uitwijking uit Egypte met tallooze families naar een vreemd land
niet anders dan de geschiedenis van een der pogingen van den Manoe
tot het vormen van het nieuwe Vijfde Ras, doch ik geef deze opinie
geheel voorwaardelijk. Het zal echter belangwekkend zijn, alvorens
na te gaan of deze vermelde bouwer identisch is met Noach en met
dien welken de Theosofische gegevens ons als den bouwer aanduiden,
iets meer te vermelden omtrent dezen schaapherderkoning Philitis. In
ieder geval is er van het Theosofisch standpunt gezien, hier een zeer
groote verwarring van tijdstippen, want Melchizedek kan nimmer ten
tijde van Khoefoe geleefd hebben, en wij zullen, wanneer wij de door de
laatstgenoemde schrijvers gebezigde bijbelsche tijdrekenkunde willen
toepassen, nimmer tot overeenbrenging van feiten of personen kunnen
geraken. Zoo ook nu zullen wij het tijdstip van Melchizedek's verblijf
in Egypte buiten rekening laten en ons bepalen tot het constateeren
van het feit dat door deze schrijvers Noach en ook Melchizedek als
de vermoedelijke bouwers der Pyramide aangegeven werden, daartoe door
den Allerhoogste uitverkoren.
Van Melchizedek wordt gezegd dat hij was "zonder vader, zonder
moeder, zonder afstamming, hebbende geen begin noch ook eind van
leven, maar gemaakt als een evenbeeld van den Zoon van God". Van
een okkult standpunt beschouwd, kunnen wij hierin lezen dat hij
dan in ieder geval een zéér hoog Ingewijde moet geweest zijn, doch
waarschijnlijk was hij eene verpersoonlijking van den Tweeden Logos,
zooals wij zoo dadelijk zullen zien. Dit wordt ons duidelijker nog
wanneer wij hooren dat daar waar bijv. Piazzi Smyth Melchizedek
als den bouwer aanneemt, Tracey Christus als den bouwer noemt. Dit
nu klinkt uiterst wonderlijk en onmogelijk wanneer wij dit zouden
opvatten zooals velen dit doen, en de schrijver niet het minst, in den
zin, dat met al deze namen altijd de personen van dien naam bedoeld
worden en niet het beginsel of het Hooger Wezen of de Wezens welke
zij steeds vertegenwoordigen. Dan kan het ons ook geen verwondering
baren, wanneer volgens Kabbalistische getal-waarden bewezen wordt
dat Melchizedek = Melchizadek = Vader Sadik = Christus is [27], en in
nauw verband staat met diepzinnig okkulte feiten van groote waarde,
waarop wij meer dan eens gelegenheid zullen hebben terug te komen bij
het behandelen van de Symboliek der Pyramide, welke feiten in verband
staan met de groote rol, die getalwaarden van namen spelen in verband
met den siderischen cyclus van inwijding in de Groote Pyramide.
Nu wil ik geenszins beweren dat het de bedoeling is van de genoemde
schrijvers, welke Melchizedek aannemen als den vermoedelijken bouwer,
om tot de conclusie te komen welke ik thans zal trekken; zij zouden
dit nimmer kunnen, daar zij aan de personen blijven hangen evenzeer
als aan de geschiedkundige feiten, terwijl Theosofen kunnen weten dat
alle geschiedkundige en bijbelsche personen ook kosmische grootheden
voorstellen, wanneer wij de verhalen en gebeurtenissen aan een _tweede_
lezing onderwerpen. Zoo ook hier.
