mensch van den eenen of anderen laag georganiseerden vorm afstamt, zal,
het doet mij leed dit te moeten denken, aan vele personen ergernis
geven. Er kan echter nauwelijks eenige twijfel bestaan, dat wij van
barbaren afstammen. De verbazing die ik gevoelde, toen ik voor het
eerst een troep Vuurlanders op een wild vaneengescheurd strand zag, zal
nooit door mij worden vergeten; want de gedachte rees op eens in mijn
geest op,—zoo waren onze voorouders. Deze menschen waren volkomen naakt
en met verf besmeerd; hun lang haar was verward; hun mond was van
opgewondenheid met schuim bedekt en hun uitdrukking was wild,
verschrikt en wantrouwig. Zij bezaten nauwelijks eenige kunsten en
leefden gelijk wilde dieren van hetgeen zij konden vangen; zij hadden
geen bestuur en waren zonder genade voor elk die niet tot hun eigen
kleinen stam behoorde. Hij die een wilde in zijn geboorteland heeft
gezien, zal niet veel schaamte gevoelen, indien hij wordt gedwongen te
erkennen, dat het bloed van het eene of andere nog nederiger wezen door
zijn aderen vloeit. Ik voor mij zou even gaarne afstammen van dat
heldhaftige aapje dat zijn gevreesden vijand trotseerde om het leven
van zijn oppasser te redden; of van dien ouden baviaan die, van de
bergen afdalende, zijn jongen makker in zegepraal wegdroeg uit het
midden van een menigte verbaasde honden,—als van een wilde die er
behagen in schept zijn vijanden te martelen, bloedige offeranden doet,
zonder wroeging zijn kinderen vermoordt, zijn vrouwen als slavinnen
behandelt, geen eerbaarheid kent en door het grofste bijgeloof wordt
beheerscht.
Het mag den mensch worden vergeven, als hij er eenigen trots over
gevoelt, dat hij, hoewel niet door eigen inspanning (4), tot het
toppunt van de geheele reeks der organismen is geklommen; en het feit,
dat hij daartoe is opgeklommen in plaats van oorspronkelijk daar te
zijn geplaatst, mag hem hoop geven op een nog hooger bestemming in een
verwijderde toekomst. Wij hebben hier echter niet te maken met hoop of
vrees, doch slechts met de waarheid, voor zoover onze rede ons toestaat
die te ontdekken. Ik heb de bewijzen daarvoor gegeven, zoo goed ik maar
eenigszins kon; en wij moeten, naar het mij toeschijnt, erkennen, dat
de mensch met al zijn edele hoedanigheden, met het medegevoel dat hij
zelfs voor de diepst gevallenen gevoelt, met de welwillendheid die zich
niet slechts tot andere menschen, maar tot het nederigste levende
schepsel uitstrekt, met zijn goddelijk verstand dat is doorgedrongen in
de bewegingen en de inrichting van het zonnestelsel, dat de mensch,
niettegenstaande al die verheven vermogens, toch in het maaksel van
zijn lichaam nog den onuitwischbaren stempel van zijn lagen oorsprong
draagt.
AANTEEKENINGEN.
