"Bij den aanvang van de regeering werd de rotskamer, die voor het

graf van den vorst bestemd was, uitgehouwen en één laag metselwerk

er op aangebracht. Stierf de koning in het eerste jaar zijner

regeering, dan werd een buitenlaag er op aangebracht en eene

pyramide gevormd; maar indien de koning niet stierf, werd een

andere laag metselwerk er aan toegevoegd en twee van dezelfde

hoogte en dikte aan iederen kant; aldus nam in verloop van tijd

het gebouw den vorm aan van een reeks regelmatige trappen. Deze

werden overdekt met steenen, al de hoeken opgevuld, en steenen als

trappen geplaatst. Dan, zooals Herodotus ons reeds lang geleden

mededeelde, werd de Pyramide van boven af naar beneden gereed

gemaakt doordien al de uitstekende hoeken weggehouwen werden en

een volkomen driehoek overbleef."

Tegen deze theorie heeft Rawlinson bezwaren, want hij merkt terecht

op dat dit glad maken van de buitenzijde een werk van jaren moest

zijn en dat als een koning stierf, het zeer te betwijfelen viel of

zijn opvolger dit werk op zich zou nemen; in ieder geval zou hij aan

zijn eigen pyramide hebben moeten beginnen.

Wij hebben nu enkele der voornaamste schrijvers over dit onderwerp

aangehaald, en het zal ons niet baten meerdere aan te halen aangezien

zij geen nieuw licht werpen op de wijze van werken. Eene aardige

samenvatting van de verschillende opvattingen van "de kleine

houten werktuigen" en een beschrijving er van met vele platen

vinden wij in een belangwekkend werkje van T. M. Barker, geheeten

_The Mechanical Triumphs of the Ancient Egyptians_. Ook vinden wij

hierin eene uitvoerige beschouwing van de werkwijze zooals die door

Diodorus vermeld werd, namelijk met behulp van hellende vlakken,

eene methode die ook in Indië werd gebezigd. Dit hellende vlak zou

dan 3000 voet lang en 120 voet hoog zijn geweest en de helling zou 1

voet op de 25 bedragen hebben. Deze steenen helling, met vet besmeerd,

zou hebben gediend om met verminderde kracht de zware steenen aan te

slepen. Enkele archaeologen beweren dat gedeelten van deze hellingen

nog te vinden waren in het begin der achttiende eeuw. De zwaarste

steen in de pyramide van ± 60.000 K.G. zou dan getrokken moeten zijn

door een bende van 900 man. De weg was 60 voet breed, dus konden er

drie tegelijk naar boven.

Wie dit alles gelooven wil, hij kan bewijzen vinden blijkbaar, maar

er ontbreekt veel aan om overtuiging te schenken.

Wanneer wij de bekende feiten goed onder het oog zien en overdacht

hebben, kunnen wij thans zien, wat ons uit okkulte bron wordt

medegedeeld omtrent den bouw. Wij vinden dan in de reeds meer door mij

aangehaalde verhandeling _The Pyramids and Stonehenge_, het volgende:

"De hanteering van de reusachtige steenen, die bij dit bouwwerk

gebruikt zijn en ook inderdaad de samenstelling van de groote

Pyramide zelf, kan alleen verklaard worden door het toepassen

op deze werken van eene kennis aangaande de Natuurkrachten,

welke voor de menschheid verloren ging gedurende het verval van

de Egyptische beschaving en het barbarisme van de middeleeuwen,

en die door de hedendaagsche wetenschap nog niet teruggevonden is."