Waar wij reeds zagen dat Melchizedek = Christus als de bouwer
wordt genoemd, en John Taylor Noach vermeldt als volgens hem
den vermoedelijken bouwer, leert H. P. Blavatsky ons dat Noach =
Melchizedek, Vader Zadik. En wanneer wij dus niet aan geschiedkundige
persoonlijkheden blijven hangen, hebben wij reeds eenigermate den
weg gebaand tot overeenstemming omtrent den bouwer, want thans
rest ons alleen aan te toonen dat Noach (= Melchizedek = Christus)
dezelfde is als de Acht groote Goden [28] en mijn doel zal voor ditmaal
bereikt zijn, namelijk te doen zien dat ook hier, waar blijkbaar zeer
onmogelijke dingen werden verkondigd met betrekking tot den bouwer,
welke zeer moeilijk op eenigerlei wijze waren overeen te brengen
of te verklaren, deze gegevens door het licht der kennis, ons door
H. P. Blavatsky gegeven, in harmonie gebracht en duidelijk gemaakt
worden. Zij dan zegt:
"Doch wij kunnen nog enkele woorden in het midden brengen over Noach,
die bij de Joden de plaats van nagenoeg elken heidenschen God in
een of andere gedaante inneemt. De zangen van Homerus bevatten in
dichterlijken vorm al de latere fabels over de aartsvaders, die
allen siderische, cosmische en getallen-zinnebeelden en teekens
zijn. De poging om de twee stamboomen van Seth en Kaïn van elkander
te scheiden en de daaropvolgende even onbeduidende poging om te
bewijzen dat zij _werkelijke, historische_ menschen geweest zijn,
heeft slechts tot ernstiger onderzoek naar de geschiedenis van het
verleden geleid en tot ontdekkingen die de vermeende _openbaring_
voorgoed aan het wankelen gebracht hebben. Nu bijvoorbeeld vastgesteld
is dat Noach en Melchizedek dezelfden zijn, is verder de identiteit van
Melchizedek, of Vader Sadik, met Kronos-Saturnus eveneens bewezen. Dat
dit zoo is, kan gemakkelijk aangetoond worden. Geen enkel Christelijk
schrijver ontkent het. Bryant [29] is het eens met al degenen die
van meening zijn, dat Sydic, of Sadic de aartsvader Noach was en ook
Melchizedek was en dat zijn naam Sadic, met het hem in _Genesis_ vi:
9 toegeschreven karakter overeenkomt." [30]
En verder:
"Nu is het Sanchuniathon, die aan de wereld mededeelt dat de Kabiri
de Zonen van Sydic of Zedek (Melchi-Zedek) waren. Aangezien deze
mededeeling langs de _Preparatio Evangelica_ van Eusebius tot
ons gekomen is, kunnen wij haar weliswaar met zekere achterdocht
beschouwen, daar het meer dan waarschijnlijk is dat hij met de
werken van Sanchuniathon op gelijke wijze gehandeld heeft als met de
synchronistische tafelen van Manetho. Doch laten wij veronderstellen
dat de vereenzelviging van Sydic, Kronos of Saturnus met Noach en
Melchizedek op een der vrome hypothesen van Eusebius gegrond is. Laten
wij haar als zoodanig aanvaarden en met haar de omschrijving dat
Noach een _rechtvaardig man_ was, alsook zijn vermeende dubbelganger,
de geheimzinnige Melchizedek, 'koning van Salem en een priester des
allerhoogsten Gods naar zijn eigen ordening', en ten slotte, na te
hebben nagegaan wat zij uit een geestelijk, sterrekundig, psychisch
en cosmisch oogpunt waren, zien wat zij volgens de Rabbijnen en de
Kabbala geworden zijn.
