betrekking tot het tijdstip van den bouw der Pyramide en de namen
van hare Bouwers, hangt er een bijna even dichte sluier over de
bestemming dezer bouwwerken, en het zou ook niet anders kunnen
zijn; want de geschiedschrijvers der oudheid en de Arabische
schrijvers hebben niet de middelen gehad om die te kennen,
de een zoo min als de ander. Het was natuurlijk dat men deze
bouwwerken beschouwde als te behooren tot graven, praalgraven. Dit
denkbeeld is in den grond geheel in overeenstemming met _de
waarschijnlijkheid en bovenal met die welke een gevolg is van
analogie_ [ik cursiveer; v. G.]; omdat het Lybisch gebergte te
Memphis niet zooals te Thebe hoogopstaande zijwanden aanbood, die
geopend werden voor de graven der koningen, zou men daarom niet
getracht hebben daarin te voorzien door bouwwerken? En zou men dan
misschien door de reusachtige afmetingen, door de ontzagwekkende
moeilijkheden van de onderneming, hebben willen wedijveren met
den rijkdom van de koninklijke onderaardsche begraafplaatsen?
Maar met dit gegeven, hoe waarschijnlijk het zij, zou men nooit het
werk der Pyramiden verklaren en alles wat een nauwgezet onderzoek
er ontdekken moet; en in de eerste plaats het denkbeeld van de
keus van den pyramidalen vorm."
En verder:
"Hoe dit zij, indien wij toestemmen, dat het denkbeeld van een
pyramide dat van een graf medebrengt, zou men dan gedwongen zijn
te besluiten, dat geen enkele andere bedoeling voorgezeten heeft
bij de oprichting van deze grootsche bouwwerken? Wij gelooven het
niet. Hoe kunnen wij bijvoorbeeld als waar erkennen, dat bij een
volk dat zoo godsdienstig was als de Egyptenaren, de godsdienst
en zijne mysteriën vreemd waren aan het doel dat men zich stelde
bij het oprichten van de Pyramiden? Zou dit aan den anderen
kant niet zijn een geheel terzijde stellen van de verklaring,
die de diepzinnigste waarnemer der oudheid, Aristoteles, van
deze bouwwerken geeft, die ze toeschrijft aan de politiek der
vorsten? Ten slotte, wanneer men denkt over de keuze van den
vorm die aan de bouwwerken gegeven is, over de afmetingen en het
onderling verband der deelen, over de nauwkeurige oriëntatie der
zijden, en tal van andere niet minder treffende omstandigheden,
kan men dan verzekeren, dat de wetenschappen en wetenschappelijke
doeleinden bij hare samenstelling niet hebben voorgezeten? Deze
veronderstellingen zouden alle gelijkelijk onaannemelijk zijn. Ik
stem toe dat de volmaaktheid van den arbeid en de samenstelling
verklaard kunnen worden door den graad van volmaking waartoe
de bouwkunde toen gevorderd was, en dat iedere soort openbaar
bouwwerk met de grootste aandacht uitgevoerd moest worden;
maar hier is een over-overvloed van zorgen, voorzorgen tot in de
kleinste bijzonderheden voor de hechtheid, voor het afwerken van
het geheel; de architect is geleid door den sterrekundige, en de
samensteller door den wiskundige. _Anderen vóór mij hebben er aan
getwijfeld, dat de pyramide gebouwd was om als graf te dienen_
[42], maar men heeft ongelijk te ontkennen dat een enkel deel van
het gebouw of der nabuurschap deze bestemming ontvangen zou hebben;
dit is een onderscheid dat mij belangrijk schijnt vast te stellen."
Uit het hier aangehaalde ziet men dat deze _savant_ niet boudweg
beweerde, dat de Pyramide niets dan een graftombe was, en hij gaat
zelfs verder, zooals wij later zullen zien. Ik haal dezen schrijver
uitvoerig aan, omdat onder de _gezaghebbende_ schrijvers niemand zoo
in den breede dit onderwerp bespreekt en op zulk eene wijsgeerige en
waarlijk wetenschappelijke wijze. Niet louter beweringen, maar een
onder de oogen zien van feiten en een ruimte laten voor de meeningen
van andere schrijvers en denkers.
