Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
De Groote Pyramide
Door
H. J. van Ginkel.
Uitgave van de N. V. Theosofische Uitgevers Maatschappij
Amsteldijk 79 :: Amsterdam 1908
Typ. Duwaer & Van Ginkel, Bloemgracht 8, Amsterdam.
INHOUD.
Hoofdstuk I. Inleiding 1
Hoofdstuk II. Ligging, Bouwer 14
Hoofdstuk III. De Bouw 24
Hoofdstuk IV. Beschrijving van het Inwendige 33
Hoofdstuk V. Over de bestemming der Pyramide 41
Hoofdstuk VI. Over de bestemming der Pyramide II 50
Hoofdstuk VII. Nog enkele theoriën over de bestemming en
symboliek der groote pyramide 63
Hoofdstuk VIII. Mystieke theoriën 71
Hoofdstuk IX. Mystieke theoriën II 81
Hoofdstuk X. Mystieke theoriën (slot) 92
APPENDIX.
Maten der Pyramide 105
De vijfpuntige ster het geometrisch symbool der groote Pyramide 110
Waarom de Bouwers den pi hoek in de Pyramide vastlegden 118
Lijst van geraadpleegde boeken 119
Maten 121
VOORWOORD.
De inhoud van dit boekje verscheen grootendeels reeds in het maandblad
_Theosophia_ en ik kan dus volstaan met een zeer kort voorwoord
ter inleiding.
Gaarne had ik meer tijd besteed aan het omwerken van de grondstoffen,
doch de gelegenheid daartoe ontbreekt mij; aangezien echter velen mij
verzochten de artikelen toch in boekvorm te doen verschijnen om de
er in verkondigde denkbeelden in ruimer kring hier te lande bekend
te maken, ben ik er toe overgegaan dit boekje uit te geven.
Met mijn oprechten dank aan mijne vrienden die mij op verschillende
wijzen bij mijn arbeid steunden en de uitgave mogelijk maakten en
in de hoop dat de reeds opgewekte belangstelling in het behandelde
onderwerp moge toenemen zend ik dit boekje de wereld in.
H. J. van Ginkel.
Laren, April, 1908.
DE GROOTE PYRAMIDE.
HOOFDSTUK I.
Het is een vastgesteld feit dat elk belangrijk onderwerp van studie
beschouwd kan worden van twee zeer uiteenloopende--dat wil zeggen
_schijnbaar_ uiteenloopende--standpunten, namelijk van het standpunt
van hen die oordeelen volgens _voor hen_ vaststaande feiten en van het
standpunt van hen die oordeelen volgens hunne gevoelszienswijze. De
eerste beschouwing wordt genoemd de wetenschappelijke, met de tweede
bedoel ik die van hen, die door innerlijke kennis--door kennis van
de ziel, niet door kennis van het tegenwoordig hersenverstand--weten
van de werkelijke waarheid der dingen. En nu is het een treurige
gewoonte geworden dat zij, die oordeelen volgens vaak zeer
betrekkelijk vastgestelde feiten, hoegenaamd geen waarde hechten aan
de beschouwingen, die omtrent zekere dingen bestaan, van hen die een
innerlijk besef van de gnosis dezer dingen hebben. Bovendien is de
eerstgenoemde school van denkers heden ten dage in de meerderheid
doordien de groote massa nietdenkende menschen met hen meegaat,
niet uit overtuiging, maar uit gemakzucht of onwetendheid.
In de eerste plaats dan zou ik mijnen lezers de vraag willen
voorleggen: Berust de eerste beschouwing eigenlijk _ook_ niet op een
vooraf opgevat _gevoelen_ omtrent zekere dingen? En dan zou ik hier
zeker op antwoorden: ja. Want de geleerde die eene massa feiten,
stoffelijke feiten verzameld heeft, en deze louter bijeengezameld
heeft met het denkbeeld ze te analyseeren, aaneen te voegen enz., met
de bedoeling een geschiedenis dier dingen op te bouwen, heeft behalve
zijn denken als geleerde ook zijn gevoel als mensch, welk laatste niet
alleen is opgebouwd gedurende zijn omgang in dit leven met verwante
denkers, vrienden en bekenden, maar ook door zijn denken en omgang
in voorafgaande levens. En het kan niet uitblijven of zelfs geheel
tegen zijn willen in, zal ook een geleerde een onderwerp beschouwen
door de glazen van zijn gevoelsbril, welke glazen niet in dit éene
leven doch reeds ten deele in levens daaraan voorafgaande gevormd zijn.
Nu iets met betrekking tot de feiten zelf volgens welke zij hunne
wetenschappelijke beschouwing vormen, bijvoorbeeld omtrent de
geschiedenis der oudheid. De tegenwoordige onderzoekers hebben op dit
punt zeker niet veel om mede te werken en allerminst op het punt van
geschreven verslagen. Tot op een betrekkelijk kort geleden tijdstip
was de beschouwing van hetgeen geschreven stond geheel onderworpen
aan en beperkt door kerkelijke leerstukken, en was een vrije eigen
gedachte over een onderwerp als het onderhavige louter onmogelijk. Wat
dus in verschillende richtingen er over gedacht of geschreven is,
kon eerst vrij ontwikkelen in de laatste eeuw en in die eeuw zijn
juist belangrijke feiten eerst begonnen aan het licht te komen, en een
ieder die weet hoe weinig feitenkennis er tot nog toe is, en ook de
theorieën kent die door verschillende wetenschappelijke onderzoekers
op deze feiten gegrond zijn, zal inzien dat deze theorieën niet door de
feiten onaantastbaar worden gelaten. Wanneer, zooals bekende verslagen
ons doen zien, de geschiedenis van het menschdom is na te gaan tot op
een tijdperk van ettelijke duizenden jaren vóór Chr., en de feiten van
het begin dier geschiedenis aantoonen dat er toen hooge beschavingen
waren, is het misschien wetenschappelijk, maar zeker niet logisch,
te zeggen dat dit de aanvang der menschelijke beschavingsgeschiedenis
was, vooral met het oog op een ander wetenschappelijk vaststaand feit,
dat de aarde millioenen jaren vóór dat tijdstip bestond. Want wij
hebben _te kiezen_ tusschen twee zienswijzen omtrent de dingen vóór
dat tijdstip waarvan onze gegevens dagteekenen, namelijk de menschheid
verkeerde gedurende duizenden, ja wellicht millioenen jaren in wilden
staat, en dan was de ontwikkeling der volgende enkele duizenden
jaren daarmede geheel in strijd, òf er bestonden beschavingen lang
vóór dat tijdstip. Nu berust eene zienswijze omtrent dit tijdstip,
tenminste als men er zich eene zienswijze van vormen wil, bij gebrek
aan voldoende feitenkennis, geheel op gevoel en heeft voor dat tijdperk
de Theosofische theorie evenveel waarde als de wetenschappelijke. Is
dat dan voor een later tijdperk niet even waar, zal men vragen en
niet ten onrechte. Ik voor mij vind dat dit zeker het geval is, maar
alvorens dit te kunnen staven moet men in staat zijn de bekende feiten
overeen te brengen met de theorie, en dit vereischt dus meer dan men
van een leek verwachten mag. Hiertoe is noodig een wetenschappelijk
man met theosofische theorieën, en deze ontbreekt op verscheidene
gebieden van wetenschap nog. Doch wanneer wij, die niet in staat zijn
voldoende feitenkennis te verzamelen om onze theorieën wetenschappelijk
te staven, slechts volhouden op grond van ons innerlijk weten, zal
de drang zoo groot worden dat ook dit overeenbrengen van de feiten en
de theorieën welhaast niet meer tot de schoonste droomen zal behooren.
