die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan de sterrekundigen
den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven hebben. Evenals
de hemellichamen bij het einde van den cyclus van het Siderisch
Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën innemen als bij
het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch bij het einde
van den cyclus van Inwijding den oorspronkelijken toestand van
goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij verliet
toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving.
Mozes, een Ingewijde in de Egyptische Mystagogie, grondde de
godsdienstige mysteriën van het nieuwe volk dat hij schiep, op
dezelfde, van dezen Siderischen cyclus afgeleide, _abstracte
formules_, verzinnebeeld door _den vorm en de afmetingen_
van den Tabernakel, dien hij, naar men veronderstelt, in de
Woestijn bouwde. Op deze gegevens grondden de latere Joodsche
Hoogepriesters de allegorie van den Tempel van Salomo--een gebouw
dat in werkelijkheid nooit bestaan heeft evenmin als Koning
Salomo zelf, die evenzeer een zonnemythe is als de nog latere
Hiram Abif der Vrijmetselaars, hetgeen Ragon zoo duidelijk
aangetoond heeft. Indien derhalve de afmetingen van dezen
allegorischen Tempel, het symbool van den cyclus van Inwijding,
overeenstemmen met die der groote Pyramide, is dat een gevolg
daarvan dat eerstbedoelde door middel van den Tabernakel van
Mozes aan laatsbedoelde ontleend zijn". [52]
Tot een nader begrip van hetgeen hier gezegd werd en ter verklaring
van het hier gegevene in verband met de pi symbologie vestig ik in
de eerste plaats de aandacht op het laatste gedeelte van het boven
aangehaalde. De woorden zonnemythe en het feit, dat het verhaal van
het bouwen van Salomo's Tempel eene allegorie is, zou ik zóó willen
verklaren, dat hier door tempel bedoeld wordt het lichaam van den
Zonnelogos in zijn uitgebreidsten zin, dus in en met zijn aura, den
Zodiak, diagrammatisch voorgesteld in zijn openbaring als de cirkel
met de middellijn [cirkel met horizontale balk].
Deze openbaring in haar getalwaarde op dit stoffelijk gebied voor te
stellen kan niet anders geschieden dan door een formule en deze formule
of verhouding zou dan mijns inziens pi zijn. Want indien wij een
bouwwerk hebben waarin wij deze waarde belichamen bij de samenstelling,
hebben wij den zich openbarenden Logos symbolisch weergegeven. En
evenzeer als wij weten, dat pi eene oneindig voortloopende breuk is,
die zich nimmer volkomen doch alleen bij benadering uit kan drukken,
zoo weten wij ook dat de Logos zich nimmer geheel kan uitdrukken
in de stof, aangezien er steeds in die openbaring eene verhouding
van stof tot geest moet blijven bestaan, hoe klein of hoe groot die
verhouding ook zij. Ook hier gaat de symbologie dus op. [53]
In hoeverre deze pi verhouding nu te maken heeft met den cyclus
van Inwijding is ook eenigermate na te gaan. De ontwikkeling van den
Logos in zijn stelsel wordt symbolisch voorgesteld door Zijn doorloopen
van den Dierenriem, zijnde de groote stroom van ontwikkeling gaande
door de 12 teekens van Zijn geheel. Dit is exoterisch. Esoterisch
bestaat er eene ontwikkeling die sneller tot hetzelfde resultaat
leidt, nl. het terugkeeren naar het uitgangspunt na het doorloopen
van 6 teekens. De Evolutie loopt dan langs de middellijn als het
ware. De verhouding van de ontwikkelingsphasen van iemand die dezen
weg betreedt tot die van hen die de gewone evolutie volgen is die,
welke symbolisch zich verhoudt als de middellijn tot den omtrek of
als één tot pi. Evenals de Logos in zich bevat deze pi waarde,
zoo bevat ook de mensch op het Pad van Inwijding deze waarde in zich.
Skinner geeft als formule deze 113 : 355 = 6561 : 20612, zijnde eene
symbolische getallenvoorstelling van de verhouding van den mensch op
het kruis (113 : 355) tot de geopenbaarde Godheid Jehovah, Elohim.
Verder wensch ik hier echter op dit punt niet in te gaan daar deze
waarheden alleen _gevoeld_ en nimmer _verstandelijk uitgedacht_
kunnen worden en dus nimmer kunnen worden gegeven van intellect tot
intellect, maar alleen begrepen door verdere uitwerking in onszelf.