Sprekend van Adam, Kaïn, Mars enz., als _verpersoonlijkingen_, zien
wij den schrijver van _The Source of Measures_ in zijn kabbalistische
onderzoekingen onze eigene esoterische leerstellingen verkondigen. Zoo
zegt hij:
Mars nu was de Heer van _geboorte_ en _dood_, van _voortbrenging_
en _vernietiging_, van _ploegen, bouwen, beeldhouwen_ of
steenhouwen, van de _bouwkunst_,.... kortom van alles wat onder
het woord kunsten verstaan wordt. Hij was het _oerbeginsel_, dat
zich in de wijziging van _twee tegengesteldheden ter wille van
de voortbrenging_ oploste. Ook bekleedde hij in de sterrekunde de
plaats van de geboorte van den dag en het jaar, de plaats van zijn
_krachtsvermeerdering_, den Ram, en evenzeer die van zijn dood,
den Schorpioen. Als _geboorte_ was hij het _goede_, als _dood_ het
_kwade_. Als _goed_ was hij _licht_, als _kwaad_ de _nacht_. Als
_goed_ was hij de _man_, als _slecht_ de _vrouw_. Hij nam de
Kardinale punten in, en als _Kain_, of _Vulkanus_ of _Vader Sadic_
of _Melchizedek_, was hij de heer der _ecliptica_ of _weegschaal_
of _lijn van evening_ en daarom was hij de _Rechtvaardige_. De
ouden waren van meening dat er zeven planeten of groote goden
waren, gegroeid uit acht, en Vader Sadic, de _Rechtvaardige_
of _Gerechte_ was Heer van de achtste, die de _Moeder Aarde_
was." [31]
Voor den lezer is het thans mogelijk te zien dat de bouwers, wanneer
zij kosmisch beschouwd worden, volgens verschillende verhalen als
dezelfde bedoeld worden. Skinner geeft ons nog in het meer vermelde
werk aan, dat zijn symbool was de omgrensde vorm van de pyramide met
haar top en basishoekpunten, zoodat wij het beeld van den bouwer zien
in zijn werk.
In een volgend hoofdstuk zullen wij trachten te zien, hoe dit beeld
uitgedrukt werd in dit majestueuse bouwwerk, wanneer wij de symboliek
er van begrijpen.
HOOFDSTUK III.
DE BOUW.
Het is thans mijne bedoeling, na te gaan wat door verschillende
schrijvers der oudheid en der latere tijden geschreven is met
betrekking tot de wijze van bouwen der Pyramide. Gaarne had ik
gezien dat een bouwkundig theosoof dit in mijne plaats gedaan had,
en er zijne beschouwingen aan had vastgeknoopt, maar aangezien mijn
wensch in dezen niet vervuld is, hoop ik dat het hier geschrevene
den een of anderen bouwkundige zal aanmoedigen zulks nog te doen, en
zal zelf volstaan met zoo volledig mogelijk de verschillende verhalen
der schrijvers over dit deel van mijn onderwerp op te sommen.
Allereerst dan Herodotus. Hij schrijft:
"Cheops liet eerst de tempels sluiten en verbood iedere soort
van offering. Vervolgens veroordeelde hij de Egyptenaren zonder
onderscheid tot het uitvoeren van openbare werken. Een gedeelte
werd gedwongen steenen te houwen in de steengroeven en ze tot aan
den Nijl te voeren; een ander gedeelte om deze steenen in ontvangst
te nemen, den stroom over te steken op booten en ze in de bergen te
brengen aan de Lybische zijde. Honderdduizend mannen, die elke drie
maanden afgelost werden, waren voortdurend bezig met deze werken;
en tien jaren, gedurende welke het volk onophoudelijk met nieuwe
moeilijkheden werd belast, werden in beslag genomen enkel om een
weg te maken om de steenen te vervoeren, een werk dat zelf niet
minderwaardig is aan het oprichten van een pyramide." [32]
Vervolgens beschrijft hij de grootschheid van dezen weg, en merkt
tevens op hoe gelijktijdig daarmede in den rotsgrond _waarop_ de
Pyramiden staan onderaardsche kamers werden uitgehouwen, die bestemd
waren voor het begraven van de mummies der Koningen. Daarna komen
wij in zijne reisbeschrijving van Egypte aan dat gedeelte, hetwelk de
wijze van bouwen der Pyramide beschrijft. Merkwaardig is het, alvorens
dit gedeelte aan te halen, nog even te vermelden hoe hij zegt dat
"zij [de Pyramide] geheel overdekt is met gepolijste steenen, met de
grootste zorg aanéén gevoegd, van welke steenen geen enkele minder
dan dertig voet is."
