zijne denkbeelden en opvattingen uiteengezet heeft in zijne bekende
werken _Three years labour at the Great Pyramid, Our Inheritance
in the Great Pyramid_ en _New Measures of the Great Pyramid_. Zeker
heeft niemand meer dan Piazzi Smyth er toe bijgedragen om de Groote
Pyramide populair te maken en stellig is er nooit zooveel over dit
onderwerp geschreven en gesproken als sinds hij zijne beschouwingen
uiteenzette. Deze laatste waren eigenlijk geen oorspronkelijke,
want reeds in 1859 had John Taylor in zijn werk _The Great Pyramid,
Why was it built? Who built it?_ dezelfde meeningen en opvattingen
te berde gebracht en verdedigd. John Taylor had de Pyramiden nooit
bezocht en had tot vorming en staving zijner theorie de gegevens
ontleend aan de geschriften van vroegere bezoekers als John Greaves,
De Monconys, Thévenat, Davison, Howard Vyse, Caviglia enz. Zijn
30-jarige studie vond geene belooning in groote populariteit van
het resultaat dat wij opgeteekend vinden in vermeld werk, en eerst
in latere jaren trok het meer de aandacht. Piazzi Smyth, die het
gelezen had en er zoodanig door getroffen werd dat hij overtuigd
was van de waarheid der daarin vervatte meeningen, oordeelde het van
groot nut zich persoonlijk ter plaatse er van te overtuigen en John
Taylor's meeningen te verdedigen en te bevestigen, en gaf hierdoor eene
algemeene bekendheid aan het werk, doch dit was eerst in 1864. In de
jaren 1864-1880 verschenen 5 uitgaven van Piazzi Smyth's werk _Our
Inheritance in the Great Pyramid_, zeker wel een bewijs voor de
populariteit van het onderwerp. In latere jaren zijn de theorieën
van Taylor en Piazzi Smyth uitvoerig uitgewerkt door Professor
Ch. Lagrange, wis- en sterrekundige, directeur van de sterrenwacht
te Brussel. Zie o.a. _Mathématique de l'Histoire_, par Ch. Lagrange.
Wat dan is eigenlijk de meening van deze schrijvers over de bestemming
der Groote Pyramide? Dit zullen wij thans trachten weer te geven zonder
ons te veel in de bijzonderheden hunner theorieën te verdiepen, daar
alleen een breede opvatting van hunne hoofddenkbeelden waarde voor
ons kan hebben.
Het zal verder geheel voldoende zijn na te gaan wat Piazzi Smyth
schrijft, daar hij in zijn werken alles vermeldt wat John Taylor
in zijn werk opteekende en dit bovendien zeer uitvoerig uitwerkt
en geheel op wetenschappelijke leest schoeit, zoodat de lezer van
zijn werken volkomen op de hoogte kan zijn van hetgeen Taylor wilde
aantoonen. Taylor had over zijne theorie eene briefwisseling met Piazzi
Smyth en om aan te toonen wat hun gemeenschappelijke theorie was,
kan ik niet beter doen dan het volgende aan te halen uit Smyth's werk:
"Dit nieuwe denkbeeld, hetwelk met een tot nu toe onbekende
zekerheid het grootste bestaande mysterie voor de beschaafde
wereld door alle tijden heen oplost, heeft genoemde wereld te
danken aan John Taylor in een boek, dat uitgegeven is in 1859 en
getiteld "_The Great Pyramid; why was it built? and who built
it?_" Hij had de Pyramide zelf niet bezocht, maar had dertig
jaren daaraan voorafgaande al de uitgegeven verslagen verzameld
en vergeleken en voornamelijk al de best vastgestelde metingen
(want er waren enkele inderdaad zeer slecht) die gedaan waren;
en terwijl hij aldus bezig was, opende de nieuwe theorie zich op
het onverwachtst (zooals hij mij in een brief schreef) voor hem.