Voldoende zal men echter inzien, dat de zoogenaamde "pi symbologie"
en "de oorsprong der maten" een diepere beteekenis hebben dan Piazzi
Smyth er aan wenscht toe te kennen. Hoe belachelijk ver hij ging met
zijne theorie, blijkt ons wanneer wij lezen, dat "de porfiersarcofaag
in de Koningskamer" _de eenheid van maat_ was voor de twee meest
verlichte volkeren op aarde, Engeland en Amerika, en niets meer dan
een "korenmaat".
H. P. Blavatsky merkt met betrekking tot deze uiting van Smyth op:
"In _Isis Unveiled_, dat juist in dien tijd verscheen, hebben
wij dat krachtig ontkend. Toen liep de New-Yorksche pers (in
het bijzonder de nieuwsbladen _The Sun_ en _The World_) te wapen
tegen onze aanmatiging om zulk een ster van geleerdheid te willen
verbeteren of fouten bij hem te ontdekken. In dat werk hadden wij
gezegd dat Herodotus bij het bespreken van de Pyramide:.... er
wel had kunnen bijvoegen dat zij uiterlijk _het scheppende
beginsel der natuur_ verzinnebeeldde, en ook eene afbeelding
was van de _beginselen der meetkunde, wiskunde, astrologie en
sterrekunde_. Van binnen was zij een majestueus heiligdom, in welks
duistere schuilplaatsen de mysteriën volbracht werden, en welks
muren dikwijls getuigen geweest waren van tooneelen van inwijding
van leden der koninklijke familie. De porfieren sarcophaag,
welke Professor Piazzi Smyth, Astronomer Royal of Scotland,
tot een graanbak verlaagt, was de _doopvont_; na daaruit te zijn
gestegen was de neofiet 'wedergeboren en werd hij een adept [54].'
Om onze mededeeling werd in die dagen gelachen. Men beschuldigde
ons onze denkbeelden ontleend te hebben aan de 'zotte denkbeelden'
van Shaw, een Engelsch schrijver, die volgehouden had dat de
sarcophaag gebruikt was bij het vieren der mysteriën van Osiris,
hoewel wij nooit van dien schrijver gehoord hadden. En thans, zes
of zeven jaren later (1882), schrijft Staniland Wake het volgende:
'De zoogenaamde koningskamer.... was waarschijnlijk _de plaats waar
de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge
opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte
was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf
der Heilige Mysteriën_' [55].
Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er
wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar de
Koningskamer leidt, inderdaad een 'enge poort' had; dezelfde 'enge
poort' die 'tot het leven leidt', of tot de nieuwe geestelijke
wedergeboorte, waarop Jezus in Mattheus VII : 13 zinspeelt, en
dat het aan deze poort van den Tempel van Inwijding was, dat de
schrijver dacht, die de woorden opgeteekend heeft, welke naar
beweerd wordt door een Ingewijde gesproken zijn". [56]
Wij zijn eenigermate afgedwaald van ons eigenlijk punt, nl. de
symbologie der Pyramide, doch deze hangt zoo nauw met dit alles
samen dat ik niet in staat ben ze te scheiden, en ik zal thans van
dit gedeelte van het onderwerp afstappen om enkele andere theorieën
te behandelen.
HOOFDSTUK VII.
NOG ENKELE THEORIEËN OVER DE BESTEMMING EN SYMBOLIEK DER GROOTE
PYRAMIDE.
