wilden staat houdt hij haar in een veel ellendiger staat van
dienstbaarheid dan het mannetje van eenig ander dier doet; het is
daarom niet te verwonderen, dat het de man is, die het vermogen om te
kiezen heeft verkregen. Vrouwen zijn zich overal bewust van de waarde
van haar schoonheid; en als zij de middelen daartoe hebben, scheppen
zij er meer behagen in om zich met allerlei soort van versierselen op
te schikken, dan de mannen. Zij ontleenen aan mannelijke vogels de
siervederen waarmede de natuur deze sekse tooide, om daarmede hun
wijfjes te bekoren. Daar de vrouwen lang wegens haar schoonheid zijn
gekozen, is het niet te verwonderen, dat sommige van de opeenvolgende
afwijkingen op beperkte wijze zijn overgeplant, en dat bijgevolg de
vrouwen haar schoonheid in eenigszins hoogere mate op haar vrouwelijke
dan op haar mannelijke nakomelingschap hebben overgeplant. Daardoor
zijn de vrouwen schooner geworden, gelijk de meeste menschen zullen
toegeven, dan de andere sekse. Vrouwen planten echter ongetwijfeld de
meeste harer kenmerken met insluiting der schoonheid, op haar
nakomelingschap van beiderlei sekse over; zoodat de voortdurende
voorkeur door mannen van elk ras gegeven aan die vrouwen welke volgens
hun maatstaf van smaak de schoonste waren, een neiging zal doen
ontstaan om alle individu’s van beiderlei sekse, tot het ras
behoorende, op de zelfde manier te wijzigen.
Wat den anderen vorm van seksueele teeltkeus aangaat (welke bij de
lagere dieren verreweg de meest algemeene is), die namelijk, waarbij de
wijfjes de kiezers zijn en alleen die mannetjes aannemen, welke haar
het meest bekoren of opwekken, hebben wij alle reden om te gelooven,
dat hij vroeger op de voorouders van den mensch werkte. De man is naar
alle waarschijnlijkheid zijn baard en wellicht eenige andere kenmerken
verschuldigd aan overerving van een ouden voorvader die op deze wijze
zijn versierselen verkreeg. Deze vorm van teeltkeus kan echter nu en
dan ook in latere tijden hebben gewerkt; want bij uiterst barbaarsche
stammen hebben de vrouwen meer macht om haar minnaars te kiezen, te
verwerpen en aan te lokken, of om later van echtgenoot te veranderen,
dan men wellicht zou hebben verwacht. Daar dit een punt van eenig
belang is, zal ik de bewijzen daarvoor, die het mij mocht gelukken te
verzamelen, uitvoerig mededeelen.
Hearne beschrijft, hoe een vrouw in een der stammen van Arctisch
Amerika herhaaldelijk van haar echtgenoot wegliep en zich naar een
geliefden man begaf; en bij de Charrua’s van Zuid-Amerika is, gelijk
Azara getuigt, het recht van echtscheiding volkomen vrij. Als bij de
Abiponen een man een vrouw kiest, komt hij met de ouders aangaande den
prijs overeen. „Het gebeurt echter dikwijls, dat het meisje niets wil
weten van al wat tusschen de ouders en den bruidegom is overeengekomen,
en halsstarrig over het huwelijk zelfs niet wil hooren spreken.” Zij
loopt dikwijls weg, verbergt zich en ontsnapt zoo den bruidegom. Op de
Fidsji-eilanden vermeestert de man de vrouw die hij tot echtgenoot
begeert, door middel van wezenlijk of voorgewend geweld; maar, „indien
zij, na het huis van haar schaker te hebben bereikt, de verbinding niet
goedkeurt, zoekt zij een schuilplaats bij den een of ander die haar kan
beschermen; indien zij echter tevreden is, dan is de zaak dadelijk
klaar.” Kapitein Musters die onder de Patagoniërs leefde, zegt [512],
dat hun huwelijken altijd uit genegenheid worden gesloten; indien de
ouders een echtgenoot kiezen, waarin hun dochter geen zin heeft,
weigert zij hem en wordt nooit gedwongen om toe te geven. Op Vuurland
verkrijgt een jong man eerst de toestemming der ouders door hun den
eenen of anderen dienst te bewijzen, en beproeft daarna het meisje weg
te voeren; „als zij echter onwillig is, verbergt zij zich in de
bosschen, totdat haar bewonderaar van harte moede is naar haar te
zoeken en de vervolging opgeeft; doch dit gebeurt zelden.” Bij de
Kalmukken heeft een geregelde wedloop tusschen de bruid en den
bruidegom plaats, waarbij de eerste een behoorlijk eind voor heeft; en
aan Clarke werd verzekerd, „dat er geen voorbeeld was, dat een meisje
werd ingehaald, tenzij zij zwak voor haar vervolger had.” Evenzoo heeft
bij de wilde stammen van Insulinde een soortgelijke wedloop plaats; en
uit het verhaal van den heer Bouriens blijkt, gelijk Sir J. Lubbock
opmerkt, „dat de prijs voor den wedloop niet wordt behaald door den
vlugste, noch die van het gevecht door den sterkste, maar door den
jongen man die het geluk heeft aan de bruid waarom men wedijvert, te
behagen.” Een soortgelijke gewoonte met het zelfde gevolg heerscht bij
de Korakken [513] van Noordoostelijk Azië.