Hij gaat er vervolgens toe over, de schrijvers der oudheid na
te gaan met betrekking tot dit deel van het onderwerp: Diodorus,
Strabo en Herodotus zinspelen op de Pyramide als een graf (Herodotus
echter minder rechtstreeks; hij zegt dat Cheops in de rots waarop de
Pyramiden gebouwd zijn verscheidene onderaardsche kamers gedolven had,
die bestemd waren als zijn graf te dienen; dit graf was geplaatst
op een eiland dat gevormd werd door een kanaal, dat met de rivier
in gemeenschap stond); Plinius spreekt niet over de bestemming der
Pyramide, en met betrekking tot hetgeen de Arabische geschiedschrijvers
mededeelen, zegt hij:
"Het is waar dat verscheidene Arabische schrijvers de groote
pyramiden als graven beschouwd hebben; maar zij zijn ongetwijfeld
tot die meening gekomen om reden van de kleinere pyramidale
bouwwerken in den omtrek, die sarcofagen en gebalsemde lijken
bevatten, en die inderdaad niets anders konden zijn dan graven. De
vraag was, en is nog, te weten of de bouwers van de Groote Pyramide
een ander doel gehad hebben dan er een mummie van een koning
te plaatsen: wij zullen weldra elders zien dat de Oostersche
schrijvers niet allen van dat gevoelen zijn".
En, verder, na uitgeweid te hebben over het inwendige der Pyramide:
"Er is ongetwijfeld niets onwaarschijnlijks in, te denken dat men
in een dergelijk gebouw mysteriën vierde, of dat men misschien
inwijdingen volbracht in de onderste zalen, en in het algemeen
kultus, ceremoniën en godsdienstige riten....."
Vervolgens gaat hij er toe over verschillende andere theorieën
te beschouwen op eene zeer vrijzinnige wijze, theorieën die wij
zoo dadelijk eveneens zullen vermelden; en ik kan niet beter doen,
om mijn lezers de juiste houding van zijn denken aan te wijzen ten
opzichte van de verschillende theorieën, dan zijn slotwoorden met
betrekking tot dit deel van het onderwerp aan te halen:
"Wij laten het aan onzen lezer over, na deze laatste verklaringen
die te verkiezen, welke hem het waarschijnlijkst lijkt.
Dat moeten wij eveneens doen ten opzichte van de andere
vraagstukken die opgeworpen worden over het doel en de bestemming
der Pyramiden, voornamelijk over het doeleinde voor hetwelk de
Groote Pyramide opgericht werd. Indien het nagenoeg onmogelijk
is, dit doel op zekere wijze aan te duiden, zou het volstrekt
niet minder moeilijk zijn aan te toonen dat de bestemming van
het gebouw louter was om als graf dienst te doen. Het staat aan
den lezer, te oordeelen over de waarde der bewijsredenen en der
beschouwingen die voor zijn oogen liggen, en ze te vergelijken
met feiten en waarnemingen. Hij zal allereerst uit al deze feiten
twee gevolgtrekkingen maken; de eerste, dat dit grootsche bouwwerk
niet bestemd werd voor een éénig doeleinde; de tweede, dat de
afmetingen van de Pyramide evenredige deelen zijn van de grootte
van een lengte-graad in Egypte. Uit deze twee gevolgtrekkingen,
die onbetwistbaar schijnen, zal de lezer misschien vervolgens deze
gevolgtrekking afleiden, dat de Pyramide de afmetingen, die zij
heeft, niet toevallig ontvangen heeft, maar ingevolge een plan,
om de waarde van den graad en de gebruikelijke lengte der maten
in Egypte vast te stellen."
Wij zouden de bestaande theorieën in enkele hoofdgroepen kunnen
verdeelen, en wij zouden dan naast de graftheorie en enkele andere
onbeduidende theorieën een sterrekundige, een godsdienstige, een
wetenschappelijke, een symbolische en een mystieke groep hebben, en
daar wij reeds voldoende over de graftheorie gesproken hebben in dit
en voorgaande gedeelten, zullen wij thans overgaan tot het aanstippen
van enkele onbelangrijke--ja, vaak belachelijke--theorieën en het
meer uitvoerig vermelden der belangrijke.
Van de voor ons doel minder belangrijke theorieën is die van Fialin
de Persigny er eene, die de meeste belangstelling verdient, daar zijne
uitvoerige beschouwing, vervat in een tamelijk uitgebreid werk waarvan
de titel luidt: "_De la destination et de l'utilité permanente des
Pyramides_", duidt op eene ernstige overtuiging en studie.
