leden van de zelfde vereeniging op algemeene wijze te helpen, maar
veelvuldiger om zekere bepaalde handelingen te verrichten. De mensch
wordt aangedreven door den zelfden algemeenen wensch om zijn
medemenschen te helpen, maar heeft weinig of geen bijzondere
instinkten. Hij verschilt ook van de lagere dieren, doordat hij in
staat is zijn begeerten uit te drukken met woorden die zoo naar de
gevraagde en verleende hulp heênvoeren. De beweegreden om hulp te
verleenen is ook eenigszins gewijzigd bij den mensch; zij bestaat niet
langer alleen uit een blinde instinktmatige aandrift, maar de lof of
afkeuring zijner medemenschen heeft daarop grooten invloed. Zoowel het
waarde hechten aan lof of afkeuring als het betuigen daarvan berust op
medegevoel, en deze aandoening is, gelijk wij hebben gezien, een der
belangrijkste elementen van de sociale instinkten. Hoewel het
medegevoel als een instinkt wordt verkregen, wordt het toch door
oefening veel versterkt. Daar alle menschen hun eigen geluk verlangen,
wordt lof of afkeuring over daden en beweegredenen betuigd, al naar zij
tot dit doel leiden of niet; en daar geluk een wezenlijk deel uitmaakt
van het algemeen welzijn, dient het beginsel van het grootste geluk
indirect als een omtrent juiste maatstaf van recht en onrecht. Naarmate
de redeneerende vermogens vooruitgaan en ondervinding wordt verkregen,
worden de meer verwijderde uitwerkselen van zekere gedragslijnen op het
karakter van het individu en op het algemeen welzijn begrepen; en dan
worden de op het individu zelf betrekking hebbende deugden, omdat zij
nu binnen het bereik der publieke opinie komen, geprezen en de
tegenovergestelde eigenschappen afgekeurd. Doch bij de minder
beschaafde volken geraakt de rede dikwijls op een dwaalspoor, en worden
vele slechte gewoonten en lage bijgeloovigheden op de zelfde wijze
beschouwd en derhalve als hooge deugden vereerd en de overtreding er
van voor een zware misdaad gehouden.
De zedelijke vermogens worden algemeen, en terecht, als van hooger
waarde dan de verstandelijke vermogens beschouwd. Wij behooren echter
steeds te bedenken, dat de werkzaamheid van den geest in het levendig
terugroepen van vroegere indrukken een der fundamenteele, hoewel
secundaire grondslagen van het geweten is. Dit feit levert den
sterksten bewijsgrond, dat men de verstandelijke vermogens van elk
menschelijk wezen op alle mogelijke wijzen behoort aan te kweeken en op
te wekken. Ongetwijfeld zal een mensch met een tragen geest, indien
zijn sociale neigingen en medegevoel goed zijn ontwikkeld, tot goede
handelingen worden geleid, en kan hij een tamelijk gevoelig geweten
hebben. Al wat echter de verbeeldingskracht van den mensch levendiger
maakt en de gewoonte om vroegere indrukken terug te roepen en te
vergelijken, versterkt, zal het geweten gevoeliger maken, en kan zelfs
tot op zekere hoogte zwakke sociale neigingen en medegevoel vergoeden.
De zedelijke natuur van den mensch is opgeklommen tot den hoogsten tot
dusverre bereikten graad, gedeeltelijk door den vooruitgang der
redeneerende vermogens en bij gevolg van een rechtvaardige publieke
opinie, maar vooral doordat het medegevoel teederder en in wijderen
kring werd verspreid door de uitwerkselen van gewoonte, voorbeeld,
onderwijs en nadenken. Het is niet onwaarschijnlijk, dat deugdzame
neigingen door lange uitoefening erfelijk kunnen worden. Bij de meer
beschaafde rassen heeft de overtuiging van het bestaan van een alziende
Godheid een machtigen invloed op den vooruitgang der zedelijkheid
gehad. Ten laatste neemt de mensch niet langer den lof of de afkeuring
zijner medemenschen als zijn voornaamsten gids aan, hoewel weinigen aan
den invloed daarvan ontsnappen, maar bieden hem zijn gewone
overtuigingen, onder toezicht van de rede, zijn veiligsten regel aan.