Meer nog dan met eenigerlei andere wetenschappen, is de Groote
Pyramide in verband gebracht met de sterrekunde. Niet alleen dat
velen beweerden dat zij een sterrekundig observatorium was, maar
bovenal dat vele der bekende waarheden uit deze wetenschap symbolisch
in haar bouw belichaamd waren, waaruit dan tevens blijken zou dat
de Egyptenaren van dien tijd reeds bekend waren met verscheidene
astronomische gegevens, die op betrekkelijk jongen datum heeten
ontdekt te zijn. Reeds sedert lang werd door enkele schrijvers over
dit onderwerp beweerd dat de Groote Pyramide zou gebouwd zijn met
het doel de sterren te observeeren, en enkele schrijvers zeggen dat
het juist om deze reden was, dat de Pyramide een platform op den top
had, waar de sterren-waarnemende priesters hunne instrumenten konden
plaatsen; verder wordt beweerd dat de benedenwaarts leidende gang
der Groote Pyramide dienst deed als meridiaan-teleskoop. Vandaar de
nauwgezette oriëntatie der Pyramide. Afgescheiden van alle mogelijke
andere bezwaren, welke wij zullen nagaan wanneer wij den voornaamsten
hedendaagschen voorstander van deze theorie, Rich. Proctor, over dit
onderwerp zullen aanhalen, zien wij al dadelijk enkele bezwaren die ons
aan de waarheid van deze theorie doen twijfelen. In de eerste plaats
dan is het onmogelijk geweest om ooit op dit platform te komen wanneer
wij aannemen wat ons gezegd wordt, dat het uitwendige der Pyramide
geheel met gepolijst marmer bedekt was; en in de tweede plaats is
het zeker dat de ingang van de benedenwaartsche gang afgesloten
was. Alleen wanneer wij vooropstellen dat dit niet zoo was (en er is
meer reden om het tegendeel aan te nemen) kunnen wij de mogelijkheid
der theorie erkennen. Maar dan nog rest de vraag waarom er juist een
Pyramide en niet een gewone toren werd gebouwd.
Zien wij thans wat Rich. Proctor zegt met betrekking tot deze
theorie. In de eerste plaats erkent hij, dat Piazzi Smyth en
anderen met recht beweren dat zekere sterrekundige waarheden in
het bouwwerk belichaamd zijn; "maar dat zijn _louter_ toevallige
overeenkomstigheden". Wij zeiden echter reeds vroeger bij dit bouwwerk
niet te kunnen gelooven aan toevalligheden.
Hoe verklaart Proctor dan zelf de sterrekundige kenmerkende
eigenaardigheden van bouw en samenstelling der Groote Pyramide? Hij
zegt [57] dat aan alle Egyptische Pyramiden het een of ander
sterrekundig plan ten grondslag ligt en dat zulk een plan bij de
Groote Pyramide met bijzondere nauwgezetheid uitgevoerd werd, welke
er op duidt dat het een vereischte was het bouwwerk zelf en eveneens
de onderdeelen in een bepaalden astronomischen stand te plaatsen,
en wel voornamelijk om deze reden, dat de Pyramide "bedoeld was
dienst te doen als een sterrekundig observatorium". Deze bedoeling
vooropstellende is het duidelijk dat de bouwers de gangen van het
bouwwerk benutten om den juisten stand en de plaats van elk deel van
het geheel te bepalen. De benedenwaarts leidende gang werd gericht naar
de Poolster. Nadat deze benedenwaarts leidende gang het noordelijk
zijvlak bereikt had werd het bij het bouwen van de opwaarts leidende
gang (zie de teekening van het inwendige) noodzakelijk op eene andere
wijze de Poolster te observeeren. Dit werd tot stand gebracht door
de nieuwe gang te bouwen in zoodanige richting, dat de lichtstralen
van de Poolster hierin opwaarts vielen, na weerkaatst te zijn op een
horizontale oppervlakte. Om deze weerkaatsende horizontale oppervlakte
te verkrijgen werd de benedenwaarts leidende gang afgesloten aan
het ondereinde, en daarna gedeeltelijk gevuld met water, op welks
stilstaande oppervlakte de stralen van de Poolster weerkaatst
werden. De bouwers werkten dus met betrekking tot het meridiaanvlak.