Laten wij ons nu tot Afrika wenden; de Kaffers koopen hun vrouwen, en
de meisjes worden dikwijls door hun vaders hevig geslagen, als zij den
gekozen echtgenoot niet willen aannemen; toch blijkt zeer duidelijk uit
vele door den weleerw. heer Shooter medegedeelde feiten, dat zij een
aanmerkelijke vrijheid in haar keus hebben. Zoo zijn er voorbeelden
bekend van zeer leelijke, hoewel rijke mannen, die er niet in slagen
konden om vrouwen te krijgen. De meisjes noodzaken, voor zij in de
verloving toestemmen, de mannen om zich te laten bekijken, eerst van
voren en dan van achteren, en „hun wijze van loopen te laten zien.” Er
zijn voorbeelden van, dat zij een man huwelijksvoorstellen deden, en
niet zelden loopen zij met een begunstigden minnaar weg. Evenzoo zegt
ook de heer Lesley [514] die grondig met de Kaffers bekend was: „Men
zou zich vergissen, als men meende, dat een meisje door haar vader op
de zelfde wijze en met het zelfde gezag werd verkocht, waarmede hij
over een koe zou beschikken.” Als bij de ellendige Bosjesmannen van
Zuid-Afrika „een meisje tot huwbaren leeftijd is gekomen zonder
verloofd te zijn, hetgeen echter niet dikwijls gebeurt, moet haar
minnaar evengoed haar toestemming als die van haar ouders verkrijgen.”
[515] De heer Winwood Reade stelde een onderzoek voor mij in omtrent de
Negers van Westelijk Afrika, en hij meldt mij, dat „het aan de vrouwen,
ten minste bij de verstandigste Heidensche stammen, niet moeilijk valt
de echtgenooten te verkrijgen die zij wenschen, hoewel het voor
onvrouwelijk wordt gehouden een man te vragen om haar te huwen. Zij
zijn volkomen in staat om verliefd te worden en om zich teeder,
hartstochtelijk en trouw aan iemand te hechten.” Nog meer voorbeelden
zouden kunnen worden gegeven.
Wij zien dus, dat bij wilden de vrouwen ten opzichte van het huwelijk
niet geheel en al in zulk een rampzaligen toestand verkeeren als men
dikwijls heeft verondersteld. Zij kunnen de mannen aan welke zij de
voorkeur geven, aanlokken, en kunnen somtijds die welke zij niet mogen
lijden, hetzij voor of na het huwelijk verwerpen. Voorkeur van de zijde
van de vrouw, bestendig in de zelfde richting werkende, zal ten laatste
op de kenmerken van den stam invloed uitoefenen; want de vrouwen zullen
over het algemeen niet slechts de schoonste mannen volgens haar
maatstaf van smaak kiezen, maar die welke tevens het best in staat zijn
om haar te verdedigen en te onderhouden. Dergelijke goed begaafde paren
zullen gewoonlijk een aanzienlijker aantal nakomelingen grootbrengen
dan de minder goed begaafde. De zelfde uitwerking zal blijkbaar op nog
sterker uitgesproken wijze worden voortgebracht, indien er van beide
zijden teeltkeus was, dat is, indien de aantrekkelijkste en
tegelijkertijd krachtigste mannen aan de aantrekkelijkste vrouwen, en
ook deze laatsten aan de eersten de voorkeur gaven. En deze twee vormen
van teeltkeus schijnen werkelijk beide, hetzij al dan niet
gelijktijdig, bij het menschelijk geslacht plaats te hebben gegrepen,
vooral gedurende de vroege tijdvakken van onze lange geschiedenis.