"Volgens de wijze van werken die aangewend werd bij het opbouwen
van de pyramide vertoonden hare zijden eerst een soort van trap
in den vorm van een graadsgewijs opklimmend amphitheater. Toen
zij volgens dit plan afgewerkt was, en het noodig werd haar te
overdekken, bezigde men, om achtereenvolgens de steenen op te
heffen die tot deze bekleeding moesten dienen, werktuigen die van
hout gemaakt waren en eene kleine afmeting hadden. Een van deze
werktuigen lichtte den steen van den grond zelf op en bracht hem
over naar den eersten trap; wanneer hij daar aangekomen was bracht
een ander dien over naar den volgenden trap, en zoo vervolgens;
of er evenveel werktuigen waren als trappen, of dat hetzelfde
werktuig, dat gemakkelijk te verplaatsen was, tot het vervoeren
der steenen diende, ik moet het verhalen zooals het een en ander
mij gezegd is. Op deze wijze begon men met de bekleeding van het
bovenste gedeelte en men ging voort met werken, al afdalende,
eindigende met het onderste gedeelte dat tot aan den grond
kwam." [33]
Verder zegt hij dan nog hoe op een der zijden van de Pyramide in
hieroglyfen vermeld werd het loon der arbeiders, en maakt daaruit
op den duur van den bouw, waarvan hij dan zegt dat hij "nog al lang
heeft moeten duren."
In ieder geval kunnen mijne lezers hieruit wel zien dat men uit
Herodotus niet heel veel wijzer wordt en niemand is dat dan ook ooit
geworden. Alleen heeft men mijns inziens te veel geloof gehecht aan
hetgeen hij _wel_ zeide, en men heeft vaak in latere boeken zijn
beschrijving van den bouw als de ware aangenomen en zich in allerlei
gissingen verdiept over de vraag wat die "werktuigen, die van hout
gemaakt waren" dan toch wel waren, en bijna elk schrijver vindt dan een
ander werktuig uit, of beweert dat de beschrijving die door een ander
schrijver gegeven wordt niet deugt. Allen komen echter hierin overeen,
dat het een soort van hefboom moet geweest zijn en de verschillen komen
dan in een bespiegeling van de wijze waarop zulk een hefboom werkte,
want een dergelijk ding moet toch een steunpunt hebben. En wanneer
wij dus maar losweg zeggen dat met hefboomen gewerkt werd, volgen
wij in dezen een weinig Archimedes na, die zeide dat hij de wereld
wel opheffen kon, als hij maar een steunpunt voor zijn hefboom had.
Wij zullen het er dus over eens moeten zijn, dat indien de
hefboomlegende als de ware beschrijving van het oplichten der buitenste
steenen beschouwd moet worden, er aan Herodotus' beschrijving toch
nog wel iets ontbreekt dat tot beter begrip aanleiding kon geven. Met
opzet? Als Herodotus er bij gezegd had dat hij ook wel eens had
gehoord van een opheffen van de zwaartekracht, vrees ik dat hij zulk
eene uitlating niet goed met zijn geweten overeen had kunnen brengen
en haar daarom maar wegliet, ofschoon zijne beschrijving voor het
nageslacht er niet duidelijker op geworden is. Tenminste, om steenen
van 15 ton met een hefboom op te tillen in een beperkt bestek....!