Zijne theorie is, dat de Pyramiden gebouwd werden teneinde dienst
te doen als bescherming tegen de zandstormen voor dat gedeelte
van het Nijldal dat niet door de Lybische bergen beschut werd. Het
gebrek van deze theorie valt ons reeds bij den aanvang in het oog,
namelijk dat een toevallig nut van een gebouw niet de reden was tot
het doen oprichten er van. Om dit te verduidelijken: eene kerk wordt
gebouwd om daarin godsdienstige bijeenkomsten te houden, en al doet
de spits van den toren, die bij dit gebouw behoort, nu dienst als een
peilingspunt bij graadmetingen dan is de reden van het bouwen van
dien kerktoren nog niet te zoeken in het nut van het bouwwerk bij
laatstgenoemde metingen. De theorie van Ballard gaat zelfs in meer
letterlijken zin aan dit euvel mank dan de theorie van De Persigny,
want eerstgenoemde denkt werkelijk dat de drie pyramiden dienst
deden als uitgangs-peilingspunten voor een uitgebreid stelsel van
opmetingen teneinde het land van Egypte op de juiste wijze onder de
bewoners te verdeelen. Zijn theorie is vervat in een boek genaamd "_The
solution of the Pyramid Problem_". Het eerste boek is lezenswaard voor
belangstellenden in dit onderwerp als een bewijs van de wonderlijke
aberraties van het menschelijk vernuft.
Van de minderwaardige theorieën, die eigenlijk in 't geheel den naam
theorie niet verdienen, maar louter als een buitensporige of bekrompen
opvatting van haar opsteller kunnen worden beschouwd, noemen wij de
volgende. Sir Thomas Browner schreef ten tijde van Elisabeth, dat de
donkere holen en bergplaatsen voor mummies de "schuilplaats van Satan"
waren, zijne redeneering grondende op eenige opmerkingen in Egyptische
papyrussen over "de onderwereld" en eveneens op eenige gezegden in
het Oude Testament. Welke deze laatste waren, weet ik niet, doch ik
denk dat hij die bedoelde welke H. P. Blavatsky eveneens aanhaalt in
de _Geheime Leer_:
"De groote breuk, die tusschen de zonen van het Vierde Ras ontstaan
is zoodra de _eerste Tempels_ en _Zalen van Inwijding onder de leiding
der 'zonen van God' gebouwd waren_ [43], wordt allegorisch voorgesteld
door de Zonen van Jacob.
De stervende Jacob beschrijft zijne zonen als volgt: 'Dan', zegt hij,
'zal een _slang_ zijn aan den weg, een _adderslang_ in het pad,
bijtende de verzenen des paards, dat zijn rijder achterover valle'
(_d. w. z._ hij zal den candidaten _Zwarte Magie_ leeren).
Omtrent Simeon en Levi merkt de aartsvader op dat werktuigen van
_wreedheid_ in hunne _woningen_ zijn: 'O mijn ziel, kom niet in hun
_geheim_ (lees Sod), tot hunne _vergadering_'.
Nu is Sod de naam van de Groote Mysteriën" [44].
Wij kunnen hieruit lezen, dat er eveneens pyramidale (?) tempels van
inwijding in zwarte magie waren en daar behoeven wij natuurlijk niet
aan te twijfelen; bovenstaande aanhaling zegt genoeg, maar ik vrees,
dat Browner te ver ging met zijn verklaring, indien ik hem al een
dergelijk diepzinnig denken over het vraagstuk mag toeschrijven.
Bonwick in zijn _Pyramid Facts and Fancies_ geeft deze theorie slechts
even aan, en vermeldt ook enkele zeer belachelijke theorieën, die den
naam theorie in het geheel niet waard zijn, o.a. een van een Zweedsch
wijsgeer (?!), die als zijn meening te kennen geeft, dat de Pyramiden
eenvoudig gebouwd waren als middel om het water van den troebelen Nijl
te zuiveren, dat door de gangen er van gevoerd zou worden. Ik heb het
boek, waarin deze meening toegelicht wordt, niet kunnen bemachtigen,
en dat spijt mij, aangezien het mij zeker eenige aangename oogenblikken
zou bezorgd hebben, en ik in geen geval overgehaald zou kunnen worden
om aan te nemen, dat de Pyramiden een soort "watertorens" der oudheid
waren. Verder vinden wij in dit werkje _Facts and Fancies_ vermeld
de meening van Gable, die zijne lezers vergast op het volgende
belangwekkende item: "het blijkt niet, dat de stichters eenigerlei
lofwaardig plan hadden, aan de nakomelingschap wetenschappelijke
afbeeldingen na te laten", zooals enkelen veronderstellen; "daarom
schijnen zij niet met een geometrisch doel opgericht te zijn"; doch
daar volgens Gable vastgesteld is (op welke wijze zegt hij niet) "dat
zij opgericht werden door hen 'die na hun huwelijk met de dochters der
menschen niet alleen ontaarde verachters van nuttige kennis werden,
maar zich geheel aan weelde overgaven'", is het niet te verwonderen,
dat zijn eindconclusie is, _dat zij gebouwd werden om de vrouwen
te behagen_!