(1) „De mensch heeft een neiging om zich in sterker verhouding te
vermenigvuldigen, dan zijn middelen van bestaan; bij gevolg is hij nu
en dan onderworpen aan een hevigen strijd om het bestaan.” Deze
waarheid, het eerst door den grooten staathuishoudkundige Malthus aan
het licht gebracht, resumeert de geheele zoogenaamde sociale quaestie:
of liever zij levert het wiskundig zekere bewijs, dat die sociale
quaestie onoplosbaar is. Richt de maatschappij in, gelijk gij wilt,
steeds zal er een talrijke klasse van menschen in de maatschappij zijn,
die te weinig heeft om te leven en te veel om te sterven; want de
mensch vermenigvuldigt zich zoo lang, tot eindelijk die grens is
bereikt, en de schaarste der voedingsmiddelen, of met andere woorden de
groote duurte der voedingsmiddelen in verhouding tot het loon, de
verdere vermenigvuldiging onmogelijk maakt.—Een maatschappij zonder
bijzonderen eigendom, waarin allen gelijk recht hadden op alles
(gesteld, dat zulk een maatschappij denkbaar ware), zou de menschheid
niet gelukkiger maken; niemand zou daardoor in beteren toestand
geraken; maar allen zouden integendeel afdalen tot die laagste grens;
allen zouden even ongelukkig zijn, als thans de ongelukkigsten.—Harde,
maar onbetwijfelbare waarheid! Alleen landen waar overvloed is van
vruchtbaren grond en tevens een dun gezaaide bevolking, gelijk
Noord-Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland, kunnen nog voor eenige eeuwen
aan die vreeselijke wet ontgaan; doch juist daarom vermenigvuldigt er
de bevolking zoo veel sneller dan elders, en eindelijk zal ook daar de
noodlottige grens worden bereikt. Zoolang die echter daar niet is
bereikt, zijn emigratie van de overtollige monden uit Europa derwaarts
(waardoor in Europa de strijd om het bestaan minder heftig wordt) en
verplicht en kosteloos onderwijs (waardoor de individu’s in staat
worden gesteld den strijd om het bestaan met beter gevolg te strijden)
de krachtigste palliatieven tot leniging der sociale ellende, ofschoon
geenszins wezenlijke middelen tot genezing. De laatste zal men steeds
te vergeefs zoeken, daar de kwaal waaraan de maatschappij lijdt,
ongeneeslijk is, tenzij de vermeerdering van het menschdom werd
tegengegaan door „zedelijk zelfbedwang”, dat wil zeggen, tenzij niemand
huwde, wanneer hij niet eerst voldoende zekerheid had zich en de zijnen
te zullen kunnen onderhouden: maar dit zal wel steeds een utopie
blijven,—of .... tenzij meer algemeen gebruik werd gemaakt van de
bestaande voorbehoedmiddelen tot voorkoming van de zwangerschap (men
vergelijke Nieuw Malthusiaansche Bond, Schetsen No. 3., J. M. Smit,
„Het ontstaan en de ontwikkeling van het zedelijk gevoel”. Uitgegeven
voor rekening van de N. Malthusiaansche Bond, Amsterdam. Jan D.
Brouwer’s Boekhandel, ƒ 0,30, waarin die middelen zijn beschreven en
afgebeeld).
(2) Deze geleerde heeft welgelukte proeven genomen tot kunstmatige
vorming van anomalieën en monstruositeiten bij hoenders door eieren
onder abnormale omstandigheden uit te broeien, door bij voorbeeld het
punt van waar de verwarming uitgaat, en dat bij de natuurlijke
uitbroeiing steeds aan de bovenzijde is gelegen, te verplaatsen of de
eieren gedeeltelijk met een voor de lucht ondoordringbaar vernis te
bedekken. Het spreekt van zelf, dat de bij dergelijke proeven
waargenomen afwijkingen licht kunnen werpen op de oorzaken der
(zoogenaamd spontane) afwijkingen die men bij de dieren in den
natuurstaat waarneemt.
(3) Zeker is ’t eene geen grooter reden tot bezorgdheid dan het andere,
maar wel even groote reden! Mij dunkt, dat beide evenzeer pleiten tegen
de onsterfelijkheid van den mensch als individu!