Zijn geweten wordt dan zijn opperste rechter en vermaner. Desniettemin
ligt de eerste grond of oorsprong van het zedelijk gevoel in de sociale
instinkten, met insluiting van het medegevoel, en deze instinkten
werden ongetwijfeld oorspronkelijk, evenals in het geval der lagere
dieren, verkregen door natuurlijke teeltkeus.
Het geloof in God is dikwijls niet alleen als het grootste, maar als
het volkomenste van alle verschillen tusschen den mensch en de lagere
dieren voorgesteld. Het is echter onmogelijk, gelijk wij hebben gezien,
om vol te houden, dat dit geloof bij den mensch aangeboren of
instinktmatig is. Daarentegen schijnt het geloof aan in alles
verspreide geestelijke invloeden algemeen te zijn, en schijnt het
gevolg te zijn van een aanmerkelijken vooruitgang in de redeneerende
vermogens van den mensch en van een nog grooter vooruitgang in zijn
vermogens van verbeelding, nieuwsgierigheid en verwondering. Ik weet
zeer goed, dat het vermeende instinktmatige geloof aan God door vele
personen is gebruikt als een bewijsgrond voor Zijn bestaan. Dit is
echter een overijlde bewijsgrond, daar wij dan ook gedwongen zouden
zijn in het bestaan te gelooven van vele wreede en kwaadwillige geesten
die slechts een weinig meer macht dan de mensch bezitten; want het
geloof in hen is veel algemeener dan dat in een weldoende Godheid. Het
denkbeeld van een algemeen en weldoend Schepper van het Heelal schijnt
niet in den geest van den mensch op te komen, totdat hij door een lang
voortgezette beschaving is opgeheven.
Hij die gelooft, dat de mensch zich uit den eenen of anderen laag
georganiseerden vorm heeft ontwikkeld, zal natuurlijk vragen welken
invloed dit heeft op het geloof aan de onsterfelijkheid van de ziel. De
barbaarsche menschenrassen bezitten, gelijk Sir J. Lubbock heeft
aangetoond, geen duidelijk geloof van deze soort; maar bewijsgronden,
aan de oorspronkelijke godsdienstige meeningen van wilden ontleend,
zijn, gelijk wij juist hebben gezien, van weinig of geen nut. Weinige
menschen gevoelen eenige bezorgdheid wegens de onmogelijkheid om
nauwkeurig te bepalen, op welk tijdstip in de ontwikkeling van het
individu, van het eerste spoor van het kleine kiemblaasje af tot het
kind, hetzij voor of na de geboorte toe, de mensch een onsterfelijk
wezen wordt; en er is geen grooter reden tot bezorgdheid, omdat het
juiste tijdstip in de trapsgewijze opklimmende reeks der organismen bij
geen mogelijkheid kan worden bepaald. [525] (3)
Ik weet wel, dat de besluiten waartoe wij in dit werk zijn gekomen,
door sommigen van groote ongodsdienstigheid zullen worden beschuldigd;
maar hij, die hen daarvan beschuldigt, is verplicht aan te toonen,
waarom het ongodsdienstiger is om den oorsprong van den mensch als een
afzonderlijke soort door afstamming uit den eenen of anderen lageren
vorm te verklaren door de wetten van afwijking (variatie) en
natuurlijke teeltkeus, dan om de geboorte van het individu door de
wetten van de gewone voortplanting te verklaren. De geboorte zoowel van
de soort als van het individu zijn gelijkelijk deelen van die groote
aaneenschakeling van gebeurtenissen die onze geest weigert als gevolgen
van een blind toeval aan te nemen. Het verstand verzet zich tegen een
dergelijk besluit, hetzij wij in staat zijn om te gelooven, dat elke
geringe afwijking (variatie) in maaksel,—de vereeniging van elk paar in
het huwelijk,—de verspreiding van elken zaadkorrel,—en andere
dergelijke gebeurtenissen alleen met het eene of andere bijzondere doel
zijn verordend, of niet.