Wathen schreef in 1842: "de geschenken van de koningin van Scheba aan
de Egyptenaren worden nu aanschouwd in de onvernietigbare massa's
der Pyramiden", terwijl Benjamin van Toledo en Vossius beweerden,
dat zij de graanpakhuizen van Jozef waren. Reeds in 1330 beweerde
Maundeville hetzelfde, zegt Bonwick. Bewijzen en zelfs bewijsredenen
ontbreken echter ten eenenmale.
Een theorie van meer waarde, en die ook zeer grondig is uitgewerkt en
beredeneerd, is die van Thomas Yeates, die in 1833 over dit onderwerp
eene dissertatie uitgaf [45]. In deze dissertatie maakt hij eene
vergelijking tusschen de Pyramiden en de ark van Noach, voornamelijk
wat betreft de afmetingen. Hij zegt: "de afmetingen van de Groote
Pyramide benaderen in de oude ellematen de ark van Noach op zulk
een wijze, dat ik niet kan aarzelen, hoe nieuw het denkbeeld ook is,
eene vergelijking te trekken".
Aangezien wij later op de maten-theorie zullen terugkomen, zullen
wij deze theorie alsdan nogmaals in verband met deze beschouwen.
Reeds maakten wij, toen wij Jomard aanhaalden, melding van de denkwijze
van Aristoteles over het doel van het bouwen der Pyramide. Deze
denkwijze is er eene, die door velen aangehangen werd. Hij dan zegt,
dat zij louter een vertoon van koninklijk despotisme vereeuwigde,
doch dat dit vertoon een dieperliggende politieke reden had. In dit
vruchtbare land (sprekende van de Nijldelta, die volgens Theosofische
opvatting nog niet aangeslibd was tijdens den bouw) zou het volk weinig
te werken gehad hebben en was er dus veel tijd tot muiterij en opstand
tegen koninklijk en priesterlijk gezag. De priesters zouden dan den
koning overtuigd hebben, dat er slechts één uitweg bestond om rust
onder het volk te brengen, namelijk het te dwingen tot het bouwen
van reusachtige bouwwerken, en aan deze reden zouden de Pyramiden
haar ontstaan hebben te danken.
Plinius is vrijwel van dezelfde opvatting, alleen meent hij, dat de
werklieden de krijgsgevangenen waren, die niet nutteloos gevoed en
gekleed konden worden en dus aan het werk moesten worden gehouden.
Greaves bespreekt de meeningen van deze beide schrijvers der
oudheid. Hij zegt: "Maar waarom de Egyptische koningen zich zulke
reusachtige onkosten getroost zouden hebben om deze Pyramiden te
bouwen, is een vraag van hoogeren aard."
Aristoteles zegt dat zij het werk van tyrannie zijn; en Plinius
beweert dat de heerschers ze deels uit praalzucht en deels uit politiek
bouwden, om het volk bezig te houden en het te bewaren voor muiterij
en opstand.
Sandijs dacht "dat het was uit vrees dat hunne groote schatten (die
van de Pharaoh's) hunne opvolgers zouden doen ontaarden".
Hoe men dezen Koningen tegelijkertijd toe kan schrijven dat zij
tyrannen, hoogmoedige despoten enz. waren, en tevens zulke een
vrees koesterden voor de ontaarding hunner opvolgers, is mij weer
een raadsel!
Mariette Bey is verontwaardigd over deze theorie en verwerpt haar; en
Hekekyan Bey merkt terecht op: "Het is welbekend dat een tyran bijna
nooit een werk voltooit dat door zijn voorganger onafgewerkt gelaten
is. Het is duidelijk dat deze Pyramiden eene nationale onderneming
waren; dat tot het plan er voor en de uitvoering er van werd besloten
na rijp beraad; wetten werden gemaakt en in inkomsten werd voorzien
om wat het publiek beslist had door de uitvoerende gezaghebbers tot
stand te doen brengen."