De Groote Galerij is volgens Proctor echter het stelligste bewijs van
den astronomischen aard van de bedoeling der bouwers. Deze Groote
Galerij toont door hare dubbele geaardheid aan dat zij bedoeld was
voor sterrenkundige waarnemingen. Hare muren als geheel zijn hellend,
maar elk deel er van is volstrekt vertikaal, zooals ook het geval moet
zijn voor nauwkeurige waarnemingen. Om deze waarnemingen mogelijk
te maken, zijn in de galerij aan weerszijden steenen, hellende,
verhoogde banken aangebracht, waarin op gelijke afstanden gaten
zijn om verplaatsbare zetels te plaatsen. Aan het boveneinde der
galerij zou de zoogenaamde Voorkamer de plaats geweest zijn waar de
tijdopnemer zat. Proctor is verder ten zeerste overtuigd van het nut
dat getrokken kan worden uit deze wijze van waarnemen. Hij zegt o.a.:
"Indien een teleskopist van onzen tijd een plan zou willen
vormen voor eene methode om de declinatie en rechte klimming van
sterren te bepalen (bijvoorbeeld met het doel om een betrouwbaren
sterrencatalogus op te stellen) zonder een teleskoop te gebruiken,
zou hij door zulk een waarnemingsplaats te gebruiken als de
Groote Galerij, spoedig zien hoeveel daar gedaan kan worden voor
zooverre het equatoriale en zodiakale sterren betreft; en deze
zijn de meest belangrijke, zelfs nu, en waren dit te meer in de
dagen toen men veronderstelde dat de sterren in hun loop het lot
van menschen en volkeren regelden." [58]
Deze redeneering van Proctor nu is zeer zeker op zichzelf beschouwd
heel fraai, maar weinigen zijn er door overtuigd geworden dat de
Groote Pyramide niets dan een sterrenkundig observatorium was. Enkelen
erkennen de waarde der aangevoerde bewijsgronden voor het doel,
doch slechts als bijkomstig. Proctor zelf doet dit echter ook, want
een graf blijft de Koningskamer toch. Blijkbaar is hij bang zijn
wetenschappelijken naam afbreuk te doen door een wetenschappelijk
gehandhaafde theorie niet als van zelf sprekend aan te nemen; wenscht
echter toch een eigen theorie en lapt er de observatoriumtheorie aan
vast. Hij ziet echter daarna zelf in dat deze niet geheel en al opgaat,
en zegt dan dat de bouwer niet alleen wetenschappelijke bedoelingen
had, maar zelfs eene die boven het gebruik als graf staat! Dit doel
kan men begrijpen wanneer men het feit erkent dat "de sterrenkunde uit
den tijd van Khufu uiteraard astrologie was, en dat de astrologie een
belangrijk deel van den godsdienst vormde". Zijn eindconclusie is dan
dat de Groote Pyramide als astrologisch bouwwerk een reuzenhoroskoop in
steen van Cheops is. "Aangenomen een volstrekt geloof in astrologie
(en wij weten dat er zulk een geloof bestond), was het de moeite
waard zelfs een zoodanig gebouw als de Groote Pyramide op te trekken".
Ik meen dat er, zooals ik reeds zeide, weinigen zijn die Proctor's
theorie ernstig opvatten en wij zullen dan ook niet in bijzonderheden
er van afdalen, doch liever nagaan welke astronomische gegevens in
het bouwwerk symbolisch vervat zijn. Sommige er van zal ik hier alleen
_vermelden_, slechts enkele _verklaren_, daar de meeste te technisch
zijn om hier aan den algemeenen lezer uiteengezet te worden.
Voor hen die belangstellen in dit gedeelte van het onderwerp is het
raadzaam daarover Dufeu, Piazzi Smyth en J. Wilson na te lezen. Vooral
de laatste heeft dit punt, het verband tusschen de maten aan de
Pyramide en het zonnestelsel, uitvoerig uitgewerkt in zijn boek _The
Solar System of the Ancients_. De groote moeilijkheid echter blijft
in de quaestie welke maat men gebruikt heeft, daar de meeningen over
de gebruikte elle- en duimmaat nogal uiteenloopen.
Na veel geschrijf over de maten-quaestie, hetgeen een geheele
bibliotheek vormt, is er echter op dit punt overeenstemming gekomen
en zien wij thans enkele der eigenaardige kenmerken vastgesteld.
De Pyramide dan symboliseert haar _breedtegraad_ (Wild, P. Smyth),
haar _ouderdom_ (P. Smyth, Casey, Dufeu), den _omtrek der aarde_
(J. Wilson, P. Smyth, J. Taylor), den _vorm der aarde_ (P. Smyth,
Dufeu), de _dichtheid der aarde_ (P. Smyth, Petrie), den _afstand
van aarde en zon_ (P. Smyth, Petrie), de _dagen van het jaar_ (Smyth,
Tracey, Petrie, Yeates, Adams), de _Wet der zwaartekracht_ (J. Wilson),
_afstand tot zon en maan_ (J. Wilson), de _planetenafstanden_
(J. Wilson), de _praecessie der equinoxen_ (Casey, Wilson,
P. Smyth.) Tal van andere astronomische en natuurkundige gegevens
blijken volgens enkele dezer schrijvers in het bouwwerk belichaamd,
doch deze zijn wel de voornaamste.
Om den lezer thans een denkbeeld te geven hoe deze astronomische
waarden en verhoudingen in de pyramide-afmetingen belichaamd zijn,
zullen wij enkele dezer symbologieën nagaan en trachten duidelijk
te maken.
