levenswijze van het edelhert in Duitschland („Forest Creatures”, 1861,
blz. 81): „terwijl het hert bezig is met zijn rechten tegen éénen
indringer te verdedigen, breekt een ander in het heiligdom van zijn
harem en behaalt de eene zegepraal na de andere.” Juist het zelfde
gebeurt bij de robben, zie den heer J. A. Allen, ibid., blz. 100.
[354] De heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge,
United States”, vol. II, No. I, blz. 99.
[355] „Dogs: Their Management”, door E. Mayhew, M. R. C. V. S., 2nd.
edit., 1864, blz. 192–197.
[356] Aangehaald door Alexander Walker, „On Intermarriage”, 1838, blz.
276, zie ook blz. 244.
[357] „Traité de l’Héréd. Nat.”, tome II, 1850, blz. 206.
[358] De eland (Cervus alces).
[359] Volgens sommigen de uitgestorven reuzeneland (Megaceros
Hibernicus). Anderen houden hem voor het zelfde dier als den Elk.
Klaarblijkelijk wordt echter in bovengenoemde dichtregelen de Schelk
even scherp tegenover den Elk gesteld als de Urus tegenover den Wisent.
In de oorkonden van keizer Otto den Groote van het jaar 943 wordt
geboden, dat niemand zonder verlof van Bisschop Balderik van Utrecht in
de bosschen van Drenthe aan den Nederrijn herten, beren, reeën, wilde
zwijnen, noch die wilde dieren zal jagen, welke in de Duitsche taal Elo
of Schelo heeten (zie Heda, Hist. episc. Ultraj., blz. 83).
[360] Dit wordt echter zeer onwaarschijnlijk gemaakt, doordat in het
bovenvermeld boekje van von Herberstain van de Auerossen (Bos Urus)
wordt gezegd: „Men paart ze met de tamme koeien, maar de jongen worden
dan niet door de Urussen in de kudde geduld, en de kalveren van
dergelijke bastaarden komen dood ter wereld.” Daar men uit het feit,
dat twee vormen vruchtbare jongen met elkander voortbrengen, op het
tegenwoordig standpunt der wetenschap niet meer (gelijk men vroeger
deed) mag besluiten, dat het geen twee verschillende soorten zijn, kan
men er des te zekerder van zijn dat twee vormen die onvruchtbare of
onvolkomen vruchtbare jongen met elkander geven, ongetwijfeld
soortelijk verschillen.
[361] Uit den verschillenden tijd van het afvallen der horens bij het
mannetje en het wijfje blijkt echter, dat zij nog steeds met de sekse
in verband staan. Het zou belangrijk zijn na te gaan, of de horens bij
gesneden rendieren afvallen op den zelfden tijd als bij de ongesneden
mannetjes, dan wel op den zelfden tijd als bij de wijfjes. Vergelijk
ook het door Darwin (II, blz. 231, 232, 233), gezegde omtrent
gecastreerde antilopen, herten, schapen, geiten, runderen enz.
[362] „Ueber den Ursprung der secundären männlichen
Geschlechtscharakteren etc.”, Kosmos, 1881, blz. 172. (Zie ook
„Afstamming van den Mensch”, 4de Ned. uitgaaf, deel I, blz. 557, 559.)
[363] „Afst. v.d. Mensch”, 4de uitg., Deel II, hoofdstuk XVII, blz.
254. Zie ook hoofdstuk XIV over voorkeur bij het paren door vrouwelijke
vogels getoond en over hun op prijs stellen van schoonheid.
[364] „The Voyage of the Vega”, Eng. Vert. (1881, vol. II, blz. 97).
[365] „Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 154.
[366] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 585.
[367] Ibid., blz. 595.
[368] Zie, bij voorbeeld, majoor W. Ross King („The Sportsman in
Canada”, 1866, blz. 53, 131) over de gewoonten van den eland en het
wilde rendier.
[369] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 600.
[370] De heer Green, in „Journal of Linn. Soc.”, vol. X, Zoology, 1869,
blz. 362.
[371] C. L. Martin, „General Introduction to the Nat. Hist. of Mamm.
Animals”, 1841, blz. 431.
[372] „Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1860, blz. 21.
[373] Omtrent den zeeolifant, zie een artikel door Lesson, in „Dict.
Class. Hist. Nat.”, tome XIII, blz. 418. Omtrent de Cystophora of
Stemmatopus, zie Dr. Dekay, „Annals of Lyceum of Nat. Hist. New-York”,
vol. I, 1824, blz. 94. Pennant heeft ook inlichtingen omtrent dit dier
bij robbenvangers ingewonnen. De volledigste mededeelingen worden door
den heer Brown, die den rudimentairen toestand van de blaas bij het
wijfje betwijfelt, gedaan in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 435.
[374] Zooals bij het bevergeil (castoreum) van den bever; zie het
hoogst belangwekkende werk van den heer L. H. Morgan, „The American
Beaver”, 1868, blz. 300. Pallas („Spic. Zoolog.”, fasc. VIII, 1779,
blz. 23) heeft de riekende stoffen afscheidende klieren der zoogdieren
grondig besproken. Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 634)
behandelt deze klieren insgelijks met insluiting van die van den
olifant en (blz. 763) die van de spitsmuis.
[375] Rengger, „Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830,
blz. 355. Deze waarnemer deelt ook eenige merkwaardige bijzonderheden
mede omtrent den voortgebrachten geur.
[376] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 632. Zie ook Dr.
Murie’s waarnemingen omtrent hun klieren in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1870,
blz. 340. Desmarest, over Antilope subgutturosa, „Mammalogie”, 1820,
blz. 445.
[377] Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, fasc. XIII, 1799, blz. 24;
Desmoulins, „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome III, blz. 586.
[378] Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery at Knowsley”, blz. 28.
[379] Judge Caton over het Wapiti-hert, „Transact. Ottawa Acad. Nat.
Sciences”, 1868, blz. 36, 40; Blyth, „Land and Water”, over Capra
aegagrus, 1867, blz. 37.
[380] Hunter’s „Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, 1861,
vol. I, blz. 236.
[381] Zie Dr. Gray’s „Cat. of Mammalia in British Museum”, part. III,
1852, blz. 144.
[382] Rengger „Säugethiere” enz., blz. 14; Desmarest, „Mammalogie” blz.
66.
[383] Zie de hoofdstukken over deze verschillende dieren in Deel I van
mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ook Deel II, blz.
98; ook hoofdstuk XX, over de uitoefening van teeltkeus door half
beschaafde volken. Omtrent de Berbura-geit, zie Dr. Gray, „Catalogue”,
ibid., blz. 157.
[384] J. A. Allen, in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge,
United States”, 1869, blz. 207. De heer Dobson over seksueele kenmerken
bij de Chiroptera, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 241. Dr. Gray over
luiaards, ibid., 1871, blz. 436.
[385] Osphranter rufus, Gould, „Mammals of Australia”, vol. II, 1863.
Omtrent de Didelphys, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 256.
[386] „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Nov. 1867, blz. 325. Omtrent Mus
minutus, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 304.
[387] J. A. Allen in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge,
United States”, 1869, blz. 207.
[388] Desmarest, „Mammalogie”, 1820, blz. 223. Omtrent Felis mitis,
Rengger, ibid., blz. 194.
[389] Dr. Murie over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, blz.
108. De heer R. Brown, over de P. Groenlandica, ibid., 1868, blz. 417.
Zie ook omtrent de kleuren van robben, Desmarest, ibid, blz. 243, 249.
[390] Judge Caton in „Trans. Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, 1868, blz.
4.
[391] Dr. Gray, „Cat. of Mamm. in Brit. Mus.”, part III, 1852, blz.
134–142; ook Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”,
waarin een prachtige afbeelding van Oreas Derbianus voorkomt: zie den
tekst over Tragelaphus. Omtrent den Kaapschen Eland (Oreas canna), zie
Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. 41 en 42. Er zijn ook vele
van deze antilopen in den Londenschen dierentuin.
[392] Omtrent de de Ant. nigra, zie „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 133.
Omtrent een verwante soort bij welke een gelijk seksueel kleurverschil
bestaat, zie Sir Samuel Baker, „The Albert Nyanza”, 1866, vol. II, blz.