(4) Wij gelooven, dat, zoo de theorie van Darwin juist is, de mensch
wel degelijk door zijn eigen arbeid, door zijn eigen krachtsinspanning
is opgeklommen tot de plaats die hij thans bekleedt. Wat toch is de
natuurlijke teeltkeus? Het in leven blijven van hen die door het bezit
van zekere eigenschappen den strijd om het leven met het beste gevolg
konden strijden. Is strijd dan geen arbeid, geen krachtsinspanning?—Wat
is seksueele teeltkeus anders dan het door de eene sekse voor de
voortteling uitkiezen van bepaalde individu’s van de tegenovergestelde
sekse? Die bewuste keuze zal toch wel wederom eigen arbeid mogen worden
genoemd!—Het blijft echter waar, dat de individu’s die den strijd om
het leven met het beste gevolg streden en bepaalde individu’s van de
andere sekse voor de voortteling uitkozen, daarbij geenszins het doel
hadden de soort te wijzigen en te verbeteren, en zich dus ook volstrekt
niet bewust waren van de hoogst belangrijke gevolgen die hun
inspanning, hun arbeid, hun keus na vele generaties zouden hebben. De
mensch is opgeklommen tot de spits van het Dierenrijk door zijn eigen
arbeid; maar die arbeid had geenszins ten doel om hem tot die spits te
verheffen, hoewel zulks er feitelijk het gevolg van was. Die arbeid had
ten doel het individu staande te houden in den strijd om het bestaan en
het te verbinden met het voor hetzelve aantrekkelijkste en
bekoorlijkste individu der andere sekse; het resultaat er van was
echter vooruitgang van het geheel der levende individu’s of, met andere
woorden, van de soort!
AANTEEKENINGEN
[1] Yarrell’s „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 417, 425,
436. Dr. Günther deelde mij mede, dat de stekels bij Raja Clavata
alleen aan het wijfje eigen zijn.
[2] „The American Naturalist”, April 1871, blz. 119.
[3] Zie de belangwekkende artikelen van den heer R. Warington in
„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Oct. 1852 en Nov. 1855.
[4] Noel Humphrey’s „River Gardens”, 1857.
[5] Loudon’s „Mag. of Nat. History”, vol. III, 1830, blz. 331.
[6] „The Field”, 29 Juni, 1867; voor de mededeeling van den heer Shaw,
zie „Edinburgh Review”, 1843. Een ander geoefend waarnemer (Scrope’s
„Days of Salmon Fishing”, blz. 60) merkt op, dat het mannetje, als hij
maar kon, evenals het hert, alle andere mannetjes verwijderd zou willen
houden.
[7] Yarrell, „History of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10.
[8] „The Naturalist in Vancouver’s Island”, vol. I, 1866 blz. 54.
[9] „Scandinavian Adventures”, vol. I, 1854, blz. 100, 104.
[10] Zie Yarrell’s verhandeling over de Roggen in zijn „Hist. of
British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 416, met een uitmuntende
afbeelding, en blz. 422, 432.
[11] Aangehaald in „The Farmer”, 1868, blz. 369.
[12] Ik heb deze beschrijving ontleend aan Yarrell’s „British Fishes”,
vol. I, 1836, blz. 261 en 266.
[13] „Catalogue of Acanth. Fishes in the British Museum”, door Dr.
Günther, 1861, blz. 138–151.
[14] „Game Birds in Sweden”, enz., 1867, blz. 466.
[15] Ten opzichte van deze en de volgende soorten ben ik aan Dr.
Günther mededeelingen verschuldigd: zie ook zijn verhandeling over de
visschen van Centraal-Amerika, in „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. IV,
1868, blz. 485.
[16] Dr. Günther maakt deze opmerking: „Catalogue of Fishes in the
British Museum”, vol. III, 1861, blz. 141.
[17] Zie over dit geslacht Dr. Günther in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868,
blz. 232.
[18] F. Buckland, in „Land and Water”, Juli 1868, blz. 377, met een
afbeelding.
[19] Dr. Günther, „Catalogue of Fishes”, vol. III, blz. 221 en 240.
[20] Zie ook „A Journey in Brazil”, door Prof. en Mevr. Agassiz, 1868,
blz. 220.
[21] Yarrell, „British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10, 12, 35.
[22] W. Thompson, in „Annals and Mag. of Nat. History”, vol. VI, 1841,
blz. 440.
[23] „The American Agriculturist”, 1868, blz. 100.
[24] „Annals and Mag. of Nat. Hist”, Oct. 1852.
[25] „Nature”, Mei 1873, blz. 25.