In de eerste plaats dienen wij dan na te gaan de redenen welke er
bestaan kunnen hebben voor het feit dat de bouwers deze astronomische
waarden in het bouwwerk belichaamden. Zooals wij reeds zagen is de
meest voor de hand liggende exoterische reden die, welke van de Groote
Pyramide een sterrekundig observatorium en astrologisch gedenkteeken
maakt; vervolgens komt die reden in aanmerking, welke o.a. Taylor
en Smith aanvoeren, namelijk dat de door God bezielde bouwers
het menschengeslacht een grondslag van maten wilden geven en dezen
grondslag natuurlijk in verband brachten met heelalsche maten wegens
den goddelijken oorsprong van het denkbeeld van den bouw. Deze redenen
kunnen natuurlijk dienen als logisch voor hen die het eens zijn met de
theorieën der genoemde schrijvers, maar wanneer men een voorstander
is van de theorie, dat de Groote Pyramide een tempel, een plaats van
godsdienstige ceremoniën, een "berg van Inwijding" is geweest, welke
reden kunnen wij dan aanvoeren voor het feit dat wij deze astronomische
waarden in het bouwwerk belichaamd vinden? In de eerste plaats kan voor
den spoedig bevredigden onderzoeker het antwoord dienen dat Proctor ons
pasklaar geeft n.l. "dat de godsdienst der Egyptenaren grootendeels
gegrond was op astronomische stellingen" en dat dit dus evenzeer het
geval moet geweest zijn met hunne godsdienstige mysteriën. Doch voor
hen, die met deze oppervlakkige reden niet geheel voldaan zijn met
betrekking tot hun voorstaan van de inwijdingstempeltheorie, als ik
het zoo noemen mag, zou ik gaarne de volgende redenen willen aanvoeren.
De groote Pyramide beschouwende als een tempel van inwijding, zie
ik in haar beslist den _eersten maçonnieken tempel_, waarvan wij
kennis dragen sinds het bestaan der maçonnieke orde, en schaar ik
mij dus in dezen aan de zijde der broeders, welke erkennen dat de
vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Egyptische mysteriën en niet
in de bouwgilden der middeleeuwen. Voor ieder maçon nu is de Tempel
(of moet hij dit zijn) ons zonnestelsel, het lichaam van den Logos
van dit stelsel. Dit in verband met hetgeen wij reeds zeiden omtrent
de Groote Pyramide leidt ons tot de volgende gevolgtrekking. De
stoffelijke _Tempel_ op deze aarde moest in haar bouw alle waarden
en vormen, welke in den waren _Tempel_ (het lichaam van den Logos,
ons zonnestelsel) gevonden werden, weergeven om symbolisch--en wij
weten dat de maçonnerie niets is dan een wijsbegeerte, gehuld in een
gewaad van _symbolen_, om degenen wier ontwikkeling langs de ritueele
lijn ligt, te leiden in hunne evolutie--deze waarheden en begrippen
uit te drukken.
Hetgeen wij reeds zeiden omtrent de pi-symbologie, en dat steunt
op wat H. P. Blavatsky zegt in de noot op blz. 468 van de _Geheime
Leer_, Deel I, met betrekking tot deze pi-waarde, komt geheel
(mijns inziens) met deze denkwijze overeen.