En verder:

"Maar hoe kwamen zij de moeilijkheden te boven, deze reusachtige

steenmassa's te hanteeren, waarvan alleen de bovenelkanderplaatsing

werktuigkundige hulp vereischt schijnt te hebben, welke wij in

verbeelding nauwelijks met eenig ander tijdperk dan het onze kunnen

samendenken? Wat dat aangaat, kan in Atlantis zelf gevonden worden,

wanneer eindelijk een voller licht op zijn geschiedenis geworpen

wordt, dat werktuigkundige hulpmiddelen van zeer vergevorderden

aard beschikbaar waren voor elk werk, waarvoor zij noodig waren;

maar de bouwers van dien tijd waren niet uitsluitend afhankelijk

van middelen van dien aard, als waarvan wij nu gebruik maken,

om groote massa's te hanteeren. In de rijpheid van Atlantische

beschaving waren enkele Natuurkrachten, welke nu slechts onder

het bestuur van adepten in okkulte wetenschap zijn, in algemeen

gebruik. De adepten van dien tijd waren onder geen verplichting het

geheim van haar bestaan angstvallig bewaard te houden; en onder

hen bestond het vermogen, thans zoo zelden uitgeoefend dat het

bestaan zelf er van minachtend ontkend wordt door de alledaagsche

massa--het vermogen om die kracht welke wij zwaartekracht noemen,

te wijzigen."

Hierna gaat A. P. Sinnett er toe over, het bestaan van dit vermogen

te verdedigen en zegt dat, hoewel de groote massa's der menschheid

natuurlijk lachen om zulk een vermogen, waarvan zij nog nooit iets

gehoord of gezien hebben, op dit geval het gezegde van Galilei, _e pur

si muove_, zeer van toepassing is. En zeker is de geheele oplossing

van het raadsel van den bouw van die oude bouwwerken in dit vermogen

te zoeken. Helderziende waarnemers hebben in de ákashaïsche beelden

den bouw gezien en onderzocht, en zij zeggen ons dat deze reusachtige

blokken steen op hun plaats gebracht werden met behulp van steigers,

zooals wij die zien gebruiken bij den bouw van een klein huis.

En hier vinden wij dus, om tot de Pyramiden terug te keeren, hoe men te

werk ging bij den bouw er van. De adepten, die den bouw er van leidden,

vergemakkelijkten het werk door de gedeeltelijke opheffing van de te

gebruiken steenblokken, en de bouwers die onder hunne leiding werkten,

bevonden dat de te gebruiken steenen gemakkelijk gehanteerd konden

worden. Misschien viel het hun zelf niet eens op, dat dit vermogen

door de adepten werd uitgeoefend. En dit nu is eene eenvoudige,

hoewel ongetwijfeld zeer geheimzinnige, verklaring van het feit dat

de reusachtige moeilijkheden, die zich voordeden bij den bouw van

zulke kolossale bouwwerken, overwonnen konden worden. Hoe vreemd deze

verklaring moge schijnen voor een leek, en hoe ongelooflijk zelfs,

is niet de door de oudheidkundigen tot dusver aangenomen verklaring

even ongelooflijk, wanneer men er over nadenkt? Zij toch zijn tevreden

met aan te nemen dat de bouwers van dergelijke reuzenwerken en dus

ook van de Groote Pyramide een onbegrensd aantal arbeiders jarenlang

lieten arbeiden om de reusachtige steenen langs sleephellingen en door

middel van balken, rollen en katrollen op de een of andere wijze op

elkaar te stapelen. En wanneer wij nu weten dat bij deze bouwwerken

de meeste steenen 2 of 3 honderd ton wegen en dat bijvoorbeeld bij

den tempel van Baalber in Syrië steenen gebruikt zijn van 1500 ton,

dan vergt deze hypothese der oudheidkundigen meer van ons geloof dan

zelfs de okkulte verklaring. Zij willen ons iets laten aannemen wat

wij weten dat physisch onmogelijk is, maar omdat zij het zeggen in ons

bekende termen, en omdat zij spreken over dingen die wij zien kunnen

met betrekking tot _kleine_ gewichten, nemen wij het onnadenkenderwijs

al te licht aan. Maar deze reusachtige werken van de oudheid staan

voor ons als een blijvend bewijs, dat ten tijde van hun bouw de wereld

getuige was van een bouwkunde, welke hare overwinningen niet behaalde

door ruwe kracht, maar door de toepassing van een subtieler kennis

dan heden ten dage bezeten wordt.

