgesloten was door de marmeren deklaag. De eerste proef
was of de entiteit zoodanig bewust was in zijn astraallichaam dat
hij wist dat hierin geen hinderpaal van zijn voortgang bestond. Dit
feit is in overeenstemming met hetgeen ons ook medegedeeld wordt door
andere schrijvers over dit onderwerp.
Hierin vinden wij ook de oplossing voor de tegenwerping dat er geen
licht zoude zijn. Astraal licht was er toch, en zouden de aura's der
hierofanten niet voldoende licht geven voor den kandidaat? Bij eene
stoffelijke inwijding zou dit bezwaar zeker bestaan, tenzij kunstlicht
in voldoende mate bekend was, hetgeen naar enkele schrijvers beweren,
wel het geval was.
Hebben wij eenigszins uitvoerig hierbij stilgestaan, het was noodig
tot een juist begrip van veel dat volgen zal. Gaan wij thans verder
met het eigenlijke punt van behandeling, namelijk het doorloopen van
het inwijdingsceremoniëel in de groote Pyramide volgens het _Boek
der Dooden_.
In de Juni- en Juli-aflevering van _The South African Theosophist_
heeft Br. G. D. Stonestreet in een verhandeling over _The Origin of
Freemasonry_ gezegd dat hij het onnoodig vond, voor vrijmetselaars
de overeenkomsten aan te toonen die er bestaan tusschen hetgeen Adams
schrijft en hetgeen de Vrijmetselarij leert. Dit is zeer zeker waar;
en voor hen die niet met de symbolen en gebruiken der Vrijmetselarij
bekend zijn, is het verband niet aan te toonen. Het is derhalve
voldoende uitvoerig te vermelden hetgeen Adams schrijft.
Adams verdeelt de inwijdingsceremonie in die van drie graden, namelijk:
Eerste graad: _De Inwijding van den Kandidaat_, welke graad
verzinnebeeld werd door een scarabee--het symbool van den "Eeuwige",
het zelfgeschapen wezen dat geen Begin, en geen Einde kent.
Tweede graad: _De verlichting in Waarheid_, welke graad voorgesteld
werd door een figuur, staande voor "Amen", de verborgen godheid.
Derde graad: _De Meester van het geheim_, welke graad voorgesteld
werd door een grafsteen.
Voordat wij thans overgaan tot de beschrijving van het ceremoniëel
van _De Inwijding van den Kandidaat_ volgens het _Boek der Dooden_,
willen wij eerst iets mededeelen over enkele Egyptische begrippen in
verband met deze dingen.
Volgens de leer der Egyptenaren werd de vereeniging van den innerlijken
mensch met de Godheid op zeer langzame wijze voorbereid om ten slotte
door een daad van groot ceremoniëel plotseling tot stand te komen in
haar uiterste instantie. De Mensch-God Osiris werd met den God Osiris
vereend in bewustzijn, doordien die innerlijke mensch tot de gestalte
van Osiris wies. Vandaar dat wij in het ritueel steeds goed moeten
letten op het onderscheid tusschen den ingewijden Osiris of den waren
mensch en de Godheid Osiris. Zoodra de Mensch-God Osiris deze gestalte
verkregen had, deelde hij in het bewustzijn van de Godheid. Met deze
vereeniging ging gepaard een verkrijgen van hoogere kennis omtrent
den mikrokosmos en den makrokosmos.
Adams geeft in wonderschoone bewoordingen weer hoe dit verkrijgen
van kennis geschiedt, en voor degenen die geen Engelsch lezen, is
het zeker de moeite waard dit stuk hier in zijn geheel aan te halen:
De ziel, voor een oogenblik verlicht door de volheid van de
Godheid, werd van dien tijd af bekwaam tot overeenstemmen met
de goddelijke Kracht. De zinnen, wederom onbedorven, werden
langzamerhand gevormd tot werktuigen, in staat om het opgaan der
ziel in die oneindige kracht weer te geven, voor welke de grenzen
van ruimte en tijd niet bestaan, maar voor welke verleden en
toekomst gelijkelijk openstaan in een eindeloos heden; die alles
te boven gaande vrijheid, waarin Handeling één is met Willen en
Willen eenzelvig met Denken. Opdat de zinnen zoodanig belevendigd
en verlicht mogen worden dat zij de werking van het Scheppend
Denkvermogen in het uiterlijk heelal waar kunnen nemen, moet die
vordering door den 'overledene' _in persoon_ doorgemaakt worden,
welke de bestudeerder der wetenschap, terwijl hij nog niet bevrijd
is van onderworpenheid aan de zinnen, vagelijk maakt door het
verstand. Want wie het samengestelde bouwwerk van de hemelen zou
willen begrijpen, het samenstel van de heilige verblijfplaats
van den mensch, moet uitgaan van de poolster, en den horizon
trekkende vanuit het punt der Equinoxen, hetwelk een gelijke
verdeeling geeft tusschen het licht en de duisternis, moet hij
begrijpen hoe de as der aarde voor den mensch de oorspronkelijke
ruimtemaat is en de standaardmaat der Diepten. Indien hij het
