Het verdient bijzondere oplettendheid, dat bij den mensch al de

voorwaarden voor seksueele teeltkeus veel gunstiger waren gedurende een

zeer vroeg tijdvak, toen de mensch nog slechts even tot de menschelijke

waardigheid was opgeklommen, dan gedurende latere tijden. Want hij zal

toen, gelijk wij veilig mogen besluiten, meer door zijn instinktmatige

hartstochten en minder door zorg voor de toekomst of rede zijn geleid.

Hij zal toen niet zoo uiterst losbandig zijn geweest, als vele wilden

nu zijn, en elke man zal zijn vrouw of vrouwen ijverzuchtig hebben

bewaakt. Hij zal toen geen kindermoord hebben uitgeoefend, noch zijn

vrouwen alleen als bruikbare slavinnen gewaardeerd, noch aan haar zijn

verloofd, terwijl zij nog kinderen waren. Wij mogen daaruit afleiden

dat de menschenrassen, voor zoover de seksueele teeltkeus aangaat,

hoofdzakelijk gedurende een zeer verwijderd tijdvak werden

gedifferentieerd; en dit besluit werpt licht op het merkwaardige feit,

dat in het oudste tijdperk waarvan wij tot dusver eenig bericht hebben

verkregen, de menschenrassen er reeds toe waren gekomen om bijna

evenveel of volkomen evenveel van elkander te verschillen, als zij op

den huidigen dag doen.

De meeningen, hier voorgedragen over de rol die de seksueele teeltkeus

in de geschiedenis van den mensch heeft gespeeld, hebben gebrek aan

wetenschappelijke nauwkeurigheid. Hij die de werking van dit beginsel

niet aanneemt in het geval der lagere dieren, zal al wat ik in de

laatste hoofdstukken over den mensch heb gezegd, waarschijnlijk gering

schatten. Wij kunnen niet stellig zeggen, dat dit kenmerk daardoor is

gewijzigd, maar dat niet; echter is aangetoond, dat de menschenrassen

van elkander en van hun naaste verwanten onder de lagere dieren

verschillen in zekere kenmerken die hun van geen dienst zijn voor de

gewone doeleinden van het leven en van welke het uiterst waarschijnlijk

is, dat zij door seksueele teeltkeus zijn gewijzigd. Wij hebben gezien,

dat bij de laagste wilden de menschen van elken stam hun eigen

kenmerkende hoedanigheden,—de gedaante van hun hoofd en gelaat, den

vierkanten vorm van hun jukbeenderen, het vooruitsteken of de platheid

van hun neus, de kleur van hun huid, de lengte van hun hoofdhaar, het

ontbreken van haar op het gelaat en het lichaam, of de aanwezigheid van

een grooten baard en zoo voorts,—bewonderen. Het kon daarom moeilijk

missen, of deze en andere dergelijke punten moesten langzamerhand en

allengs worden overdreven, omdat de machtigste en bekwaamste mannen in

elken stam, die er in moesten slagen het grootste aantal kinderen groot

te brengen, gedurende vele generaties de in de hoogste mate aldus

gekenmerkte en daarom aantrekkelijkste vrouwen voor het huwelijk hebben

uitgezocht. Ik voor mij kom tot het besluit, dat van al de oorzaken die

hebben geleid tot de verschillen in uiterlijk aanzien tusschen de

menschenrassen, en tot op zekere hoogte tusschen den mensch en de

lagere dieren, de seksueele teeltkeus verreweg de werkzaamste is

geweest.

AANTEEKENINGEN.

(1) Evenals de „opeischer” in Drenthe. Men vergelijke het hoogst

interessante stukje van M. M. Cohen Jr., „Een Drenthsche bruiloft ten

platten lande” in den Nieuwen Drenthschen Volksalmanak voor 1884, blz.

241.