Na den bouw thans zoo ver mogelijk behandeld te hebben, rest mij

het inwendige gangen- en zalenstelsel te beschrijven, om dan tevens

over te gaan tot het eigenlijke doel dezer verhandeling, namelijk

het nagaan van de verschillende theorieën die met betrekking tot de

beteekenis van dit bouwwerk ontstaan zijn.

HOOFDSTUK IV.

BESCHRIJVING VAN HET INWENDIGE.

Wij zijn gekomen tot een gedeelte van ons onderwerp dat wij kunnen

beschouwen als eene inleiding tot de bespreking der verschillende

theorieën die langzamerhand ontstaan zijn omtrent het doel der Groote

Pyramide. Immers, indien zich onder de Pyramide, dus in het rotsvlak

waarop zij staat, eene grafkamer had bevonden, en de Pyramide zelf

een massief geheel met een daarheen leidende gang ware geweest,

zooals dit bij andere pyramiden het geval is, zou er weinig reden

bestaan hebben om zich in gissingen omtrent het doel der Pyramide te

verdiepen. Maar juist door de bijzondere en eigenaardige afwijking,

die de Groote Pyramide in dit opzicht vertoont, is zij geworden tot

een onderwerp van de meest uiteenloopende beoordeelingen en gissingen,

en was zij aanleiding tot heel wat geschrijf.

Met betrekking tot haar inwendige vertoont de Groote Pyramide een

eigenaardigen aanblik. Het feit dat zich zulk een uitgebreid gangen- en

kamerstelsel daarin bevindt is slechts sedert betrekkelijk korten tijd

bekend en de schrijvers der oudheid vermelden er niet veel van. Niet

eerder dan sedert de groote Fransche expeditie onder Napoleon werd dit

een feit van meer algemeene bekendheid en wij vinden in _Pancoucke's_

werk over deze expeditie een vrij nauwkeurige beschrijving van deze

gangen en kamers. Eerst in latere werken werden zeer uitvoerige

beschrijvingen er van gegeven, naarmate dit noodzakelijk bleek tot

staving van de theorieën der schrijvers aangaande de symboliek of

het doel der Pyramide.

Volgens de oudste verhalen was de Pyramide geheel gesloten tot het jaar

830 n. Chr.. Kalief Al-Mamoen zou de eerste geweest zijn die zich met

geweld een toegang deed banen, daar hij de eigenlijke opening en den

ingang niet wist en ook niet vond. Deze laatste is thans wel bekend

en bevindt zich op ongeveer 47,5 voet boven de basis, tusschen den

vijftienden en zestienden trap; zij schijnt eveneens bekend geweest

te zijn bij enkele Grieken. Ook Strabo maakt er melding van. Hij zegt:

"In de hoogte als het ware, in het midden tusschen de twee zijden, is

een steen die weggenomen kan worden, en wanneer deze er uitgenomen is,

is er een hellende ingang tot het graf." Op een andere plaats zegt hij:

"Deze ingang werd geheim gehouden."

In hoeverre het verhaal van den Arabischen schrijver Ibn Abd Al

Hokm over het forceeren van den ingang waarheid bevat, is moeilijk

na te gaan. De meeste schrijvers hechten er weinig waarde aan, daar

er te veel feiten tegen spreken, en het verhaal blijkbaar zeer veel

fantasie bevat. Wel is het waarschijnlijk dat gedurende deze poging

om de Pyramide inwendig te onderzoeken wegens de schatten die, naar

men veronderstelde, daar verborgen waren, de andere gangen en kamers

ontdekt werden. Dit is ook de meening van Piazzi Smith en hij geeft

een vrij uitvoerig verslag van het Arabisch verhaal omtrent deze

gebeurtenis, waaraan ik het volgende ontleen.