geheim van den levenden vorm zou willen kennen, zal de oceaan
zijn leeraar zijn als hij van het strand tot de diepste diepten
gaat en de geheime plaatsen van de kokende wateren peilt. De
maat van de omloopen aan den hemel zal hem onthuld worden door
de maan, daar hij door middel van dien wachter de draaiing en
wenteling van onze planeet waarneemt. Om niet louter de beweging
maar de ontwikkeling van onzen bol te begrijpen, moet hij de
plaats van het centrale vuur der aarde trotseeren, onbevreesd
voor de duisternis der grotten van de vlammende afgronden. En
daar, terugziende over ontelbare eeuwen, zal hij temidden van
aardbevingen en ondenkbare aardrampen den 'Heer der Wet' en de
'Ordewoorden' vinden; terwijl de reusachtige bergketenen hooger
en hooger uit den chaos omhoogrijzen om de oppervlakte der aarde
voor te bereiden tot woonplaats van den mensch. Vervolgens strekt
zich voor hem de schaduw der aarde uit in dat vaag verlichte en
uitgestrekte uitspansel, waar de majesteit der open hemelen in
nacht omhuld is; en hij neemt waar hoe de samenstanden der eclipsen
te danken zijn aan dezelfde macht als de omloopen van verlichting,
en hoe het uur der duisternis afgemeten wordt door den Gever van
het Licht. Wanneer hij die schaduw doorgegaan is, treft hem een
nog meer ontzag inboezemend gezicht, de vreeselijke pracht van de
zonnebron in al hare volheid; en als hij langs den zevenvoudigen
opgang van de planetensfeer omhoogstijgt, blikt hij onverblind
op de reusachtige lichtbundels en vlammenstralen, die plotseling
duizenden en myriaden mijlen hoog te voorschijn schieten. Dan,
verre in de oneindige diepten en ruimten, zoeken zijne oogen, thans
schitterend 'als de oogen van Hator', den veelgeliefden Sothis
[Sirius], den brenger van de nieuwe dageraad, het portaal van de
onbegrensbare hemelen, 'dat land van millioenen sterkten'. [71]
Uit het hier aangehaalde blijkt wel, dat Adams meent dat de kennis
van het zonnestelsel en het heelal een deel vormde van de wijsheid,
die den kandidaat voor kennis medegedeeld werd in de Groote Pyramide,
en wel voornamelijk door _aanschouwing_.
Alvorens nu echter verder te gaan, kan het goed zijn dat wij ons eerst
een denkbeeld trachten te vormen van hetgeen onder die Mysteriën
begrepen _kan_ worden. Van de hoogere mysteriën, al weten wij niet
wat zij geven, kunnen wij toch zeggen, dat zij eene inwijding zijn
in de hoogste kennis aangaande den mikrokosmos en den makrokosmos en
het verband tusschen beide. Hoe hoog die kennis gaan kan, kunnen wij
met ons lagere verstand niet bevatten. Maar alleen zou ik denken dat
veel, wat nu als geopenbaarde kennis aan de wereld gegeven is, in die
tijden der oudheid behoorde tot de mysteriën. Wij zijn rijp geworden
voor kennis, waarvoor de menschen van dien tijd niet rijp waren. Ik
grond deze meening op een feit, dat ook vermeld wordt in de _Geheime
Leer_. Enkele ingewijden of dichters, die aan deze kennis kwamen
door hunne intuïtie, wisten van de werkelijke bewegingen der aarde,
zon en in het algemeen van de ware inrichting van het zonnestelsel,
toen de massa nog niet beter wist, dan dat de aarde het middelpunt
der schepping was en alles om haar wentelde. Zoodra zij (de ingewijden
of de dichters) dit feit onbedacht aan de wereld mededeelden, volgde
daarop de straf: dood of verbanning. Thans zijn deze dingen niet
meer geheim of verborgen. In het algemeen kunnen wij ons voorstellen
dat de leer van den bouw des heelals en de wetten van de regeling
er van een deel der mysteriën uitmaakten, en wel een zeer voornaam
deel. Waarschijnlijk werden de eenvoudigste wetten en waarheden in
symbolischen vorm den volke verkondigd in de tempels, en dan zien
wij dus dat de sterrenleer der ouden, n.l. de sterrenwichelarij, de
sterrenvergoding enzoovoorts, de exoterische vormen waren, waarin
de machtige wetten van den makrokosmos verzinnebeeld werden. De
sterrenleer was schoon en waar maar de kern was nog schooner en
machtiger.
Zoo kan ik mij dus denken, dat in de mysteriën verklaringen gegeven
werden van deze uiterlijke symbolen en sterrenleer en meer dan dat,
dat ook de leer der cyclussen, als de groote wet van de regeling van
den makrokosmos, daar werd geleerd en verklaard.
Als dit zoo is, zien wij in waarom de siderische cyclus zulk een groote
rol speelt in de theorieën over de Pyramide, en tevens waarom zulk een
nauw verband gezocht wordt tusschen de Pyramide en de sterrenkunde,
sterrenwichelarij en sterrengodsdienst in het algemeen.