(2) Dit kunnen wij Darwin volstrekt niet toegeven; wij zien volstrekt

niet in, waarom de mannen, als zij zich met geweld van hun vrouwen

meester maakten, niet liever de schoonste vrouwen, of de vrouwen die

hun in eenig ander opzicht het aantrekkelijkst toeschenen, zouden

hebben geroofd dan de minder schoone en de minder aantrekkelijke. Wij

houden het zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij een dergelijke

voorkeur toonden.

(3) „Taboe”. Dit woord drukt een betrekking tot de goden of een

uitsluiting van gewone doeleinden, en tevens een bijzondere bestemming

van taboe verklaarde personen, plaatsen of zaken uit. Het hangt met den

godsdienst der Polynesiërs samen en was zoowel op de Sandwich-eilanden,

als op Otaheite, Noukahiva, Nieuw-Zeeland enz. in gebruik. Zoo waren

bij voorbeeld het vleesch van verschillende dieren en bijna alle tot

offeren bestemde zaken taboe ten gebruike van de goden en de mannen; de

vrouwen waren derhalve van het genot er van uitgesloten. Soms werd een

eiland of landstreek taboe verklaard, waarna geen vaartuig of persoon

zich derwaarts mocht begeven. In de Israëlietische paradijslegende

vindt men het zelfde begrip. De vrucht van den boom der kennis des

goeds en des kwaads was taboe ten gebruike van Jahve en daarom mochten

Adam en Eva er niet van eten. Dat een meisje taboe werd verklaard voor

een of ander opperhoofd, beteekent dus, dat zij uitsluitend voor zijn

gebruik werd bestemd, en niemand haar kon huwen, zonder heiligschennis

te begaan. Op het breken van de taboe stond de dood.

(4) Bovenal wordt dit bewezen, doordat die apen die plekken blijkbaar

bewonderen, er mede pronken en bij wijze van groet aan den beschouwer

toedraaien. Zie Darwin’s supplementaire aanteekening, blz. 306.

(5) Vergelijk aant. 2, Deel I, blz. 81.

(6) 1 Cor. XI, 15; hij voegt er echter bij: „omdat het lang hair voor

een decksel haer is gegeven”, en zegt ook (ibid., vers 14): „dat soo

een man langh hair draeght, het hem oneere is.”

(7) Of dit ook bij alle vroegere volken zoo is geweest, schijnt min of

twijfelachtig. Op de oude Egyptische monumenten (en, naar men verzekert

ook op de bouwvallen van Yucatan en Chiapas) zijn de mannen standvastig

bruin of rood, de vrouwen geel gekleurd. Waarschijnlijk moet dit echter

op een andere wijze worden verklaard, dan door een werkelijk verschil

in kleur tusschen de beide seksen bij de oude Egyptenaren en

Amerikanen.

(8) Emil Decker, een Duitscher, die langen tijd verblijf hield in

Noord-Amerika, meent, dat het roode ras dat zich in de streken van het

Alleghany-gebergte heeft gevormd, daar vooral door de kleur der

omgeving de gele kleur zijner stamouders heeft verloren. Alles is daar

rood; roodbruin is er het ijzerhoudend zand en de ijzerhoudende leem;

roodbruin de stammen der pijnboomen, ceders en eiken; rood of roodbruin

de herten, vossen en konijnen.

Voor een volk dat van de jacht moest leven, was het een voordeel de

zelfde kleur te bezitten om meer ongemerkt het wild te kunnen naderen

en veiliger te zijn voor roofdieren.

Volgens deze onderstelling zou de roode kleur der inboorlingen van

Amerika dus een aanpassing zijn aan de kleur der omgeving.