[26] „Bull. de la Soc. d’Acclimat.”, Parijs, Juli 1869 en Jan. 1870.
[27] Bory de St. Vincent, in „Dict. Class. et Hist. Nat.”, tome IX,
1826, blz. 151.
[28] Ten gevolge van eenige opmerkingen over dit onderwerp in mijn werk
„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” gemaakt, heeft de heer
F. W. Mayers („Chinese Notes and Queries”, Aug. 1868, blz. 123) de oude
Chineesche Encyclopedieën doorzocht. Hij vindt, dat de goudvisschen het
eerst in gevangen staat werden aangefokt onder de Sung-dynastie die in
het jaar 960 voor Chr. aan de regeering kwam. In het jaar 1129 was er
een overvloed van deze visschen. Op een andere plaats wordt gezegd, dat
er sinds het jaar 1548 „te Hangchow een verscheidenheid is
voortgebracht, de vuurvisch genaamd, wegens zijn levendig roode kleur.
Hij wordt algemeen bewonderd, en er is geen huishouding waar hij niet
wordt aangefokt, in wedijver ten opzichte van zijn kleur, en als een
bron van geldelijk voordeel.”
[29] „Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 7.
[30] „Indian Cyprinidae”, door den heer J. M’Clelland, „Asiatic
Researches”, vol. XIX, part. III, 1839, blz. 230.
[31] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 357, pl. XIV en XV.
[32] Yarrell, „British Fishes”, vol. II, blz. 11.
[33] Volgens de waarnemingen van den heer Gerbe; zie Günther’s „Record
of Zoolog. Literature”, 1865, blz. 194.
[34] Cuvier, „Règne Animal”, vol. II, blz. 242.
[35] Zie de hoogst belangwekkende beschrijving van de gewoonten van den
Gasterosteus leiurus door den heer Warrington, in „Ann. and Mag. of
Nat. Hist.”, November 1855.
[36] Prof. Wyman, in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857.
Ook W. Turner in „Journal of Anatomy and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78.
Ook Dr. Günther heeft nog andere gevallen beschreven.
[37] Yarrell, „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 329, 338.
[38] Dr. Günther heeft, nadat hij een beschrijving van deze soort heeft
gegeven in „The Fishes of Zanzibar”, door Col. Playfair, 1826, blz.
137, de voorwerpen opnieuw onderzocht en nu de bovenstaande mededeeling
gedaan.
[39] De weleerw. heer C. Kingsley, in „Nature”, Mei 1870, blz. 40.
[40] „Comptes rendus”, tome XLVI, 1858, blz. 353. Tome XLVII, 1858,
blz. 916. Tome LIV, 1862, blz. 393. Het geluid, door de Ombervisschen
(Sciaena aquila) gemaakt, gelijkt volgens sommige schrijvers meer op
dat van een fluit of orgel dan op trommelen. Dr. H. Hartogh Heys van
Zouteveen deelt in de Nederlandsche vertaling van dit werk (3de
uitgaaf, deel II, blz. 33) eenige meerdere bijzonderheden mede omtrent
de door visschen voortgebrachte geluiden.
[41] Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz.
156–159.
[42] Bell, ibid., blz. 146, 151.
[43] „Zoology of the Voyage of the „Beagle””, 1843. „Reptiles”, door
den heer Bell. blz. 49.
[44] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 321.
[45] Alleen het mannetje van Bufo sikimmensis (Dr. Anderson, „Proc.
Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 204) heeft twee plaatvormige eeltachtigheden
op de borst en zekere ruwe plekken op de vingers, die wellicht voor het
zelfde doel dienen als de bovenvermelde verhevenheden.
[46] „The Reptiles of India”, door Dr. A. Günther, Roy. Soc. 1864, blz.
413.
[47] Bell, „History of British Reptiles”, 1849, blz. 93.
[48] J. Bishop, in „Todd’s Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz.
1503.
[49] Bell, ibid., blz. 112–114.
[50] Zie mijn „Journal of Researches during the Voyage of the
„Beagle””, 1845, blz. 384.