Wij zullen nu een weinig uitvoeriger, in verband met de seksueele
teeltkeus, eenige van de kenmerken beschouwen, die de verschillende
menschenrassen van elkander en van de lagere dieren onderscheiden,
namelijk het meer of min volkomen ontbreken van haar op het lichaam en
de kleur der huid. Wij behoeven niets te zeggen over de groote
verscheidenheid in den vorm der gelaatstrekken en van den schedel bij
de verschillende rassen, daar wij in het laatste hoofdstuk hebben
gezien, hoe verschillend de maatstaf der schoonheid in deze opzichten
is. Op deze kenmerken zal daarom waarschijnlijk de seksueele teeltkeus
hebben ingewerkt; maar, zoover ik kan nagaan, hebben wij geen middel om
te beoordeelen, of er voornamelijk van de mannelijke dan wel van de
vrouwelijke zijde is ingewerkt. De muzikale vermogens van den mensch
zijn eveneens besproken.
Het Ontbreken van Haar op het Lichaam en de Ontwikkeling daarvan op het
Aangezicht en het Hoofd.—Uit de aanwezigheid van het wolachtige haar of
lanugo op den menschelijken foetus en van op volwassen leeftijd hier en
daar over het lichaam verspreide rudimentaire haren, mogen wij
afleiden, dat de mensch van het eene of andere dier afstamt, dat
behaard werd geboren en zulks levenslang bleef. Het verlies van het
haar is hinderlijk en waarschijnlijk nadeelig voor den mensch zelfs in
een warm klimaat; want hij wordt daar blootgesteld aan plotselinge
afkoelingen, vooral gedurende vochtig weder. Gelijk de heer Wallace
opmerkt, zijn in alle landen de inboorlingen blijde hun naakte ruggen
en schouders door de eene of andere dunne bekleeding te kunnen
beschermen. Niemand veronderstelt, dat de naaktheid der huid den mensch
eenig direct voordeel aanbrengt, zoodat hij zijn haarkleed niet kan
hebben verloren door natuurlijke teeltkeus. [516] Wij hebben ook
volstrekt geen gronden om aan te nemen, gelijk in een vorig hoofdstuk
is aangetoond, dat dit verlies het gevolg kan zijn van de directe
werking der levensvoorwaarden waaraan de mensch lang is blootgesteld
geweest, of dat het het gevolg van correlatieve ontwikkeling is.
Het ontbreken van haar op het lichaam is tot op zekere hoogte een
secundair seksueel kenmerk; want in alle deelen der wereld zijn de
vrouwen minder harig dan de mannen. Wij mogen derhalve op redelijke
gronden vermoeden, dat het een kenmerk is, hetwelk door seksueele
teeltkeus werd verkregen. Wij weten, dat de aangezichten van
onderscheidene soorten van apen, en groote plekken aan het achtereinde
van het lichaam bij andere soorten, van haar zijn ontbloot; en wij
mogen dit veilig toeschrijven aan seksueele teeltkeus; want deze
plekken zijn niet alleen levendig gekleurd, maar somtijds, gelijk bij
den mannelijken Mandril en den vrouwelijken Rhesus-aap, veel levendiger
bij de eene sekse dan bij de andere. (4) Naarmate deze dieren allengs
tot vollen wasdom komen, nemen de naakte plekken, naar de heer Bartlett
mij heeft medegedeeld, in omvang toe naar verhouding tot de geheele
grootte hunner lichamen. Het haar schijnt echter in deze gevallen niet
te zijn verwijderd ter wille van de naaktheid, maar opdat de kleur der
huid meer volkomen zou kunnen worden ten toon gesteld. Evenzoo zijn ook
bij vele vogels de kop en de hals door seksueele teeltkeus van vederen
ontbloot, opdat de levendig gekleurde huid zou kunnen worden ten toon
gesteld.
Daar de vrouw een minder harig lichaam heeft dan de man, en daar dit
kenmerk aan alle rassen gemeen is, mogen wij besluiten, dat
waarschijnlijk eerst onze vrouwelijke half-menschelijke voorouders hun
haar gedeeltelijk verloren, en dat dit plaats greep in een uiterst
verwijderd tijdvak, vóór de onderscheidene menschenrassen zich uit een
gemeenschappelijken stam in verschillende richtingen hadden ontwikkeld.