Omtrent Afrika merkt Decker ter loops op, dat daar eveneens een zekere

kleurenharmonie in de verschillende voorwerpen valt waar te nemen. Zoo

zijn de gorilla, chimpanzee en groote dikhuidige dieren zwart, evenals

de neger. Omtrent de Maleiers en den orang-oetan had hij een

soortgelijke opmerking kunnen maken. De gele kleur der Chineezen is in

treffende harmonie met den gelen löss-grond, de gele rivieren, gele

planten en dieren. Omtrent de woestijnbewonende Arabieren (en hun

Semitische stamverwanten) zou hij eveneens zulk een opmerking hebben

kunnen maken.

Omtrent het Arische ras merkt R. E. de Haan („Alb. d. Natuur”, 1888,

blz. 38, waar hij een referaat omtrent Decker’s hypothese geeft) op,

dat de blanke kleur geen aanpassing kan zijn aan de witte poolgewesten,

die naar de meest recente meeningen de bakermat van dat ras zouden zijn

geweest.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEEN OVERZICHT EN BESLUIT.

Hoofdbesluit: de mensch stamt af van den eenen of anderen lageren

vorm.—Wijze van ontwikkeling.—Stamboom van den

mensch.—Verstandelijke en zedelijke vermogens.—Seksueele

teeltkeus.—Slotaanmerkingen.

Een kort overzicht zal hier voldoende zijn om den lezer de voornaamste

punten van dit werk opnieuw voor den geest te brengen. Vele der

beschouwingen die zijn gemaakt, zijn in hooge mate bespiegelend

(speculatief), en sommige er van zullen ongetwijfeld blijken onjuist te

zijn; maar ik heb in elk geval de redenen gegeven, die er mij toe

hebben gebracht aan de eene beschouwingswijze de voorkeur te geven

boven de andere. Het scheen mij de moeite waard te beproeven, in hoever

het beginsel van ontwikkeling (evolutie) licht zou werpen op eenige der

meer ingewikkelde vraagstukken in de natuurlijke geschiedenis van den

mensch. Valsche feiten zijn in hooge mate nadeelig voor den vooruitgang

der wetenschap, want men blijft ze soms gedurende langen tijd aannemen;

maar valsche beschouwingen, als zij door eenige bewijzen worden

gesteund, doen weinig schade, daar iedereen er een heilzaam vermaak in

schept om haar valschheid te bewijzen; en als dit is gedaan, is één pad

naar de dwaling gesloten en dikwijls tegelijkertijd de weg naar de

waarheid geopend.