[51] „Travels through Carolina”, enz., 1791, blz. 128.
[52] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.
[53] Sir Andrew Smith, „Zoolog. of S. Africa: Reptilia”, 1849, pl. X.
[54] Dr. A. Günther, „Reptiles of British India”, Roy. Soc. 1864, blz.
304, 808.
[55] Dr. Stolicza, „Journal of Asiatic Soc. of Bengal”, vol. XXXIX,
1870, blz. 205, 211.
[56] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.
[57] De beroemde plantkundige Schleiden merkt ter loops op („Ueber den
Darwinismus”, „Unsere Zeit”, 1869, blz. 269), dat de ratelslangen haar
ratels gebruiken als een seksueele lokstem, waardoor de beide seksen
elkander vinden. Ik weet niet, of deze bewering op eenige directe
waarneming berust. Deze slangen paren in den Londenschen dierentuin;
maar de oppassers hebben nooit waargenomen, dat zij haar ratels in dien
tijd meer gebruiken dan anders.
[58] „Rambles in Ceylon”, „Annals and Mag. of Nat. Hist.” 2nd. series,
vol. IX, 1852, blz. 333.
[59] Dr. Günther, „Reptiles of British India”, 1864, blz. 340.
[60] „Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 32.
[61] Dr. Anderson, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 196.
[62] „The American Naturalist”, 1873, blz. 85.
[63] De heer N. L. Austen hield deze dieren geruimen tijd levend; zie
„Land and Water”, Juli 1867, blz. 9.
[64] Al deze mededeelingen en aanhalingen ten opzichte van Cophotis,
Sitana en Draco, zoowel als de volgende feiten ten opzichte van
Ceratophora zijn ontleend aan Dr. Günther’s prachtig werk over de
„Reptiles of British India”, Roy. Soc., 1864, blz. 122, 130, 135.
[65] Dr. Bucholz, „Monatsbericht der K. Preus. Akad.”, Jan. 1874, blz.
78.
[66] Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 40.
[67] Omtrent Proctotretus zie „Zoology of the Voyage of the „Beagle””:
„Reptiles”, door den heer Bell, blz. 8. Omtrent de hagedissen van
Zuid-Afrika, zie „Zoology of S. Africa, Reptiles” door Sir Andrew
Smith, pl. 25 en 39. Omtrent den Indischen Calotes, zie „Reptiles of
British India” door Dr. Günther, blz. 143.
[68] „Iris”, vol. III (new series), 1867, blz. 414.
[69] Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, 1865, vol. II, blz.
383.
[70] Aangehaald door den heer Gould, „Introduction to the Trochilidae”,
1861, blz. 29.
[71] Gould, ibid., blz. 52.
[72] W. Tompson, „Nat. Hist. of Ireland: Birds”, vol. II, 1850, blz.
327.
[73] Jerdon, „Birds of India”, 1863, vol II, blz. 96.
[74] Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol IV, 1852, blz. 177–181.
[75] Sir R. Schomburgk, in „Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. XIII,
1843, blz. 31.
[76] „Ornithological Biography”, vol I, blz. 191; omtrent pelikanen en
snippen, zie vol. III, blz. 381, 477.
[77] Gould, „Handbook of Birds of Australia”, vol. I, blz. 395; vol.
II, blz. 383.
[78] De heer Hewitt in het „Poultry Book” van Tegetmeier, 1866, blz.
137.
[79] Layard, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIV, 1854, blz. 93.
[80] Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 574.
[81] Brehm, „Illustr. Thierleben”, 1867, Bd. IV, blz. 351. Eenige der
voorgaande mededeelingen zijn ontleend aan L. Lloyd, „The Game Birds of
Sweden”, enz., 1867, blz. 79.
[82] Jerdon, „Birds of India”, omtrent Ithaginis, vol. III, blz. 523;
omtrent Galloperdix, blz. 541.
[83] Omtrent de Egyptische gans, zie Macgillivray, „British Birds”,
vol. IV, blz. 639. Omtrent Plectropterus, „Livingstone’s Travels”, blz.