Dufeu beweert het tegengestelde van Aristoteles. Hij zegt: "Verre van
het werk te zijn van den trots en het despotisme van de Pharaoh's,
zijn zij integendeel bewijzen van hun verheven wijsheid en de diepe
kennis hunner priestercolleges."
Eindigen wij dit hoofdstuk met een paar der bekendste Arabische
schrijvers over dit punt te hooren:
Mustadi (te Gihe in Arabië) zegt in 992:
Er was een koning, genaamd Saurid, zoon van Salahx, 300 jaren voor
den zondvloed, die op een nacht droomde dat hij de aarde met hare
bewoners omvergeworpen zag, de menschen op hun gelaat neergeworpen,
terwijl de sterren van den hemel vielen en tegen elkaar aanstieten
en afschuwelijke en vreeselijke kreten slaakten terwijl zij vielen.
Hij ontwaakte daarop zeer verontrust en verhaalde zijn droom
aan niemand en was in zichzelf overtuigd dat een of ander groot
ongeluk aan de wereld zou overkomen. Een jaar daarna droomde hij
weder dat hij de vaste sterren op de aarde zag neerkomen in den
vorm van witte vogels, die de menschen wegsleepten en hen tusschen
twee groote bergen wierpen, welke zich zoo goed als samenvoegden
en hen bedekten en toen werden de heldere, schijnende sterren
donker en werden verduisterd. Daarop ontwaakte hij, buitengewoon
verbaasd en trad in den Zonnetempel en begon te weenen. Den
volgenden morgen beval hij dat alle vorsten der priesters en de
toovenaars van alle provinciën van Egypte tezamen zouden komen;
hetgeen zij deden tot een aantal van 130 priesters en waarzeggers,
naar welke hij toeging en hun zijn droom verhaalde, dien zij van
groot belang vonden; en de verklaring die zij er aan gaven was,
dat een zeer groot ongeluk aan de wereld overkomen zou.
Onder anderen zeide de priester Aclimon, die de grootste van allen
was, en voornamelijk zijn verblijf hield in het hof van den koning,
tot dezen:
'Heer, uw droom is bewonderenswaardig en ikzelf zag een anderen,
ongeveer een jaar geleden, die mij verschrikte en dien ik aan
niemand geopenbaard heb'.
'Zeg mij welke hij was', zei de koning. 'Ik droomde', sprak de
priester, 'dat ik met Uwe Majesteit op den top van den vuurberg
was, welke in het midden van Emsas is, en dat ik den hemel
beneden zijn gewone ligging zag zakken, zoodat hij bij de kruin
onzer hoofden was, terwijl hij ons bedekte en omringde als een
groot omgekeerd bassin; dat de sterren met de menschen vermengd
waren in verscheidene figuren; dat de menschen Uwe Majesteit
hulp afsmeekten en in menigten tot u snelden als hun toevlucht;
dat gij uwe handen boven uw hoofd ophieft en trachttet den hemel
terug te werpen en hem tegenhield, en dat ik, toen ik zag wat
Uwe Majesteit deed, hetzelfde verrichtte.
Terwijl wij in die houding waren, buitengemeen verschrikt,
dunkt mij, dat wij een gedeelte van den hemel zich zagen openen
en een helder licht daaruit zagen komen; dat daarna de zon op die
plaats opkwam en dat wij haar om bijstand smeekten, waarop zij tot
ons zeide: "De Hemel zal tot zijn gewone standplaats wederkeeren
wanneer ik driehonderd rondloopen volbracht heb". Daarop ontwaakte
ik buitengewoon verschrikt.'
Toen de priesters aldus gesproken hadden, beval de koning hun
de hoogte der sterren te nemen en te overwegen welk ongeluk zij
voorspelden. Waarop zij verklaarden dat zij eerst den Zondvloed
en daarna het vuur voorspelden. Toen beval hij dat de Pyramiden
gebouwd zouden worden en dat zij alles wat zij als waarde schatten,
daarin zouden brengen met de lichamen van de koningen en hunne
weelde, en de aromatische geuren, en dat zij hunne wijsheid er op
zouden schrijven, opdat de wateren deze niet zouden vernietigen".
Dit is een gewijzigde vorm van het Bijbelsche verhaal waar Sem de
kennis van de wereld der oudheid op twee pilaren laat graveeren:
Jachin en Boaz.
De geschiedschrijver Ibn Abd Alhokm is de volgende van wien ik een
gedeelte wil aanhalen. De aanvang van het verhaal van dezen komt
ongeveer op hetzelfde neer als het verhaal van Mustadi.