Het hoofdbesluit waartoe ik in dit werk ben gekomen en dat op dit

oogenblik wordt gesteund door vele natuuronderzoekers die zeer bevoegd

zijn om een gezond oordeel te vellen, is, dat de mensch afstamt van den

eenen of anderen minder hoog georganiseerden vorm. De gronden waarop

dit besluit rust, zullen nooit worden geschokt; want de groote

overeenkomst tusschen den mensch en de lagere dieren in embryonale

ontwikkeling, zoowel als in tallooze punten van maaksel en gestel,

zoowel van hoog belang als van den onbeduidendsten aard,—de rudimenten

welke hij heeft behouden, en de abnormale atavismen waaraan hij nu en

dan onderhevig is,—zijn feiten die niet kunnen worden betwist. Zij zijn

lang bekend geweest; maar tot voor korten tijd zeiden zij ons niets ten

opzichte van den oorsprong van den mensch. Tegenwoordig echter, als men

ze beschouwt in het licht van onze kennis van de geheele organische

wereld, is hun beteekenis onmiskenbaar. Het groote beginsel van

ontwikkeling (evolutie) staat helder en vast voor ons, als deze groepen

van feiten worden beschouwd in verband met andere, zooals de

wederkeerige verwantschap van de leden van ééne en de zelfde groep, hun

geographische verspreiding in vroegeren en tegenwoordigen tijd en hun

geologische opeenvolging. Het is ongeloofbaar, dat al deze feiten

onwaarheid zouden spreken. Hij die niet gelijk een wilde tevreden is

met de natuurverschijnselen te beschouwen als in geen verband met

elkander staande, kan geen oogenblik langer gelooven, dat de mensch het

voortbrengsel van een afzonderlijke scheppingshandeling is. Hij zal

genoodzaakt zijn toe te geven, dat de groote gelijkenis tusschen het

embryo van een mensch en dat, bij voorbeeld, van een hond;—het maaksel

van zijn schedel, ledematen en geheele lichaam, onafhankelijk van de

gebruiken waartoe de deelen kunnen worden aangewend, volgens het zelfde

plan als die van andere zoogdieren,—het nu en dan opnieuw verschijnen

van onderscheidene inrichtingen, bij voorbeeld van verscheidene

verschillende spieren die de mensch normaal niet bezit, maar aan de

Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana) gemeen zijn,—en een menigte

overeenkomstige feiten,—allen op de duidelijkste wijze op het besluit

wijzen, dat de mensch met andere zoogdieren de medeafstammeling van een

gemeenschappelijken stamvader is.

Wij hebben gezien, dat de mensch onophoudelijk individueele verschillen

in alle deelen van zijn lichaam en in zijn geestvermogens vertoont.

Deze verschillen of afwijkingen (variaties) schijnen het gevolg te zijn

van de zelfde algemeene oorzaken, en te gehoorzamen aan de zelfde

algemeene wetten als bij de lagere dieren. In beide gevallen heerschen

gelijksoortige wetten van erfelijkheid. De mensch heeft een neiging om

zich in sterker verhouding te vermenigvuldigen dan zijn middelen van

bestaan; bij gevolg is hij nu en dan onderworpen aan een hevigen strijd

om het bestaan (1), en zal de natuurlijke teeltkeus hebben uitgewerkt,

hetgeen binnen de grenzen harer werkzaamheid ligt. Een opeenvolging van

sterk uitgedrukte afwijkingen (variaties) van gelijksoortigen aard is

in geenen deele noodzakelijk; geringe fluctueerende verschillen in het

individu zijn voldoende voor het werk der natuurlijke teeltkeus. Wij

mogen ons overtuigd houden, dat de overgeërfde gevolgen van het lang

voortgezet gebruiken of niet-gebruiken van deelen veel zal hebben

gedaan in de zelfde richting als de natuurlijke teeltkeus. Wijzigingen,

vroeger van belang, hoewel niet langer van eenig bijzonder nut, zullen

nog langen tijd worden overgeërfd. Als één deel is gewijzigd, zullen

andere deelen zich wijzigen volgens het beginsel van correlatieve

monstruositeiten. Ook mag iets worden toegeschreven aan de directe en

bepaalde werking van de omringende levensvoorwaarden, zooals

overvloedig voedsel, hitte of vochtigheid; en eindelijk zijn vele

kenmerken van geringe physiologische belangrijkheid, doch ook sommige

van aanmerkelijke belangrijkheid, door seksueele teeltkeus verkregen.

Ongetwijfeld vertoont de mensch, zoo goed als elk ander dier,

inrichtingen die, voor zoover wij met onze geringe kennis kunnen

oordeelen, hem tegenwoordig van volstrekt geen dienst zijn, en dat ook

niet zijn geweest gedurende eenig vroeger tijdperk van zijn bestaan

hetzij ten opzichte van zijn algemeene levensvoorwaarden of van de

betrekking van de eene sekse tot de andere. Dergelijke inrichtingen

kunnen niet worden verklaard door eenigen vorm van teeltkeus, noch door

de overgeërfde gevolgen van het gebruiken en niet-gebruiken van deelen.