En omdat ik dit voel en weet waar te zijn, durf ik mijn onderwerp
hier te behandelen van een standpunt dat berust op gegevens die
grootendeels geput zijn uit "onwetenschappelijke" boeken, geschreven
door meerendeels "onwetenschappelijke" menschen, maar die voor mijn
gevoel meer werkelijke kennis, en daardoor recht van spreken hadden
over deze dingen, dan een feitenverzamelaar. Wanneer iemand iets voelt
voor een zaak, is dit een bewijs dat er in zijne aura skandha's zijn
van uit een tijd toen hij zeer na betrokken was met die zaak en die
zaak kende, en wanneer hij dezen skandha's den vrijen loop laat,
zal hij mijns inziens meer weten van die zaak dan eenig iemand die
slechts van buiten af beoordeelt.
Doch reeds te ver dwaalde ik hier af van hetgeen ik wenschte te zeggen,
namelijk welke twee groote theorieën wij met betrekking tot de oudheid
en de geschiedenis van de menschheid hebben. De wetenschappelijke
theorie dan beweert dat alle vooruitgang der menschelijke beschaving
op een geleidelijke evolutie van den stoffelijken mensch en zijn
stoffelijk hersenstelsel berust, en dat de mensch van het standpunt van
den wilde zonder hulp van buiten af gekomen is tot het huidig standpunt
van beschaving, dat men thans met den aan onzen tijd eigen zijnden
eigenwaan als een zeer hoog, zoo niet het hoogste te bereiken punt van
beschaving beschouwt. En wij willen nu hier niet er over uitweiden of
er werkelijk eenige grond bestaat om onze hedendaagsche beschaving
te beschouwen als een zeer hoogstaande, doch liever opsommen wat de
hiertegenoverstaande of Theosofische theorie zegt. Deze dan leert dat
de menschheid tot op een betrekkelijk kort geleden tijdperk geheel van
buiten af geleid werd, evenals een jeugdig kind leert loopen aan de
hand zijner ouders, en dat zij eerst nu begint te trachten alleen te
staan. In deze jeugd der menschheid hebben groote beschavingen bestaan,
die geheel geleid en opgebouwd werden door de Oudere Broederen der
Menschheid, die van andere plaatsen in ons zonnestelsel kwamen om onze
evolutie te leiden. Zij waren de Koningen, Ingewijden en Priesters in
deze oude beschavingen en hadden alle kennis die binnen ons stelsel
bestaat, te Hunner beschikking. Vandaar dat Zij de menschheid eene
beschaving konden voorhouden als voorbeeld ter latere navolging. Nu
beweer ik niet dat de jonge rassen welke Zij leidden geheel voldeden
aan de plannen die deze hoogstaande Wezens met hen vóór hadden. Neen,
want wij kunnen maar al te goed weten uit hetgeen ons geleerd wordt,
dat Zij de menschen nimmer konden noch mochten _dwingen_ Hunne plannen
geheel ten uitvoer te brengen, en al was Hunne enkele tegenwoordigheid
voldoende om een ras tot hooge beschaving en hoogen bloei te brengen,
zoo verviel het evenzeer nadat Zij zich wederom terugtrokken. Het nut
van Hunne tegenwoordigheid kon dan ook niet anders zijn dan de stoot
die de machine der menschheid aan het werk bracht, doch thans zijn
wij zoover als menschheid ontwikkeld, dat wij uit eigen aandrang tot
dezelfde resultaten moeten trachten te komen.
Een duidelijk beeld van zulk een leiding en op de kleinere schaal
van een onderdeel der evolutie, vinden wij bijvoorbeeld in de kunst.
In Griekenland hebben in onze bekende oudheid enkele groote ingewijden
beeldwerken gewrocht, die niemand van hunne latere navolgers heeft
kunnen benaderen, en die ook zelfs nu niet benaderd worden. Toch
zijn zij daar als een beeld van hetgeen mogelijk is in die richting,
en moet het betrekkelijk einddoel van onze kunstenaars zijn, hen te
evenaren om op een toekomstig tijdstip tot hetzelfde standpunt te
komen. Ook hier is dus schijnbaar eerst een ongewone en abnormale
ontwikkeling en beschaving, vervolgens achteruitgang en een te komen
beschaving die tot het eerste punt terugkeert, plus de innerlijke
ontwikkeling door die navolging verkregen.
In ieder geval, hetzij wij dit nu kunnen aantoonen en staven door
feiten of niet, de Theosofische theorie zegt ons dat de eerste
beschavingen van onze menschheid, dus die van vóór het bekende
geschiedkundige tijdperk en waarvan de eerst bekende Egyptische
beschaving slechts een vervallen overblijfsel was, geleid werden en
opgebouwd waren door Adepten of in enkele gevallen zelfs door zeer
verheven Wezens van andere bollen in ons zonnestelsel.
Wanneer wij ons aan deze beschouwing houden, kan bij ons geen twijfel
bestaan of alle zaken die wij omtrent deze beschavingen en bijvoorbeeld
omtrent de ons bekende Egyptische beschaving eveneens gissen of kennen,
moeten wij in een geheel ander licht zien dan zulks gedaan kan worden
door een wetenschappelijk onderzoeker.
Wanneer wij nu in het licht van deze theorie het onderwerp
beschouwen, dat ik mij voorstel in dit boek te behandelen, namelijk de
verschillende theorieën die omtrent de Groote Pyramide, hare Bouwers,
en het waarom van haar bouwen, enzoovoorts, bestaan, dan kunnen wij
zeker _niet_ de woorden beamen van een der grootste hedendaagsche
Egyptologen, E. A. Wallis Budge, waar hij met betrekking tot dit
onderwerp in zijn laatst verschenen werk [1] schrijft:
"In de volgende bladzijden wordt geen melding gemaakt van de
verscheidene vernuftige theorieën die zich steeds om 'de Groote
Pyramide' verzameld hebben en die aan dat uitgebreide grafgedenkteeken
verborgen doeleinden en beteekenissen zouden willen toeschrijven,
want door alle bevoegde gezaghebbenden wordt nu erkend dat zij gebouwd
werd voor een graftombe en niet om eenigerlei esoterische leeringen
die in verband staan met de Hebreeuwsche Patriarchen en anderen te
verduidelijken" [2].