Toen onze vrouwelijke voorouders dit nieuwe kenmerk van naaktheid
allengs verkregen, moeten zij het in bijna gelijke mate op hun jong
kroost van beiderlei sekse hebben overgeplant, zoodat de overplanting
daarvan, gelijk met vele versierselen bij zoogdieren en vogels het
geval is, niet is beperkt noch door den leeftijd noch door de sekse. Er
is niets verwonderlijks in, dat een gedeeltelijk verlies van het haar
door de op apen gelijkende voorouders van den mensch als een sieraad is
beschouwd; want wij hebben gezien, dat bij dieren van allerlei soort
tallooze vreemde kenmerken als zoodanig zijn beschouwd en bijgevolg
door seksueele teeltkeus gewijzigd. Het is ook niet te verwonderen, dat
daardoor een eenigermate nadeelig kenmerk zou zijn verkregen; want wij
weten, dat dit het geval is met de siervederen van sommige vogels en
met de horens van sommige herten.
De wijfjes van sommige anthropoïde apen zijn, gelijk in een vorig
hoofdstuk werd vermeld, een weinig minder harig op de ondervlakte van
het lichaam dan de mannetjes, en hier hebben wij een punt dat tot
uitgang voor het proces der ontharing kan hebben gediend. Ten opzichte
van de voleindiging van dit proces door seksueele teeltkeus is het goed
ons het Nieuw-Zeelandsch spreekwoord te herinneren: „Er is geen vrouw
voor een harig man.” Allen die photographieën van de Siameesche harige
familie hebben gezien, zullen toegeven, dat het tegenovergestelde
uiterste van buitengewoon sterke behaardheid, belachelijk en
afgrijselijk leelijk is. De koning van Siam moest zelfs een man door
het geven van geld er toe brengen om de eerste harige vrouw in de
familie te huwen, die dit kenmerk op haar jong kroost van beiderlei
sekse overplantte. [517]
Sommige rassen zijn veel hariger dan andere, vooral aan den mannelijken
kant; maar men mag niet aannemen, dat de harigste rassen, bij voorbeeld
Europeanen, volkomener een oorspronkelijken toestand hebben behouden
dan de naakte rassen, zooals de Kalmukken of de Amerikanen. Het is een
waarschijnlijker meening, dat de harigheid der eersten het gevolg is
van een gedeeltelijk atavisme; want kenmerken die lang zijn overgeërfd,
zijn altijd geneigd om terug te keeren. Een merkwaardig geval is door
Pinel opgeteekend van een idioot, gezonken tot het peil van een
redeloos dier, wiens rug, lendenen en schouders waren bedekt met haar,
van 2,5 tot 5 centimeter lang. Nog eenige dergelijke gevallen zijn
bekend. Het schijnt niet, dat een koud klimaat van invloed is geweest
op en heeft geleid tot deze soort van atavisme; behalve wellicht bij de
negers die gedurende verscheidene generatiën in de Vereenigde Staten
zijn opgegroeid [518], en wellicht bij de Aino’s die de noordelijke
eilanden van den Japanschen archipel bewonen. De wetten der
erfelijkheid zijn echter zoo ingewikkeld, dat wij zelden haar werking
begrijpen. Indien de grootere harigheid van sommige rassen het gevolg
van atavisme was, zonder dat daarop eenige vorm van teeltkeus een
belemmerenden invloed uitoefende, dan zou de uitermate groote
veranderlijkheid (variabiliteit) van dit kenmerk, zelfs binnen de
grenzen van het zelfde ras, ophouden opmerkelijk te zijn.
Wat den baard aangaat, zoo vinden wij, als wij ons tot onze beste
gidsen, namelijk de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana), wenden,
baarden bij vele soorten bij beide seksen even goed ontwikkeld, maar
bij andere, hetzij tot de mannetjes beperkt of bij deze meer ontwikkeld
dan bij de wijfjes. Wegens dit feit en wegens de merkwaardige
rangschikking en ook levendige kleuren van het haar op de koppen van
vele apen, is het hoogst waarschijnlijk, gelijk vroeger is uitgelegd,
dat de mannetjes eerst hun baarden als een versiering door seksueele
teeltkeus verkregen, en ze in de meeste gevallen in gelijke of bijna
gelijke mate op hun nakomelingen van beiderlei seksen overplantten. Wij
weten door Eschricht [519], dat bij den mensch de vrouwelijke foetus
even goed als de mannelijke veel haar op het aangezicht, vooral rondom
den mond bezit; en dit toont aan, dat wij afstammen van voorouders bij
welke beide seksen gebaard waren. Het schijnt daarom op het eerste
gezicht waarschijnlijk, dat de man zijn baard uit een zeer vroeg
tijdperk heeft behouden, terwijl de vrouw haar baard verloor op den
zelfden tijd, toen haar lichaam bijna volkomen van haren werd ontbloot.