254. Omtrent Palamedea, Brehm’s „Thierleben”, Bd. IV, blz. 740. Zie ook
omtrent dezen vogel Azara, „Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome IV,
1809, blz. 179, 253.
[84] Zie omtrent onzen kievit den heer R. Garr in „Land and Water”, 8
Aug. 1868, blz. 46. Ten opzichte van Lobivanellus, zie Jerdon’s „Birds
of India”, vol. III, blz. 647, en Gould’s „Handbook of Birds of
Australia”, vol. II. blz. 220. Omtrent den Hoplopterus, zie den heer
Allen in de „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 156.
[85] Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 492: vol. I, blz.
4–13.
[86] De heer Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 212.
[87] Richardson, over Tetrao umbellus, „Fauna Bor. Amer.: Birds”, 1831,
blz. 843. L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 22, 79, over den
grooten auerhaan en korhaan. Brehm verzekert echter („Thierleben” enz,
Bd. IV, blz. 352), dat in Duitschland de korhennen gewoonlijk het
balzen der korhanen niet bijwonen, maar dit is een uitzondering op den
algemeenen regel; mogelijk liggen de hennen in het omliggende
kreupelhout verborgen, zooals men weet, dat het geval is met de
korhennen in Skandinavië en met andere soorten in N.-Amerika.
[88] „Ornithological Biography”, vol. II, blz. 275.
[89] Brehm, „Thierleben” enz., Bd. IV. 1867, blz. 990. Audubon,
„Ornith. Biography” vol. II, blz. 492.
[90] „Land and Water”, 25 Juli, 1868, blz. 14.
[91] Audubon’s „Ornitholog. Biography”; omtrent Tetrao cupido, vol. II
blz. 492; omtrent den spreeuw, vol. II, blz. 219.
[92] „Ornithological Biograph.”, vol. V, blz. 601.
[93] The Hon. Daines Barrington, „Philosoph. Transact.”, 1773, blz.
252.
[94] „Ornithological Dictionary”, 1883, blz. 472.
[95] „Naturgeschichte der Stubenvögel”, 1840, blz. 4. De heer Harrison
Weir schrijft mij eveneens: ——„Men heeft mij medegedeeld, dat de
mannetjes die het best zingen, over het algemeen het eerst een gezellin
krijgen, als zij op de zelfde plaats worden opgekweekt.”
[96] „Philosophical Transactions”, 1773, blz. 263. White’s „Natural
History of Selborne”, vol. I, 1825, blz. 246.
[97] „Naturges. der Stubenvögel”, 1840, blz. 252.
[98] De heer Bold, „Zoologist”, 1843–44, blz. 559.
[99] D. Barrington, „Phil. Transact.”, 1773, blz. 262. Bechstein,
„Stubenvögel”, 1840, blz. 4.
[100] Dit is ook het geval met den waterspreeuw, zie den heer Hepburn
in de „Zoologist”, 1845–1846, blz. 1028.
[101] L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 25.
[102] Barrington, ibid., blz. 264; Bechstein, ibid., blz. 5.
[103] Dureau de la Malle geeft een merkwaardig voorbeeld („Annales des
Sc. Nat.”, 3ième série, Zoolog., tome X, blz. 118) van eenige wilde
merels of zwarte lijsters in zijn tuin te Parijs, die zich zelven van
een in een kooi opgesloten vogel een republikeinsch deuntje leerden.
[104] Bishop in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz.
1496.
[105] Aangehaald in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 362.
[106] Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz.
308–310. Zie ook den heer T. W. Wood in de „Student”, April, 1870, blz.
125.
[107] Zie opmerkingen hieromtrent in Gould’s „Introduction to the
Trochilidae”, 1861, blz. 22.
[108] „The Sportsman and Naturalist in Canada”, door Majoor W. Ross
King; 1886, blz. 144–146. De heer T. W. Wood geeft in de „Student”
(April 1870, blz. 116) een uitnemend verhaal van de houding en de
gewoonten van dezen vogel, gedurende den tijd, dat hij zijn hof maakt
aan het wijfje. Hij getuigt, dat de vederbossen aan de ooren of
nekvederen rechtop worden gezet, zoodat zij elkander over de kruin van
den kop heên raken.
[109] Richardson, „Fauna Bor. Americana: Birds”, 1831, blz. 359.
Audubon, ibid, vol. IV, blz. 507.
[110] De volgende verhandelingen zijn in de laatste jaren over dit
onderwerp geschreven:—Prof. A. Newton in de „Ibis”, 1862, blz. 107; Dr.
Cullen, ibid., 1865, blz. 145; de heer Flower in „Proc. Zoolog. Soc.”,
1865, blz. 747; en Dr. Murrie in „Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 471. In
deze laatste verhandeling is een uitnemende afbeelding gegeven van het
mannetje van de Australische trapgans, in volle pracht pronkende met
uitgezetten zak.
[111] Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 284;
Wallace, in „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 206. Een nieuwe soort, met
nog een grooter halsaanhangsel (C. penduliger) is voor korten tijd
ontdekt, zie „Ibis”, vol. I, blz. 447.
[112] Bishop, in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz.
1499.
[113] De lepelaar (Platalea) heeft een in den vorm van een 8 omgebogen
luchtpijp, en toch is deze vogel (Jerdon, „Birds of India”, vol. III,
blz. 763) stom; doch de heer Blyth meldt mij, dat de buigingen niet
standvastig (constant) aanwezig zijn, zoodat zij tegenwoordig wellicht
bezig zijn met te verdwijnen.
[114] „Elements of Comp. Anat.” door R. Wagner, Eng. vertaling, 1845,
blz. 111. Omtrent het boven van de zwaan medegedeelde, Yarrell’s „Hist.
of British Birds”, 2nd. edit., 1845, vol. III, blz. 193.
[115] C. L. Bonaparte, aangehaald in de „Naturalist Library: Birds”,
vol. XIV, blz. 126.
[116] L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz. 22, 81.
[117] Jenner, „Philosoph. Transactions”, 1824, blz. 20.
[118] Zie omtrent de voorgaande onderscheidene feiten: over
Paradijsvogels, Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325. Over
Boschhoenders, Richardson, „Fauna Bor. Americ.: Birds”, blz. 343 en
359; Majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 156;
Audubon, „American Ornitholog. Biograph.”, vol. I, blz. 216. Over den
Kalij-fazant, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 533. Over de
Wevervogels, „Livingstone’s Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 425.
Over Spechten, Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. III, 1840,
blz. 84, 88, 89 en 95. Over den Hop, den heer Swinhoe, in „Proc.
Zoolog. Soc.”, 23 Juni, 1863. Over de Nachtzwaluw, Audubon, ibid., vol.
II, blz. 155. De Engelsche Nachtzwaluw maakt in de lente gedurende haar
snelle vlucht ook een merkwaardig geluid.
[119] Zie de belangwekkende verhandeling van den heer Meves in „Proc.
Zoolog. Soc.”, 1858, blz. 169. Omtrent de gewoonten van de snip,
Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. IV, blz. 371. Omtrent de
Amerikaansche snip, Kapitein Blakiston, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 131.
[120] De heer Salvin in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867, blz. 160. Ik ben
aan deze uitmuntende vogelkenners veel dank verschuldigd wegens de
toezending van schetsteekeningen van de vederen van Chamaepetes en
wegens andere inlichtingen.
[121] Jerdon, „Birds of India”, vol. VI, blz. 118, 62.
[122] Gould, „Introduction to the Trochilidae”, 1861, blz. 49. Salvin,
„Proc. Zoolog Soc.”, 1867, blz. 160.
[123] Sclater, in „Proc. Zool. Soc.”, 1860, blz. 90, en in „Ibis”, vol.
IV, 1862, blz. 175. Ook Salvin, in „Ibis”, 1860, blz. 37.
[124] „The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867, blz. 203.