Hoewel hoofdzakelijk een strenge afleiding van tastbare feiten van
wetenschappelijken aard, werd Taylor's gevolgtrekking ongetwijfeld
gesteund door het verstandelijk en geestelijk gezichtspunt, van
waaruit hij zijne onderzoekingen begon, en hetwelk in hoofdzaak
eenvoudig dit is:
Dat, terwijl andere schrijvers algemeen gedacht hebben dat
een zeker grootsch doch onbekend wezen, waarvan zij allen in
hun geschiedkundig onderzoek het bestaan erkennen, het bouwen
van de Groote Pyramide leidde (en wien de Egyptenaren in hunne
vroegste overleveringen en eeuwen later een onzedelijke en zelfs
afschuwelijke geaardheid toedichten), daarom inderdaad zeer
slecht moet geweest zijn,--zoodat de wereld van dien tijd af tot
op heden er steeds belust op is geweest dien dooden leeuw waarvan
zij werkelijk niets afweten, te beleedigen en te vertrappen--hij,
John Taylor, daar hij in iedere kenmerkende vermelding die van
hen in den _Bijbel_ gedaan werd, zag hoe godsdienstig slecht de
afgoden-uitvindende Egyptenaren zelf waren, er toe geleid werd
te besluiten dat de onbekende leider en Bouwmeester dien zij
haatten, misschien buitengemeen _goed_ was geweest; of in ieder
geval van een _zuiverder godsdienstig geloof was_ dan dat van de
Misraïtische zonen van Ham. [46]
Hierop verder ingaande komen beide schrijvers tot de gevolgtrekking dat
de leiders van de bouwlieden vreemdelingen waren uit een _uitverkoren_
volk, menschen die door goddelijke genade in staat waren gesteld
het denkbeeld weer te geven, dat de Groote Pyramide bestemd was uit
te drukken, want dit is juist de kern van hunne theorie n.l. dat de
Pyramide bestemd was zekere goddelijke denkbeelden uit te drukken in
haar bouw en afmetingen welk kerndenkbeeld saamgevat wordt in hunne
zienswijze: de Groote Pyramide te beschouwen als _een grondslag
der maten_.
Met betrekking tot dit punt schreef Piazzi Smyth:
"Op dit algemeene standpunt plaatste Taylor zich; en na met de
langgevormde publieke meening van te lijdelijke gehoorzaamheid
aan de profane Egyptische overlevering gebroken te hebben en
daarbij tevens enkele van de door den tijd geëerde vooroordeelen
van hedendaagsche Egyptische geleerden niet in aanmerking nemende,
zoodat hij een volledig en onpartijdig onderzoek van den beginne
af aan gaf, kondigde hij aan dat hij in enkele der rangschikkingen
en afmetingen van de Groote Pyramide--wanneer zij naar behooren
verbeterd waren wegens verminderingen en afbrekingen door den
verloopen tijd--zekere wetenschappelijke gevolgtrekkingen vond,
welke van Egyptische noch Babylonische, en minder nog van Grieksche
of Romeinsche kennis spraken, maar van iets dat hooger was dan
deze, zoowel als geheel verschillend van de menschelijke methoden
van de wetenschappelijke stelsels zijner tijdgenooten". [47]
Want
".....de werkelijke feiten van de Groote Pyramide,--in den vorm
van gebouwde bewijzen van een nauwkeurige numerieke kennis van
het grootschere kosmische verschijnsel van zoowel aarde als
hemel--gaan de uiterst beperkte en nagenoeg kinderlijke kennis,
die menschelijkerwijs bereikt werd door de beschaafde rassen van
4000, 3000, 2000 of zelfs 300 jaren geleden niet alleen te boven,
en ver te boven, maar zij gaan in zooverre zij van toepassing
zijn op de groote physische natuurgeheimen, de beste kennis der
wijsgeeren van onzen eigen tijd even zoo goed te boven".
Dit alles kunnen wij zeer zeker geheel eens zijn met Piazzi Smyth,
en al rust onze beschouwing op andere gronden, zoo is het resultaat
er van hetzelfde. Waar hij als bouwers aanneemt door God bezielde
hoogstaande wezens van een ras dat in niets overeenstemming had met
de toenmalige Egyptenaren, nemen wij aan, overeenkomstig hetgeen
wij reeds vermeldden in den aanvang dezer verhandeling, dat Adepten
uit Atlantis onder leiding van eene manifestatie van den Logos de
bouwlieden leidden. En dan zien wij alleen verschil in terminologie
en opvatting van begrippen, geen verschil in kern.