Daarna gaat hij verder:
"Toen de priesters gezegd hadden, dat de zondvloed ook in zijn land
zou komen binnen enkele jaren, beval de koning dat de Pyramiden
gebouwd zouden worden en dat een kelder (grot) zou worden gemaakt,
waarin de Nijl moest loopen, vanwaar hij in de westelijke landen
stroomen zou en in het land van Al Saïd.
En hij vulde de Pyramiden met talismans, en met vreemde dingen,
rijkdommen en schatten en dergelijke. Hij graveerde alle dingen
er in, die hem door wijze menschen verteld waren en evenzoo alle
diepgaande wetenschappen. De namen van alakakirs, de gebruiken en
gevaren er van, de wetenschappen van astrologie en wiskunde, van
geometrie en natuurkunde, alle deze kunnen weergegeven worden door
hen, die de karakters en taal kennen.--Nadat hij bevelen gegeven
had voor dit gebouw, sneden zij groote kolommen en wonderlijke
steenen uit. Zij haalden machtige steenen van de Ethiopiërs en
maakten daarvan de grondslagen van de drie Pyramiden, terwijl
zij ze samenvoegden met lood en ijzer. Zij bouwden de poorten er
van 40 ellen onder den grond en maakten de hoogte der Pyramiden
100 koningsellen = 500 van onze ellen. Bij den aanvang van dezen
bouw was een gelukkige horoskoop. Nadat hij ze geëindigd had
bedekte hij ze van boven tot beneden met gekleurd satijn (marmer)
en deed een plechtig feest plaats vinden, waar alle inwoners van
het rijk bij tegenwoordig waren. Toen bouwde hij in de westelijke
Pyramide 30 schatkamers, gevuld met rijkdommen en werktuigen,
en met handteekeningen gemaakt uit edelsteenen en met ijzeren
werktuigen en aarden vaten en met een _mes_ dat niet verteert en
met glas dat gebogen en niet gebroken kan worden, en met vreemde
betooveringen en met verscheidene soorten alakakirs, enkele en
dubbele, en met doodelijke vergiften en vele andere dingen. Hij
maakte ook in de oostelijke Pyramide hemelsche Sferen en sterren,
en hunne verscheidene aspekten en werkingen en geuren die daarbij
gebruikt worden en de boeken die over deze zaken handelen.
Hij plaatste ook in de gekleurde pyramide (de derde) de
verklaringen van de priesters in marmeren blokken en bij elken
priester een boek, waarin de wonderen van zijn ambt en van zijne
daden en zijne geaardheid en wat in zijn tijd gedaan werd en wat is
en wat zijn zal van het begin tot het einde van tijd. Hij plaatste
in elke Pyramide een schatbewaarder. De schatbewaarder van de
westelijke Pyramide was een standbeeld van marnier, dat rechtop
stond met een lans en op zijn hoofd kronkelde een slang. Hij die
er nabij kwam en stil stond, dien beet de slang in de zijde,
en kronkelde zich om zijn keel en doodde hem en keerde daarna
naar hare plaats terug.
Tot schatbewaarder van de oostelijke Pyramide maakte hij een
afgod van zwart agaat met open en schijnende oogen, die met een
lans op een troon zat. Wanneer iemand naar dezen opzag, hoorde
hij een stem aan zijne zijde, die zijne zinnen wegnam, zoodat
hij bewusteloos op zijn gelaat viel en niet ophield totdat hij
stierf. Tot schatbewaarder van de gekleurde Pyramide maakte hij
een standbeeld genaamd Albut, zittende. Hij die naar dit beeld
zag, werd er naar toegetrokken tot hij er tegen aankleefde en
kon er niet van afgehaald worden voor en aleer hij stierf."
Saurid schreef op de Groote Pyramide:
"Ik liet deze Pyramide opbouwen in zes jaren. Afbreken is
gemakkelijker dan opbouwen. Wie deze Pyramiden in zeshonderd
jaren afbreekt is knapper en waardiger dan ik en gereed mijne
plaats in te nemen".
HOOFDSTUK VI.
OVER DE BESTEMMING DER PYRAMIDE II.
Wij zullen er thans toe overgaan enkele van de meer belangrijke en
tevens meer bekende theorieën met betrekking tot de bestemming der
Groote Pyramide te beschouwen, en zullen dan bij het kiezen van
die theorieën zoodanige nemen, welke rechtstreeks tot onze eigene
leiden zullen.