Ik vrees dat onze volgende schrijvers het er niet beter afbrengen
met hunne beschrijving; meestal halen zij Herodotus aan of spreken
in het algemeen over hetgeen zij bij overlevering vernamen. Zien wij
thans wat Diodorus zegt, hoewel zijne beschrijving nog vager is dan
die van Herodotus:
"De basis van de grootste is een vierkant, waarvan elke zijde zeven
honderd voet is. De hoogte is meer dan zeshonderd voet. De zijden
nemen af naarmate zij opwaarts gaan, zoodat zij nog slechts zes
el zijn bij den top. Zij is geheel opgebouwd uit steenen die zeer
moeilijk te bewerken, maar ook van eeuwigen duur zijn; want hoewel
het meer dan duizend jaar geleden is, volgens hetgeen men zegt,
dat de pyramide gemaakt werd, en hoewel anderen zelfs verzekeren
dat het meer dan vier en dertig honderd jaar geleden is, is zij
tot op onze dagen bewaard gebleven zonder op eenigerlei plaats
beschadigd te zijn. Men had de steenen laten komen van uit het
hart van Arabië, en daar men nog niet de kunst verstond, steigers
op te richten, zegt men dat men zich van terrassen bediende om ze
op te heffen. Maar wat het meest onbegrijpelijke in dit werk is,
is dat men geen enkel spoor bemerkt noch van vervoer, noch van
het afhakken van de steenen, noch van de terrassen waarvan wij
gesproken hebben; zoodat het schijnt alsof de goden, zonder de
hand der menschen te leenen, die altijd erg langzaam is, plotseling
dit monument te midden van het zand geplaatst hadden. [34]
Eenige Egyptenaren voeren te dien einde eene verklaring aan,
die even fabelachtig en ruwer is dan deze. Want zij zeggen dat
deze terrassen gemaakt waren van een grondsoort die vol zout en
salpeter was en dat de stroom ze door buiten hare oevers te treden,
vormde en weder deed verdwijnen zonder hulp van arbeiders. Dat
zal wel niet waar zijn; en het is veel verstandiger te zeggen dat
dezelfde handen die gebezigd werden om dien grond aan te dragen,
gebruikt werden om dien weg te voeren en om den grond in denzelfden
toestand als tevoren te brengen; temeer omdat men zegt dat drie
honderd zestig duizend werklieden of slaven bijna twintig jaren
met dit werk bezig waren." [35]
Diodorus is de eerste die van de pyramiden spreekt als
_wereldwonderen_, maar hoe bitter weinig zegt hij ons. Niets dan
"men zegt"s en dan zeer uiteenloopende "men zegt"s en in niets
overeenstemming met Herodotus dan in den duur van den bouw, de gedane
uitgaven en de regeering van den koning. Over het tijdstip van den bouw
is hij al bijster in het onzekere, "1000 jaar of 3400 jaar geleden",
en over den bouwer van de derde pyramide brengt hij ons alweer in het
onzekere door de fabel van Rhodopis aan te halen, hetgeen Herodotus
eveneens doet, alsook Strabo.
Strabo is bijzonder kort in zijne beschrijving en met betrekking tot
den bouw zelf helpt hij ons ook niet veel verder. Hij zegt daarover
hoegenaamd niets. Alleen maakt hij eene vermeldenswaardige opmerking
met betrekking tot de eerste of Groote Pyramide nl.: "Zij heeft op
een der zijden op eene middelmatige hoogte, een steen die weggenomen
kan worden." [36]
Van Plinius kunnen wij nagenoeg hetzelfde zeggen als van Strabo. Hij
zegt: "De grootste van de Pyramiden is geheel voortgekomen uit
steengroeven in Arabië; men beweert dat 360000 mannen 20 jaren gewerkt
hebben om haar saam te stellen." Uit eene verdere opmerking in zijn
verslag kan men echter opmaken dat de gepolijste bekleeding op de
buitenzijde der Pyramide nog bestond. Verder haalt hij met betrekking
tot de wijze van bouw Diodorus aan. Plinius is echter de eenige
schrijver die spreekt van een "put" welke onder de Groote Pyramide
zoude zijn: "deze put vangt het water van den stroom op, flumen illo
admissum arbitrantur", op eene diepte van 86 ellen (39,8 M). Deze
put is echter, voorzoover uit de door Plinius aangegeven maten is
na te gaan, niet de bekende put. Plinius is de eerste schrijver die
eenigermate juiste afmetingen aangeeft en het schijnt dat hij deze
uit aan hem bekende documenten ontleende, aldus meent M. Jomard in
zijn _Remarques et Recherches sur les Pyramides d'Egypte_.
