[478] Omtrent de Siameezen, Prichard, ibid., vol. IV, blz. 533. Omtrent

de Japanneezen, Veitch in „Gardener’s Chronicle”, 1860, blz. 1104.

Omtrent de Nieuw-Zeelanders, Mantegazza, „Viaggi e Studi”, 1867, blz.

526. Omtrent de overige vermelde volken, zie aanhalingen in Lawrence.

„Lectures on Physiology” enz., 1822, blz. 272.

[479] Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 321.

[480] Dr. Barnard Davis haalt Dr. Prichard en anderen wegens deze op de

Polynesiërs betrekking hebbende feiten aan in „Anthropological Review”,

April 1870, blz. 185, 191.

[481] Ch. Comte maakt opmerkingen in dezen zin in zijn „Traité de

Législation”, 3rd. edit., 1837, blz. 136.

[482] De Vuurlanders beschouwen, gelijk mij een zendeling heeft

medegedeeld, die lang onder hen heeft geleefd, Europeesche vrouwen als

uiterst schoon: maar op grond van hetgeen wij hebben gezien omtrent het

oordeel van de andere inboorlingen van Amerika, kan ik niet anders

denken dan dat dit een vergissing moet zijn, tenzij evenwel deze

getuigenis betrekking heeft op de weinige Vuurlanders die eenigen tijd

onder Europeanen hebben geleefd en ons als hoogere wezens moeten

beschouwen. Ik wil hierbij voegen, dat een hoogst ervaren waarnemer,

Kapitein Burton, gelooft, dat een vrouw die wij als schoon beschouwen,

door de geheele wereld heên wordt bewonderd, „Anthropological Review”,

Maart 1864, blz. 245.

[483] „Personal Narrative”, Eng. vert., vol. IV, blz. 518, en elders.

Mantegazza wijst in zijn „Viaggi e Studi”, 1867, met aandrang op dit

zelfde beginsel.

[484] Omtrent de schedels der Amerikaansche stammen, zie Nott en

Gliddon, „Types of Mankind”, 1854, blz. 440; Prichard, „Phys. Hist. of

Mankind”, vol. I, 3rd. edit., blz. 321; omtrent de inboorlingen van

Arakhan, ibid., vol. IV, blz. 537. Wilson, „Physical Ethnology”,

Smithsonian Institution, 1863, blz. 288; omtrent de Fidsji-eilanders,

blz. 290. Sir J. Lubbock, („Prehistoric Times”, 2nd. edit, 1869, blz.

506) geeft een uitvoerig resumé over dit onderwerp.

[485] Omtrent de Hunnen, Godron, „De l’Espèce”, tome II, 1859, blz.

300. Omtrent de bewoners van Otaheite, Waitz, „Anthropolog.”, Eng.

vert., vol. I, blz. 305. Marsden, aangehaald door Prichard, „Phys.

Hist. of Mankind”, 3rd. edit., vol. V, blz. 67. Lawrence, „Lectures on

Physiology”, blz. 337.

[486] Dit feit werd op de reis der Novara bewezen: „Reise der Novara;

Anthropolog. Theil”, Dr. Weisbach, 1867, blz. 265.

[487] „Smithsonian Institution”, 1863, blz. 289. Over de modes der

Arabische vrouwen, Sir S. Baker, „The Nile Tributaries”, 1867, blz.

121.

[488] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert.,

deel I, blz. 236; deel II, blz. 210.

[489] Schaaffhausen, „Archiv für Anthropologie”, 1866, blz. 164.

[490] De heer Bain („Mental and Moral Science”, 1868, blz. 304–314)

heeft omtrent een dozijn min of meer verschillende theorieën van het

denkbeeld van schoonheid gegeven; maar geen daarvan stemt volkomen met

de hier gegevene overeen.

[491] Hypochondria (regiones hypochondriacae) zijn de streken van den

buik, een rechts en een links, die uitwendig met dat deel van het

geraamte overeenkomen, dat door de voorste gedeelten der 6 valsche

ribben en hun kraakbeenderen wordt gevormd. Tusschen de beide

hypochondria ligt het zoogenaamde epigastrium dat zich van het onderste

gedeelte van het zwaardvormig uitsteeksel van het borstbeen tot op twee

vingerbreedten van den navel uitstrekt.

[492] Ofschoon de hier opgegeven verschillen niet allen tot de

secundaire seksueele kenmerken kunnen worden gebracht, scheen het mij

niet onbelangrijk ze mede te deelen. Mocht de beschrijving voor sommige

lezers minder duidelijk zijn, zoo kan toch de bijvoeging niet schaden

en zal wellicht de belangstelling van vele andere lezers opwekken.

[493] Ta-Mah beteekent Noordland; de bewoners van Ta-Mah zijn afgebeeld

met blauwe oogen, blond haar en vleeschkleurig gelaat.

[494] „Schopenhauer and Darwinism.”, in „Journal of Anthropology”, Jan.

1871, blz. 323.

[495] Deze aanhalingen zijn ontleend aan Lawrence („Lectures on

Physiology” enz., 1822, blz. 393) die de schoonheid der hoogere klassen

in Engeland hieraan toeschrijft, dat zij gedurende langen tijd de

schoonste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgekozen.

[496] „Anthropologie”, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct. 1868, blz.

721.

[497] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert.,

Deel II, blz. 220.

[498] Sir J. Lubbock, „The Origin of Civilisation”, 1870, chap. III,

vooral blz. 60–67. De heer M’Lennan spreekt in zijn uiterst belangrijk

werk over „Primitive Marriage”, 1865, blz. 163, van de vereeniging der

beide seksen „in de vroegste tijden als los, voorbijgaand en in zekere

mate algemeen.” De heer M’Lennan en Sir J. Lubbock hebben vele bewijzen

bijeenverzameld van de uitermate groote losbandigheid der wilden in den

tegenwoordigen tijd. De heer L. H. Morgan besluit in zijn

belangwekkende verhandeling over het klassificatorische stelsel van

bloedverwantschap („Proc. American Acad. of Sciences”, vol. VII, Febr.

1868, blz. 475), dat gedurende de oorspronkelijke tijden de

veelwijverij (polygamie) en alle vormen van huwelijk wezenlijk onbekend

waren. Uit Sir J. Lubbock’s werk blijkt ook, dat Bachofen insgelijks

gelooft, dat oorspronkelijk de communale vermenging heeft geheerscht.

[499] „Address to British Association.” „On the Social and Religious

Condition of the Lower Races of Man”, 1870, blz. 20.

[500] „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 86. In de onderscheidene

boven aangehaalde werken zal men overvloedige getuigenissen vinden

omtrent de verwantschap uitsluitend door de vrouwelijke linie of alleen

met den stam.

[501] De heer C. Staniland Wake redeneert sterk („Anthropologia”, Maart

1874, blz. 197) tegen de meeningen van drie schrijvers omtrent het

vroeger heerschen van bijna algemeene seksueele vermenging

(promiscuïteit); en hij meent, dat het klassificatorische stelsel van

bloedverwantschap op andere wijze kan worden verklaard.

[502] Brehm („Illustr. Thierleben”, Bd. I, blz. 77) zegt, dat

Cynocephalus hamadryas in groote troepen leeft, die tweemaal zooveel

volwassen wijfjes als volwassen mannetjes bevatten. Zie Rengger over

Amerikaansche veelwijvige (polygame) soorten, en Owen („Anat. of

Vertebrates”, vol. III, blz. 746) over Amerikaansche eenwijvige

(monogame) soorten. Nog andere aanhalingen zouden hierbij kunnen worden

gevoegd.

[503] Dr. Savage, in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol. V, 1845–47,

blz. 423.

[504] „Prehistoric Times”, 1869, blz. 424.

[505] Dr. Gerland („Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868) heeft

vele mededeelingen over kindermoord verzameld, zie voornamelijk blz.

27, 52, 54. Azara („Voyages” enz., tome II, blz. 94, 116) behandelt

uitvoerig de beweegredenen. Zie ook M’Lennan (ibid., blz. 139) omtrent

gevallen in Indië.

[506] „Primitive Marriage”, blz. 208; Sir J. Lubbock, „Origin of

Civilisation”, blz. 100. Zie ook den heer Morgan, loc. cit., omtrent

het vroeger heerschen van veelmannerij (polyandrie).

[507] „Voyages” enz., tome II, blz. 92–95.

[508] Burchell zegt („Travels in South Africa”, vol. II, 1824, blz.

38), dat onder de wilde volken van Zuid-Afrika, noch mannen noch

vrouwen ooit hun leven in den ongehuwden staat doorbrengen. Azara

(„Voyages dans l’Amérique Mérid.”, tome II, 1806, blz. 21) maakt de

zelfde opmerking omtrent de wilde Indianen van Zuid-Amerika.

[509] „Anthropological Review”, Jan. 1870, blz. XVI.

[510] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert.,

deel II, blz. 224–231.

[511] Een vernuftig schrijver beweert, op grond van een vergelijking

van de schilderijen van Raphael, Rubens en moderne Fransche

kunstenaars, dat het denkbeeld van schoonheid zelfs niet door Europa

heên het zelfde is; zie de „Lives of Haydn and Mozart” door M. Bombet,

Eng. vert., blz. 278.

[512] „Proc. R. Geogr. Soc.”, vol. XV, blz. 47.

[513] McKennan, aangehaald door den heer Wake in „Anthropologia”, Oct.

1873, blz. 75.

[514] D. Lesley, „Kafir Character and Customs”, 1871, blz. 4.

[515] Azara, „Voyages” enz, tome II, blz. 23. Dobrizhoffer, „An Account

of the Abipones”, vol. II, 1822, blz. 207. Williams over de

Fidsji-eilanders, aangehaald door Lubbock, „Origin of Civilisation”,

1870, blz. 79. Omtrent de Vuurlanders, King en Fitzroy, „Voyages of the

Adventure and Beagle”, vol. II, 1839, blz. 121. Omtrent de Kalmukken,

de aanhaling van M’Lennan, „Primitive Marriage”, 1865, blz. 32. Omtrent

de Maleiers, Lubbock, ibid., blz. 77. De weleerw. heer J. Shooter, „On

the Kafirs of Natal”, 1857, blz. 52–60. Omtrent de Bosjesmannen,

Burchell, „Travels in S. Africa”, vol. II, 1824, blz. 50.

[516] „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz.

346. De heer Wallace gelooft (blz. 350), „dat de eene of andere

intelligente kracht de ontwikkeling van den mensch heeft geleid of

bepaald”; en hij beschouwt den haarloozen toestand der huid als een

deze meening steunend feit. De weleerw. heer T. R. Stebbing merkt,

commentariën op deze meening makende („Transactions of Devonshire

Assoc. for Science”, 1870), op, dat, wanneer de heer Wallace „zijn

gewone scherpzinnigheid in het vraagstuk van de onbehaardheid van ’s

menschen huid had gebruikt, hij wellicht de mogelijkheid zou hebben

ingezien, dat zij wegens haar meerdere schoonheid of wegens de

gezondheid die het gevolg van meerdere zindelijkheid is, kon zijn

gekozen. In elk geval is het bevreemdend, dat hij zich zelfs een

hoogere intelligentie kan voorstellen, bezig met haar uit de ruggen te

plukken (voor welke het volgens zijn eigen schildering nuttig en noodig

zou zijn geweest), opdat de afstammelingen van die arme geschoren

drommels na vele sterfgevallen ten gevolge van koude en vochtigheid in

den loop van vele generaties”, zouden zijn gedwongen hooger te stijgen

op de ladder der beschaving door de uitoefening van onderscheidene

kunsten op de door den heer Wallace aangegeven wijze.

[517] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert.,

Deel II, blz. 380.

[518] „Investigations into Military and Anthropological Statistics of

American Soldiers”, door B. Gould, 1869, blz. 568.—Er werden

zorgvuldige waarnemingen gedaan omtrent de behaardheid van 2129 zwarte

en gekleurde soldaten, terwijl zij zich baadden: en als men de

uitgegeven tabel inziet, „is het bij den eersten blik reeds duidelijk,

dat er in dit opzicht slechts weinig, indien eenig, verschil tusschen

en de blanke en zwarte rassen is.” Het is echter zeker, dat de negers

in hun oorspronkelijk en veel warmer vaderland Afrika opmerkelijk

gladde lichamen hebben. Men moet er bijzonder acht op geven, dat onder

bovengenoemde optelling zoowel zuivere zwarten als mulatten waren

begrepen; en dit is een ongelukkige omstandigheid, daar volgens het

beginsel waarvan ik elders de waarheid heb bewezen, gekruiste rassen

uiterst vatbaar zullen zijn om door atavisme tot den oorspronkelijken

harigen toestand van hun vroegen, op een aap gelijkenden voorvader

terug te keeren.

[519] „Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper” in Müller’s

„Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 40.

[520] De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz.

25) oppert ten opzichte van baardelooze inboorlingen van Vancouver’s

Eiland het vermoeden, dat de gewoonte om de haren op het gelaat uit te

trekken, „van generatie tot generatie voortgezet, wellicht ten laatste

een ras zou voortbrengen, dat zich door een dunnen en verstrooiden

baardgroei zou onderscheiden.” De gewoonte zou echter niet zijn

ontstaan, tenzij de baard reeds ten gevolge van een of andere daarvan

onafhankelijke oorzaak zeer was afgenomen. Wij hebben ook geen enkel

direct bewijs, dat het bestendig uittrekken van het haar tot eenig

erfelijk gevolg zou leiden. Ten gevolge van deze oorzaak van twijfel,

heb ik tot dusverre nog geen gewag gemaakt van de door vele uitstekende

ethnologen, bij voorbeeld den heer Gosse van Genève, verdedigde

meening, dat kunstmatige wijzigingen van den schedel een neiging tot

erfelijkheid hebben. Ik wensch dit besluit niet te bestrijden; en wij

weten tegenwoordig door Dr. Brown-Séquard’s merkwaardige waarnemingen,

vooral die welke onlangs (1870) aan de British Association zijn

medegedeeld, dat bij Guineesche biggetjes de gevolgen van operaties

erfelijk zijn (5).

[521] „Ueber die Richtung”, ibid., blz. 40.

[522] „On the tail-feathers of Motmots”, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873,

blz. 429.

[523] De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz.

25) oppert deze zelfde meening. Eenige voorname ethnologen, onder

anderen de heer Gosse van Genève, meenen, dat kunstmatige wijzigingen

van den schedelvorm een neiging hebben om erfelijk te worden.

[524] „On the Limits of Natural Selection”, in de „North American

review”, Oct. 1870, blz. 295.

[525] De weleerwaarde heer J. A. Picton bespreekt dit onderwerp in zijn

„New Theories and Old Faith”, 1870.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 39 / 39 段