En waar beide theorieën in dezen (namelijk de goddelijkheid van
de bouwers) overeenstemmen, kan het ons ook niet verwonderen dat
beide de graftheorie verre verwerpen en in de eerste plaats niet
alleen bevinden en erkennen dat groote natuurgeheimen en groote
waarheden symbolisch belichaamd zijn in dit bouwwerk, maar tevens
dat een dergelijk bouwwerk om een dieper reden tot stand kwam dan
louter om als graf van een Pharaoh te dienen. Ook is er geen verschil
met betrekking tot het punt dat de Groote Pyramide zich in dezen
onderscheidt van de latere Egyptische Pyramiden.
Maar wel is er een groot verschil tusschen de theorie van P. Smyth en
de Theosofische, waar het er op aankomt het doel en de bestemming er
van te bepalen. Want waar de Theosofische theorie, zooals ik reeds
aanduidde, de Groote Pyramide als een tempel voor hooge inwijdingen
beschouwt, maakt P. Smyth haar tot een grondslag der maten en
een sleutel tot de geschiedenis der menschheid--verleden, heden en
toekomstig--in verband met het Oude en Nieuwe Testament. Bijdoeleinden
worden ook hier dus weer tot hoofddoeleinden verheven. In de
laatste kwaliteit noemt hij de Groote Pyramide een datum-lijst van
de menschelijke (Christelijke) geschiedenis, van welke datum-lijst
Flinders Petrie opmerkt, dat geen enkele datum deugt.
Doch hoe dit laatste ook zij, het kan ons van geen belang zijn, daar
het eene dogmatische en onkritische uitwerking is van de gegevens
die hij in het overige deel van zijn werken geeft. Wij kunnen echter
in ieder geval niet dan dankbaar zijn voor de massa's materiaal die
ons daar geboden worden om iets van de symboliek van het gebouw te
begrijpen, en om die reden raad ik elk ernstig bestudeerder van dit
onderwerp aan het werk te bestudeeren, daar niets er meer toe kan
bijdragen de Groote Pyramide te leeren beschouwen als een grootsch
bouwwerk.
Het gaat natuurlijk niet aan, hier ter plaatse Piazzi Smyth's
beschouwingen in haar geheel te overwegen, doch ik wil mij er toe
bepalen enkele der meest belangwekkende feiten aan te halen die hij
met betrekking tot de symboliek aan het licht heeft gebracht. Echter
verzoek ik mijn lezers te bedenken dat al deze feiten ten zeerste
bestreden werden door Egyptologen en wel voornamelijk op grond hiervan:
dat nl. Piazzi Smyth eerst zijn theorie opvatte, overnam van Taylor,
en later opmetingen en beschouwingen hieraan aanpaste. Op deze
beschuldiging antwoordde hij weder, in een kleiner, later verschenen
werkje, waarin hij betoogde dat zeer nauwgezette en wetenschappelijke
opmetingen van anderen de zijne staafden.
Dat het mogelijk is over _afmetingen_ zulk een onderlinge oneenigheid
te vinden, is natuurlijk alleen te begrijpen wanneer wij weten dat
feitelijk geen enkele afmeting ongeschonden bewaard is gebleven,
en dat verder alle opmetingen met de grootste moeite gepaard gaan
wegens de belemmerende puinhoopen, zandmassa's en dergelijke. Echter
heeft noch het lezen van de werken van Smyth, noch ook van die welke
er tegen geschreven waren, mij kunnen bevredigen, wat aangaat hunne
werkelijke gronden van waarheid.
