America”, blz. 361, en voor verdere bijzonderheden Kapitein Blakiston,
„Ibis”, 1863, blz. 125. Omtrent de Cathartes en Ardea, Audubon,
„Ornith. Biography”, vol. II, blz. 51, en vol. III, blz. 89. Over de
Grasmusch, Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. II, blz. 354. Over
de Indische Trapgans, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 618.
[126] Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, blz. 444,
449, 455. Het priëel van den Satijnvogel kan altijd worden gezien in de
tuinen van de Zoölogische Vereeniging, Regents Park.
[127] Zie opmerkingen hieromtrent in het stuk over „the Feeling of
Beauty among Animals”, door den heer J. Shaw, in het „Atheneum”, 24
Nov. 1866, blz. 681.
[128] De heer Monteiro, „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 339.
[129] „Land and Water”, 1868, blz. 217.
[130] „Ueber die Schädelhöcker”, enz, „Niederländ. Archiv. f.
Zoologie”, Bd. I, Heft 2, 1872.
[131] Jardine’s „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 166.
[132] Sclater, in de „Ibis” vol. VI, 1864, blz. 114. Livingstone,
„Expedition to the Zambesi”, 1866, blz. 66.
[133] Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 620.
[134] Wallace, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.” vol. XX, 1857, blz.
416; en in zijn „Malay Archipelago”, vol. II, 1862, blz. 390.
[135] Zie mijn werk over „Het Varieeren der Huisdieren en
Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 334.
[136] Aangehaald naar den heer de Lafresnaye, in „Annals and Mag. of
Nat. Hist.”, vol XIII, 1854, blz. 157; zie ook de veel uitvoeriger
beschrijving van den heer Wallace, in vol. XX, 1857, blz. 412, en in
zijn „Malay Archipelago.”
[137] Wallace „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 405.
[138] De heer Sclater, „Intellectual Observer”, Jan. 1867. „Waterton’s
Wanderings”, blz. 118. Zie ook de belangwekkende verhandeling van den
heer Salvin, met een plaat, in de „Ibis”, 1856, blz. 90.
[139] „Land and Water”, 1867, blz. 394.
[140] De heer D. G. Elliot in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 589.
[141] „Nitzsch’s Pterylography”, uitgegeven door P. L. Sclater. Roy.
Soc., 1867, blz. 14.
[142] Het bruin gevlekte zomergevederte van het sneeuwhoen is er als
bescherming, van evenveel belang voor als het witte wintergevederte;
want het is bekend, dat deze vogel in Skandinavië, gedurende de lente,
als de sneeuw is verdwenen, zeer van roofvogels heeft te lijden, voor
hij zijn zomerkleed heeft verkregen; zie Wilhelm von Wright, in Lloyd,
„Game Birds of Sweden”, blz. 125.
[143] Zie, ten opzichte der bovengaande mededeelingen omtrent het
ruien, omtrent snippen enz. Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. IV,
blz. 371; omtrent de Glareolae, wulpen en trapganzen, Jerdon, „Birds of
India”, vol. III, blz 615, 630, 683; omtrent Totanus, ibid., blz. 700;
omtrent de siervederen van reigers, ibid., blz. 738, en Macgillivray,
vol, IV, blz. 435 en 444, en den heer Stafford Allen in „Ibis”, vol. V,
1863, blz. 33.
[144] Omtrent het ruien van het sneeuwhoen, zie Gould’s „Birds of
Great-Britain.” Over de Honigvogels, Jerdon, „Birds of India”, vol. I,
blz. 359, 365, 369. Over het ruien van Anthus, zie Blyth, in „Ibis”,
1867, blz. 32.
[145] Omtrent de bovengaande mededeelingen ten opzichte van
gedeeltelijke ruiingen en over het behouden van het bruiloftskleed door
oude mannetjes, zie Jerdon, omtrent trapganzen en Plevierachtige
Vogels, in „Birds of India”, vol. III, blz. 617, 637, 709, 711. Ook
Blyth in „Land and Water”, 1867, blz. 84. Over den Weduw-vogel, „Ibis”,
vol. III, 1861, blz. 133. Over de Drongo-klauwieren, Jerdon, ibid.,
vol. I, blz. 435. Over de voorjaarsruiing van Herodias bubulcus, den
heer S. S. Allen, in „Ibis”, 1863, blz. 33. Omtrent Gallus bankiva,
Blyth, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz. 455; zie
ook over dit onderwerp mijn „Varieeren der Huisdieren en
Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 273.
[146] Zie Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. V, blz. 34, 70 en
223, over het ruien der Eendachtige Vogels (Anatidae) met aanhalingen
van Waterton en Montagu. Ook Yarrell, „Hist. of British Birds”, vol.
III, blz. 243.
[147] Omtrent den pelikaan, zie Sclater, in „Proc. Zool. Soc.”, 1868,
blz. 265. Omtrent de Amerikaansche vinken, zie Audubon, „Ornith.
Biography”, vol. I, blz. 174, 221, en Jerdon, „Birds of India”, vol.
II, blz. 383. Over de Fringilla cannabina van Madera, den heer E.
Vernon Harcourt, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 230.
[148] Zie ook „Ornamental Poultry”, door den weleerw. heer E. S. Dixon,
1848, blz. 8.
[149] „Birds of India”, Introduct., vol. I, blz. XXIV: omtrent den
pauw, vol. III, blz. 507. Zie Gould’s „Introduction to the
Trochilidae”, 1861, blz. 15 en 111.
[150] „Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. X, 1840, blz. 236.
[151] „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIII, 1854, blz. 157; ook
Wallace, ibid., vol, XX, 1857, blz. 412, en „The Malay Archipelago”,
vol. II, 1869, blz. 252. Ook Dr. Bennet, aangehaald door Brehm,
„Thierleben”, Bd. III, blz. 326.
[152] De heer T. W. Wood heeft („The Student”, April 1870, blz. 115)
een volledige verklaring van deze wijze van pronken gegeven, die hij de
laterale of eenzijdige noemt, door den goudlakenschen fazant en door
den Japanschen fazant, Ph. versicolor.
[153] „The Reign of Law”, 1867, blz. 203.
[154] Voor de beschrijving van deze vogels, zie Gould’s „Handbook to
the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 417.
[155] „Birds of India”, vol. II, blz. 96.
[156] Omtrent den Cosmetornis, zie Livingstone’s „Expedition to the
Zambesi”, 1865, blz. 66. Over den Argus-fazant, Jardine’s „Nat. Hist.
Lib.: Birds”, vol. XIV, blz. 167. Omtrent Paradijsvogels, Lesson,
aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325.
[157] Tegetmeier, „The Poultry Book”, 1866, blz. 139.
[158] Ten minste volgens Brehm („Thierleben”, Deel IV, blz. 832); de
muskusgeur dien de gieren in den paartijd verspreiden en die ook hun
eieren doordringt, is bekend.
[159] Nordmann beschrijft („Bull. Soc. Imp. des Nat. Moscou”, 1861,
tome XXXIV blz. 264) het „balzen” van Tetrao urogalloides in Amoerland.
Hij schat het aantal verzamelde mannetjes op meer dan honderd, de
wijfjes die in het omringende kreupelhout verborgen liggen, niet
medegerekend. De voortgebrachte geluiden verschillen van die van T.
urogallus of den grooten auerhaan.
[160] Omtrent de bijeenkomsten van de bovenvermelde Boschhoenders, zie
Brehm, „Thierleben”, Bd. IV, blz. 350, ook Lloyd, „Game Birds of
Sweden”, 1867, blz. 19, 78. Richardson, „Fauna Bor. Americana: Birds”,
blz. 362. Aanhalingen omtrent de bijeenkomsten van andere vogels zijn
reeds vroeger gegeven. Over Paradisea, zie Wallace, in „Annals and Mag.
of Nat. Hist.”, vol. XX, 1857, blz. 412. Over de snip, Lloyd, ibid.,
blz. 221.
[161] Aangehaald door den heer T. W. Wood in de „Student”, April, 1870,
blz. 125.
[162] Gould, „Handbook of Birds of Australia”, vol. I, blz. 300, 308,
448, 451. Over het Sneeuwhoen waarvan boven gewag is gemaakt, zie
Lloyd, ibid., blz. 129.
[163] Omtrent eksters, Jenner, in „Phil. Transact.”, 1824, blz. 21.
Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. I, blz. 570. Thompson, in
„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. VIII, 1842, blz. 494.
[164] Omtrent Falco peregrinus zie Thompson, „Nat. Hist. of Ireland.
Birds”, vol I, 1849, bldz. 39. Omtrent uilen, musschen en patrijzen,
zie White, „Nat. Hist. of Selborne”, uitgaaf van 1825, vol. I, bldz.
139. Over de Phoenicura, zie Loudon’s „Mag. of Nat. Hist.”, vol VII,
1834, bldz. 345. Brehm, („Thierleben”, Bd. IV, bldz. 991) vermeldt ook
gevallen van vogels die op éénen en denzelfden dag driemaal een nieuwen
gezel verkregen.
[165] Zie White („Nat. Hist. of Selborne”, 1825, vol. I, blz. 140) over
het bestaan, vroeg in het jaargetijde, van kleine vluchten mannelijke
patrijzen, van welk feit ik andere voorbeelden heb gehoord. Zie Jenner
over den achterlijken toestand der voortplantingswerktuigen bij sommige
vogels, in „Phil. Transact.”, 1824. Wat de bij drietallen levende
vogels aangaat, ben ik aan den heer Jenner Weir de gevallen van den
spreeuw en de papegaaien, en aan den heer Fox dat van de patrijzen
verschuldigd; omtrent kraaien, zie „the Field”, 1868, bldz. 415. Over
onderscheidene mannelijke vogels die na den eigenlijken tijd zingen,
zie den weleerw. heer L. Jenyns, „Observations in Natural History”,
1846, bldz. 87.
[166] Het volgende geval is („The Times”, 6 Aug. 1868) door den
weleerw. heer F. O. Morris, op autoriteit van den weleerw. heer O. W.
Forester, medegedeeld: „De jachtopzichter vond hier dit jaar een
haviksnest waarin vijf jongen waren. Hij nam er vier uit en doodde hen,
maar liet het vijfde, na het te hebben gekortwiekt, in het nest, als
een lokaas, om ook de ouden te vernielen. Zij werden den volgenden dag
beide gedood, terwijl zij bezig waren het jong te voeden, en de
opzichter dacht, dat het nu gedaan was. Den volgenden dag kwam hij
terug en vond twee andere liefdadige haviken, die met een
pleegouderlijk gevoel waren gekomen om den wees te helpen. Hij doodde
ze beide en verliet daarop het nest. Later terugkeerende, vond hij
nogmaals twee liefdadige individu’s op hetzelfde doolpad van
barmhartigheid. Den eenen schoot hij dood, den anderen raakte hij ook,
maar kon hem niet terugvinden. Daarna begaven er zich geen meer op het
zelfde vruchtelooze doolpad”.
[167] Zoo getuigt b.v. de heer Yarrell („Hist. British Birds”, vol III,
1845, blz. 585), dat een zeemeeuw niet in staat was om een kleinen
vogel die hem was gegeven, door te slikken. De meeuw „rustte een
oogenblik, en liep daarop, alsof hij zich plotseling bedacht, zoo hard
hij kon, naar een pan met water, schudde den vogel daarin keen en
weder, tot hij goed was doorweekt en slokte hem onmiddellijk daarna op.
Sinds dien tijd nam hij in soortgelijke gevallen onveranderlijk het
zelfde middel te baat.” Ik ben aan Prof. Newton de volgende plaats
verschuldigd uit Adam’s „Travels of a Naturalist”, 1870, blz. 278.
Sprekende van Japansche boomklevers (Sitta) in gevangen staat, zegt
hij: „In plaats van de meer voedsel opleverende vrucht van den taxis
die het gewone voedsel van den Japanschen boomklever is, gaf ik hem
eens harde hazelnoten. Daar de vogel niet in staat was deze te kraken,
plaatste hij ze een voor een in zijn waterbakje, blijkbaar in het
denkbeeld, dat zij na verloop van tijd zachter zouden worden—een
belangwekkend bewijs van verstand van den kant van deze vogels.”
[168] „A Tour in Sutherlandshire”, vol I, 1849, blz. 185. Dr. Buller
zegt („Birds of New-Zealand”, 1872, blz. 56), dat een mannelijke
Koningslori werd gedood, en dat het wijfje toen wegteerde en treurde,
haar voedsel weigerde en stierf aan een gebroken hart.
[169] „Wanderings in New South Wales”, vol II, 1834, blz. 62.
[170] „Acclimatisation of Parrots”, door C. Buxton, M. P., „Annals and
Mag. of Nat. Hist.”, Nov. 1868, blz. 381.
[171] „The Zoologist”, 1847–1848, blz. 1602.
[172] Hewitt over wilde eenden, „Journal of Horticulture”, 13 Jan.
1863, blz. 39. Audubon over den wilden kalkoen, „Ornith. Biography”,
vol. I, blz. 14. Over den spotlijster, ibid., vol. I, blz. 110.
[173] De „Ibis”, vol. II, 1860, blz. 344.
[174] Over de versierde nesten van kolibri’s, Gould, „Introduction to
the Trochilidae”, 1861, blz. 19. Omtrent de priëelvogels, Gould,
„Handbook to the Birds of Australia”, 1865, vol. I, blz. 444–461. De
heer Ramsay in de „Ibis”, 1867, blz. 456.
[175] „Hist. of British Birds”, vol. II, blz. 92.
[176] „Zoologist”, 1853–1854, blz. 3946.
[177] Waterton, „Essays on Nat. Hist.”, 2nd series, blz. 42, 117. Wat
de volgende mededeelingen aangaat, zie omtrent de Smient, Loudon’s
„Mag. of Nat. Hist.”, vol. IX, blz. 616; L. Lloyd, „Scandinavian
Adventures”, vol. I, 1854, blz. 452; Dixon, „Ornamental and Domestic
Poultry”, blz. 137; Hewitt, in „Journal of Horticulture”, 13 Jan. 1863,
blz. 40; Bechstein, „Stubenvögel”, 1840, blz. 230.
[178] Audubon, „Ornitholog. Biography”, vol. I, blz. 191, 349; vol. II,
blz. 42, 275; vol. III, blz. 2.
[179] „Rare and Prize Poultry”, 1854, blz. 27.
[180] „Het varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert.,
deel II, blz. 90.
[181] Boitard en Corbié, „Les Pigeons”, 1824, blz. 12. Prosper Lucas
(„Traité de l’Héréd. Nat.”, tom. II, 1850, blz. 296) heeft zelf
ongeveer soortgelijke feiten bij duiven waargenomen.
[182] „Die Taubenzucht”, 1824, blz. 86.
[183] „Ornithological Biography”, vol. I, blz. 13.
[184] „Proc. Zool. Soc.”, 1835, blz. 54. De zwartvleugel-pauw wordt
door den heer Sclater als een bijzondere soort beschouwd en heeft den
naam van Pavo nigripennis ontvangen.
[185] Rudolphi, „Beiträge zur Anthropologie”, 1812, blz. 184.
[186] „Die Darwin’sche Theorie, und ihre Stellung zu Moral und
Religion”, 1869, blz. 59.
[187] Dit wordt medegedeeld door den heer A. Leith Adams, in zijn
„Field and Forest Rambles”, 1873, blz. 76, en stemt overeen met zijn
eigen ondervinding.
[188] Ten opzichte van de pauwen, zie Sir R. Heron, „Proc. Zoolog.
Soc.”, 1835, blz. 54, en den weleerw. heer E. S. Dixon, „Ornamental
Poultry”, 1848, blz. 8. Omtrent den kalkoen, Audubon, ibid., blz. 4.
Over den grooten auerhaan, Lloyd, „Game Birds of Sweden”, blz. 23.
[189] De heer Hewitt, aangehaald in „Tegetmeier’s Poultry Book”, 1866,
blz. 165.
[190] Aangehaald in Lloyd’s „Game Birds of Sweden”, blz. 345.
[191] Volgens Dr. Blasius („Ibis”, vol. II, 1860, blz. 297), zijn er
425 ontwijfelbare soorten van vogels die in Europa broeien, behalve 60
vormen die veelvuldig als zelfstandige soorten worden beschouwd. Van
deze laatste meent Blasius, dat tien werkelijk twijfelachtig zijn, en
dat de andere vijftig met hun naaste verwanten behooren te worden
vereenigd; maar dit bewijst, dat er een aanzienlijke mate van
verscheidenheid bij sommige van onze Europeesche vogels bestaat. Het is
bij de natuuronderzoekers ook een nog niet uitgemaakt punt of
verscheidene Noord-Amerikaansche vogels moeten worden beschouwd als
soortelijk onderscheiden van de overeenkomstige Europeesche soorten.
[192] „Mammals and Birds of East Florida”, ook een „Ornithological
Reconnaissance of Texas”, enz. Niettegenstaande den invloed van het
klimaat op de kleuren van vogels is het moeilijk de doffe of donkere
tinten te verklaren van bijna alle soorten die sommige landen bewonen,
b.v. de Galapagoseilanden onder den evenaar, de uitgestrekte gematigde
vlakten van Patagonië, en, naar het schijnt, Egypte (zie den heer
Hartshorne in „the American Naturalist”, 1873, blz. 747.) Deze landen
zijn open en bieden den vogels weinig schuilplaatsen; maar het schijnt
twijfelachtig of de afwezigheid van levendig gekleurde soorten kan
worden verklaard volgens het beginsel van bescherming, want op de
Pampa’s die ook open zijn, hoewel bedekt met groen gras, en waar de
vogels evenzeer aan gevaar zijn blootgesteld, zijn vele schitterende en
opzichtig gekleurde soorten algemeen. Ik heb somtijds bespiegelingen
gemaakt, of de heerschende doffe tinten van het landschap in
bovengenoemde landen geen invloed kunnen hebben gehad op het
waarnemingsvermogen voor kleuren van de vogels die ze bewonen.
[193] „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. uitgaaf, blz. 129. Ik had altijd
begrepen, dat zeldzame en sterke afwijkingen in maaksel, die den naam
van monstruositeiten verdienden, slechts zelden door natuurlijke
teeltkeus konden bewaard blijven, en dat het bewaard blijven zelfs van
in hooge mate voordeelige afwijkingen tot op zekere hoogte van het
toeval af zou hangen. Ik had ook de belangrijkheid van individueele
verschillen volkomen naar waarde geschat, en dit bracht mij er toe om
zoo sterk te drukken op de belangrijkheid van dien onbewusten vorm van
teeltkeus door den mensch, die het gevolg is van het bewaren van de
hoogst geschatte individu’s van elk ras, zonder eenig oogmerk van zijn
kant om de kenmerken van het ras te wijzigen. Doch voordat ik een
uitnemend artikel in de „North British Review” (Maart 1867, blz. 589
v.v.), die mij van meer dienst is geweest dan eenig ander Review, had
gelezen, zag ik niet in, hoe groot de kansen waren tegen het bewaard
blijven van afwijkingen, hetzij kleine of sterk uitgedrukte, die alleen
bij enkele individu’s voorkwamen.
[194] „Introduct. to the Trochilidae”, blz. 102.
[195] Gould, „Handbook of Birds of Australia”, vol. II, blz. 32 en 68.
[196] Audubon, „Ornitholog. Biography”, 1838, vol. IV, blz. 389.
[197] Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 108, en de heer Blyth in
„Land and Water”, 1868, blz. 381.
[198] Graba, „Tagebuch, Reise nach Farö”, 1830, blz. 41–44.
Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. III, blz. 745. „Ibis”, vol.
V, 1863, blz. 469.
[199] Graba, ibid., blz. 54. Macgillivray, ibid., vol. V, blz. 327.
[200] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert.,
deel II, blz. 55.
[201] Zie omtrent deze punten ook „Het Varieeren der Huisdieren en
Cultuurplanten”, Ned. vert., deel I, blz. 295; deel II, blz. 54.
[202] Zie b.v. over de regenboogvliezen (irides) van een Podica en
Gallicrex in „Ibis”, vol. II, 1860, blz. 206; en vol. V, 1863, blz.
426.
[203] Zie ook Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 243–245.
[204] „Zoology of the Voyage of H. M. S. Beagle”, 1841, blz. 6.
[205] Bechstein, „Naturgeschichte Deutschlands”, Bd. IV, 1795, blz. 31,
over een onder-verscheidenheid (sub-variëteit) van de Monck-duif.
[206] Deze houtsnede is gegraveerd naar een fraaie teekening welke de
heer Trimen de bijzondere vriendelijkheid had voor mij te vervaardigen;
zie ook zijn beschrijving van de wonderlijke grootte der afwijking in
de kleur en den vorm van de vleugels van deze kapel, in zijn
„Rhopalocera Africae Australis”, blz. 186. Zie ook een belangwekkende
verhandeling van den weleerw. heer H. H. Higgens over den oorsprong der
oogvlekken bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) in het „Quarterly
Journal of Science”, Juli, 1860, blz. 325.
[207] Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 517.
[208] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel I,
blz. 294.
[209] Als de Argus-fazant zijn vleugelslagpennen als een grooten waaier
tentoonspreidt, staan die welke het dichtst bij het lichaam staan, meer
rechtop dan de buitenste, zoodat de schaduwing van de bal-en-holte
oogvlekken een weinig verschillend behoorde te zijn op de verschillende
vederen om haar vol effect met betrekking tot den inval van het licht
voort te brengen. De heer T. W. Wood die het ervaren oog van een
kunstenaar bezit, verzekert („Field” Courant, 28 Mei 1870, blz. 457),
dat dit het geval is; maar na zorgvuldig twee opgezette voorwerpen te
hebben onderzocht (van een waarvan ik de bedoelde vederen tot meer
nauwkeurige vergelijking aan den heer Gould heb gegeven), kan ik niet
bemerken, dat dit toppunt van volmaaktheid in de schaduwing is bereikt,
en evenmin hebben anderen aan wie ik deze vederen heb getoond, dit feit
kunnen opmerken.
[210] „The Field”, 28 Mei, 1870.
[211] „Popular Lectures on Scientific Subjects”, Eng. vert., 1873, blz.
219, 227, 269, 390.
[212] „The Reign of Law”, 1867, blz. 347.
[213] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 112.
[214] „Introduction to the Trochilidae”, 1861, blz. 110.
[215] „Zur Zeichnung der Vogelfedern”, Zeitschr. für wiss. Zoologie,
Bd. XLIV.
[216] Met de patrijzen verwante vogels uit Zuid- en West-Azië en
Afrika.
[217] Ceriornis Satyra, een tot de zoogenaamde hoornfazanten behoorende
vogel uit de Himalaya en Zuid-China.
[218] Vierde Engelsche uitgaaf, 1866, blz. 241.
[219] „Westminster Review”, Juli 1867. „Journal of Travel”, vol. I,
1868, blz. 73.
[220] Temminck zegt, dat de staart van het wijfje van Phasianus
Soemmerringii slechts 15 centimeter lang is, „Planches coloriées”, vol.
V, 1838, blz. 487 en 488; de boven medegedeelde metingen werden voor
mij door den heer Sclater gedaan. Omtrent den gewonen fazant, zie
Macgillivray, „Hist. of Brit. Birds”, vol. I, blz. 118–121.
[221] Dr. Chapuis, „Le Pigeon Voyageur Belge”, 1865, blz. 87.
[222] „The Field”, Sept. 1872.
[223] Bechstein, „Naturgesch. Deutschlands”, 1793, Bd. III, blz. 339.
[224] Daines Barrington hield het echter voor waarschijnlijk („Phil.
Transact.”, 1773, blz. 164), dat weinig vrouwelijke vogels zingen,
omdat dit talent gevaarlijk voor haar zou zijn geweest gedurende den
broeitijd. Hij voegt er bij, dat een soortgelijke beschouwingswijze
mogelijk de minderheid van het wijfje aan het mannetje in gevederte zou
kunnen verklaren.
[225] De heer Ramsay, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 150.
[226] „Journal of Travel”, uitgegeven door A. Murray, vol. I, 1868,
blz. 78.
[227] „Journal of Travel”, uitgegeven door A. Murray, vol. I, 1868,
blz. 281.
[228] Audubon, „Ornithological Biography”, vol. I, blz. 223.
[229] Jerdon, „Birds of India”, vol. II, blz. 108. Gould’s „Handbook to
the Birds of Australia”, vol. I, blz. 463.
[230] De vrouwelijke Eupetomena macroura heeft bij voorbeeld een
donkerblauwen kop en staart met roodachtige lendenen; de vrouwelijke
Lampornis porphyrurus is van boven zwartachtig groen en haar strot en
de zijden van haar keel zijn karmozijnrood; bij het wijfje van Eulampis
jugularis zijn de kruin van den kop en de rug groen, maar de lendenen
en de staart karmozijnrood. Vele andere voorbeelden zouden kunnen
worden gegeven van in hooge mate opzichtig gekleurde wijfjes. Zie het
prachtige werk van den heer Gould over deze Familie.
[231] De heer Salvin („Ibis”, 1864, blz. 375) merkte in Guatemala op,
dat kolibri’s veel minder lust hebben om hun nesten te verlaten als het
zeer warm weder is en de zon helder schijnt, dan gedurende koel of
regenachtig weder, als de lucht bewolkt is.
[232] Ik kan bijzonder, als voorbeelden van donker gekleurde vogels die
verborgen nesten bouwen, de soorten noemen, welke behooren tot acht
Australische geslachten, beschreven in Gould’s „Handbook to the Birds
of Australia”, vol. I, blz 340, 362, 365, 383, 387, 391, 414.
[233] Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 244.
[234] Over den nestbouw en de kleuren van deze laatste soort, zie
Gould’s „Handbook” enz., vol. I, blz. 504, 507.
[235] Ik heb over dit onderwerp Macgillivray’s „British Birds”
geraadpleegd, en hoewel in sommige gevallen nog twijfel kan bestaan
omtrent den graad van verborgenheid van het nest en omtrent den graad
van opzichtigheid van het wijfje, zoo kunnen toch de volgende vogels
die allen hun eieren in holen of in koepelvormige nesten leggen,
volgens den boven aangenomen maatstaf moeilijk als opzichtig worden
beschouwd: Passer, 2 soorten: Sturnus, van welken het wijfje
aanmerkelijk minder schitterend dan het mannetje is; Cinclus; Motacilla
boarula(?); Erithacus(?); Fruticola, 2 sp.; Saxicola; Ruticilla, 2 sp.;
Sylvia, 3 sp.; Parus, 3 sp.; Mecistura; Anorthura; Certhia; Sitta;
Yunx; Muscicapa, 2 sp; Hirundo, 3 sp.; en Cypselus. De wijfjes van de
volgende 12 vogels kunnen volgens den zelfden maatstaf als opzichtig
worden beschouwd, nam.: Pastor; Motacilla alba; Parus major en P.
coeruleus; Upapa; Pisus, 4 sp.; Coracias; Alcedo en Merops.
[236] „Journal of Travel”, uitgegeven door A. Murray, vol. I, blz. 78.
[237] Zie vele mededeelingen in de „Ornithological Biography”; zie ook
sommige merkwaardige waarnemingen omtrent de nesten van Italiaansche
vogels door Eugenio Bettoni, in de „Atti della Società Italiana”, vol.
XI, 1869, blz. 487.
[238] Zie zijn „Monograph of the Trogonidae”, eerste uitgaaf.
[239] Namelijk Cyanalcyon. Gould’s „Handbook to the Birds of
Australia”, vol. I, blz. 133; zie ook blz. 130, 136.
[240] Elke trap van verschil tusschen de seksen kan worden gevolgd bij
de papegaaien van Australië. Zie Gould’s „Handbook” enz., vol. II, blz.
14–102.
[241] Macgillivray’s „British Birds”, vol. II, blz. 433, Jerdon, „Birds
of India”, vol. II, blz. 282.
[242] Al de volgende feiten zijn ontleend aan des heeren Malherbe’s
prachtige „Monographie des Picidées”, 1861.
[243] Audubon’s „Ornithological Biography”, vol. II, blz. 75; zie ook
de „Ibis”, vol. I. blz. 268.
[244] Gould’s „Handbook of the Birds of Australia”, vol. II, blz.
109–149.
[245] Zie opmerkingen hieromtrent in mijn werk over „Varieeren der
Huisdieren en Cultuurplanten”, deel I, hoofdstuk XII.