Verder zullen velen het met mij eens zijn--vooral zij die verstaan--dat
hetgeen wij door de Inwijdingen zoeken is: _Licht_; het Licht,
dat wil zeggen, de kennis van den aard der dingen in ons stelsel,
of in het algemeen gezegd: hoogere kennis. In ons stelsel is het
stoffelijk lichaam der zon het laagste aanzicht van dit _Licht_. En
dit Licht kunnen wij ook verzinnebeeld vinden in de Pyramide. Merken
wij nog op dat _geluid_ of _klank_ evenzoo noodzakelijk is voor het
_leven_. Adams zegt terecht: "het licht is het eerste beginsel van
het geschapen leven. Zonder licht bestaat geen groei; er is geen groei
zonder licht. Kleur, reuk, smaak, ieder voorwerp der zinnen verdwijnt
wanneer het licht afwezig is. Iedere straal is een afzonderlijke
hemelsche gift, rechtstreeks van de hand van den Schepper; zooals is
aangegeven in het basrelief op het graf te Thebe, ontdekt door Stuart,
waar de uiteenloopende stralen een pyramide van licht vormen, en aan
iederen straal is een hand van zegening verbonden." [59]
In de Pyramide vinden wij dus verzinnebeeld den vorm en het
leven in openbaring, den Logos als [symbool voor Zon]. En hoe is
dit licht maçonniek in het bouwwerk uitgedrukt? Door dezelfde
pi-symbologie. Ik kan het niet beter weergeven dan Adams dit
doet. Hij schrijft:
Het Licht zelf geeft ons een antwoord. Want indien wij, zooals
op het basrelief te Thebe, den uiteensplitsenden stralenbundel
voorgesteld vinden, zooals die zich uitstort op den middag van
de zomersolstitie, den aanvangsdag van het Egyptisch jaar, zullen
wij één zijvlak van de Pyramide van Licht hebben. Veronderstel nu
dat een rechthoekige pyramide wordt opgetrokken met vier zoodanige
zijden die elk respectievelijk tegenover de kardinale punten des
hemels staat. Dan volgt hieruit dat, daar elke zonne-omwenteling
der aarde een vierde aswenteling later voltooid wordt dan
de voorafgaande, elk vierde- of groot-jaar hetzelfde zijvlak
naar de zon gekeerd zal zijn wanneer de zonne-omwenteling van
de aarde voleindigd is; en aldus is de Egyptische Groot-cyclus
(van vier jaar) maçonniek uitgedrukt. Juist zulk een vorm vinden
wij in de Groote Pyramide, daar de zijden zóó georiënteerd zijn
dat zij oorspronkelijk tegenover de kardinale punten stonden,
en haar top zoodanig was afgeplat dat de zon één dag in het jaar
'met al haar stralen' er op rust, zoodat het bouwwerk 'zijn eigen
schaduw verslindt'.
Welke verhouding moeten de afmetingen hebben, nu de algemeene vorm
bepaald is, of met andere woorden, welken hoek moeten de zijden
naar den onzichtbaren top hebben? De aarde in haar loopbaan geeft
het antwoord. Want daar die planeet in een (benaderd) cirkelvormig
pad om de zon heen beweegt, terwijl elke straal naar haar toe in
een rechte lijn valt, kan de verhouding tusschen de lichtgevende
kracht en het verlichte lichaam uitgedrukt worden door de
verhouding tusschen den straal en den omtrek van een cirkel. [60]
Laten wij thans nog nagaan op welke wijze wij een eenheid van
maat kunnen verkrijgen, die ons de juistheid aantoont van de
verzinnebeelding der astronomische verhoudingsgetallen in het
bouwwerk. Ook deze maat kunnen wij aan de aarde ontleenen en wel aan
de as.
De engelsche duim is 250,250,000 maal in de aardas begrepen; wanneer
wij deze duim met een duizendste deel van hare lengte vergrooten,
verkrijgen wij eene duimmaat die als Pyramideduim gebezigd wordt en
bekend staat. Deze duim is dan in de aardas 250 millioen maal begrepen.
De deksteenen der Pyramide, waarvan er een opgemeten werd door Dixon,
zijn 25.025 Eng. duim lang; of 25 van de gemelde duimen. De lengte
van den steen is dus 10 millioen maal in de aardas begrepen, en nu
wordt door Smyth en Adams deze maat als eenheid aangenomen. Deze maat
of liever verhouding staat op zichzelf. Doch wat bleek verder?
De lengte van de onderste deklaag der Pyramide bedraagt juist 1/20
van een geografische mijl. Wanneer wij nu de pyramide-eenheidsmaat
hierop afmeten, bevinden wij dat deze 365.25 maal in deze lengte
begrepen is en 1461 of 4 maal 365-1/4 maal in den geheelen omtrek van
het grondvlak. Blijkbaar is dus hier eene symbolische voorstelling
van het aantal dagen van het zonnejaar en van den grooten cyclus van
vier jaren.
Adams zegt met betrekking tot deze symbolische voorstelling:
"Het schijnt daarom niet onredelijk te denken dat, alvorens de
deksteenen ten slotte het geheim afsloten, de betrekkingen van zon
en maan tot den stand van Sothis en de Poolster in overeenstemming
zouden gebracht zijn met de trappenreeksen van de Pyramide op de
juist beschreven wijze; en aldus is een uitgangspunt voor alle
bewegingen der aarde, hetzij in hare betrekking tot de maan, de
zon, de equinoxen, of de sterren, onveranderlijk in het maçonnieke
licht vastgelegd".