Wij weten echter, dat vele vreemde en sterk uitgedrukte bijzonderheden

van maaksel zich nu en dan bij onze huisdieren vertoonen, en indien de

onbekende oorzaken die ze voortbrengen, er toe kwamen om meer eenvormig

te werken, zouden zij waarschijnlijk gemeen worden aan al de individu’s

van de soort. Wij mogen hopen, dat wij later iets zullen begrijpen van

de oorzaken van dergelijke nu en dan voorkomende wijzigingen,

voornamelijk door de studie van monstruositeiten; daarom is de arbeid

van proefnemende natuuronderzoekers, zooals die van Camille Dareste

(2), vol van belofte voor de toekomst. In het grootste aantal gevallen

kunnen wij alleen zeggen, dat de oorzaak van elke geringe afwijking

(variatie) en van elke monstruositeit veel meer ligt in den aard en het

gestel van het organisme, dan in den aard der omringende

levensvoorwaarden: hoewel nieuwe en veranderde levensvoorwaarden

ongetwijfeld een belangrijk aandeel hebben in het opwekken van

organische veranderingen van allerlei aard.

Door de juist opgenoemde middelen, wellicht geholpen door andere, die

nog niet zijn ontdekt, is de mensch opgeklommen tot zijn tegenwoordigen

toestand. Doch sedert hij den rang van mensch heeft bereikt, heeft hij

zich in onderscheidene rassen, of, gelijk zij nog gepaster kunnen

worden genoemd, onder-soorten (sub-species) gesplitst. Sommige daarvan,

bij voorbeeld de Neger en de Europeeër, verschillen zoozeer van

elkander, dat, indien voorwerpen er van zonder eenige nadere

toelichting aan een natuuronderzoeker waren gebracht, zij ongetwijfeld

door hem als goede en ware soorten zouden zijn beschouwd. Desniettemin

komen alle rassen overeen in zoovele onbelangrijke kleine

bijzonderheden van maaksel en in zoovele geestelijke eigenaardigheden,

dat men deze alleen kan verklaren door overerving van een

gemeenschappelijken stamvader, en een stamvader welke die kenmerken

bezat, zou waarschijnlijk aanspraak hebben mogen maken op den rang van

mensch.

Men mag niet veronderstellen, dat de afscheiding van elk ras van de

andere rassen, en van al de rassen van een gemeenschappelijken stam kan

worden vervolgd, tot men eindelijk op één enkel paar stamouders stuit.

Integendeel zullen op elken trap van het proces van wijziging al de

individu’s die op eenige wijze, hoewel in verschillende mate het best

geschikt waren voor hun levensvoorwaarden, in grooter getal in leven

zijn gebleven dan de minder goed geschikte. Het proces zal het zelfde

zijn geweest als dat hetwelk de mensch volgt, als hij bij de

voortplanting zijner huisdieren niet met voordacht bijzondere

individu’s uitzoekt, maar toch al de uitnemende voor de fokkerij

gebruikt en al de minder uitnemende veronachtzaamt. Hij wijzigt zoo

langzaam, maar zeker, zijn vee en vormt onbewust een nieuw ras. Evenzoo

zal, wat wijzigingen aangaat, onafhankelijk van teeltkeus verkregen, en

die het gevolg zijn van afwijkingen, ontspruitende uit den aard van het

organisme en de werking der omringende levensvoorwaarden of uit een

veranderde levenswijze, één enkel paar niet in veel grooter mate zijn

gewijzigd dan de andere paren die het zelfde land bewoonden; want allen

zullen zich onophoudelijk door vrije kruising met elkander hebben

vermengd.

Als wij het embryologische maaksel van den mensch, de homologieën met

de lagere dieren, die hij vertoont,—de rudimenten die hij heeft

behouden,—en de atavismen waaraan hij onderhevig is, beschouwen, kunnen

wij ons in onze verbeelding den vroegeren toestand onzer voormalige

stamouders gedeeltelijk voorstellen, en kunnen wij bij benadering de

hun toekomende plaats in de reeks van het Dierenrijk aanwijzen. Wij

leeren dan, dat de mensch afstamt van een behaard viervoetig dier,

voorzien van een staart en puntige ooren, waarschijnlijk in de boomen

levende en een bewoner van de Oude Wereld. Dit schepsel zou, indien

zijn geheele maaksel door een natuuronderzoeker was onderzocht, door

dezen tot de Apen of Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana) zijn gebracht,