Hoewel er onder de werken van de Pyramide geen enkel werk is dat
zoozeer de symboliek van het bouwwerk tracht aan te toonen als dat
van Piazzi Smyth, en ik in den eersten tijd van de bestudeering
van dit onderwerp geheel medegesleept werd door de overtuigende
bewijsvoering dat deze verklaring der symbolische woorden de ware was,
kan men op de exoterische bewijsgronden die hij aanvoert niet tot de
conclusiën komen, die hij trekt. Doch ik twijfel niet of vele zijner
conclusiën bevatten waarheid; men kan echter tot deze alleen komen
door esoterische redeneering, niet door exoterisch wetenschappelijke
bewijsvoering, en hoewel aan Piazzi Smyth's theorieën groote afbreuk
gedaan is door latere, zeer nauwkeurige opmetingen o.a. van Flinders
Petrie, heeft deze laatste in een later werk veel van Smyth's theorie
aanvaard o.a. de pi-hoek-theorie.
Een der stellingen echter van Taylor, door P. Smyth herhaald, is op
esoterische gronden evenzeer verdedigbaar als hij ze tracht aan te
toonen door exoterisch wetenschappelijke bewijsvoering; ik bedoel
de stelling dat de Groote Pyramide in haar bouw de waarde pi
symbolisch zou voorstellen. En deze stelling is met betrekking tot
de symboliek van de Groote Pyramide van zulk een typische waarde
dat ik mij even bepalen zal bij dit punt, teneinde het uitvoeriger
te kunnen behandelen dan het geval zou kunnen zijn indien ik in
de bijzonderheden der symboliek van het bouwwerk, zooals Smyth die
uitwerkt, verviel. Ook kan alleen deze stelling waarde hebben voor
ons doel, en dan nog als wij haar gaan beschouwen van een esoterisch
standpunt. Want hoe bekrompen vat Smyth ook deze stelling op!
Hij dan ziet in deze symboliseering van de pi waarde niets dan
een praktische oplossing van de beruchte quadratuur van den cirkel,
die nachtmerrie van alle degelijk denkende wiskundigen, en beroept
zich in zijne argumentatie meestal op de stellingen van John Parker,
een Amerikaan, die beweerde een oplossing daarvan gevonden te
hebben. Hetgeen Piazzi Smyth zegt is het volgende:
De vertikale hoogte van de Groote Pyramide is de straal van een
theoretischen cirkel, van welks omtrek de lengte gelijk is aan de
som van de lengten der vier rechte zijden van de feitelijke basis
van het geheele bouwwerk, en dit nu is niets meer of minder dan een
praktische oplossing van het beroemde vraagstuk der middeleeuwen en
der daaraan volgende tijden nl. de quadratuur van den cirkel. Want
de bouwer(s) der Pyramide bepaalden dat de hoogte zich zoodanig
moest verhouden tot de breedte der basis, dat deze verhouding de
nauwkeurigste praktische waarde van het meergemelde getal pi
zou doen uitkomen. Genoemd getal pi is zelfs bij benadering
niet te vinden in de dertig andere voornaamste pyramiden in Egypte.
Indien daarom kan bevonden worden dat deze pi met de daardoor
teweeggebrachte grootte van hoek werkelijk in de Groote Pyramide
is ingebouwd, en daardoor het geheel van het reusachtig beslagen
oppervlak kenmerkt, dan onderscheidt het bouwwerk zich niet alleen
van alle andere dergelijke bouwwerken, maar toont tevens aan de
groote wiskundige kennis van de Bouwer(s). Want het getal pi
werd eerst veel later, duizenden jaren later, ontdekt door de
wiskundigen der latere tijden en tevens is dat getal een der
onmisbaarste getallen in de wiskunde.
Dit getal pi is berekend tot in 707 decimalen, en er worden
allerlei benaderingswaarden voor aangegeven, variëerend van 3.23 tot
3.125. Echter kunnen wij voor praktisch gebruik volstaan met de breuk
22/7, met de waarde 3.14159 enz.
John Taylor toonde het bestaan van het ware getal pi in de Groote
Pyramide aan, en deed dit voornamelijk door het wijzen op en het
gebruiken van de verhouding van de hoogte en basis-breedte, welke
echter slechts met moeite te verkrijgen zijn wegens den geschonden
staat van het bouwwerk. Het zou duizenden werklieden vereischen, om de
massa vuil en puin op te ruimen, die de juiste opmetingen belemmeren,
en dus zien wij wel in, dat een of meer geleerden of een paar daar
weinig toe kunnen doen.
Het is dus beter, willen wij veel moeite en onnauwkeurigheid voorkomen,
om dit vraagstuk, dat louter den vorm betreft, meer dan de absolute
grootte, op te lossen door het meten van den rijzingshoek, welke
dus geheel en al onafhankelijk is van lengte-metingen. De hoek van
een pi-vormige, vierhoekige pyramide moet, om de zijden aan het
toppunt ineen te doen loopen, zijn 51° 51' 14''.3.
Dit nu bleek de juiste waarde te zijn van den gemetselden hoek,
tenminste wat praktische waarde aangaat, aangezien een gemetselde hoek
niet den graad van juistheid zou kunnen geven van een geteekenden of
theoretischen hoek.
Kolonel Howard Vyse had in 1837 aan de noordzijde twee van de buitenste
laagsteenen (deksteenen) opgegraven, na honderden werklieden het puin
te hebben laten opruimen. Hij vroeg toen verlof, ze naar het British
Museum te mogen laten vervoeren, en bedekte ze tijdelijk met puin,
doch in de daaraanvolgende nachten vernietigden Arabieren deze eenige
overblijfselen van de deksteenen met hunne hamers, of wel hij kon ze
niet terugvinden. In elk geval heeft hij ze niet meer gezien.
Maar hoewel de latere onderzoekers tot op 1884 dus dezen hoek niet meer
konden zien in de steenlagen, zoo bedacht Piazzi Smyth toch, dat onder
de verspreid liggende vergruisde deksteenen nog stukken moesten zijn,
waarin de pi-hoek bewaard gebleven was, en werkelijk bleek dit het
geval te zijn; aan een van de helpers van den professor uit dien tijd
werd door dezen het geval van den merkwaardigen hoek uitgelegd en deze
man (Gabri genaamd), die later als gids dienst deed bij de Pyramide,
deed zeer goede zaken met het verkoopen van "steenen met den hoek"
die hij uit het puin bijeenzamelde en aan de bezoekers verkocht.
Toen de keizerin van Frankrijk in 1869 de Pyramide bezocht, werd
een weg voor haar aangelegd naar het bouwwerk toe en de grondstoffen
voor dezen weg werden uit de Pyramide gebroken. Onder deze uitgebroken
blokken bevond zich ook een geschonden deksteen en Waynman Dixon schonk
dezen aan prof. Piazzi Smyth, die hem onder een glazen stolp in het
officieel verblijf van den Koninklijken Sterrekundige voor Schotland
bewaarde. Dit is de eenige bekende overgebleven deksteen. Hij is
natuurlijk geschonden, maar de hoek is bevonden te zijn tusschen
51° 53' 15'' en 51° 49' 55'', en komt dus zeer nabij den typischen
pi-hoek van 51° 51' 14''.
Geen enkele der deksteenen van de andere pyramiden komt dezen hoek
nabij.
Maar nu komt het merkwaardigste. Prof. Flinders Petrie, die de beste
der tot dusver bekende opmetingen deed en een groot tegenstander
was van Ralston Skinner's en Piazzi Smyth's theorieën, vond op
de historisch bekende plaats de deksteenen waarvan gesproken was
door Kol. Vyse, en die, naar deze dacht, verwoest waren door de
Arabieren. Fl. Petrie nam toen den hoek van rijzing op en bevond dat
deze 51° 52' ± 2'' was en kon dus niet meer twijfelen aan de beroemde
pi hoekopstelling.
Toen wierpen hij en Proctor de theorie op, dat dit alles te danken
is aan _louter toeval_.
Maar hiertegen kan onmiddellijk het volgende worden aangevoerd:
Waren de pyramidebouwers wezens, die zich lieten leiden door
_toeval_, wanneer wij de nauwkeurige en fijne afwerking van het geheel
beschouwen? Zie wat Fl. Petrie zelf zegt aangaande deze fijnheid en
nauwgezetheid van bouw en hoe hij zichzelf tegenspreekt, door alles
van dien aard te wijten aan louter toeval.
"Verscheidene opmetingen heb ik gedaan van de voegen der steenen. Deze
varieeren van 0.012 tot 0.045 inch in dikte; op sommige plaatsen is
de dikte slechts 0.011 inch. De _gemiddelde dikte_ is dus _0.020
inch_. De rand van den steen wijkt van een rechte lijn slechts
0.01 inch af op een lengte van 75 inches. Deze nauwkeurigheid staat
gelijk met de gemiddelde nauwkeurigheid van de rechte snijkanten van
een glasslijper van dezen tijd. De voegen strekken zich uit over
een oppervlakte van 35 vierkante voet, en waren over deze geheele
oppervlakte met cement bedekt. De gemiddelde opening der voeg was
1/50 inch en soms zelfs zoo klein als 1/500 inch. En wanneer wij in
aanmerking nemen dat de steenen 16 ton wegen, kunnen wij begrijpen, met
welk een nauwkeurigheid gewerkt moest worden, om tot zulke resultaten
te komen, dat de buitenste laag een glad geheel was." [48] En toch zou
dit alles louter toeval zijn! Bedenken wij dan nog dat deze steenen uit
prachtig graniet bestonden en alle verdere bouwwerken uit dien tijd en
ook de latere pyramiden slechts uit in de zon gebakken kleisteenen, dan
zien wij wel in dat deze wijze van bouwen meer dan louter toeval was.
Wij hebben gezien wat Piazzi Smyth zegt over de pi waarde in de
Pyramide en tevens welke groote waarde hij daaraan hecht voor zijne
verdere redeneering. Ik meen ook te mogen aannemen, dat hij, wat
deze stelling betreft, op vrij vaste gronden staat. Maar het gebruik
dat hij er van maakt om hierdoor aan te toonen, dat de Pyramide zou
moeten dienen als een standaard van maten voor het nageslacht is mij
te bekrompen, en dit verwerp ik.
Wat mij in de literatuur over dit punt verbaasde, was dat Ralston
Skinner in zijn _Source of Measures_, waar hij toch groote blijken gaf
van intuïtief esoterisch weten, een gedeelte van dit werk aan hetzelfde
denkbeeld wijdt. En toch was het voor mij zeker, dat de symboliseering
van de pi waarde in de pyramide een diepere beteekenis moest
hebben. Deze diepere beteekenis nu geeft H. P. Blavatsky ons in
de _Geheime Leer_, wanneer wij vasthouden aan de daartoe noodige
erkenning van hetgeen zij ons reeds mededeelde omtrent de bouwers en
omtrent het doel van het bouwwerk.
Natuurlijkerwijs heeft H. P. Blavatsky kennis genomen van hetgeen
Piazzi Smyth en Ralston Skinner beweerden en betoogden met betrekking
tot dit punt en wij vinden, zooals ik reeds bemerkte, in de _Geheime
Leer_ deze zaak vrij uitvoerig behandeld.
Wij lezen dan:
"Niettemin is bewezen dat het stelsel van eerstgenoemden (de
Joden) in deze bijzondere afdeeling der symboliek--namelijk de
sleutel tot de geheimenissen der sterrekunde in haar verband
met die der voortbrenging en ontvangenis--identiek is met
die denkbeelden der oude godsdiensten, welke het phallische
element in de theologie hebben ontwikkeld. Het Joodsche stelsel
van heilige maten, toegepast op godsdienstige symbolen, is
voor zoover het meetkundige en numerieke combinaties betreft,
hetzelfde als dat van Griekenland, van Chaldea en van Egypte,
want de Joden namen het aan gedurende de eeuwen hunner slavernij
en gevangenschap onder beide laatstgenoemde volkeren. Waaruit
bestond dit stelsel? De schrijver van _The Source of Measures_
is er innig van overtuigd dat: 'de boeken van Mozes ten doel
hadden door eene soort van kunstmatige taal een meetkundig en
numeriek stelsel van exacte wetenschap te verkondigen, dat als
oorsprong van maten zoude moeten dienen.' Piazzi Smyth is van
dezelfde meening. Eenige geleerden vinden dat bedoeld stelsel en
die maten identiek zijn met die, welke bij den bouw der Groote
Pyramide gebruikt zijn, maar dit is slechts voor een deel het
geval. 'De grondslag dezer maten was de verhouding van Parker',
zegt Ralston Skinner in _The Source of Measures_.