Deze uitspraak moge groot gezag hebben en heeft dit zeer zeker ook voor
iedereen die de gewone wetenschappelijke beschouwingswijze toegedaan
is, maar even zeker is het dat er velen zijn die, al mogen zij niet
behooren tot de "bevoegde gezaghebbenden" over dit onderwerp, het toch
stellig niet eens zullen zijn met deze uitspraak, en het nimmer zullen
worden, omdat zij andere theorieën huldigen, en ook omdat zij in vele
gevallen het gezag van de aangehaalde feiten niet zullen erkennen.
Doch om ons een juist denkbeeld te vormen van enkele der theorieën
omtrent de Groote Pyramide, is het in de eerste plaats noodzakelijk
te zien welke de theorieën en de gegevens zijn omtrent de bewoners
van Egypte gedurende het tijdperk van den bouw der Groote Pyramide.
In de eerste plaats dan de wetenschappelijke. In zijn voorwoord van
het reeds aangehaald werk zegt Budge: "dat de archeologen langen tijd
beweerden dat het tijdperk van drie of vierduizend jaren, dat velen
voldoende achtten voor de opkomst, den groei, de rijpheid en het verval
van de oude Egyptische beschaving, onvoldoende was, en dat de schoone
reliefwerken en schilderingen, en de reusachtige Pyramiden, die het
werk waren der Egyptenaren van de IVe Dynastie, nooit voortgebracht
konden zijn door een volk dat enkele honderden jaren tevoren volkomen
of nagenoeg wild was. De juistheid van deze zienswijze is nu bewezen,
en het is bekend dat Menâ of Menes niet de eerste Koning van Egypte
was [3], en dat het beschavingstijdperk dat ons onthuld wordt door
de werken der dynastische Egyptenaren, niet als het ware pasklaar te
voorschijn sprong gedurende de regeering van dien koning. Het is ook
zeker dat een aantal onafhankelijke koningen zoowel in de Delta als
in Boven-Egypte moeten geregeerd hebben lang vóór Menâ, hoewel het
zeer wel mogelijk is dat hij de eerste geschiedkundige koning was,
die er in slaagde zich tot koning van zoowel het Zuiden als het
Noorden te maken [4]".
Nu stemt dit zeer zeker in één opzicht goed overeen met onze
Theosofische theorie van voorhistorische beschaving, want behalve het
hier aangehaalde is het ook een bekend feit dat Menes, hoewel hij
enkele groote publieke werken deed uitvoeren (zooals het verleggen
van den loop van den Nijl door het opwerpen van een grooten dijk)
en in verderen algemeenen zin een groot heerscher was, die veel
deed voor de stoffelijke welvaart en den bloei van zijn volk, ook
in dezen te ver ging en groote weelde en overdaad invoerde bij zijne
hofhouding, waardoor blijkt dat hij reeds materialistisch en in geen
geval een Koning-Ingewijde was, tenminste niet van dien graad als wij
gewoonlijk bedoelen met die benaming. Zeker is het, dat het invoeren
van een weelderig leven bij een groot volk steeds het kenmerk geweest
is van een begin van verval, getuige het ons bekende geschiedkundige
Romeinsche Rijk, zoodat wij mogen aannemen dat het hoogste punt
van bloei van het rijk niet was ten tijde van Menes, doch lang
vóór dien tijd, en dat dus de aanvang van die beschaving nog veel
verder in de grijze oudheid terugligt. Wij zien tot dusver nog geen
verschil tusschen beide theorieën omtrent de oudheid der Egyptische
beschaving. Echter komt een groot verschil aan het licht, wanneer
wij nagaan wat de wetenschap leert omtrent de bestanddeelen van de
bevolking en de wijze waarop het land bevolkt werd. Op één punt zijn de
Egyptologen het vrijwel eens, namelijk dat het bekende geschiedkundige
Egyptische ras een mengeling was van Afrikaansche negerstammen en
Aziatische kolonisten, doch dat gedurende het bekende geschiedkundige
tijdperk de Egyptenaren niet meer bekend waren met hunne eigenlijke
voorvaderen, dat de typen zeer vermengd waren, en dat in hun type
dat van alle rassen, die beurtelings Egypte overheerschten, gevonden
werd. Prof. Maspéro brengt de Egyptenaren terug tot de proto-semitische
rassen [5], die uit Azië kwamen over de landengte van Suez en aan de
oevers van den Nijl een ander ras, dat waarschijnlijk een negerras was,
vonden,--hetwelk zij in de binnenlanden terugdrongen. Wanneer dit nu
plaats vond is moeilijker te zeggen, en wij bevinden dat de Egyptologen
zooals Flinders, Petrie, Budge, Maspéro, Wiedemann e.a. geen datums
geven en eerst een bepaalde tijdrekenkunde volgens dynastieën invoeren
sedert Menes. Dat het zeer lang vóór Menes plaats vond, blijkt uit
het voorgaande. Deze kolonisten schijnen zich het eerst gevestigd te
hebben in Boven-Egypte, ten zuiden van het geschiedkundige Thebe,
zelfs vóór het vormen van de Nijldelta, en zich langzamerhand meer
en meer naar het Noorden hebben uitgebreid. Dat dit zoo was, kan
ons nog blijken uit de legenden die onder de bekende mededeelingen
der latere priesters voorkomen omtrent de bewoners van het Zuiden,
die zij als een soort voorouderlijke Goden beschouwden, genaamd de
Zonen van Horus of Schesoo-Hor. Deze waren de bewoners van de landen
gelegen in de nabijheid der bronnen van den Nijl, genaamd Poent, en
waarvan gesproken werd als het heilig land van Khent. Altijd bleef
voor de noordwaarts getrokken volkeren het zuiden het groote Heilige
verblijf en al hunne legenden zijn vol verwijzingen er naar. Blijkbaar
niet zonder reden, al moeten wij deze zoeken in Theosofische en niet
in wetenschappelijke geschriften. H. P. Blavatsky zegt in de _Geheime
Leer_ [6] dat deze oorspronkelijke bewoners van Poent een Arische
stam waren die van uit Azië naar de bronnen van den Nijl trok.
Zij beschrijft dezen kolonisatietocht zeer uitvoerig. Een nadere
beschrijving, wie de Koningen van de voorouders der Egyptenaren waren,
geeft zij in de _Geheime Leer_, deel II, blz. 402, 403.