Al-Mamoen liet zijne werklieden dertig voet boven den grond in het

midden der noordelijke zijde aanvangen met breken. Het was evenwel

een oneindig veel zwaarder werk dan de Kalief gedacht had en zijne

lieden werden oproerig en wilden dit blijkbaar onmogelijke werk

opgeven. Doch de Kalief dwong hen tot weder opvatten van de taak

die hij zich gesteld had en maanden en maanden werd er gewerkt;

schijnbaar zonder dat men veel verder kwam. Daarna wilden zijne

werklieden het in ieder geval opgeven, toen zij als bij een toeval

een zwaren steen niet ver van hen vandaan hoorden neerploffen;

dit deed hen met vernieuwden moed in die richting werken, waarop

zij kort daarna doordrongen tot de benedenwaarts leidende gang,

die waarschijnlijk vaak betreden was door Grieksche en Romeinsche

bezoekers vóór hen. Doch thans lag daar de steen die het geluid

veroorzaakt had, een steen waarvan de onderkant tevoren een deel

uitmaakte van het dak van de benedenwaarts leidende gang. Blijkbaar

was deze steen de afsluitsteen geweest van een opwaarts leidende

gang. Dit was ook zoo. Echter was deze gang nog steeds verstopt

door reusachtige wigvormige steenen die achter den gevallen steen

een plaats gevonden hadden. De Arabieren zagen geen kans deze op

te ruimen, dus hakten zij zich een weg door den veel zachteren

kalksteen daar omheen; op deze wijze zich een weg banende tot

de opwaarts leidende gang, een doorgang die ook heden nog benut

wordt door bezoekers. Thans stond hun de weg open tot de verdere

gangen en kamers der Pyramide, doch van schatten geen spoor.

De Kalief wist nu slechts één middel om zijn verwoede volgelingen

tot bedaren te brengen; in den nacht liet hij aan het einde van

het geboorde gat een schat begraven in het steenwerk der Pyramide

en liet hen den volgenden dag daar verder houwen. Natuurlijk

vonden zij het goud en toen het geteld werd bleek het juist het

bedrag te zijn dat verbruikt was voor de onderneming. Daar nu de

werklieden hun werk betaald kregen, hield hun opstand spoedig op

en de Kalief keerde terug naar El Fostat.

Eén ding was echter bereikt. Sinds dien tijd was het inwendige

der Pyramide opengelegd voor latere bezoekers, en enkele van

deze drongen daar dan ook in door; en een der geschiedschrijvers

verhaalt dat "enkele van deze er veilig weer uitkwamen en andere

stierven." [39]

Het verhaal omtrent deze doordringing tot het inwendige der Pyramide

heeft in handen van latere Arabische schrijvers wonderlijke

veranderingen ondergaan en een van deze weergevingen vermeldt

o.a. dat de Arabieren, toen zij tot de Koningskamer doordrongen,

in de sarcofaag een steenen beeld vonden, dat hol was en waarin zich

een lichaam bevond van een man met een gouden borstplaat, bezaaid met

juweelen. Een zwaard van onberekenbare waarde lag op het lichaam. Nabij

het hoofd bevond zich een karbonkel van de grootte van een ei.

Latere schrijvers hechten weinig waarde aan deze verhalen, en sommigen

twijfelen er zelfs aan of het Al-Mamoen was, die de openbreking leidde

en zeggen dat hij voor de uitvoering van zulk een werk te kort in

Egypte verbleef. Hoe dit ook zij, de Pyramide is thans reeds geruimen

tijd open voor een inwendig onderzoek en het bekende gedeelte is dan

ook herhaalde malen onderzocht, opgemeten enz., en de teekening, die

hierbij gevoegd is geeft een juiste weergave van de ontdekte gangen

en kamers.

In de eerste plaats zien wij dan de benedenwaarts leidende gang,

die tamelijk steil afloopt. De helling is 26° 28' [40], de geheele

lengte bedraagt 320 voet en 10 duim en moet oorspronkelijk toen de

ingang nog gaaf was ongeveer 343 voet geweest zijn. De hoogte is 47

duim, de breedte ± 41 duim. Na 63 voet gedaald te zijn komt men aan

den ingang tot de opwaarts leidende gang. De helling hiervan wordt

nogal verschillend opgegeven, het gemiddelde van deze opgaven is

± 26°. De lengte van deze gang is 124 voet, de breedte en hoogte

nagenoeg gelijk aan die van de benedenwaarts leidende gang; aan

het einde er van bevindt zich een sousplatform, rechts daarvan is

de put, in zuidelijke richting strekt zich de gang uit die naar de

Koninginnekamer leidt, terwijl de Galerij een vervolg van deze gang

is. De horizontale Galerij is ± 109 voet lang, de breedte 3 voet en

5 duim, de hoogte 3 voet en 10 duim in het eerste gedeelte en 5 voet

8 duim in het laatste gedeelte. De put is 191.5 voet diep; hiervan

is 148.5 voet in de vaste rots uitgehouwen. Aan de wanden bevinden

zich aan drie kanten uithouwingen om met behulp van handen en voeten

naar boven te klimmen. De Koninginnekamer is 17 voet 10 duim lang, 16

voet 1 duim breed en 19 voet 5 duim hoog. Aan de oostelijke zijde in de

Koninginnekamer bevindt zich eene uitholling. Sommige schrijvers denken

dat de Arabieren dit gedaan hebben, andere denken dat hierachter een

verborgen gang leidde naar de Sphinx of een andere verborgen plaats.

Van het platform af leidt verder opwaarts de galerij die de

merkwaardigste is van de geheele Pyramide, en algemeen bekend staat als

de Groote Galerij. Zij is ± 150 voet lang (± 50 M.) en 27 voet 6 duim

(± 9 M.) hoog. Het inwendige is zeer fraai afgewerkt. John Greaves,

de tevoren aangehaalde schrijver over de Pyramide, was er reeds over

in bewondering. Hij zeide: "Zij doet in merkwaardigheid in kunst en

rijkheid van grondstoffen niet onder voor de prachtigste gebouwen"

en kenschetst haar verder als "den arbeid van een uitstekend bekwame

hand." Opmerkenswaardig is vooral het dak, dat bestaat uit zeven lagen,

waarvan elke volgende voorbij de vorige uitspringt, terwijl verder

aan weerszijden op den vloer eene verhooging of bank is, die over de

geheele lengte van de Galerij loopt. In deze verhooging bevinden zich

aan de eene zijde 26 gaten of uithakkingen, aan de andere zijde 28.

In den vloer zijn als het ware ruwe treden gehakt, natuurlijk in

latere tijden, voor het gemakkelijker omhoog komen der bezoekers,

iets wat anders zeer bezwaarlijk zou gaan. Aan het einde van de

Galerij bevindt zich een zeer hooge steen van 7.5 voet. Eenmaal

hierop geklommen, komt men eerst aan een kleinen nauwen doorgang,

vervolgens in een soort voorkamer en daarna in een korte gang. Hierin

is een lage doorgang van graniet en men moet onder den steen die

daar als het ware tusschen de wanden in de lucht hangt, en een soort

opgehaalde valdeur vertegenwoordigt, doorkruipen; hierna weder een

nauwen doorgang door, en men bevindt zich in de Koningskamer. De

hangende steen wordt beschouwd als een die ter afsluiting zou hebben

moeten dienen. De geheele lengte van dezen toegang is 22 voet. In

de voorkamer ziet men aan de zijwanden meerdere groeven uitgehouwen,

waarin waarschijnlijk ook valsteenen behoorden.

De Koningskamer zelf is in weerwil van de vele beschadigingen een

schoon geheel van graniet. Groote platen van 20 voet hoog, onmerkbaar

aaneengevoegd, vormen de zijden. Er bevindt zich niets in behalve de

veel besproken sarcofaag. Greaves geeft ook eene opgetogen beschrijving

van deze kamer: "Deze rijke en ruime kamer, waar de kunst schijnt te

hebben gewedijverd met de natuur, daar het werk niet ondergeschikt is

aan de rijke grondstoffen, is als het ware in het hart van de pyramide

op gelijken afstand van de zijden en ongeveer op het midden tusschen

den top en de basis. De vloer, de zijden en het dak zijn alle gemaakt

van groote stukken graniet." Hij eindigt met haar "een prachtige kamer"

te noemen. In de kamer bevinden zich nog twee luchtkanalen, die eerst

later ontdekt zijn, een er van loopt naar de noordzijde der Pyramide,

de andere naar de zuidzijde. De helling is ± 83° bij het noordelijke

kanaal en de lengte van het noordelijke kanaal is volgens meting 233

voet. Zij vangen aan op een hoogte van 3 voet van den vloer.

De sarcofaag die zich in de Koningskamer bevond is geheel van porphyr

marmer. De lengte is 6.5 voet, de breedte 26.6 duim. Merkwaardig is

het op te merken dat zij te groot is om later door de gangen in de

kamer gebracht te zijn; men veronderstelt dat zij dus van boven af

neergelaten is, vóór het dak gesloten en de Pyramide voltooid werd.

Er is geen deksel op de sarcofaag en ook geen teeken dat er ooit een

op geweest is; hierdoor is nogal verschil van meening ontstaan onder de

geleerden of zij wel ooit gebruikt kan zijn om eene mummie te bevatten,

en er zijn minstens evenveel gezaghebbende stemmen tegen dit denkbeeld

als er vóór zijn. Zij is thans aanmerkelijk beschadigd hoewel de

reizigers van vorige eeuwen haar steeds als gaaf vermelden. De steenen

wand is ongeveer vijf duim dik en is buitengewoon hard. Wanneer men

met metaal er tegen aanslaat klinkt hij als een bel. De aanblik van

de gepolijste steensoort is die als van gekleurd glas met zwarte,

witte en roode stippen.

Thans echter is de sarcofaag aanmerkelijk beschadigd; velen ergeren

zich hierover ten zeerste. Bonwick in _Pyramid Facts and Fancies_ laat

zich daarover uit als volgt: "Niet aleer de Europeanen, voornamelijk

Engelsche en Amerikaansche dames en heeren hierheen begonnen te

stroomen, begon dit Vandalisme. Het was niet voldoende massa's van

het uitwendige af te houwen, maar dit kostbare gedenkstuk, dat zelfs

geen Turk had willen ontwijden of beschadigen, begon het gewone lot

van relikwieën te ondergaan door de hand van relikwieën-vereerders

en relikwieën-dieven." En verder: "Met uitzondering van een klein

brokje was de sarcofaag zestig jaar geleden gaaf. Zij die haar

nu beschouwen, afgehakt en afgeschilferd, als zij is, mogen wel

blozen voor de Westersche beschaving. Den schrijver zelf werd kalm

door een van zijn Arabische volgelingen gevraagd of hij er gaarne

een stuk afgebroken wou hebben. Met niemand die verantwoordelijk

is voor het behoud en met de verwachting der inboorlingen voor een

frank per afgebroken stuk, wie kan zich dan nog verwonderen over de

trapsgewijze vermindering en eindelijke algeheele vernietiging van

deze wonderbaarlijke en geheimzinnige kist."

Boven het dak van de Koningskamer bevinden zich vijf kleinere kamers,

waarin men komen kan door een gat in het dak. Deze kamers zijn

genoemd naar Davison, Hertog Wellington, Lord Nelson, Lady Arbuthnot

en Col. Campbell. De eerste werd in 1763 door Davison ontdekt. De

overige werden door Col. Howard Vyse in 1837 ontdekt. De kamers zijn

van elkaar gescheiden door graniet, glad aan den bovenkant en ruw

aan den onderkant. De bovenste of vijfde kamer heeft een dak van twee

schuins opstaande steenblokken. De hoogte van de gezamenlijke kamers

bedraagt ± 69 voet.

Gezaghebbenden zijn het er vrijwel over eens dat de reden van

het bouwen van deze kamers moet gezocht worden in het plan van de

bouwers om het gewicht op het dak te verlichten; zoodat het dak van

de Koningskamer niet zou bezwijken onder den zwaren last.

De bovenvermelde kamers en gangen zijn de tot dusver ontdekte in het

bovengrondsche gedeelte der Pyramide. In het rotsgedeelte bevindt zich

nog een kamer, die gelegen is aan het einde van den benedenwaarts

leidenden ingang. Daartegenover bevindt zich in deze kamer een

doodloopende gang.

Ik heb hier een korte en ruwe schets gegeven van het onverklaarbare

en ingewikkelde stelsel van gangen en kamers in de Groote Pyramide,

namelijk van die welke tot dusver ontdekt zijn. Want ik geloof

ten stelligste dat er veel meer gangen en kamers zijn, en dit is

verklaarbaar omdat in de verhandeling over _Pyramids and Stonehenge_

gezegd wordt, dat Koefoe een deel der kamers afsloot. Echter zullen

deze wel nooit ontdekt worden, daar de belangstelling tot verder

onderzoek in dezen thans ernstig verflauwd is, en misschien gelukkig

maar? Want die afsluiting zal niet zonder reden geweest zijn en

evenals de bekende gangen en kamers eerst ontdekt zijn en onderzocht

toen dit zonder bezwaar van andere zijde geschieden kon, evenzoo zal

dit misschien later het geval zijn met nog onontdekte gedeelten.

Thans zullen wij, nu wij ons eenigermate een oordeel kunnen vormen over

de vraagstukken: wanneer werd de Pyramide gebouwd? en door wie? nagaan

wat door verschillende schrijvers gezegd is met betrekking tot het

waarom? Want zeker bestaan er geen meer uiteenloopende meeningen over

het doel van een bouwwerk dan het geval is bij deze Pyramide. In het

volgende hoofdstuk zullen wij dus zien welke doeleinden men alzoo

aan de Pyramide toekende.

HOOFDSTUK V.

OVER DE BESTEMMING DER PYRAMIDE.

In de voorgaande hoofdstukken heb ik, zij het ook onvolledig, in

hoofdtrekken aangegeven wat ons uit gezaghebbende bronnen bekend is

geworden omtrent het tijdstip van den bouw, omtrent de(n) bouwer(s)

en de wijze van bouwen; en ik heb slechts hier en daar aangestipt wat

deze schrijvers dachten met betrekking tot het doel, voor hetwelk

de Pyramide gebouwd zoude zijn. Mijne lezers moeten het voorgaande

geheel beschouwen als eene lange inleiding tot de eigenlijke bedoeling

van deze verhandeling, namelijk het beschouwen van de bestemming van

dit merkwaardige bouwwerk. En hetgeen thans volgt als een algemeen

overzicht van de verschillende theorieën over die bestemming, moet

eveneens weer beschouwd worden als een overgang tot het nagaan van

die theorie, welke voor Theosofen--hetzij krachtens geloof, gezag of

overtuiging--de meeste waarde heeft, namelijk die theorie, welke ik

aanduidde als de Theosofische en welke men eveneens kan beschouwen

als een maçonnieke theorie.

Het zou onmogelijk zijn, alle theorieën die omtrent de vermoedelijke

bestemming der Pyramide bestaan, hier ter plaatse volkomen te

behandelen; ik moet volstaan met ze kortelijks weer te geven, en zelfs

kan ik enkele alleen vermelden, daar ze volstrekt van geen waarde of

belang zijn voor ons eigenlijk doel. Een ieder die belang stelt in de

eene of andere speciale theorie, kan deze voor zichzelf nagaan in de

daarover geschreven werken, en de meeste dezer theorieën zijn zelfs

te technisch om in een populaire verhandeling als deze een plaats te

vinden. Ik moet dus slechts de minst technische behandelen.

De meest bekende, thans ook meest gezaghebbende theorie is die welke

de Groote Pyramide evenals alle pyramiden maakt tot een praalgraf

van Egyptische Pharaoh's.

De andere schrijvers laten zich, zooals ik reeds vermeldde, weinig

uit over het doel en men kan dus weinig steun bij hen vinden, zoowel

voor deze als voor eene andere theorie.

Jomard zegt in zijn verhandeling _Sur les Pyramides d'Egypte_ [41]:

De Groote Pyramide · 第 3 / 11 段