De overige Latijnsche schrijvers werpen ook geen licht op dit
deel van ons onderwerp en ik bepaal mij tot het even aanstippen
van enkele merkwaardige uitingen in hun korte en onzaakkundige
verslagen. Solinus zegt: "daar zij de maat der schaduwen te boven
gaan werpen zij geen schaduw" en Cassiodorus herhaalt deze uitlating
in prozaïschen vorm. Aristides zegt dat hij van de priesters gehoord
heeft dat de Pyramiden even diep in den grond doordringen als zij er
zich boven verheffen.
Bij de Arabische schrijvers vinden wij uitvoerige verhalen en
legenden die echter alle eveneens op overlevering berusten, en wel
van belang zijn met betrekking tot een geschiedkundig overzicht, maar
ons geen belangrijke mededeelingen verschaffen wat aangaat de wijze
van bouw. De meest bekende verhalen zijn die van Ebn Abd el Hokm, El
Koday, Ibrahim ben Ouessif, Abd-el-latif. Hunne beschrijvingen bepalen
zich tot het vermelden van den naam van den bouwer, Saurid geheeten,
de reden waarom de Pyramiden gebouwd werden (nl. het opbergen van
alle schatten aan kennis en aardsche goederen ter beveiliging tegen
komende overstroomingen), hoe zij er uitzagen enz. Wij zien dus dat
de andere schrijvers ons niets mededeelen dat ons helpen kan tot
een begrijpen van de wijze waarop met "kleine houten werktuigen"
de groote steenmassa's op hunne plaats gebracht werden.
Het was eerst in de latere tijden dat men zich in beschouwingen
hieromtrent ging verdiepen. Reeds de Fransche _Savants_ waren in
groote bewondering over de wijze waarop met geringe mechanische
hulpmiddelen een bouw verkregen was, die zelfs tot op deze tijden
niet geëvenaard werd. Door hun nauwgezet wetenschappelijk onderzoek
zagen zij de moeilijkheden die de bouwers te overwinnen hadden
gehad, beter in dan de oude bezoekers dit ooit gedaan hadden en
zij waren dan ook verbaasd over de wijze waarop alles tot stand was
gebracht. Om deze verwondering te begrijpen zal ik eerst trachten
mijnen lezers een beeld te geven van de enorme hoogte, den omvang en
de massa der Pyramide, en van die der samenstellende steenblokken. De
lengte van elke zijde van het grondvlak was oorspronkelijk 764 voet
(1 voet = 12 duim, 1 duim--25.4 mM.), de loodrechte hoogte was iets
meer dan 480 voet. Hare massa zou 6.840.000 ton bedragen (1 ton =
1000 K.G.). Dit zegt alleen iets voor hen die met maten omgaan of
er goed mede bekend zijn; voor mijne overige lezers haal ik eenige
vergelijkingen aan die ik ontleen aan Sir Rawlinson's _Egypt_. Hare
hoogte is dus zes voet meer dan die der Kathedraal van Straatsburg,
dertig voet meer dan die van de St. Pieter te Rome, honderdtwintig
voet meer dan die van de St. Paul te Londen. Haar grondoppervlak is
ruim viermaal zoo groot als een vrij groot stadsplein. Om ons een
denkbeeld te vormen van den inhoud diene het volgende. Men denke zich
een huis met muren van een voet dikte, twintig voet breed en dertig
voet diep. Verder een aantal tusschenmuren tot een volume van een
derde der buitenmuren. Dit huis bevat dan vierduizend kubieke voet
metselwerk. De kubieke inhoud nu van de Groote Pyramide is voldoende
om twee en twintig duizend zulke huizen te bouwen. Legt men het
metselwerk in een lijn van een voet hoog en een voet breed dan kan
men gaan tot een lengte van zeventienduizend mijlen of twee-derde
van de lengte van den equator. En men moet tevens bedenken, dat de
samenstellende deelen niet alle kleine steenen waren, hoewel een groot