De seksueele teeltkeus is in dit werk zeer uitvoerig behandeld; want
zij heeft, gelijk ik heb trachten aan te toonen, een belangrijke rol
gespeeld in de geschiedenis der organische wereld. Daar aan het slot
van elk hoofdstuk overzichten zijn gegeven, zou het overbodig zijn hier
een uitvoerig overzicht te geven. Ik weet zeer goed, dat veel
twijfelachtig blijft; maar ik heb een helder inzicht in de geheele zaak
trachten te geven. In de lagere afdeelingen van het Dierenrijk schijnt
de seksueele teeltkeus niets te hebben gedaan, dergelijke dieren zijn
dikwijls levenslang op de zelfde plaats bevestigd, of hebben de beide
seksen in het zelfde individu vereenigd, of, wat nog belangrijker is,
hun waarnemende en verstandelijke vermogens zijn niet hoog genoeg
ontwikkeld om de gevoelens van liefde of ijverzucht, of het uitoefenen
van een keus toe te laten. Als wij echter tot de Gelede Dieren
(Arthropoda) en Gewervelde Dieren (Vertebrata) komen, heeft de
seksueele teeltkeus, zelfs op de laagste Klassen in deze twee groote
Onder Rijken, grooten invloed uitgeoefend; en het verdient opmerking,
dat wij hier de verstandelijke vermogens, hoewel in twee zeer
uiteenloopende richtingen, tot den hoogsten standaard ontwikkeld
vinden, namelijk bij de Vliesvleugelige Insekten (mieren, bijen, enz)
onder de Gelede Dieren en bij de Zoogdieren waartoe de mensch behoort,
onder de Gewervelde Dieren.
Bij de meest verschillende Klassen van het dierenrijk, bij Zoogdieren,
Vogels, Reptielen, Visschen, Insekten en zelfs Schaaldieren, volgen de
verschillen tusschen de seksen bijna volkomen de zelfde regels. De
mannetjes zijn bijna altijd de hofmakers, en zij alleen zijn gewapend
met bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te vechten. Zij zijn
over het algemeen sterker en grooter dan de wijfjes, en zijn begaafd
met de vereischte hoedanigheden van moed en strijdlustigheid. Zij zijn,
hetzij uitsluitend of in veel hooger mate dan de wijfjes van organen om
vocale of instrumentale muziek voort te brengen en van riekende stoffen
afscheidende klieren voorzien. Zij zijn met oneindig verscheiden
aanhangsels en met de schitterendste of opzichtigste, dikwijls volgens
bevallige patronen gerangschikte kleuren versierd, terwijl de wijfjes
onversierd zijn gelaten. Als de seksen in meer belangrijke organen
verschillen, is het het mannetje, dat met bijzondere zintuigen om het
wijfje te ontdekken, met bewegingsorganen om haar te bereiken, met
grijporganen om haar vast te houden, is voorzien. Deze onderscheidene
deelen om het wijfje te vermeesteren of te bekoren, zijn dikwijls bij
het mannetje alleen gedurende een deel van het jaar, namelijk gedurende
den paartijd, ontwikkeld. Zij zijn in vele gevallen in meerdere of
mindere mate op de wijfjes overgeplant; en in het laatste geval
vertoonen zij zich bij haar als eenvoudige rudimenten. Zij worden door
de mannetjes na ontmanning verloren. Over het algemeen komen zij bij
het mannetje niet gedurende de vroege jeugd tot ontwikkeling, maar
ontwikkelen zich slechts korten tijd vóór den leeftijd waarop hij in
staat wordt zich voort te planten. Vandaar gelijken de jongen van beide
seksen in de meeste gevallen op elkander, en de wijfjes gelijken
levenslang op haar kroost. In bijna elke groote Klasse komen eenige
weinige afwijkende gevallen voor, waarin er een bijna volkomen
omkeering der aan de beide seksen eigen kenmerken plaats heeft gehad,
daar de wijfjes kenmerken hebben aangenomen, die eigenlijk aan de
mannetjes toekomen. Deze verwonderlijke eenvormigheid in de wetten die
de verschillen tusschen de seksen in zoovele en zoozeer verschillende
Klassen regelen, wordt verklaarbaar, indien wij aannemen, dat door al
de hoogere afdeelingen van het Dierenrijk ééne gemeenschappelijke
oorzaak heeft gewerkt, namelijk seksueele teeltkeus.