Zelfs de kleur van den baard bij den mensch schijnt te zijn overgeërfd
van een op een aap gelijkenden voorvader; want, als er eenig verschil
in tint is tusschen het hoofdhaar en het baardhaar, dan is dit laatste
bij alle apen en bij den mensch lichter gekleurd. Er is minder
onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat de mannen van de gebaarde rassen
hun baarden uit oorspronkelijke tijden hebben behouden, dan in het
geval van het haar op het lichaam; want bij de Vierhandigen
(Quadrumana) bij welke het mannetje een grooteren baard dan het wijfje
heeft, komt deze slechts op volwassen leeftijd tot volkomen
ontwikkeling, en de latere ontwikkelingstrappen kunnen wellicht
uitsluitend op den mensch zijn overgeplant. Wij kunnen dan begrijpen,
waarom onze mannelijke kinderen, gelijk werkelijk het geval is, voordat
zij den volwassen leeftijd bereiken, even ontbloot van baarden zijn als
onze vrouwelijke kinderen. Daarentegen bewijst de groote
veranderlijkheid (variabiliteit) van den baard binnen de grenzen van
het zelfde ras en bij verschillende rassen, dat er atavisme in het spel
moet zijn gekomen. Hoe dit ook moge zijn, wij moeten de rol die de
seksueele teeltkeus zelfs gedurende latere tijden kan hebben gespeeld,
niet voorbijzien; want wij weten, dat bij wilden de mannen van de
baardelooze rassen zich oneindig veel moeite geven om elk haartje op
hun gelaat uit te trekken, als iets onaangenaams, terwijl de mannen van
de gebaarde rassen den grootsten hoogmoed over hun baarden gevoelen. De
vrouwen deelen ongetwijfeld in deze gevoelens, en indien dit zoo is,
kan het moeilijk missen, of de seksueele teeltkeus heeft in den loop
van latere tijden eenigen invloed uitgeoefend. [520] Het is ook
mogelijk, dat de lang voortgezette gewoonte om het haar uit te trekken,
erfelijke gevolgen heeft gehad. Dr. Brown-Séquard heeft aangetoond,
dat, wanneer sommige dieren op een bijzondere wijze worden geopereerd,
hun jongen daardoor worden aangedaan. Nog meer bewijzen zouden kunnen
worden geleverd van de erfelijkheid van de gevolgen van verminkingen;
maar een voor eenige jaren door den heer Salvin [521] ontdekt feit
staat meer rechtstreeks in betrekking tot de onderhavige vraag; want
hij heeft aangetoond, dat bij de motmots van welke men weet, dat zij
gewoon zijn de vlag van de beide middelste staartvederen af te bijten,
de vlag van deze vederen van nature eenigszins kleiner is. [522]
Desniettemin zou bij den mensch de gewoonte van den baard en de haren
op het lichaam uit te trekken, waarschijnlijk niet zijn ontstaan,
wanneer die niet reeds om de eene of andere reden minder waren
geworden.
Het is vrij moeilijk zich er een oordeel over te vormen, hoe het lange
haar op onze hoofden tot ontwikkeling kwam. Eschricht [523] getuigt,
dat bij den menschelijken foetus het haar op het gelaat gedurende de
vijfde maand langer is dan op het hoofd; en dit bewijst, dat onze
half-menschelijke voorouders niet van lange lokken waren voorzien, die
derhalve een laat verworven kenmerk moeten zijn geweest. Dit wordt
eveneens aangetoond door het buitengewone verschil in de lengte van het
haar bij de verschillende rassen; bij den Neger vormt het haar
eenvoudig een gekroesde mat; bij ons is het zeer lang, en bij de
inboorlingen van Amerika reikt het niet zelden tot op den grond. Bij
sommige soorten van Slankapen (Semnopithecus) is de kop met matig lang
haar bedekt, en dit dient waarschijnlijk tot versiering en werd door
seksueele teeltkeus verkregen. De zelfde meening mag tot den mensch
worden uitgebreid; want wij weten, dat lange lokken heden ten dage zeer
worden bewonderd, en zulks ook vroeger werden; de apostel Paulus zegt:
„Soo een vrouwe langh hair draeght, dat het haer een eere is” (6); en
wij hebben gezien, dat in Noord-Amerika iemand alleen wegens de lengte
van zijn haar tot opperhoofd werd gekozen.