327. Voor de A. sing-sing, Gray, „Cat. B. Mus.” blz. 100. Desmarest,
„Mammalogie”, blz. 468, over A. caama; Andrew Smith, „Zoology of S.
Africa”, over den gnoe.
[393] „Ottawa Academy of Sciences”, 21 Mei, 1868, blz. 3, 5.
[394] S. Müller over den Banteng, „Zoogd. Indischen Archipel”,
1839–1844, tab. 35; zie ook Raffles, aangehaald door Dr. Gray in „Land
and Water”, 1867, blz. 476. Omtrent geiten, Dr. Gray, „Cat. Brit.
Mus.”, blz. 146; Desmarest, „Mammalogie”, blz. 482. Omtrent Cervus
paludosus, Rengger, ibid., blz. 345.
[395] Sclater, „Proc. Zool. Soc.”, 1866, blz. 1. Het zelfde feit is ook
door de heeren Pollen en van Dam volkomen bevestigd.
[396] Omtrent Mycetes, Rengger, ibid., blz. 14; en Brehm, „Illustrirtes
Thierleben”, Bd. I, blz. 96, 107. Omtrent Ateles, Desmarest,
„Mammalogie”, blz. 75. Omtrent Hylobates, Blyth, „Land and Water”,
1867, blz. 135. Omtrent Semnopithecus, S. Müller, „Zoogd. Indischen
Archipel”, tab. X.
[397] Gervais, „Hist. Nat. des Mammifères”, 1854, blz. 103.
Afbeeldingen worden gegeven van den schedel van het mannetje.
Desmarest, „Mammalogie”, blz. 70. Geoffroy St. Hilaire en Cuvier,
„Hist. Nat. des Mamm.”, 1824, tome I.
[398] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert.,
deel II, blz. 89, 90.
[399] „Essays and Observations by J. Hunter”, uitgegeven door Owen,
1861, vol. I, blz. 194.
[400] Sir S. Baker, „The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867.
[401] Fiber zibethicus, Audubon en Bachman, „The Quadrupeds of N.
America”, 1846, blz. 109.
[402] „Novae species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Het
dier dat ik ree heb genoemd, is Capreolus Sibericus subecaudatus van
Pallas.
[403] „The Naturalist in Nicaragua”, blz. 249.
[404] Zie de fraaie platen in A. Smith’s „Zoology of S. Africa”, en Dr.
Gray’s „Gleanings from the Menagery of Knowsley.”
[405] „Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 5.
[406] „Travels in South Africa”, 1824, vol. II, blz. 315.
[407] Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, blz. 64. De
heer Blyth („Land and Water”, 1869, blz. 42) zegt, van het zwijnshert
van Ceylon sprekende, dat het helderder witte vlekken heeft dan het
gewone zwijnshert, in het jaargetijde waarin het nieuwe horens krijgt.
[408] Falconer en Cautley, „Proc. Geolog. Soc.”, 1843; en Falconer’s
„Pal. Memoirs”, vol. I, blz 296.
[409] „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I,
blz. 68–72.
[410] „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I,
blz. 68–72.
[411] „Proc. Zool. Soc.”, 1862, blz. 164. Zie ook Dr. Hartmann, „Ann.
d. Landw.” Bd. XLIII, blz. 222.
[412] Ik nam dit feit waar in den Londenschen dierentuin; en talrijke
voorbeelden er van kan men zien op de gekleurde platen in Geoffroy St.
Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mammifères”, tome II, 1824.
[413] Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 310.
[414] Ik heb de meeste der bovengenoemde apen in den Londenschen
dierentuin gezien. De beschrijving van den Semnopithecus nemaeus is
ontleend aan den heer W. C. Martin, in zijn „Nat. Hist. of Mammalia”,
1841, blz. 460; zie ook blz. 475, 523.
[415] De hier bedoelde soort is Mephitis Chinga
[416] Dit is onjuist. Het vocht wordt door bijzondere klieren van
aanmerkelijke grootte afgescheiden, die zich in den mastdarm openen en
door een bijzondere spier kunnen worden samengetrokken.
[417] In de geologische opeenvolging vertoonen zich de Pachydermata
vroeger dan de Ruminantia met welke zij door de Anoplotheroiden zijn
verbonden. De stamouders der Ruminantia waren naar alle
waarschijnlijkheid fossiele Pachydermata. Men vergelijke Dr. T. C.
Winkler, „De Paleontologische Geschiedenis der Hoefdieren”, in „Alb. d.
Nat”, 1881, blz. 197, 244, en voor het genetisch verband tusschen
levende en uitgestorven zoogdieren in het algemeen, vooral ook Prof. O.
Smidt, „Die Säugethiere in ihrem Verhältnisse zur Vorwelt”, Leipzig,
Brockhaus, 1884 („Internat. wiss. Bibl.”, Bd. LXV).
[418] „Humboldt”, Jahrg. 1885 en 1886. Düsing, „Humboldt”, Nov. 1887 en
Sept. 1888, Eimer, „Untersuchungen über das Variiren der
Mauereidechse”, Berlin, 1881, Düsing, „Über die Färbung der Thiere”,
„Kosmos”, 1886, Bd. II, blz. 382. In „Humboldt”, Oct. 1887, toont Eimer
aan, dat ook Kerschner’s onderzoekingen omtrent het vederkleed der
vogels zijn stelling bevestigen.
[419] Schaaffhausen, vertaling in „Anthropological Review”, Oct. 1868,
blz. 419, 420, 427.
[420] „The Heart of Africa”, Eng. vert., 1873, vol. I, blz. 544.
[421] Ecker, vertaling in „Anthropolog. Review”, Oct. 1868, blz.
351–356. De vergelijking van den schedelvorm van den man met dien van
de vrouw is door Welcker met veel zorg uitgewerkt.
[422] Ecker en Welcker, ibid., blz. 352, 355; Vogt, „Lectures on Man”,
Eng. vertaling, blz. 81.
[423] Schaaffhausen, „Anthropolog. Review”, ibid., blz. 429.
[424] Pruner-Bey, omtrent negerkinderen, aangehaald door Vogt,
„Lectures on Man”, Eng. vert., 1864, blz. 189; voor verdere feiten
omtrent negerkinderen, aangehaald, van Winterbottom en Camper, zie
Lawrence, „Lectures on Physiology” enz., 1862, blz. 451. Omtrent de
kinderen der Guarani’s, zie Rengger, „Säugethiere” enz., blz. 3.
Omtrent de Australiërs, Waitz, „Introduct. to Anthropology”, Eng.
vert., 1863, blz. 99
[425] Rengger, „Säugethiere” enz., 1830, blz. 49.
[426] Zooals bij Macacus cynomolgus (Desmarest, „Mammalogie”, blz. 65)
en bij Hylobates agilis (Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat.
des Mamm.”, 1824, tome I, blz. 2).
[427] „Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 253.
[428] De heer Blyth meldt mij, dat hij nooit meer dan één voorbeeld
heeft gezien, dat de baard, bakkebaarden enz. bij een aap in den
ouderdom grijs werden, zooals bij ons zoo algemeen het geval is. Dit
gebeurde echter bij een ouden en gevangen gehouden Macacus cynomolgus
wiens knevels „opmerkelijk lang en menschelijk” waren. Over het geheel
geleek deze aap op lachwekkende wijze op een van de regeerende vorsten
van Europa, naar wien hij algemeen werd genoemd. Bij sommige
menschenrassen wordt het hoofdhaar nauwelijks ooit grijs; zoo heeft de
heer D. Forbes, naar hij mij meldt, daarvan nooit een voorbeeld gezien
bij de Aymara’s en Quichua’s van Zuid-Amerika.
[429] Dit is het geval met de wijfjes van onderscheidene soorten van
Gibbons (Hylobates), zie Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist Nat.
des Mamm.”, tome I. Zie ook omtrent H. Lar, „Penny Encyclopedia”, vol.
II, blz. 149, 150.
[430] De resultaten werden door Dr. Weisbach afgeleid uit de door Dr.
Scherzer en Dr. Schwarz gedane metingen, zie „Reise der Novara:
Anthropolog. Theil”, 1867, blz. 216, 231, 234, 236, 239, 269.