met evenveel zekerheid als de gemeenschappelijke en nog oudere

stamvader van de Apen der Oude en Nieuwe Wereld. De Vierhandigen

(Quadrumana) en al de hoogere Zoogdieren stammen waarschijnlijk af van

een oud Buideldier, en dit, door een lange lijn van verschillende

vormen, hetzij van een of ander Reptielachtig of een Amphibieachtig

schepsel, en dit op zijn beurt van een of ander Vischachtig dier. In de

dikke duisternis van het verleden kunnen wij zien, dat de voormalige

stamvader van al de Gewervelde Dieren een waterbewonend dier moet zijn

geweest, voorzien van kieuwen, bij hetwelk beide seksen in het zelfde

individu vereenigden de belangrijkste deelen van het lichaam (zooals de

hersenen en het hart) onvolkomen ontwikkeld moeten zijn geweest. Dit

dier schijnt meer overeenkomst te hebben gehad met de larven der nog

bestaande en in zee levende Zakpijpen (Ascidiae) dan met eenigen

anderen bekenden vorm.

De grootste moeilijkheid die zich opdoet, wanneer wij tot bovengenoemd

besluit omtrent den oorsprong van den mensch worden gedreven, is de

hooge standaard van verstandelijke kracht en zedelijken aanleg, dien

hij heeft bereikt. Iedereen die het algemeene beginsel van ontwikkeling

(evolutie) aanneemt, moet echter inzien, dat de geestvermogens der

hoogere dieren, die, wat de hoedanigheid aangaat, de zelfde zijn als

die van den mensch, hoewel zij in hoeveelheid daarvan zooveel

verschillen, voor vooruitgang vatbaar zijn. Zoo is de afstand tusschen

de geestvermogens van een der hoogere apen en die van een visch, of

tusschen die van een mier en die van een schildluis verbazend groot. De

ontwikkeling dier vermogens bij dieren levert geen bijzondere

moeilijkheid op; want bij onze tamme dieren zijn de geestvermogens

ongetwijfeld aan afwijkingen onderhevig, en de afwijkingen worden

overgeërfd. Niemand betwijfelt, dat deze vermogens van het hoogste

belang zijn voor dieren in den natuurstaat. De omstandigheden zijn

derhalve gunstig voor hun ontwikkeling door natuurlijke teeltkeus. Het

zelfde besluit kan tot den mensch worden uitgestrekt; het verstand moet

voor hem uiterst belangrijk zijn geweest, zelfs in een zeer verwijderd

tijdperk, daar het hem in staat stelde de spraak te gebruiken, wapenen,

werktuigen, vallen enz. uit te vinden en te vervaardigen; door welke

middelen, in verbinding met zijn sociale levenswijze, hij lang geleden

het meest heerschende van alle levende schepselen werd.

Een groote stap in de ontwikkeling van het verstand zal zijn gedaan,

zoodra ten gevolge van een voorafgaanden aanmerkelijken vooruitgang de

half als kunst, half als instinkt te beschouwen spraak in gebruik kwam;