deel daar wel uit bestond. Er zijn echter--en vooral is dat bij de
buitenlagen het geval--steenen bij, die dertig voet lang, vijf voet
hoog en vier of vijf voet breed zijn. Zulke steenen wegen 40.000 à
60.000 K.G. Ook de steenen die inwendig geplaatst zijn, bijvoorbeeld
boven de Koningskamer, zijn van reusachtige afmetingen. Rawlinson zegt
dan ook: "Over het algemeen zijn de buitenblokken van eene grootte,
welke hedendaagsche bouwers nauwelijks ooit durven gebruiken." [37]
En wanneer men bedenkt dat deze steenmassa's niet ruw op elkaar
gestapeld, maar op wonderbare wijze zoodanig aaneengevoegd waren, dat
men eer de steenen zelf kan verbreken dan ze van elkander scheiden,
dan kan men begrijpen dat vele der onderzoekers in stomme verwondering
betuigden, dat deze bouwkunst tot op heden nog niet geëvenaard
is. Trouwens, dat lijkt mij toe met vele kunsten en nijverheden van
deze oude beschaving het geval te zijn; doch het zou mij buiten mijn
bestek voeren, hier in een lofzang te vervallen op de verschillende
kunsten en nijverheden in Egypte die ons treffen als op een hooger
peil dan de moderne staande. In verband hiermede is het echter voor
een bewonderaar van het oude Egypte een genot, in _Isis Unveiled_
H. P. Blavatsky hierover na te slaan. Met betrekking tot dit onderwerp
haalt zij o.a. Kenrich aan:
"De voegen zijn nauwelijks waarneembaar, niet wijder dan de dikte
van zilverpapier, en het cement is zóó houdend, dat brokstukken
van de deksteenen nog op hunne oorspronkelijke plaats blijven,
niettegenstaande het verloop van vele eeuwen en het geweld waarmede
zij weggerukt werden." Wie onzer hedendaagsche bouwkundigen en
scheikundigen zal wederom het onvernietigbare cement van de oudste
Egyptische gebouwen ontdekken? [38]
Enkele Egyptologen zijn op het denkbeeld gekomen dat de steenen op
de plaats zelve vervaardigd werden. Door een ingewikkeld werktuig
zou water tot op de vereischte hoogte zijn gebracht, daar vermengd
zijn geworden met zand enz., om te worden gevormd tot blokken van
den juisten vorm en de juiste grootte.
Om terug te keeren tot den bouw zelf. De Fransche _savants_ geven
hunne meening niet te kennen doch halen eenvoudig de reeds door mij
genoemde oude schrijvers aan. Van de latere schrijvers vermelden
wij alleen de gezaghebbenden. Sir Gardner Wilkinson, de welbekende
schrijver van _Manners and Customs of the Ancient Egyptians_, zoowel
als Colonel Howard Vyse, (1831 en 1837), waren van meening dat het door
Herodotus bedoelde werktuig een "polyspaston" was, of een werktuig
dat veel in gebruik was bij de Romeinen, en dat beschreven wordt
door Vitruvius. Het is een werktuig van vele takels voorzien. Als
bewijs voor het gebruik van deze werktuigen haalt Vyse aan dat "in
de blokken van elken omgang gaten zijn van 8 duim middellijn en 4
duim diep, waarschijnlijk om de werktuigen te ondersteunen welke
Herodotus beschrijft."
Perring in zijn werk _The Pyramids at Ghizéh_ zegt dat hij vermeent
dat houten steigers gebezigd werden. Met betrekking tot de buitenlagen
merkt Wilkinson op dat de uitstekende hoeken van de opgestapelde
rechthoekige steenblokken van boven af naar beneden weggekapt werden
en aldus het zijvlak glad maakten. Hij grondt deze meening op eene
uitlating van Herodotus.
Dr. Lepsius heeft met betrekking tot den bouw eene theorie opgeworpen
die vrij algemeen vermeld wordt en bekend is. Deze is als volgt: