[247] Over Ardetta, de vertaling van Cuvier’s „Règne Animal”, door den
heer Blyth, noot blz. 159. Over Falco peregrinus, de heer Blyth in
Charlesworth’s „Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1837, blz. 304. Over
Dicrurus, „Ibis”, 1863, blz. 44. Over den Lepelaar (Platalea), „Ibis”,
vol. VI, 1864, blz. 366. Over de Bombycilla, Audubon’s „Ornithological
Biography”, vol. I, blz. 299. Over den Parkiet (Palaeornis), zie ook
Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 263. Over den wilden Kalkoen,
Audubon, ibid, vol. I, blz. 15. Ik hoor van den Judge Gaton, dat in
Illinois het wijfje hoogst zelden een bos borstels verkrijgt.
[248] De heer Blyth heeft (vertaling van Cuvier’s „Règne Animal”, blz.
158) onderscheidene voorbeelden daarvan opgeteekend bij Lanius,
Ruticilla, Linaria en Anas. Ook Audubon heeft een soortgelijk geval
opgeteekend hij Tanagra aestiva („Ornith. Biogr.”, vol. V, blz. 519).
[249] Zie Gould’s „Birds of Great Britain.”
[250] „Album der Natuur”, 1861, blz 233. Zie ook de afbeelding van het
nest, ibid., blz. 232.
[251] Omtrent lijsters, klauwieren en spechten, zie den heer Blyth in
Charlesworth’s „Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1837, blz. 304, ook de
noot in zijn vertaling van Cuvier’s „Règne Animal”, blz. 159. Ik geef
het geval van Loxia volgens een mededeeling van den heer Blyth. Omtrent
lijsters, zie ook Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 195.
Omtrent Chrysococcyx en Chalcophaps, Blyth, aangehaald in Jerdon’s
„Birds of India”, vol. III, blz. 485. Omtrent Sarkidiornis, Blyth, in
„Ibis”, 1867, blz. 175.
[252] Zie bij voorbeeld de mededeeling van den heer Gould („Handbook of
the Birds of Australia”, vol. I, blz. 133) omtrent Cyanalcyon (één der
ijsvogels), bij wien echter het jonge mannetje, hoewel op het volwassen
wijfje gelijkende, minder schitterend is gekleurd. Bij sommige soorten
van Dacelo hebben de mannetjes blauwe, en de wijfjes bruine staarten;
en de heer R. B. Sharpe meldt mij, dat de staart van het jonge mannetje
van D. Gaudichaudii in het eerst bruin is. De heer Gould heeft (ibid.,
vol. II, blz. 14, 20, 37) de jongen van sommige zwarte kakatoes en van
den koningslori beschreven, bij welke de zelfde regel doorgaat. Ook
Jerdon („Birds of India”, vol. I, blz. 260) omtrent Palaeornis rosea
bij welke de jongen meer op het wijfje dan op het mannetje gelijken.
Zie Audubon („Ornith. Biography”, vol. II, blz. 475) omtrent de beide
seksen en de jongen van Columba passerina.
[253] Ik ben deze mededeeling verschuldigd aan den heer Gould die mij
de voorwerpen toonde; zie ook zijn „Introduction to the Trochilidae”,
1861, blz. 120.
[254] Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. V, blz. 208–214.
[255] Zie zijn bewonderenswaardige verhandeling in het „Journal of the
Asiatic Soc. of Bengal”, vol. XIX, 1850, blz. 223; zie ook Jerdon,
„Birds of India”, vol I, introduction, blz. XXIX. Ten opzichte van
Tanysiptera zeide Prof. Schlegel den heer Blyth, dat hij onderscheidene
afzonderlijke rassen kan onderscheiden, alleen door de kleur van hun
gevederte.
[256] Zie ook den heer Swinhoe in „Ibis”, Juli, 1867, blz. 131; en een
vorige verhandeling met een uittreksel van een aanteekening van den
heer Blyth, in „Ibis”, Jan., 1861, blz. 52.
[257] Wallace, „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 394.
[258] Deze soorten zijn beschreven, met gekleurde figuren, door den
heer F. Pollen in „Ibis”, 1866, blz. 275.
[259] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. Vert.,
Deel I, blz. 291.
[260] Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. I, blz. 172–174.
[261] Zie over dit onderwerp, hoofdstuk XXIII in het „Varieeren der
Huisdieren en Cultuurplanten.”
[262] Audubon, „Ornith. Biography”, vol. I, blz. 193. Macgillivray,
„Hist. Brit. Birds”, vol. III, blz. 85. Zie ook het vroeger vermelde
geval van Indopicus carlotta.
[263] „Westminster Review”, Juli 1867, en A. Murray, „Journal of
Travel”, 1868, blz. 83.
[264] Omtrent de Australische soort, zie Gould’s „Handbook” enz., vol.
II, blz. 178, 180, 186 en 188. In het Britsch Museum kan men voorwerpen
van den Australischen trapkwartel (Pedionomus torquatus) zien, die
soortgelijke seksueele verschillen vertoonen.
[265] Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 596. De heer Swinhoe in
„Ibis”, 1865, blz. 542; 1866, blz. 405.
[266] Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 677.
[267] Gould’s „Handbook to the Birds of Australia”, vol. II, blz. 273.
[268] „The Indian Field”, Sept. 1858, blz. 3.
[269] „Ibis”, 1866, blz. 298.
[270] Omtrent deze verschillende opgaven, zie Gould’s „Birds of Great
Britain”. Prof. Newton meldt mij, dat hij reeds sinds lang overtuigd is
geweest, wegens zijn eigen waarnemingen en die van anderen, dat de
mannetjes van de bovengenoemde soorten den plicht der uitbroeiing
hetzij geheel of grootendeels op zich nemen, en dat zij „veel meer
toewijding aan hun jongen vertoonen, als deze in gevaar zijn, dan de
wijfjes.” Evenzoo is het, naar hij mij meldt, bij de rosse Grutto
(Limosa Lapponica) en eenige andere Moerasvogels bij welke de wijfjes
grooter zijn en sterker tegen elkander afstekende kleuren bezitten dan
de mannetjes.
[271] De inboorlingen van Ceram (Wallace, „Malay Archipelago”, vol.
III, blz. 150) verzekeren, dat het mannetje en het wijfje beurtelings
op de eieren zitten; maar deze meening kan, naar de heer Bartlett
denkt, worden verklaard, doordat het wijfje het nest bezoekt om haar
eieren te leggen.
[272] „The Student”, April 1870, blz. 124.
[273] Zie het uitnemend verslag omtrent de gewoonten van dezen vogel in
haar gevangen staat, door den heer A. W. Bennet, in „Land and Water”
Mei 1868, blz. 233.
[274] De heer Sclater, over het broeien der Struthiones, „Proc. Zool.
Soc.”, 9 Juni 1863.
[275] Omtrent de Milvago, zie „Zoology of the Voyage of the „Beagle”,
Birds”, 1841, blz. 16. Omtrent den Climacteris en de Nachtzwaluw
(Eurostopodus), zie Gould’s „Handbook of the Birds of Australia”, vol.
I, blz. 602 en 97. De Nieuw-Zeelandsche schildeend (Tadorna variegata)
levert een geheel afwijkend geval op; de kop van het wijfje is zuiver
wit en haar rug rooder dan die van het mannetje; de kop van het
mannetje is van een rijke donkere bronskleur en zijn rug is bekleed met
fijn gepenseelde leikleurige vederen, zoodat hij, alles te zamen
genomen, als de schoonste van de twee kan worden beschouwd. Hij is
grooter en strijdlustiger dan het wijfje, en zit niet op de eieren.
Zoodat in al deze opzichten deze soort tot onze eerste klasse van
gevallen behoort; de heer Sclater („Proc. Zool. Soc.”, 1866, blz. 150)
was echter zeer verwonderd waar te nemen, dat de jongen van beide
seksen, wanneer zij ongeveer drie maanden oud waren, in hun donkere
koppen en halzen op de volwassen mannetjes, in plaats van op de
volwassen wijfjes geleken, zoodat in dit geval de wijfjes schijnen te
zijn gewijzigd, terwijl de mannetjes en de jongen een vroegeren
toestand van het gevederte hebben behouden.
[276] Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 598.
[277] Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 222, 228, Gould’s
„Handbook of the Birds of Australia”, vol. I, blz. 124, 130.
[278] Gould, ibid., vol. II, blz. 37, 46, 56.
[279] Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 55.
[280] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert.,
deel II, blz 60.
[281] Charlesworth, „Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1837, blz. 305, 306.
[282] „Bulletin de la Soc. Vaudoise des Sc. Nat.”, vol. X, 1869, blz.
132. De jongen van de Poolsche zwaan (Cygnus immutabilis) van Yarrell,
zijn altijd wit; doch men gelooft, gelijk de heer Sclater mij
mededeelt, dat deze soort niets meer is dan een verscheidenheid van de
tamme zwaan (Cygnus olor).
[283] Ik ben den heer Blyth inlichtingen omtrent dit geslacht
verschuldigd. De musch van Palaestina behoort tot het ondergeslacht
Petronia.
[284] Zoo gebruiken, bijvoorbeeld, de mannetjes van Tanagra aestiva en
Fringilla cyanea drie jaren, het mannetje van Fringilla ciris vier
jaren, om hun schoon gevederte volkomen te maken (zie Audubon, „Ornith.
Biography”, vol. I, blz. 233, 280, 378). De harlekijn-eend gebruikt
daartoe drie jaren (ibid., vol. III, blz. 614). Het mannetje van den
goudlakenschen fazant kan, naar ik van den heer J. Jenner Weir hoor,
van het wijfje worden onderscheiden, als het omtrent drie maanden oud
is, maar het verkrijgt zijn volkomen vederpracht niet voor het einde
van September van het volgende jaar.
[285] Zoo hebben de Ibis tantalus en Grus Americanus vier, de Flamingo
verscheidene jaren, en de Ardea Ludoviciana twee jaren noodig, voor zij
hun volkomen gevederte verkrijgen. Zie Audubon, ibid., vol. I, blz.
221; vol. III, blz. 133, 139, 211.
[286] De heer Blyth, in Charlesworth’s „Mag. of Nat. Hist.”, vol. I,
1837, blz. 300. De heer Bartlett heeft mij inlichtingen gegeven omtrent
de goudlakensche fazanten.
[287] Ik heb de volgende gevallen uit Audubon’s „Ornith. Biography”
opgeteekend. De roodstaart van Amerika (Muscicapa ruticilla), vol. I,
blz. 203. De Ibis tantalus gebruikt vier jaren om tot volle rijpheid te
komen, maar broeit somtijds in het tweede jaar (vol. III, blz. 133). De
Grus Americana gebruikt den zelfden tijd; maar broeit, voor zij haar
volkomen gevederte verkrijgt (vol III, blz. 211). De volwassenen van
Ardea coerulea zijn blauw en de jongen wit; en men kan witte, gevlekte
en volwassen blauwe vogels allen te zamen zien broeien (vol. IV, blz.
58); de heer Blyth deelt mij echter mede, dat sommige reigersoorten
tweevormig (dimorphisch) schijnen te zijn, want dat men witte en
gekleurde vogels van den zelfden leeftijd kan waarnemen. De
harlekijn-eend (Anas histrionica, Linn.) heeft drie jaren noodig om
haar gevederte te verkrijgen, hoewel vele vogels in het tweede jaar
broeien. De witkoppige adelaar (Falco leucocephalus, vol III, blz. 210)
is eveneens op onvolwassen leeftijd broeiende waargenomen. Sommige
soorten van Wielewalen (Oriolus) broeien (volgens den heer Blyth en den
heer Swinhoe, in „Ibis”, Juli, 1863, blz. 68) eveneens, voor zij hun
volkomen gevederte verkrijgen.
[288] Zie de vorige noot.
[289] Andere dieren, tot geheel verschillende klasse behoorende, zijn,
hetzij gewoonlijk, of slechts nu en dan in staat om zich voort te
planten, voor zij volkomen hun volwassen kenmerken hebben verkregen.
Dit is het geval met de jonge mannetjes van den zalm. Men heeft
onderscheidene Amphibiën (5) waargenomen, die zich voortplantten,
terwijl zij hun larvenvorm behielden. Fritz Müller heeft aangetoond
(„Facts and Arguments for Darwin”, Eng. vert., 1869, blz. 79), dat
verscheidene tot de vlookreeften (Amphipoda) behoorende schaaldieren
(Crustacea) seksueel rijp worden, terwijl zij nog jong zijn, en ik kom
tot het besluit, dat dit een geval van voortplanting op onvolwassen
leeftijd is, omdat dan hun knijpers nog niet tot volkomen ontwikkeling
zijn gekomen. Alle dergelijke feiten zijn hoogst belangrijk, daar zij
betrekking hebben op één der middelen waardoor soorten groote
wijzigingen in kenmerken kunnen ondergaan, in overeenstemming met de
meeningen van den heer Cope, uitgedrukt met de woorden van „vertraging
en versnelling van generische kenmerken”; ik kan echter de
beschouwingen van dien uitstekenden natuuronderzoeker niet in haar
geheele uitgestrektheid volgen. Zie den heer Cope, „On the Origin of
Genera”, in de „Proc. of Acad. Nat. Sc. of Philadelphia”, Oct. 1868.
[290] Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 507, omtrent den pauw.
Audubon, ibid., vol. III, blz 139, omtrent de Ardea.
[291] Voor gevallen die tot voorbeeld kunnen strekken, zie vol. IV van
Macgillivray’s „Hist. Brit. Birds”; over strandloopers (Tringa) enz.,
blz. 229, 271; over den kemphaan (Machetes), blz. 172; over den
bontbek-plevier (Charadrius hiatacula), blz. 119; over den goudplevier
(Charadrius pluvialus), blz. 94.
[292] Omtrent den distelvink van Noord-Amerika (Fringilla tristis,
Linn.), zie Audubon, „Ornith. Biography”, vol. I, blz. 172. Omtrent de
Maluri, Gould’s „Handbook of the Birds of Australia”, vol. I, blz. 318.
[293] Ik ben den heer Blyth inlichtingen verschuldigd omtrent Buphus;
zie ook Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 742. Omtrent den
Anastomus, zie Blyth, in „Ibis”, 1867, blz. 173.
[294] Over de alk, zie Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. V, blz.
347. Over de Fringilla leucophrys, Audubon, ibid., vol. II, blz. 89. Ik
zal hier beneden nog moeten terugkomen op de witte kleur der jongen van
sommige reigers en zilverreigers.
[295] „History of British Birds”, vol. I, 1839, blz. 159.
[296] Blyth, in Charlesworth’s „Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1837, blz.
362, en volgens aan mij door hem gedane mededeelingen.
[297] Audubon, „Ornithological Biography”, vol. I blz. 113.
[298] De heer C. A. Wright in „Ibis”, vol. VI, 1864, blz. 65. Jerdon,
„Birds of India”, vol. I, blz. 515.
[299] De volgende gevallen mogen hier nog aan worden toegevoegd: de
jonge mannetjes van Tanagra rubra kunnen van de jonge wijfjes worden
onderscheiden (Audubon, „Ornith. Biography”, vol. IV, blz. 392), en
evenzoo is het met de nestvogeltjes van een blauwe spechtmees
(Dendrophila frontalis) van Indië (Jerdon, „Birds of India”, vol. I,
blz. 389). De heer Blyth meldt mij ook, dat de seksen van den
roodborsttapuit (Saxicola rupicola) op zeer vroegen leeftijd zijn te
onderscheiden.
[300] „Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 5.
[301] „Ibis”, 1859, vol. I, blz. 429 v.v.
[302] Er is nimmer een voldoende verklaring gegeven van de verbazende
grootte en nog minder van de levendige kleuren van den snavel van den
toecan. De heer Bates („The Naturalist on the Amazons”, vol. II, 1863,
blz. 341) geeft op, dat zij hun snavel gebruiken om de vruchten aan de
uiterste einden der takken te bereiken, en eveneens, gelijk door andere
schrijvers wordt opgegeven, om eieren en jonge vogels uit de nesten van
andere vogels te halen. De snavel kan echter, gelijk de heer Bates
toegeeft, „moeilijk worden beschouwd als een werktuig, zeer volkomen
gevormd voor het doel waarvoor het wordt gebruikt.” De groote omvang
van den snavel, die even goed het gevolg van zijn breedte en hoogte,
als van zijn lengte is, is volgens het beginsel, dat hij eenvoudig tot
een grijporgaan dient, niet te begrijpen.
[303] Ramphastos carinatus, Gould’s „Monograph of Ramphastidae.”
[304] Omtrent Larus, Gavia en Sterna, zie Macgillivray, „Hist. Brit.
Birds”, vol. V, blz. 515, 584, 626. Omtrent Anser hyperboreus, Audubon,
„Ornith. Biography”, vol. IV, blz. 562. Omtrent den Anastomus, den heer
Blyth in „Ibis”, 1867, blz. 173.
[305] Er mag hier ook worden opgemerkt, dat bij de gieren die ver en
wijd door de hoogere streken van den dampkring ronddwalen, gelijk
zeevogels over den oceaan, drie of vier soorten bijna geheel of
grootendeels wit, en dat vele andere soorten zwart zijn. Dit feit
ondersteunt de veronderstelling, dat deze opzichtige kleuren de seksen
kunnen helpen om elkander gedurende den paartijd te vinden.
[306] „The Journal of Travel”, uitgegeven door A. Murray, vol. I, 1868,
blz. 286.
[307] Zie Jerdon over het geslacht Palaeornis. „Birds of India”, vol.
I. blz. 258–260.
[308] De jongen van Ardea rufescens en A. coerulea van de Vereenigde
Staten zijn eveneens wit, terwijl de volwassenen overeenkomstig hun
soortsnamen zijn gekleurd. Audubon („Ornith. Biography”, vol. III, blz.
416; vol. IV, blz. 58) schijnt er vrij wat vermaak in te scheppen, dat
deze opmerkelijke verandering van gevederte in hooge mate „de
systematici uit het veld zal slaan.”
[309] Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Sclater die zoo
vriendelijk was deze vier hoofdstukken over Vogels en ook de beide
volgende over Zoogdieren door te zien. Op die wijze ben ik bewaard
gebleven voor het maken van fouten in de namen der soorten en voor het
mogelijk mededeelen van feiten die aan dezen uitstekenden
natuuronderzoeker als onjuist bekend waren. Hij is echter natuurlijk in
het minst niet verantwoordelijk voor de juistheid der opgaven, door mij
aan verschillende autoriteiten ontleend.
[310] „Humboldt”, Oct. 1887.
[311] Zie Waterton’s verhaal van het gevecht der twee hazen,
„Zoologist”, vol. I, 1843, blz. 211. Over mollen, Bell, „Hist. of
British Quadrupeds”, 1ste edit., blz. 100. Over eekhoorns, Audubon en
Bachman, „Viviparous Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 262. Over de
bevers, den heer A. H. Green, in „Journal of Lin. Soc. Zoolog.”, vol.
X, 1869, blz. 263.
[312] Omtrent de gevechten van zeehonden, zie kapt. C. Abbott in „Proc.
Zool. Soc.”, 1868, blz. 191; ook den heer R, Brown, ibid., 1868, blz.
436; ook L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 412; ook Pennant.
Over den Cachelot, zie den heer J. H. Thompson, in „Proc. Zool. Soc.”,
1867, blz. 246.
[313] Zie Scrope („Art of Deer-Stalking”, blz. 17) over de
ineenstrengeling der horens bij het edelhert (Cervus elaphus).
Richardson zegt in „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 252, dat men het
Wapiti-hert, den eland en het rendier aldus ineengestrengeld heeft
gevonden. De heer A. Smith vond aan de Kaap de Goede Hoop de geraamten
van twee gnoe’s in den zelfden toestand.
[314] De heer Lamont („Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 143)
zegt, dat een goede slagtand van een mannelijken walrus 1,8 kilogram
weegt, en langer is dan die van het wijfje, welke omtrent 1,35 kilogram
weegt. Volgens de beschrijving leveren de mannetjes elkander woedende
gevechten. Omtrent het nu en dan ontbreken der slagtanden bij het
wijfje, zie den heer R. Brown, „Proc. Zool. Soc.”, 1888, blz. 429.
[315] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 283.
[316] De heer R. Brown, in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 553.
[317] Owen, omtrent den cachelot en Ornithorhynchus, ibid., vol. III,
blz. 638, 641.
[318] Over het maaksel en het afwerpen der horens van het rendier,
Hoffberg, „Amoenitates Acad.”, vol. IV, 1788, blz. 149. Zie Richardson,
„Fauna Bor. Americana”, blz. 241, ten opzichte van de Amerikaansche
soort of verscheidenheid; ook majoor W. Ross King, „The Sportsman in
Canada”, blz. 80.
[319] Isidore Geoffroy St. Hilaire, „Essais de Zoolog. Générale”, 1841,
blz. 513. Andere mannelijke kenmerken, behalve de horens, worden
somtijds eveneens op het wijfje overgeplant; zoo zegt de heer Boner,
sprekende van een oud wijfje van een gems („Chamois Hunting in the
Mountains of Bavaria”): „Niet slechts zag de kop er zeer mannelijk uit,
maar langs den rug liep een streep lang haar, die gewoonlijk alleen bij
de mannetjes wordt gevonden.”
[320] Omtrent Cervulus, Dr. Gray, „Catalogue of the Mammalia in British
Museum”, vol III, blz. 220. Omtrent Cervus Canadensis of het
Wapiti-hert, zie den weleerw. heer J. D. Caton, „Ottawa Acad. of Nat.
Sciences”, Mei 1868, blz. 9.
[321] Zoo gelijken hij voorbeeld de horens van de vrouwelijke Antilope
Euchore op die van een andere soort, namelijk Ant. Dorcas var. Corine,
zie Desmarest, „Mammalogie”, blz 455.
[322] Gray, „Catalogue Mamm. Brit. Mus.”, part III, 1852, blz. 160.
[323] Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 278.
[324] „Land and Water”, 1867, blz. 346.
[325] Sir Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. XIX. Owen, „Anatomy
of Vertebrates”, vol. III, blz. 624.
[326] Dit is het besluit waartoe Seidlitz komt in „Die Darwinsche
Theorie”, 1871, bldz. 47.
[327] Ik ben veel dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus voor de
navorschingen die hij omtrent dit onderwerp in Saksen voor mij deed. H.
van Nathusius („Viehzucht”, 1872, blz. 64) zegt, dat de horens van op
jeugdigen leeftijd gesneden rammen, hetzij geheel verdwijnen of als
bloote rudimenten blijven bestaan; maar ik weet niet, of hij merino’s
of gewone rassen bedoelt.
[328] Ik heb verschillende proeven en andere feiten die bewijzen, dat
dit het geval is, medegedeeld in mijn „Varieeren der Huisdieren en
Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 8–10.
[329] Sir J. Emerson Tennent, „Ceylon”, 1852, vol. II, blz. 274.
Omtrent Malakka, „Journal of Indian Archipelago”, vol. IV, blz. 357.
[330] „Calcutta Journal of Nat. Hist.”, vol. II, 1843, blz. 526.
[331] De heer Blyth in „Land and Water”, Maart 1867, blz. 134, op
autoriteit van Kapt. Hutton en anderen. Omtrent de wilde geiten van
Pembrokeshire zie „The Field”, 1869, blz. 150.
[332] M. E. M. Bailly, „Sur l’Usage des Cornes” enz., „Annal. des Sc.
Nat.”, tome II, 1824, blz. 369.
[333] Owen, over de Horens van het Edelhert, „British Fossil Mammals”,
1846, blz. 478; „Forest Creatures”, door Charles Boner, 1861, blz. 76,
62; Richardson, over de Horens van het Rendier, „Fauna Bor. Americana”,
1829, blz. 240.
[334] De weleerw. heer J. D. Caton („Ottawa Acad. of Nat. Science”,
Mei, 1868, blz. 9), zegt, dat de Amerikaansche herten met hun
voorpooten vechten, nadat „het vraagstuk van den voorrang
(superioriteit) eens is uitgemaakt en in de kudde erkend”; Bailly, „Sur
l’Usage des Cornes”, „Annales des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 371.
[335] Zie een hoogst belangrijke mededeeling daarover in het aanhangsel
van de aangehaalde verhandeling van den weleerw. heer J. D. Caton.
[336] „The American Naturalist”, Dec. 1869, blz. 552.
[337] Pallas, „Spicilegia Zoologica”, fasc. XIII, 1779, blz. 18.
[338] Lamont, „Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 141.
[339] Zie ook Corse („Philosoph. Transact.”, 1799, blz. 212) over de
wijze waarop de zich door korte slagtanden kenmerkende
Moeknah-verscheidenheid van den olifant andere olifanten aanvalt.
[340] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 349.
[341] Zie Rupell (in „Proc. Zoolog. Soc.”, 12 Jan., 1836, blz. 3) over
de hoektanden bij herten en antilopen, een noot door den heer Martin
omtrent een wijfje van een Amerikaansch hert. Zie ook Falconer
(„Palaeont. Memoirs and Notes”, vol. I, 1868, blz. 576) over hoektanden
bij een volwassen hinde. Bij oude mannetjes van het muskusdier groeien
de hoektanden (Pallas, „Spic. Zoolog.”, fasc. XIII, 1779, blz. 18),
soms tot een lengte van 7½ centimeter, terwijl bij oude wijfjes een
rudiment daarvan nauwelijks 1¼ centimeter uit het tandvleesch
uitsteekt.
[342] Emerson Tennent, „Ceylon”, 1859, vol. II, blz. 275; Owen,
„British Fossil Mammals”, 1846, blz. 245.
[343] Richardson, „Fauna Bor. Americana”, over den Amerikaanschen eland
(Alces palmata), blz. 236, 237, over het ver uiteenstaan der horens
„Land and Water”, 1869, blz. 144. Zie ook Owen, „British Fossil
Mammals”, over den Ierschen reuzeneland, blz. 447, 455.
[344] „Forest Creatures”, door C. Boner, 1861, blz. 60.
[345] Zie de hoogst belangwekkende verhandeling van den heer J. A.
Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol.
II, No. 1, blz. 82. De wegingen werden gedaan door een zorgvuldig
waarnemer, kapitein Bryant.
[346] „Animal Economy”, blz. 45.
[347] Zie ook Richardson’s „Manual on the Dog”, blz. 59. Vele
kostelijke inlichtingen omtrent den Schotschen hertenhond worden
gegeven door den heer McNeill die het eerst de aandacht vestigde op de
ongelijke grootte der beide seksen in Scrope’s „Art of Deer-Stalking”.
Ik hoop, dat de heer Cupples gevolg zal geven aan zijn voornemen, om
een uitvoerige beschrijving en geschiedenis van dit beroemde hondenras
te geven.
[348] Brehm, „Thierleben”, Bd. II, blz. 629–632.
[349] Zie Wallace’s belangrijke mededeelingen omtrent dit dier, „The
Malay Archipelago”, 1869, vol. I, blz. 435.
[350] „Atti della Soc. Italiana di Sc. Nat.”, 1873, vol. XV, fasc. IV.
[351] „The Times”, 10 Nov. 1857. Ten opzichte van den Canadaschen lynx,
zie Audubon en Bachman, „Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 139.
[352] Dr. Murie, over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, 1869,
blz. 139. De heer Allen betwijfelt in de boven aangehaalde verhandeling
(blz. 75), of het haar dat aan den hals van het mannetje langer is dan
aan dien van het wijfje, den naam van manen verdient.