De seksueele teeltkeus hangt af van het beter slagen van zekere
individu’s dan van andere van de zelfde sekse met betrekking tot de
voortplanting van de soort, terwijl de natuurlijke teeltkeus afhangt
van het slagen van beide seksen op alle leeftijden, met betrekking tot
de algemeene levensvoorwaarden. De seksueele strijd is van tweeërlei
soort; de eene is een strijd tusschen de individu’s van de zelfde, en
wel over het algemeen de mannelijke sekse om hun medeminnaars weg te
jagen of te dooden, waarbij de wijfjes passief blijven; terwijl de
andere ook een strijd is tusschen de individu’s van de zelfde sekse,
maar ten doel heeft om die van de tegenovergestelde, gewoonlijk de
vrouwelijke sekse op te wekken en te bekoren; deze laatste blijven dan
niet langer passief, maar kiezen de aangenaamste gezellen voor de
voortteling uit. Deze laatste soort van teeltkeus heeft een zeer groote
overeenkomst met die welke de mensch onbewust, maar toch op werkdadige
wijze op zijn tamme dieren toepast, als hij gedurende een langen tijd
de hem het meest behagende of nuttigste individu’s voor de voortteling
uitkiest, zonder eenigen wensch om het ras te wijzigen.
De wetten der erfelijkheid bepalen, of kenmerken, door ééne van beide
seksen door seksueele teeltkeus verworven, alleen op die zelfde sekse,
dan wel op beide seksen zullen worden overgeplant, en ook den leeftijd
waarop zij tot ontwikkeling zullen komen. Het schijnt, dat afwijkingen
die laat in het leven ontstaan, over het algemeen op één en de zelfde
sekse worden overgeplant. Veranderlijkheid is de noodzakelijke
grondslag voor de werking der teeltkeus en daarvan volkomen
onafhankelijk. Het volgt hieruit, dat afwijkingen van den zelfden
algemeenen aard dikwerf met voordeel zijn gebruikt en opeengehoopt door
de seksueele teeltkeus met betrekking tot de voortplanting van de soort
en door de natuurlijke teeltkeus met betrekking tot de algemeene
doeleinden van het leven. Vandaar kunnen secundaire seksueele
kenmerken, wanneer zij op beide seksen gelijkelijk zijn overgeplant,
alleen door het licht der analogie van gewone soortskenmerken worden
onderscheiden. De door seksueele teeltkeus verkregen wijzigingen zijn
dikwijls zoo sterk uitgedrukt, dat de beide seksen dikwijls als
verschillende soorten, ja zelfs als verschillende geslachten zijn
gerangschikt. Dergelijke sterk uitgedrukte verschillen moeten op de
eene of andere wijze hoogst belangrijk zijn; en wij weten, dat zij in
sommige gevallen zijn verkregen ten koste niet alleen van ongemak maar
zelfs van blootstelling aan werkelijk gevaar.
Het geloof in het vermogen der seksueele teeltkeus steunt hoofdzakelijk
op de volgende overwegingen. De kenmerken van welke wij de meeste reden
hebben om te veronderstellen, dat zij op die wijze zijn verkregen, zijn
tot ééne sekse beperkt; en dit maakt het op zich zelf reeds
waarschijnlijk, dat zij op de eene of andere wijze met de
voortplantingshandeling in verband staan. Deze kenmerken komen in
tallooze gevallen eerst op volwassen leeftijd tot volkomen
ontwikkeling, en dikwijls alleen gedurende een deel van het jaar, dat
altijd de paartijd is. De mannetjes gedragen zich (op eenige weinige
exceptioneele gevallen na) het meest actief bij de vrijage; zij zijn
het best gewapend en op alle wijzen het aantrekkelijkst gemaakt.
Bijzondere opmerking verdient, dat de mannetjes met de uiterste
zorgvuldigheid hun aantrekkelijkheden in tegenwoordigheid der wijfjes
ten toon spreiden, en dat zij er zelden of nooit mede pronken, behalve
in het jaargetijde der liefde. Het is niet te gelooven, dat al dit
pronken doelloos zou zijn. Eindelijk hebben wij bij sommige viervoetige
dieren en vogels afzonderlijke bewijzen, dat individu’s van de eene
sekse vatbaar zijn om een sterken tegenzin of voorkeur jegens zekere
individu’s van de andere sekse te gevoelen.
Wanneer ik deze feiten bedenk en de sterke uitwerkselen van ’s menschen
onbewuste teeltkeus niet vergeet, schijnt het mij bijna zeker, dat,
indien de individu’s van de eene sekse er gedurende een lange reeks van
generatiën de voorkeur aan gaven om met zekere individu’s van de andere
sekse, die op de eene of andere bijzondere wijze waren gekenmerkt, te
paren, hun nakomelingschap langzaam maar zeker op die zelfde wijze zou
worden gewijzigd. Ik heb niet trachten te verbergen, dat het,
uitgezonderd wanneer de mannetjes talrijker zijn dan de wijfjes, of
wanneer de veelwijverij (polygamie) heerscht, twijfelachtig is, hoe de
aantrekkelijkste mannetjes er in slaagden om een grooter aantal
nakomelingen na te laten, die hun meerdere voortreffelijkheid in
versiering of andere bekoorlijkheden erfden dan de minder
aantrekkelijke mannetjes; doch ik heb aangetoond, dat dit
waarschijnlijk het gevolg zou zijn, wanneer de wijfjes—vooral de
krachtigste wijfjes die het eerst tot de paring zouden komen, de
voorkeur gaven niet alleen aan de aantrekkelijkste, maar tegelijkertijd
aan de krachtigste en zegepralende mannetjes.
Hoewel wij eenige stellige bewijzen hebben, dat vogels levendig
gekleurde en schoone voorwerpen op prijs stellen, gelijk bij voorbeeld
de Priëelvogels van Australië, en hoewel zij zeker het zangvermogen
waardeeren, geef ik toch volkomen toe, dat het een verbazingwekkend
feit is, dat de wijfjes van vele Vogels en sommige Zoogdieren met
genoegzamen smaak zouden zijn begiftigd voor hetgeen door de seksueele
teeltkeus schijnt te zijn bewerkstelligd; en dit is zelfs nog
verbazingwekkender in het geval van Reptielen, Visschen en Insekten.
Wij weten echter wezenlijk weinig omtrent de geestvermogens der lagere
dieren. Men kan niet veronderstellen, dat mannelijke Paradijsvogels of
Pauwen, bij voorbeeld, zich zonder doel zooveel moeite zouden geven om
hun fraaie siervederen in tegenwoordigheid der wijfjes op te zetten,
uit te spreiden en te doen trillen. Wij moeten denken aan het in een
vorig hoofdstuk op autoriteit van een uitnemend betrouwbaar persoon
medegedeelde feit, dat namelijk verscheidene pauwinnen, van een door
haar bewonderden pauw gescheiden zijnde, liever gedurende een geheel
jaargetijde weduwe bleven dan met een anderen pauw te paren.
Desniettemin ken ik in de natuurlijke geschiedenis geen verwonderlijker
feit dan dat de vrouwelijke Argus-fazant in staat zou zijn de
uitgezochte schakeering der bal-en-holte versiersels en de bevallige
patronen van de vleugelslagpennen van het mannetje te waardeeren. Hij
die denkt, dat het mannetje werd geschapen zooals het nu bestaat, moet
toegeven, dat de groote siervederen die de vleugels beletten om tot
vliegen te worden gebruikt, en die, evenals de primaire slagpennen,
gedurende de vrijage en op geen anderen tijd op een uitsluitend aan
deze ééne soort eigen wijze worden tentoongesteld, hem tot versiering
werden gegeven. Zoo ja, dan moet hij ook aannemen, dat het wijfje werd
geschapen en begaafd met het vermogen om dergelijke versierselen te
waardeeren. Ik verschil alleen in de overtuiging, dat de mannelijke
Argus-fazant zijn schoonheid trapsgewijze verkreeg, doordat de wijfjes
gedurende vele generaties aan de sierlijkst uitgedoste mannetjes de
voorkeur hebben gegeven, en dat het aesthetisch gevoel der wijfjes door
oefening of gewoonte is toegenomen op de zelfde wijze als onze eigen
smaak allengs is verbeterd. Bij het mannetje kunnen wij, door het
gelukkige toeval, dat eenige weinige vederen niet zijn gewijzigd,
duidelijk zien, hoe eenvoudige vlekken met een weinig vaalbruine
schaduw aan de eene zijde zich door kleine en trapsgewijze stappen tot
de wondervolle bal-en-holte versierselen zouden kunnen hebben
ontwikkeld; en het is waarschijnlijk, dat zij zich werkelijk op die
wijze hebben ontwikkeld.
Ieder die het beginsel van ontwikkeling (evolutie) aanneemt, en wien
het toch zeer moeilijk valt om aan te nemen, dat vrouwelijke
Zoogdieren, Vogels, Reptielen en Visschen den hoogsten standaard van
smaak zouden kunnen bereiken, die in de schoonheid der mannetjes ligt
opgesloten en die met onzen eigen standaard overeenstemt, moge
bedenken, dat bij elk lid van de reeks der Gewervelde Dieren de
zenuwcellen der hersenen de rechtstreeksche afstammelingen zijn van die
welke door den gemeenschappelijken stamvader van de geheele groep
werden bezeten. Op die wijze wordt het begrijpelijk, dat de hersenen en
geestvermogens onder gelijksoortige omstandigheden voor bijna den
zelfden loop van ontwikkeling, en derhalve ook tot het verrichten van
bijna de zelfde functies vatbaar zouden zijn.
De lezer die de moeite heeft genomen om de onderscheidene aan de
seksueele teeltkeus gewijde hoofdstukken te doorloopen, zal in staat
zijn te beoordeelen, in hoever de besluiten waartoe ik ben gekomen,
door voldoende bewijzen worden gestaafd. Indien hij deze besluiten
toegeeft, mag bij hen, dunkt mij, veilig tot den mensch uitstrekken;
maar het zou overtollig zijn hier te herhalen, wat ik zoo kort geleden
heb gezegd over de wijze waarop de seksueele teeltkeus zoowel op den
man als op de vrouw schijnt te hebben ingewerkt, veroorzakende, dat de
beide seksen van den mensch van elkander naar lichaam en geest
verschillen, en dat onderscheidene rassen in allerlei kenmerken van
elkander en tevens ook van hun oude en laag georganiseerde voorouders
afwijken.
Hij die het beginsel van seksueele teeltkeus aanneemt, zal worden
gebracht tot het opmerkelijke besluit, dat het hersenstelsel niet
alleen de meeste bestaande lichamelijke functies regelt, maar ook
indirect invloed heeft gehad op de trapsgewijze ontwikkeling van
allerlei organen van het lichaam en van sommige geestelijke
hoedanigheden. Moed, strijdlust, volharding, lichaamskracht,
lichaamsgrootte, wapenen van allerlei soort, muziekorganen, zoowel
vocale als instrumentale, levendige kleuren, strepen en teekeningen, en
tot versiering dienende aanhangsels zijn allen indirect verworven door
de eene sekse of door de andere door den invloed van liefde en
ijverzucht, door de waardeering van het schoone in geluid, kleur of
vorm, en door de uitoefening van een keus; en deze vermogens van den
geest hangen blijkbaar af van de ontwikkeling van het hersenstelsel.
De mensch onderzoekt met angstvallige zorg de kenmerken en den stamboom
van zijn paarden, hoornvee en honden, voor hij ze met elkander laat
paren; maar als hij tot zijn eigen huwelijk komt, neemt hij die moeite
zelden of nooit. Hij wordt aangedreven door bijna de zelfde
beweeggronden als de lagere dieren, wanneer zij aan hun eigen vrije
keus zijn overgelaten, hoewel hij in zoover boven hen staat, dat hij
geestelijke bekoorlijkheden en deugden hoog waardeert. Van den anderen
kant wordt hij sterk aangetrokken door blooten rijkdom en rang. Toch
zou hij door teeltkeus iets kunnen doen, niet alleen voor het
lichaamsgestel en het uiterlijk zijner nakomelingen, maar ook voor hun
verstandelijke en zedelijke hoedanigheden. Beide seksen behooren zich
van het huwelijk te onthouden, indien zij op eenigszins aanmerkelijke
wijze naar lichaam of geest minder goed zijn bedeeld; maar dergelijke
verwachtingen zijn utopieën en zullen nooit, zelfs ook maar
gedeeltelijk, worden verwezenlijkt, zoolang de wetten der erfelijkheid
niet grondig bekend zijn. Allen maken zich verdienstelijk, welke dit
doel helpen bevorderen. Als de beginselen van de teelt en van de
erfelijkheid beter worden begrepen, zullen wij geen onwetende leden van
onze wetgevende macht meer met verachting een plan hooren verwerpen om
door een gemakkelijke methode met zekerheid uit te maken, of huwelijken
tusschen bloedverwanten al dan niet nadeelig voor den mensch zijn.
De bevordering van het welzijn van de menschheid is een hoogst
ingewikkeld vraagstuk: allen behooren zich van het huwelijk te
onthouden, die voor hun kinderen niet aan rampzalige armoede kunnen
ontkomen; want armoede is niet slechts een groot kwaad, maar heeft een
neiging om tot haar eigen vermeerdering bij te dragen, daar zij tot
onbezonnenheid in het huwelijk leidt. Van den anderen kant zullen,
gelijk de heer Galton heeft opgemerkt, indien de voorzichtigen het
huwelijk vermijden, terwijl de onbezonnenen huwen, de minder
voortreffelijke leden der maatschappij er naar streven om betere te
verdringen. De mensch is ongetwijfeld, gelijk elk ander dier, tot zijn
tegenwoordigen hoogen toestand opgeklommen door een strijd om het
bestaan ten gevolge van zijn snelle vermeerdering; en indien hij nog
hooger zal klimmen, moet hij aan een hevigen strijd onderworpen
blijven. Anders zou hij spoedig in traagheid verzinken, en de meer
begaafde menschen zouden in den strijd om het leven niet beter slagen
dan de minder begaafde. Daarom moet onze natuurlijke mate van
vermeerdering, hoewel tot vele en in het oog springende rampen
aanleiding gevende, door geen enkel middel sterk worden verminderd.
Er moet vrije mededinging tusschen alle menschen bestaan; en de meest
bekwame moet niet door wetten of gebruiken worden verhinderd om het
best te slagen en het aanzienlijkste getal nakomelingen groot te
brengen. Hoe belangrijk de strijd om het bestaan ook is geweest en
zelfs nog is, toch zijn er, voor zoover het hoogste deel der
menschelijke natuur aangaat, nog andere meer belangrijke invloeden.
Want de zedelijke vermogens worden, hetzij direct of indirect, veel
meer vooruitgebracht door de uitwerkselen van gewoonte, de redeneerende
vermogens, onderwijs, godsdienst enz., dan door natuurlijke teeltkeus,
hoewel aan de werking van deze laatste kracht de sociale instinkten die
den grondslag opleverden voor de ontwikkeling van het zedelijk gevoel,
veilig mogen worden toegeschreven.