"In dit tijdperk nu moeten wij zoeken naar het eerste optreden van
de voorvaderen dergenen, die wij de oudste volkeren der wereld
noemen--thans onderscheidenlijk genaamd de Ârische Hindoes, de
Egyptenaren en de eerste Perzen aan de eene en de Chaldeeën en
Phoeniciërs aan de andere zijde. Deze werden door de Goddelijke
dynastieën bestuurd, _d.w.z._ Koningen en Heerschers die van den
sterfelijken mensch slechts zijn stoffelijk uiterlijk, _zooals dat
toen was_, bezaten, doch wezens waren van Bollen, hooger en hemelscher
dan onze Bol nog over vele Manwantara's zijn zal. Het is natuurlijk
nutteloos te trachten het bestaan van dergelijke wezens aan sceptici
op te dringen."
Hoe de Aziatische stammen, namelijk de Oostersche Ethiopiërs--de
machtige bouwers--van uit Azië trokken naar hun nieuwe vaderland,
Egypte, verhaalt H. P. B. ons eveneens duidelijk in de _Geheime Leer_,
waar zij eene verklaring geeft van de fabel van Io, weergegeven
door Prometheus.
"Io is de Maan-godin van de voortbrenging--want zij is Isis, en
ook Eva, de Groote Moeder", zegt zij, en geeft dan de navolgende
verklaring van deze legende. "Io is de moeder en het zinnebeeld van de
fysieke menschheid. [7] In de legende nu worden de zwerftochten (der
rassen) zoo duidelijk weergegeven als woorden het maar kunnen. Zij
(Io) moet Europa verlaten en naar het vasteland van Azië gaan,
tot zij den hoogsten berg van den Kaukasus bereikt,.... vervolgens
moet zij, na den 'Kimmerischen Bosporus' overgetrokken te zijn naar
het Oosten reizen, en trekken over hetgeen klaarblijkelijk de Wolga
en het tegenwoordige Astrakan aan de Kaspische zee is.... en van
die plaats naar het land der 'Arimaspische schare' (ten oosten van
Herodotus' Scythië)". H. P. Blavatsky zegt verder dat Prof. Newman
terecht vermoedt dat hiermede de Oeral bedoeld is. De legende zegt
verder iets dat een raadsel is voor alle Europeesche vertolkers,
nl. Io moet nu een kolonie stichten, en daarom "oostwaarts reizen
tot zij aan de rivier Ethiops komt, die zij volgen moet tot deze in
den _Nijl_ valt." De oudste Grieken meenden dat "de Nijl, ergens in
Indië ontspringend en door vele woeste streken stroomend, waarbij hij
zijn naam Indus verliest,.... vervolgens door bewoond land vloeide en
thans door de Ethiopiërs van die streken en later door de Egyptenaren
Nijl genoemd werd. [8]".
Dit denkbeeld is klaarblijkelijk ontstaan omdat men geen andere
Ethiopiërs kende dan die welke Noord-Afrika bewoonden, doch
H. P. Blavatsky zegt dat de bedoelde rivier zeer zeker de Indus is,
die door de Oostersche Ethiopiërs de Ethiops, of ook wel Nîl en Nîlâ
genoemd werd. [9]
En verder: "Indië en Egypte waren twee verwante volkeren, en de
Oostersche Ethiopiërs--de machtige bouwers--zijn uit Indië gekomen,
zooals naar wij hopen, in _Isis Unveiled_ tamelijk wel bewezen
is." [10]
"Het ras van Io, de 'de koehoornige jonkvrouw', is derhalve eenvoudig
het eerste ras van pioniers der Ethiopiërs, dat zij van den Indus
naar den Nijl bracht, die zijn naam ontving ter herinnering van de
Moederrivier der kolonisten uit Indië. Daarom zegt Prometheus tot
Io, dat de heilige Neilos--de God, niet de rivier--haar naar het
_drie-hoornige_ land zal voeren, namelijk naar de Delta, waar het
voor hare zonen voorbeschikt is die verafgelegen volkplanting' te
stichten. Aldaar zal een nieuw ras (de Egyptenaren) een aanvang nemen
[11]".
Wij hebben thans zeker genoeg stof in deze gegevens van H. P. Blavatsky
met betrekking tot de vorming van het nieuwe ras om over te denken
en in verband te brengen met andere gegevens omtrent de Egyptenaren,
doch om zoo volledig en duidelijk mogelijk op dit punt te zijn, geef
ik hier nog iets dat met betrekking tot deze immigratie van Atlantiërs
gezegd wordt in het merkwaardige boekje _The Story of Atlantis_:
"Wij moeten nu verwijzen naar Egypte, en de beschouwing van dit
onderwerp moet een zee van licht op zijn vroegste geschiedenis
doen vallen. Alhoewel de eerste nederzetting in dat land niet
in den volstrekten zin van het woord een kolonie was, werd uit
het Toltek-ras daaraanvolgend de eerste groote massa immigranten
getrokken, die bedoeld waren zich te vermengen met het wilden-ras en
het te overheerschen.
In de eerste plaats was het de overplaatsing van een groote Loge
van Ingewijden. Dit vond plaats omstreeks 400.000 jaar geleden. Het
gouden tijdperk der Tolteken was lang geleden. De eerste groote
aardramp had plaats gehad. De zedelijke verlaging van het volk en de
daaropvolgende beoefening van de 'zwarte kunsten' werden sterker en
meer verspreid. Egypte was afgelegen en dun bevolkt, en daarom werd
Egypte uitverkoren. De aldus gestichte nederzetting beantwoordde aan
haar doel en onverstoord door tegenwerkende invloeden deed de Loge
van Ingewijden gedurende 200.000 jaren haar werk.
Ongeveer 210.000 jaar geleden, toen de tijd rijp was, stichtte de
Okkulte Loge een rijk--de eerste 'Goddelijke Dynastie' van Egypte--en
begon het volk te onderrichten. Toen werd de eerste groote massa
kolonisten uit Atlantis overgebracht en te eeniger tijd gedurende
de tienduizend jaren die leidden tot de tweede aardramp, _werden
de twee groote Pyramiden van Gizeh gebouwd_ [ik cursiveer, v. G.],
gedeeltelijk om als blijvende Zalen van Inwijding te dienen, maar ook
om als bewaarplaats te dienen van een of anderen talisman van groote
kracht gedurende de overstrooming, waarvan de Ingewijden wisten dat
zij ophanden was." [12]
Nu valt er met betrekking tot hetgeen in het aangehaalde boek vermeld
wordt weinig meer te zeggen dat ons belangrijk kan voorkomen in verband
met ons onderwerp. Een ieder die er belang in stelt raad ik aan het
geheele werkje te lezen. Maar wel belangrijk is het, te vermelden dat
mijns inziens met de twee groote Pyramiden van Gizeh niet _de_ Groote
Pyramide bedoeld werd, maar de beide andere die bekend zijn als die
van Kephren en Menkaura. De eerste werd, voorzoover ik dat begrijp,
gebouwd meer dan 400.000 jaar geleden, hetgeen men zal kunnen nagaan
uit hetgeen gezegd wordt in de _Geheime Leer_, Deel I, blz. 558,
en waarop ik zoo dadelijk zal terugkomen.