want het voortdurende gebruik van de spraak zal op de hersenen hebben

teruggewerkt en een erfelijke uitwerking voortgebracht; en dit zal

weder op den vooruitgang van de taal hebben teruggewerkt. De

aanzienlijke grootte van de hersenen van den mensch, in vergelijking

van die der hoogere dieren, naar verhouding van de grootte hunner

lichamen, kan voornamelijk worden toegeschreven, gelijk de heer

Chauncey Wright terecht heeft opgemerkt [524], aan het vroege gebruik

van den eenen of anderen vorm van taal,—dat wondervolle werktuig dat

aan alle voorwerpen en hoedanigheden teekens toekent, en

aaneenschakelingen van gedachten opwekt, die nimmer zouden zijn

ontstaan ten gevolge van den blooten indruk der zinnen, en, al waren

zij ontstaan, nimmer ten einde toe zouden kunnen zijn vervolgd. De

hoogere verstandelijke vermogens van den mensch, zooals dat van

redeneering, dat om afgetrokken denkbeelden te vormen, de

zelfbewustheid enz. zullen zijn gevolgd uit de voortdurende verbetering

van andere geestvermogens; maar zonder aanmerkelijke veredeling van den

geest, zoowel bij het ras als bij het individu, is het twijfelachtig,

of deze hooge vermogens zouden zijn geoefend en daardoor in

volkomenheid verkregen.

De ontwikkeling der zedelijke vermogens is een belangwekkender en

moeilijker vraagstuk. Hun grond ligt in de sociale instinkten, wanneer

men in deze uitdrukking de familiebanden insluit. Deze instinkten zijn

van een hoogst ingewikkelden aard, en geven in het geval van de lagere

dieren bijzondere neigingen tot zekere bepaalde handelingen; maar voor

ons zijn de belangrijkste elementen liefde en de daarvan te

onderscheiden aandoening van medegevoel. Dieren die met sociale

instinkten zijn begaafd, scheppen behagen in elkanders gezelschap,

waarschuwen elkander voor gevaar, verdedigen en helpen elkander op vele

wijzen. Deze instinkten worden niet tot alle individu’s van de soort,

maar alleen tot die van de zelfde vereeniging uitgestrekt. Daar zij in

hooge mate voordeelig voor de soort zijn, zijn zij waarschijnlijk door

natuurlijke teeltkeus verkregen.

Een zedelijk wezen is een wezen dat in staat is om zijn verleden

handelingen en beweegredenen met zijn toekomstige te vergelijken,—om

sommige goed en andere af te keuren; en het feit, dat de mensch het

eenige wezen is, dat met zekerheid aldus kan worden genoemd, vormt het

grootste van alle verschillen tusschen hem en de lagere dieren. In ons

vierde hoofdstuk heb ik echter trachten aan te toonen, dat het zedelijk

gevoel volgt, ten eerste, uit den duurzamen en altijd tegenwoordigen

aard der sociale instinkten, in welk opzicht de mensch met de lagere

dieren overeenkomt; en ten tweede, uit de groote werkzaamheid van zijn

geestvermogens en de uiterste levendigheid van zijn indrukken van

vroegere gebeurtenissen, in welke opzichten hij van de lagere dieren

verschilt. Ten gevolge van dezen toestand van zijn geest, kan de mensch

zich niet onttrekken aan het in het verleden terugzien en het

vergelijken van de indrukken van vroegere gebeurtenissen en

handelingen. Hij ziet ook voortdurend voorwaarts. Daarom zal hij,

wanneer de eene of andere tijdelijke begeerte of hartstocht zijn

sociale instinkten heeft overmeesterd, nadenken en de op dat oogenblik

verzwakte indrukken van dergelijke vroegere opwellingen met het altijd

tegenwoordige sociale instinkt vergelijken; en hij zal dan dat gevoel

van onvoldaanheid gevoelen, dat alle niet bevredigde instinkten achter

zich laten. Bij gevolg neemt hij het besluit om in de toekomst anders

te handelen,—en dit is geweten. Elk instinkt dat aanhoudend sterker en

duurzamer is, dan een ander, doet een gevoel ontstaan, dat wij

uitdrukken door te zeggen, dat het onze plicht is daaraan te

gehoorzamen. Een staande hond zou, indien hij in staat was over zijn

vroeger gedrag na te denken, tot zich zelf zeggen: het was mijn plicht

geweest (zooals wij inderdaad van hem zeggen) voor dien haas te staan

en niet toe te geven aan de voorbijgaande verzoeking om hem na te

zitten.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 33 / 39 段