[431] „Voyage to St. Kilda” (3rd. edit, 1753), blz. 27.
[432] Sir J. E. Tennent, „Ceylon”, vol. II, 1859, blz. 107.
[433] Quatrefages, „Revue des Cours Scientifiques”, 29 Aug. 1868, blz.
630; Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert., blz. 127.
[434] Over de baarden van de negers, Vogt, „Lectures” enz., ibid., blz.
127; Waitz, „Introduct. to Anthropology”, Eng. vert., 1863, vol. I,
blz. 96. Het is opmerkelijk, dat in de Vereenigde Staten
(„Investigations in Military and Anthropological Statistics of American
Soldiers”, 1869, blz. 569), de zuivere negers en hun gekruist kroost
bijna even harige lichamen schijnen te hebben als die van Europeanen.
[435] Wallace, „The Malay Arch.”, vol. II, 1869, blz. 178.
[436] Dr. J. Barnard Davis over Oceanische rassen, in „Anthropolog.
Review”, April, 1870, blz. 185, 191.
[437] Catlin, „North American Indians”, 3rd. edit., 1842, vol. II, blz.
227. Over de Guarani’s, zie Azara, „Voyages dans l’Amérique Mérid.”,
tome II, 1809, blz. 58; ook Rengger, „Säugethiere von Paraguay”, blz.
3.
[438] Prof. en Mevrouw Agassiz („Journey in Brazil”, blz. 530) merken
op, dat de seksen van de Amerikaansche Indianen minder verschillen dan
die van de negers en van de hoogere rassen. Zie ook Rengger, ibid.,
blz. 3, over de Guarani’s.
[439] Rütimeyer, „Die Grenzen der Thierwelt; eine Betrachtung zu
Darwin’s Lehre”, 1868, blz. 54.
[440] „A Journey from Prince of Wales Fort”, 8vo. ed., Dublin, 1796,
blz. 104. Sir J. Lubbock („Origin of Civilisation”, 1870, blz. 69)
deelt andere soortgelijke gevallen in Noord-Amerika mede. Omtrent de
Guana’s van Zuid-Amerika, zie Azara, „Voyages”, enz. tome II, blz. 94.
[441] Over het vechten der mannelijke gorilla’s, zie Dr. Savage in
„Boston Journal of Nat. Hist.”, vol. V, 1847, blz. 423. Omtrent
Presbytis entellus, zie het „Indian Field”, 1859, blz. 146.
[442] J. Stuart Mill merkt op („The Subjection of Women”, 1869, blz.
122): „De dingen waarin de man de vrouw het meest overtreft, zijn die
welke het meeste hoofdbreken en lang hameren op enkele gedachten
vereischen.” Wat is dit anders dan geestkracht en volharding?
[443] Een opmerking van Vogt heeft op dit onderwerp betrekking; hij
zegt: „het is een opmerkelijk feit, dat het verschil tusschen de
seksen, met betrekking tot de schedelholte, toeneemt met de
ontwikkeling van het ras, zoodat de mannelijke Europeeër de vrouwelijke
daarin veel meer overtreft dan de negerin. Welcker heeft deze stelling
van Huschke door zijn metingen van negerschedels en Duitsche schedels
bevestigd.” Vogt geeft echter toe („Lectures on Man”, Eng. vert., 1864,
blz. 81), dat er meer waarnemingen omtrent dit punt worden vereischt.
[444] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 603.
[445] „Journal of the Anthropolog. Soc.”, 1869, blz. LVII, LXVI.
[446] Dr. Scudder, „Notes on Stridulation”, in „Proc. Boston Soc. of
Nat. Hist.”, vol. XI, April 1868.
[447] Medegedeeld in W. C. L. Martin’s „General Introduc. to Nat. Hist.
of Mamm. Animals”, 1841, blz. 432; Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol.
III, blz. 600.
[448] Helmholtz, „Théorie Phys. de la Musique”, 1868, blz. 187.
[449] De heer R. Brown, in „Proc. Zool. Soc”, 1868, blz. 410.
[450] „Journal of Anthropolog. Soc.” Oct. 1870, blz. CLV. Zie ook de
verschillende latere hoofdstukken in Sir Lubbock’s „Prehistoric Times”,
die een uitnemende beschrijving van de gewoonten van wilden bevatten.
[451] Sedert dit hoofdstuk is afgedrukt, heb ik een hoogst belangrijk
artikel gelezen van den heer Chauncey Wright („North Amer. Review”,
Oct. 1870, blz. 293), die bij de bespreking van bovenstaand onderwerp
opmerkt: „Er zijn vele gevolgen der laatste wetten of overeenstemmingen
der natuur, door welke de verkrijging van een nuttig vermogen vele
daaruit voortvloeiende voordeelen en ook beperkende nadeelen, zoowel
feitelijk als mogelijk, met zich zal brengen, welke het
nuttigheidsbeginsel niet in den kring zijner werking kan hebben
begrepen.” Dit beginsel heeft een belangrijke strekking, gelijk ik in
het tweede hoofdstuk van dit werk, over de verkrijging door den mensch
van sommige zijner geestelijke kenmerken, heb trachten aan te toonen.
[452] Zie de zeer belangwekkende bespreking van den Oorsprong en de de
Werking der Muziek, door den heer Herbert Spencer in zijn verzameling
van „Essays”, 1858, blz. 359. De heer Spencer komt tot een juist
tegenovergesteld besluit als waartoe ik ben gekomen. Hij besluit, dat
de maten die in een aandoenlijke rede („emotional speech”) worden
gebruikt, den grondslag uitmaken, waaruit zich de muziek heeft
ontwikkeld; terwijl ik besluit, dat muzikale tonen en rhythmus het
eerst door de mannelijke of vrouwelijke voorouders van den mensch
werden verkregen om daardoor de tegenovergestelde sekse te bekoren. Zoo
werden muzikale tonen vast verbonden met eenige van de sterkste
hartstochten welke een dier in staat is te gevoelen en worden bij
gevolg instinktmatig of door verbinding van denkbeelden („association”)
gebruikt, wanneer sterke gemoedsaandoeningen in woorden worden
uitgedrukt. De heer Spencer geeft volstrekt geen voldoende verklaring,
en ook ik kan dit niet, waarom hooge of diepe tonen, zoowel bij den
mensch als bij de lagere dieren, worden gebruikt om zekere
gemoedsaandoeningen uit te drukken. De heer Spencer geeft ook een
belangwekkende beschouwing over de betrekkingen tusschen dichtkunst,
voordracht en zang.
[453] Rengger, „Säugethiere von Paraguay”, blz. 49.
[454] Ik vind in Lord Monboddo’s „Origin of Language”, vol. I (1774),
blz. 469, dat Dr. Blacklock eveneens dacht: „dat de eerste taal onder
de menschen muziek was, en dat, vóór onze denkbeelden werden uitgedrukt
door gearticuleerde klanken, zij werden medegedeeld door tonen,
verschillende al naar de onderscheidene graden van hoogte en laagte.”
[455] Zie een belangrijke beschouwing over dit onderwerp in Häckel,
„Generelle Morph.”, Bd. II, 1856, blz. 246.
[456] Een uitvoerige en uitnemende beschrijving van de wijze waarop
wilden uit alle deelen der wereld zich versieren, heeft de Italiaansche
reiziger Prof. Mantegazza gegeven in „Rio de la Plata, Viaggi e Studi”,
1867, blz. 525–555; al de volgende opgaven zijn, wanneer geen andere
werken worden aangehaald, aan dit geschrift ontleend. Zie ook Waitz,
„Introduct. to Anthropolog.”, Eng. vert., vol. I, 1863, blz. 275 et
passim. Lawrence geeft ook zeer uitvoerige bijzonderheden in zijn
„Lectures on Physiology”, 1822. Sinds dit hoofdstuk was geschreven,
heeft Sir J. Lubbock zijn „Origin of Civilisation”, 1870, uitgegeven,
waarin een belangwekkend hoofdstuk over dit onderwerp voorkomt, en
waaraan ik (blz. 42, 48) eenige feiten heb ontleend omtrent het verven
van tanden en haren en het doorboren der tanden bij wilden.
[457] Humboldt, „Personal Narrative”, Eng. vertaling, vol. IV, blz.
515; over de verbeeldingskracht die uit het beschilderen van het
lichaam blijkt, blz. 522; over het wijzigen van den vorm van de kuit
van het been, blz. 466.
[458] „The Nile Tributaries”, 1867; „The Albert Nyanza”, 1866, vol. I,
blz. 218.
[459] Medegedeeld door Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, 4th. edit.,
vol. I, 1851, blz. 351.
[460] Omtrent de Papoea’s, Wallace, „The Malay Archipelago”, vol. II,
blz. 445. Over het kapsel der Afrikanen, Sir S. Baker, „The Albert
Nyanza”, vol. I, blz. 210.
[461] „Travels”, blz. 533.
[462] „The Albert Nyanza”, 1866, vol. I, blz. 217.
[463] Livingstone, „British Association”, 1860; verslag gegeven in het
„Athenaeum”, 7 Juli 1860, blz. 29.
[464] Sir S. Baker (ibid., vol. I, blz. 210) zegt, van de inboorlingen
van Centraal-Afrika sprekende: „elke stam heeft een verschillende en
onveranderlijke wijze om zich het haar op te maken.” Zie Agassiz
(„Journey in Brazil”, 1868, blz. 318) over de onveranderlijkheid van de
tatoeëering bij de Indianen van het Amazonengebied.
[465] De weleerw. heer R. Taylor, „New Zealand and its Inhabitants”
1855, blz. 152.
[466] Mantegazza, „Viaggi e Studi”, blz. 542.
[467] „Travels in South Africa”, 1824, vol. I, blz. 414.
[468] Zie omtrent de aanhalingen Gerland, „Ueber das Aussterben der
Naturvölker”, 1868, blz. 51, 53, 55; ook Azara, „Voyages” enz., tome
II, blz. 116.
[469] Over de voortbrengselen van het plantenrijk, die door de
Noordwestelijke Amerikaansche Indianen worden gebruikt, „Pharmaceutical
Journal”, vol. X.
[470] „A Journey from Prince of Wales Fort”, 8vo edit. 1796, blz. 89.
[471] Aangehaald door Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, 3rd. edit.,
vol. IV, 1844, blz. 519; Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert., blz. 129.
Omtrent het oordeel der Chineezen over de Singaleezen, E. Tennent,
„Ceylon”, vol. II, 1859, blz. 107.
[472] Prichard volgens de opgaven van Crawfurd en Finlayson, „Phys.
Hist. of Mankind”, vol. IV, blz. 534, 535.
[473] „Idem illustrissimus viator dixit mihi praecinctorium vel tabula
foeminae, quod nobis teterrimum est, quondam permagno aestimari ab
hominibus in hac gente. Nunc res mutata est, et censent talem
conformationem minime optandam esse.”
[474] „The Anthropological Review”, Nov. 1864, blz. 237. Voor verdere
aanhalingen, zie Waitz, „Introduction to Anthropology”, Eng. vert.,
1863, vol. I, blz. 105.
[475] „Mungo Park’s Travels in Africa”, 4to, 1816, blz. 53, 131.
Burton’s mededeeling wordt door Schaaffhausen aangehaald, „Archiv für
Anthropologie”, 1866, blz. 163. Omtrent de Banyai, Livingstone,
„Travels”, blz. 64. Omtrent de Kaffers, de weleerw. heer J. Shooter,
„The Kafirs of Natal and the Zulu Country”, 1857, blz. 1.
[476] Omtrent de Javanen en Cochin-Chineezen, zie Waitz, „Introduct. to
Anthropology”, Eng. vert., vol. I, blz. 305. Omtrent de Yura-Cara’s A.
d’Orbigny, aangehaald bij Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, vol. V,
3rd. edit., blz. 476.
[477] „North American Indians”, door G. Catlin, 3rd. edit., 1842, vol.
I, blz. 49; vol. II, blz. 227. Omtrent de inboorlingen van Vancouver’s
Eiland, zie Sproat, „Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25.
Omtrent de Indianen van Paraguay, Azara, „Voyages”, tome II, blz. 105.