A. P. Sinnett heeft in zijne Verhandeling over _De Pyramide en
Stonehenge_ uitvoerig dit punt betreffende de bevolking van Egypte
gedurende dit tijdperk behandeld [13] en ik kan niet beter doen dan
hier in het kort weergeven wat hij uit okkulte bronnen omtrent dit
deel van het onderwerp bijeenverzameld heeft.
In de eerste plaats dan brengt een onderzoek naar den oorsprong van
de Egyptische beschavingsgeschiedenis ons tot het Atlantisch ras
terug. Ongeveer een millioen jaren geleden was dit Atlantische ras
het overheerschende ras in nagenoeg alle bewoonbare landen, hoewel de
hoofdmassa natuurlijk op het vasteland van Atlantis woonde. Egypte
zelf werd bewoond door een volk dat verre beneden deze beschaving
stond. Gedurende het verval van Atlantis nu trokken de Adepten, en in
het algemeen de meer geestelijk verlichten van het Atlantische ras,
weg van het groote vasteland en vestigden zich in afgelegen streken,
vaak te midden van half wilde stammen, welker nabijheid echter minder
schadelijk was voor het bederf der atmosfeer door booze daden en
gedachten, dan die van hunne verbasterde en ontaarde rasgenooten,
op wie zij hunnen invloed niet langer konden doen gelden. Van veel
meer nut zouden zij kunnen zijn voor de nog onontwikkelde rassen, die
echter onbedorven waren. Overal, in verschillende landen, vinden wij
teekenen van dat verblijf dezer Adepten in den vorm van nagelaten en
thans vervallen bouwwerken, voornamelijk tempels; zoo bijvoorbeeld de
Pyramiden in Amerika, Stonehenge in Engeland, de Pyramiden in Indië,
en voornamelijk de meest bekende, de oudste Pyramiden van Egypte.
De Adepten die zich in Egypte vestigden vonden daar, niet meer het
half wilde ras, maar een zich ontwikkelend ras dat een mengeling
was van de oude rassen en Aziatische emigranten, de zoogenaamde
Roeta-Atlantiërs. H. P. Blavatsky zegt van deze rassen: "Niettemin
schijnt zelfs in de dagen van Plato niemand behalve de priesters en de
ingewijden eenigerlei bepaalde herinnering aan de voorafgaande rassen
bewaard te hebben. De allereerste Egyptenaren waren gedurende eeuwen
en eeuwen van de Atlantiërs gescheiden geweest; zij zelve stamden af
van een uitheemsch ras, de Roeta-Atlantiërs, en hadden zich 400.000
jaren vroeger in Egypte gevestigd" [14].
Toen gedurende het verblijf van de later inkomende Adepten het
geestelijk zaad wortel schoot bij het opkomende ras, schijnen deze
Adepten het bestuur wereldlijk en geestelijk ter hand genomen te
hebben. Zij waren de goddelijke Koning-Ingewijden die voorafgingen
aan de menschelijke dynastie na Menes, en Egypte brachten tot een
stoffelijken en geestelijken bloei, waarvan de ons bekende Egyptische
beschaving slechts een flauwe weerspiegeling was.
Gedurende hun bestuur--en het is onmogelijk hier van jaren te spreken
met betrekking tot tijd, dus kunnen wij volstaan met te zeggen dat
het halverwege het tijdperk was tusschen de eerste emigratie der
Atlantische Adepten en het huidig tijdperk--werden de eerste pyramiden
gebouwd, niet als een oorspronkelijk iets, maar als _een algemeen
aangenomen bouw van tempels van inwijding en woonplaatsen van Adepten
in dien tijd;_ want H. P. Blavatsky zegt dat Egypte geenszins eenig
was in het hebben van pyramiden, doch dat deze in alle vier hoeken
der wereld bestonden, hoewel te dien tijde de hoofdzetel der Adepten
in Egypte gevestigd was. Dit nu was volgens Sinnett ongeveer 200.000
jaar geleden [15].
En thans ben ik tot een punt gekomen in deze verhandeling, waarop
ik met verwijzing naar al het voorvermelde en een beroep doende op
het okkulte gezag van deze mededeelingen, gevoeglijk kan komen tot
eene bespreking van de reden waarom ik het nuttig en wenschelijk acht
een onderwerp als het onderhavige te behandelen. Wanneer wij uit het
voorgaande zien dat de Adeptkoningen de leiders waren van de volken
door wie deze pyramiden gebouwd werden, kunnen wij Theosofen, met
hetgeen wij bij benadering ons kunnen denken van zulke hooge wezens,
niet aannemen dat deze pyramiden gebouwd werden als "graftomben". Er
bestaat voor ons geen twijfel of deze pyramiden hadden een verheven
doel, en wij kunnen dan ten volle aannemen hetgeen A. P. Sinnett
zegt in de meer aangehaalde verhandeling [16] dat deze pyramiden,
en inzonderheid de groote Pyramide, bedoeld waren als tempels van
inwijding, en dat de Groote Pyramide zelfs nog een doel had dat
nuttig was boven dit, namelijk het beschermen van tastbare magische
voorwerpen die in den rotsgrond verborgen werden, en die noodig waren
bij de okkulte mysteriën. Men zegt dat deze in den rotsgrond begraven
waren, dat de Pyramide er boven opgetrokken werd, om door haar vorm
en reusachtige grootte ze te beveiligen tegen aardbevingen en tegen de
gevolgen van de groote overstroomingen, die Egypte en andere gedeelten
der aarde bedolven onder groote watermassa's.
Maar nu deze okkulte theorie geheel en al tegenover de gezaghebbende
en conventioneele graftheorie der pyramiden staat, moeten wij niet
uit het oog verliezen dat gedurende het verval van de Egyptische
beschaving, dat is gedurende het aan ons bekende geschiedkundige
tijdperk, de esoterische kennis natuurlijk verdween met de Adepten,
die gedurende een meer en meer materialistisch wordend geslacht zich
terugtrokken naar weer andere streken, en dat ten opzichte van de
toen volgende _mode_ van pyramidenbouwen voor graftomben de theorie
stellig meer waarde heeft en gestaafd wordt door bewijzen. Want zeker
bouwden de latere koningen ze niet als plaatsen van inwijding, en er
zijn overvloedige bewijzen dat zij ze voor graftomben bedoelden;--het
feit dat zij de pyramidale bouworde volgden, vindt zijn reden in het
navolgen van de bestaande oudere pyramiden.
Wij moeten dus de waarde der pyramiden uit een okkult oogpunt zoeken in
gegevens die niet berusten op feiten die ontdekt zijn in verband met
latere pyramiden, doch geheel in die, welke ons verstrekt worden door
helderziend okkult onderzoek, zooals A. P. Sinnett ons die verschaft
in zijne verhandeling, en waaromtrent wij eveneens voldoende wenken
vinden in de _Geheime Leer_.
Doch afgescheiden van de okkulte waarde der oudste pyramiden in
het algemeen, kan die van de groote Pyramide voor ons bijzonder
belangrijk zijn, wanneer wij een gepasten eerbied hebben voor hetgeen
H. P. Blavatsky ons hieromtrent zegt in de _Geheime Leer_ [17], nl.:
"De Groote Moeder lag met den gelijkbenige driehoek, en de |, en het
vierkant, de tweede en de pentagram. [18] in haar schoot, gereed hen
voort te brengen, die de dappere Zonen van het vierkant gelijkbenige
driehoek | | [of 4.320.000, de Cyclus] wier Ouders de [Cirkel]
en het . [Punt] zijn.
Bij het begin van elken cyclus van 4.320.000 dalen de zeven, of zooals
enkele volkeren meenden, acht groote Goden neder om de nieuwe orde van
zaken te vestigen en den stoot te geven aan den nieuwen cyclus. Die
_achtste_ God was de vereenigende Cirkel, of Logos, in het exoterische
dogma van zijne schare gescheiden en onderscheiden, evenals de drie
goddelijke _hypostases_ der oude Grieken thans in de kerken voor drie
onderscheiden _personen_ gehouden worden. Een toelichting zegt:
_De Machtigen verrichten hunne groote werken en laten telkenmale
wanneer zij binnen onzen mâyâwischen sluier (dampkring) doordringen,
eeuwigdurende gedenkteekenen achter tot gedachtenis aan hun bezoek._
Zoo wordt ons geleerd dat de groote pyramiden onder hun onmiddellijk
toezicht gebouwd werden, 'toen Dhruwa (de toenmalige Poolster) in
zijn laagste culminatie was, en de Krittikâ's (Pleiaden) over zijn
hoofd heen zagen (op denzelfden meridiaan, maar hooger, stonden)
om het werk der reuzen te bewaken."
Zeker moet het ons de moeite waard zijn om te trachten aan te toonen,
dat er gronden zijn om te bewijzen dat de Pyramiden hooger waarde
en nut hadden dan die van "praalgraven voor ijdele koningen", en dit
stel ik mij voor te doen. Achtereenvolgens wensch ik te behandelen:
de ligging der Pyramide, hare Bouwers en hare astronomische waarde;
dan eene beschrijving te geven van het wonderbaarlijk ingewikkeld
en belangwekkend gangen- en zuilenstelsel; een overzicht van enkele
der vele (ongeveer 40), meer of minder waarde hebbende theorieën;
en ten slotte een uitvoerige beschouwing omtrent hetgeen voor de
Theosofische theorie pleit; terwijl wij eindelijk zullen trachten,
de symboliek van dit wereldwonder te begrijpen.
Moge het mij gelukken mijnen lezers een indruk te geven van de
ontzaglijk groote mystieke waarde van dit geschenk der Goden!
HOOFDSTUK II.
LIGGING.
In het vorig hoofdstuk heb ik in algemeene trekken iets medegedeeld
wat ons door verschillende gezaghebbenden geleerd wordt omtrent den
ouderdom van Egypte, zijne bewoners, en de Pyramiden. Thans zullen wij
in de eerste plaats overgaan tot eene meer bijzondere beschouwing van
de _Groote_ Pyramide, als een op zichzelf staand monument. Een ieder
die met de literatuur over de Pyramide eenigermate bekend is, zal weten
dat het juist de Groote Pyramide was, die steeds de belangstelling
trok, niet de Pyramiden in het algemeen; en daar de Groote Pyramide
zooveel eigenaardigheden vertoonde, die geheel afweken van die der
overige Pyramiden, kenmerkende eigenaardigheden welke niet overeen
te brengen zijn met geschiedkundig bekende Egyptische gegevens, is
een der bekendste schrijvers over dit onderwerp, Prof. Piazzi Smyth,
er in zijn werk _Our Inheritance in the Great Pyramid_ zelfs toe
gekomen, de Groote Pyramide te beschouwen als een _anti_-Egyptisch
bouwwerk. Wij komen op dit belangrijke punt later echter uitvoeriger
terug bij het behandelen van den Bouwer.
De Pyramide is gelegen op het plateau van Gizeh, een woeste reusachtige
bergvlakte, 100 voet boven het Nijldal, in de nabijheid van Kaïro,
eene plaats die niet ver verwijderd ligt van het oude Memphis. Men
moet niet denken dat hier thans 3 pyramiden gevonden worden, want
over het geheele plateau liggen ongeveer 70 pyramiden verspreid,
waarvan echter vele tot niet meer dan louter reusachtige puinhoopen
vervallen zijn. In het zoogenaamde vóór-geschiedkundig tijdperk, dat
echter van Theosofisch standpunt nog als geschiedkundig beschouwd kan
worden, zou dan eerst de Groote Pyramide daar gevonden zijn en later
de beide andere, die in de onmiddellijke nabijheid liggen; de drie
pyramiden zijn onderscheidenlijk bekend als die van Khoefoe, Kephren
en Menkaura. Wij kunnen ons voorstellen dat de overige nabootsingen
waren van de oorspronkelijke godenmonumenten, en behooren tot het
geschiedkundige tijdperk der Egyptologen. Met betrekking tot de
aardrijkskundige ligging der Groote Pyramide op genoemd tijdstip kunnen
wij natuurlijk geen gebruik maken van wetenschappelijke gegevens;
en wij kunnen ons van deze ligging alleen een begrip maken wanneer
wij de vervorming der aardoppervlakte nagaan, zooals deze beschreven
wordt in _The Story of Atlantis_.
Hieruit blijkt ons dat de Groote Pyramide geenszins afgelegen
lag. Egypte was als het ware het middelpunt van het bewoonde land,
en voor zoover wij dit kunnen nagaan, het kruispunt van de groote
wegen, langs welke de Adepten trokken van uit Centraal-Azië naar
Zuid-Atlantis, en van Lemurië naar Noord-Atlantis. Deze wegen zijn
nog naspeurbaar in overblijfselen van Pyramiden in Mexico en Indië
en de daartusschen verspreid liggende. Met betrekking hiertoe is de
volgende aanhaling van belang:
"_De Groote Draak ontziet alleen de Slangen van Wijsheid, de Slangen
wier holen zich thans onder de driehoekige steenen bevinden._"
Of met andere woorden, 'de pyramiden aan de vier hoeken der wereld'.
Dit zegt duidelijk, wat meer dan eens op andere plaatsen van de
Toelichtingen vermeld wordt, namelijk dat de 'Adepten of Wijzen, van
het Derde, Vierde en Vijfde Ras' in onderaardsche woonplaatsen leefden,
gewoonlijk onder een of ander bouwwerk van pyramide-vorm zoo niet
werkelijk onder een pyramide. Want dergelijke 'pyramiden' bestonden
aan de 'vier hoeken der wereld' en zijn nooit het monopolie van het
land der Pharao's geweest, al hield men ze inderdaad algemeen voor
het uitsluitend eigendom van Egypte, voordat zij overal over de beide
Amerika's verspreid, onder en boven den grond, aangetroffen werden. Al
treft men in Europeesche landen ook geen ware, wiskundig zuivere
pyramiden meer aan, toch zijn vele vermeende oude neolithische holen,
van de reusachtige driezijdig pyramidale en kegelvormige 'menhirs' in
Morbihan en Bretagne in het algemeen, vele der Deensche 'grafheuvels'
en zelfs veel 'reuzengraven' van Sardinië met hun onafscheidelijke
gezellen, de 'nuraphi's' evenveel min of meer ruwe nabootsingen van
de pyramiden. De meeste hunner zijn het werk van degenen die zich het
eerst op het pasgeboren vasteland en de eilanden van Europa hebben
neergezet, de 'enkele gele, enkele bruine en zwarte en enkele roode'
rassen, die 850.000 jaar geleden, na het verzinken van de laatste
Atlantische landen en eilanden--met uitzondering van Plato's eiland--en
vóór de komst der groote Ârische rassen overgebleven waren, terwijl
andere door de eerste landverhuizers uit het oosten gebouwd zijn" [19].
Uit deze aanhaling en uit hetgeen reeds vroeger vermeld werd omtrent
de Groote Pyramide, zien wij in, dat deze laatste als het ware de
kern was waar de groote Adeptverkeerswegen op uitliepen, en dit
gegeven omtrent hare ligging is mijns inziens belangwekkender dan de
vermelding dat zij op zooveel graden breedte en zooveel graden lengte
lag, waartoe natuurlijk de meeste schrijvers over het onderwerp zich
bepalen. Een uitzondering hierop maakt Piazzi Smyth in zijn werk _Our
Inheritance in the Great Pyramid_, waarin hij zeer uitvoerig nagaat
waarom de Groote Pyramide juist daar en niet ergens anders gebouwd
werd. Hoewel wij later uitvoeriger op zijne theorie terugkomen, is
het voor een goede opvatting zijner gegevens noodig zijn standpunt
in het kort na te gaan. Hij dan beweert dat de Groote Pyramide een
bouwwerk is, dat door een Joodsch koning, geïnspireerd door God,
gebouwd werd als een grondslag der maten en dat in het algemeen de
Groote Pyramide ons drie sleutels tot kennis verschaft:
_a._ Den sleutel der wiskunde in haar belichaming van het getal pi,
_b._ Den sleutel der toegepaste wiskunde of sterrekundige metingen,
_c._ Den sleutel tot de geschiedenis van het menschdom, zooals deze
ons door goddelijke Openbaring in het Oude en Nieuwe Testament wordt
gegeven.
Hij vindt dan in Jesajah XIX : 20 een tekst, namelijk: "tot een
teeken en een getuigenis voor den Heer der Heirscharen in het land van
Egypte" en verder eene "in het midden van het land van Egypte en op de
grenzen daarvan", die de ligging van dit bouwwerk zouden aanduiden,
en is dus genoodzaakt te bewijzen, dat de Groote Pyramide aan deze
vereischten voldoet; en dit doet hij dan ook op eene wijze die geheel
aan zijn doel beantwoordt, maar die voor ons van geen belang kan zijn
in verband met onze beschouwingen. Wij moeten echter niet vergeten
dat Piazzi Smyth spreekt van een tijdperk van eenige duizenden jaren
vóór Christus, terwijl wij ons volgens de Theosofische opvatting
eenige honderdduizenden jaren terug moeten denken. In ieder geval
kunnen wij van een Theosofisch standpunt weinig meer zeggen omtrent de
ligging dan het bovenstaande, omdat ons daartoe de gegevens ontbreken;
alleen kunnen wij uit hetgeen ons omtrent de aardkorst in die tijden
medegedeeld wordt opmaken, dat de zee spoelde tegen den voet van het
plateau waarop de Groote Pyramide stond.
Voorloopig zij dit genoeg met betrekking tot hare ligging; daar waar
verschillende theorieën, vooral omtrent de symboliek van het monument,
het noodzakelijk maken er op terug te komen, zullen wij die punten
welke in verband staan met oriëntatie en astronomische symboliek,
uitvoerig behandelen in verband met die theorieën zelve. Thans zullen
wij trachten iets naders omtrent den bouwer aan te geven.
DE BOUWER.
In breede trekken hebben wij reeds nagegaan wie de bouwers waren, toen
wij met betrekking tot den ouderdom eene aanhaling uit de _Geheime
Leer_ gaven die daarmede verband hield. Geen "wetenschappelijk"
mensch, geen vrijdenker en geen geloovige zal dit eenigermate met
ons eens zijn, doch de meesten geven den uit de geschiedenis der
menschelijke dynastieën bekenden Khoefoe als den bouwer aan. Hij zou
een zeer hardvochtig heerscher geweest zijn, die de tempels sloot en
den Egyptenaren verbood aan de Goden te offeren; in plaats daarvan
moesten zij steeds hard werken aan zijn groote werk, dat zijn roem
moest verbreiden en waarin hij na zijn dood wenschte begraven te worden
[20]. H. P. Blavatsky zegt echter in de _Geheime Leer_ dat "hetgeen
Herodotus ons mededeelt, in twijfel kan getrokken worden, aangezien
hij wel beter en meer wist, maar gebonden was door godsdienst, geloof
en belofte", en dus blijkbaar wel wist wat de Groote Pyramide was en
waarvoor zij diende, doch dit niet aan de profanen wenschte bekend
te maken.
De bewijzen welke aangevoerd kunnen worden om aan te toonen dat
Khoefoe de bouwer was, zijn inderdaad zeer gering en berusten
hoofdzakelijk op het vinden van een tablet in de Pyramide waarop
zijn naam voorkomt, zoodat wij het in geen geval een wetenschappelijk
feit kunnen noemen dat Khoefoe de bouwer was. Uit okkulte bron wordt
ons medegedeeld dat Khoefoe enkele gedeelten der Pyramide, welke
beschadigd waren, herstelde en ook, om voor ons onbekende redenen,
enkele der kamers, die vroeger toegankelijk waren, afsloot [21]. Dat
het zijn begraafplaats niet was, is zoo goed als zeker. Tenminste
nooit is zijne mummie er gevonden; en Prof. Greaves deelt ons mede
dat Diodorus in zijne verhandeling over Egypte eene merkwaardige
bijzonderheid omtrent Khoefoe vermeldt. Hij zegt dat deze, hoewel hij
de Pyramide als zijn begraafplaats bedoelde, er nimmer begraven werd,
omdat hij vreesde dat zijn mummie door de bevolking, die hem haatte,
verscheurd en vernietigd zou worden. Bij zijn sterven beval hij daarom
zijn vrienden, hem op een verborgen plaats te begraven. Piazzi Smyth
nu meent dat deze 1000 voet ten Zuid-oosten van de Pyramide ligt,
omdat de daar gevonden begraafplaats overeenkomt met de beschrijving
van de bedoelde verborgen plaats.
Hoewel er dus niets met zekerheid bekend is omtrent het bouwen der
Groote Pyramide door Khoefoe of Cheops, wordt hij vrij algemeen
beschouwd de bouwer te zijn en wordt zij dan ook meestal naar hem
genoemd. Behalve deze bouwer worden er natuurlijk tal van anderen
genoemd, meestal in verband met de meest fantastische verhalen omtrent
de reden van den bouw en omtrent den bouw zelf. Wanneer wij deze
verhalen in het licht der Theosofie beschouwen, ligt er gewoonlijk
in elk een zekere waarheid verborgen. Over het algemeen kunnen wij
bij de Grieken niet veel vinden dat ons eenige zekerheid omtrent den
bouwer geeft. Enkele belangwekkende verhalen omtrent hem vinden wij
echter bij Arabische schrijvers. John Greaves, een van de bekendste
bezoekers van en schrijvers over de Pyramide, geeft ons een van deze
verhalen, door hem uit het Arabisch vertaald.
"De schrijver van het boek, genaamd _Morat Alieman_ schrijft: 'Zij
verschillen met betrekking tot dengene, die de Pyramide bouwde. Enkelen
zeggen Joseph, enkelen zeggen Nimrod, enkelen Dalukah de Koningin,
en enkelen dat de Egyptenaren ze voor den Vloed bouwden, want zij
voorzagen dat deze komen zou, en zij brachten hunne schatten derwaarts,
maar het gaf hun niets.' Op een andere plaats vertelt hij ons dat
volgens de Kopten (of Egyptenaren) deze twee groote pyramiden en de
kleinere, welke gekleurd is, graven zijn. In de oostelijke pyramide
is Koning Saurid begraven, in de westelijke pyramide zijn broeder
Hougib en in de gekleurde pyramide Farfarinoun, de zoon van Hougib. De
Sabæën verhalen dat een er van het graf van Shub (dat is Seth) is,
en de tweede het graf van Sab, den zoon van Hermes, waarom zij Sabæën
genoemd worden. Zij maken er bedevaarten naar toe en offeren hem een
haan en een zwart kalf en offeren hem wierook." [22]
Een andere Arabische geschiedschrijver, Ibn Aba Alkokm, geeft
denzelfden naam van den bouwer namelijk Saurid, en zegt eveneens dat
zij voor den vloed gebouwd werden.
In deze verhalen vinden wij dus niets dat de Theosofische
mededeeling omtrent den bouwer bevestigt, alleen--dit zij terloops
gezegd--bevestigen zij dat zij gebouwd werden vóór den zondvloed,
dus vóór de overstrooming die Atlantis onder de golven bedolf.
Josephus, de Joodsche geschiedschrijver, zegt dat de
Israëlieten gedurende hunne gevangenschap aan pyramiden moesten
werken. Waarschijnlijk is dit echter geweest dat zij aan enkele
der latere pyramiden werkten, ofschoon Yeates [23] zegt dat zij
nooit te Gizeh waren, doch elders hunne steenen pyramiden kunnen
gemaakt hebben. T. Gabb in _The Origin of Measures_ zegt dat zij
"het voortbrengsel waren van de onmiddellijke afstammelingen van
Seth" en dat "de onmiddellijke afstammelingen van Seth van grooter
gestalte dan wij waren". Dit laatste nu is de eenige aanduiding in
niet-theosofische beschrijvingen van de werklieden die bij den bouw
gebezigd werden, welke aan hen een grootere gestalte dan de onze
toekent. Met betrekking tot den bouwer vinden wij ook hier echter
niets om onze theosofische gegevens te staven.
Thans komen wij echter tot eene reeks theorieën omtrent den bouwer,
die dit wel doen. John Taylor, de beroemde schrijver van _The Great
Pyramid, Who built it and Why was it built?_ zegt: "Aan Noach moeten
wij het oorspronkelijke denkbeeld, het overheerschend denkvermogen
en het edele doel toeschrijven. Hij die de ark bouwde was van alle
menschen de meest bekwame om het bouwen van de Groote Pyramide te
besturen". [24] Nu ligt het mijns inziens voor de hand dat de Ark
en de Groote Pyramide een en hetzelfde gebouw waren, indien wij de
mythologische verhalen omtrent het doel van het bouwen van beide
nagaan. Doch alvorens verder in te gaan op John Taylors uiting,
wensch ik eerst een anderen naam te noemen, die gegeven wordt door
andere schrijvers, welke dezelfde theorie--namelijk die der Pyramide
als eene goddelijke openbaring--toegedaan zijn.
Eene uitweiding is hier echter noodzakelijk om te laten zien hoe
zij aan dien naam komen. Wij moeten dan in de eerste plaats nogmaals
terugkeeren tot het verslag van Herodotus. H. P. Blavatsky is blijkbaar
niet de eenige die zegt dat Herodotus meer wist dan hij schreef of
zeide, want ook Bonwick zegt: "Herodotus, de vader der geschiedenis,
schijnt soms meer te weten dan hij wijs acht in eenvoudige taal te
vertellen, en hij heeft een esoterische beteekenis achter de woorden"
[25]. Herodotus nu zegt: "Geen Egyptenaar wil hunne namen vermelden
[die der Bouwers; v. G.]; maar zij schrijven hunne pyramiden altijd
toe aan een zekeren Philition (Philitis), een schaapherder die zijn
vee op deze plaatsen weidde." [26] Verder wordt verhaald dat deze man
Egypte verliet met een gevolg van 24.000 menschen, naar Judaea ging en
aldaar vervolgens Jeruzalem stichtte. Volgens verschillende schrijvers
nu zou deze Philitis niemand anders zijn dan de bijbelsche Melchizedek.