Kleur der Huid.—De beste soort van bewijs, dat de kleur der huid door
seksueele teeltkeus is gewijzigd, ontbreekt in het geval van den
mensch; want de seksen verschillen in dit opzicht in het geheel niet,
of slechts weinig en twijfelachtig. (7) Van den anderen kant weten wij
uit vele reeds medegedeelde feiten, dat de kleur der huid door menschen
van alle rassen als een hoogst belangrijk element van hun schoonheid
wordt beschouwd, zoodat het een kenmerk is, dat geschikt zou zijn om
door teeltkeus te worden gewijzigd, gelijk in tallooze voorbeelden bij
de lagere dieren is geschied. Het schijnt op het eerste gezicht een
monsterachtige veronderstelling, dat de gitzwartheid van den neger door
seksueele teeltkeus is verkregen; doch deze meening wordt door
onderscheidene analogieën ondersteund, en wij weten, dat de negers hun
eigen zwartheid bewonderen. Als bij Zoogdieren de seksen in kleur
verschillen, is het mannetje dikwijls zwart of veel donkerder dan het
wijfje; en het hangt eenvoudig van den vorm van erfelijkheid af, of
deze of eenige andere tint op beide seksen of alleen op ééne sekse zal
worden overgeplant. De gelijkenis van den Joden- of Satans-aap
(Pithecia satanas) met zijn gitzwarte huid, witte rollende oogappels en
zijn op de kruin van het hoofd gescheiden haar op een neger in
miniatuur is bijna belachelijk.
De kleur van het gelaat verschilt bij de onderscheidene soorten van
apen veel meer dan bij de menschenrassen; en wij hebben goede reden om
te gelooven, dat de roode, blauwe, oranje, bijna witte en zwarte
kleuren van hun huid, zelfs wanneer zij aan beide seksen gemeen zijn,
en de levendige kleuren van hun pels, zoowel als tot de versiering
strekkende haarbossen aan den kop, allen door seksueele teeltkeus zijn
verkregen. Daar de pasgeboren kinderen van de meest verschillende
rassen lang zooveel niet in kleur verschillen als de volwassenen,
hebben wij eenige geringe aanwijzing, dat de tinten der verschillende
rassen werden verkregen na de verwijdering van het haar, die, gelijk
vroeger is medegedeeld, in een zeer vroeg tijdperk moet hebben plaats
gehad (8).
Overzicht.—Wij mogen besluiten, dat de meerdere grootte, kracht, moed,
strijdlustigheid en zelfs energie van den man, in vergelijking met de
zelfde hoedanigheden van de vrouw, gedurende oorspronkelijke tijden
werden verkregen en later zijn vermeerderd, hoofdzakelijk door de
gevechten tusschen de mannen die wedijverden om het bezit der vrouwen.
De grootere verstandelijke kracht en uitvindende vermogens van den man
zijn waarschijnlijk ontstaan door natuurlijke teeltkeus, verbonden met
de overgeërfde gevolgen van de gewoonte; want de verstandigste mannen
zullen er het best in zijn geslaagd om zich zelven, hun vrouwen en
kinderen te verdedigen en te onderhouden. Zoover de verbazend groote
ingewikkeldheid van het onderwerp ons toelaat te oordeelen, schijnt
het, dat onze mannelijke op apen gelijkende voorouders hun baarden
verkregen als een sieraad om de tegenovergestelde sekse te bekoren en
op te wekken, en hen overplantten op den man, gelijk hij nu bestaat. De
wijfjes werden, naar het schijnt, het eerst op gelijksoortige wijze als
seksueel sieraad van haar ontbloot; maar zij plantten dit kenmerk bijna
gelijkelijk op beide seksen over. Het is niet onwaarschijnlijk dat de
wijfjes ook in andere opzichten met het zelfde doel en door de zelfde
middelen werden gewijzigd, zoodat vrouwen liefelijker stemmen hebben
verkregen en schooner zijn geworden dan de mannen.