De schrijver van dit zeer buitengewone werk heeft, zooals hij zegt,
dien grondslag ontdekt in het gebruik van de verhouding van de
middellijn van den cirkel tot den omtrek, in geheele getallen
uitgedrukt, ontdekt door John A. Parker. Deze verhouding is
6561 voor de middellijn en 20612 voor den omtrek. Verder heeft
hij gevonden dat deze meetkundige verhouding de zeer oude
en waarschijnlijk goddelijke oorsprong was van wat nu door
exoterische behandeling en praktische toepassing, de Britsche
lengtematen geworden zijn, 'welker grondeenheid, nl. de _duim_,
evenzeer de grondslag geweest is van een der koninklijke Egyptische
_ellematen_ als van den Romeinschen _voet_." [49]
Hoewel H. P. Blavatsky het niet eens is met de theorieën van Parker
en Piazzi Smyth, en zelfs vrij uitvoerig de beweringen van Parker
met betrekking tot de quadratuur van den cirkel bestrijdt, en bemerkt
dat de opmetingen van Smyth ook niet ten volle vertrouwen verdienen,
zegt zij dat Ralston Skinner onmiskenbaar _een_ of zelfs _twee_
der sleutels tot dit stelsel ontdekt heeft, maar meer ondanks de
theorieën der beide genoemde schrijvers en dank zij zijn eigen genie.
"Evenmin wordt Ralston Skinner's esoterische opvatting van den
_Bijbel_ alleen daardoor onjuist, dat de afmetingen van de Pyramide
wellicht niet overeenstemmen met die van den tempel van Salomo,
van de arke Noachs, enz., of doordien de wiskundigen Parker's
kwadratuur van den cirkel verwerpen. Immers Skinner's meening
berust oorspronkelijk op de Kabbalistische methoden en op de
rabbijnsche getalswaarde der Hebreewsche letters. Daarentegen is
het van het uiterste belang na te gaan of de maten, gebruikt bij de
ontwikkeling van den symbolischen godsdienst der Ariërs, bij den
bouw hunner tempels, bij de in de _Purâna's_ vermelde getallen,
en in het bijzonder bij hunne tijdrekening, hunne sterrekundige
symbolen, den duur hunner cyclussen en bij andere berekeningen,
al dan niet dezelfde waren." [50]
Wij zouden dus, na hetgeen H. P. B. ons zegt omtrent Skinner, met reden
kunnen nagaan welke sleutels hij gevonden heeft om tot een oplossing te
komen van de pi symbologie in de Pyramide. Ik zal dit echter hier
ter plaatse moeten nalaten wegens mijne eigene tekortkomingen op het
gebied der Kabbalistiek en tevens omdat dit wederom tot te uitvoerige
beschouwingen zou leiden die hier niet ter plaatse zijn. Doch zeker
raad ik ieder, die de waarde van getallen en letters op de juiste
waarde schat, ten zeerste aan Skinner's werk te bestudeeren.
In ieder geval zien wij dat de pi symbologie niet _toevallig_ is,
zooals reeds beweerd werd door enkele geleerden; daar zijn te veel
feiten tegen. H. P. Blavatsky geeft dan ook eene verklaring er van,
en al schijnt die bij den eersten aanblik niet de volledige oplossing
dezer symbologie te bieden, zoo doet zij dit toch wel degelijk. Zij
schrijft:
"Zij hebben die kennis stellig bezeten; en het is op deze kennis
[51] dat het programma van de Mysteriën en van de reeks Inwijdingen
gegrond was; daaruit vloeide de bouw van de Pyramide voort,
de blijvende oorkonde en het onvernietigbare symbool van deze
Mysteriën en Inwijdingen op aarde, gelijk de banen der Sterren
zulks aan het Uitspansel zijn.