Het is duidelijk, dat, zoolang de paring van den mensch, of van eenig

ander dier, aan het toeval wordt overgelaten, zonder dat een der beide

seksen een keus uitoefent, er ook geen seksueele teeltkeus kan zijn, en

er geen invloed op de nakomelingschap kan worden uitgeoefend, doordat

zekere individu’s bij hun vrijage een voordeel over andere hebben. Nu

beweert men, dat er nog op den huidigen dag stammen bestaan, die

uitoefenen, hetgeen Sir J. Lubbock uit hoffelijkheid communale

huwelijken noemt, dat is, dat alle mannen en vrouwen van den stam

elkanders echtgenooten zijn. De losbandigheid van vele wilden is

ongetwijfeld verbazend groot; maar het schijnt mij toe, dat er meer

bewijzen noodig zijn, voordat wij volkomen kunnen aannemen, dat hun

bestaande vermenging werkelijk volstrekt algemeen is. Desniettemin

gelooven allen die het onderwerp zeer grondig hebben bestudeerd [498],

en wier oordeel veel meer waard is dan het mijne, dat het communale

huwelijk de oorspronkelijke en algemeene vorm over de geheele wereld

was, met insluiting van het huwelijk tusschen broeders en zusters.

Wijlen Sir A. Smith die groote reizen in Zuid-Afrika had gedaan, en

veel wist van de zeden der wilden daar en elders, verzekerde mij ten

sterkste, dat er naar zijn meening geen stam bestaat, waarin de vrouw

als het eigendom van al de leden daarvan wordt beschouwd. Ik geloof dat

dit oordeel in groote mate werd bepaald door den zin dien hij aan het

woord huwelijk hechtte. In de hier volgende bespreking zal ik dit woord

gebruiken in den zelfden zin als dierkundigen, wanneer zij van

éénwijvige (monogame) dieren spreken, waarmede zij bedoelen, dat het

mannetje wordt aangenomen door een enkel wijfje, of een enkel wijfje

uitkiest en daarmede leeft, hetzij gedurende den paartijd of gedurende

het geheele jaar, haar in bezit houdende door het recht van den

sterkste; of als zij spreken van een veelwijvige (polygame) soort,

bedoelende, dat het mannetje met meer dan één wijfje leeft. Deze soort

van huwelijk is het eenige waarmede wij hier hebben te maken, daar zij

voldoende is voor de werking der seksueele teeltkeus. Doch ik weet, dat

verscheidene der boven aangehaalde schrijvers onder het woord huwelijk

een erkend recht, beschermd door den stam, verstaan. De indirecte

bewijzen ten gunste dezer meening zijn uiterst sterk en berusten

voornamelijk op de namen der graden van bloedverwantschap, die tusschen

de leden van den zelfden stam worden gebruikt, en alleen een

verwantschap met den stam en niet met een der beide ouders te kennen

geven. Het onderwerp is echter te uitgebreid en te ingewikkeld om hier

te worden behandeld, en ik zal mij tot eenige weinige opmerkingen

bepalen. Het is duidelijk, dat bij communale huwelijken, of daar waar

de band des huwelijks zeer los is, de verwantschap tusschen het kind en

zijn vader niet bekend kan zijn. Het schijnt echter bijna

ongeloofelijk, dat de verwantschap tusschen het kind en zijn moeder

ooit volkomen onbekend zou zijn geweest, vooral daar bij de meeste

wilde stammen de moeders haar kinderen gedurende langen tijd zoogen.

Overeenkomstig hiermede wordt in vele gevallen de afstamming alleen in

de moederlijke lijn nagegaan, met uitsluiting van de vaderlijke. In

vele andere gevallen echter drukken de gebruikt wordende namen alleen

een verwantschap met den stam uit, met uitsluiting zelfs van de moeder.

Het schijnt mogelijk, dat de band tusschen de verwante leden van den

zelfden barbaarschen stam, aan allerlei soorten van gevaar

blootgesteld, zooveel belangrijker zou kunnen zijn, ten gevolge van de

behoefte aan wederzijdsche bescherming en hulp, dan die tusschen een

moeder en haar kind, dat dit aanleiding gaf om alleen de woorden te

gebruiken, die de eerste soort van verwantschappen uitdrukten; doch de

heer Morgan is overtuigd, dat deze wijze om de zaak te beschouwen, in

geenen deele voldoende is.

De woorden die in verschillende deelen der wereld worden gebruikt om de

graden van bloedverwantschap aan te duiden, kunnen volgens den zooeven

aangehaalden schrijver, in twee groote klassen worden verdeeld: de

klassificatorische en de beschrijvende,—de laatste wordt door ons

gebruikt. Het is het klassificatorische stelsel dat zoo nadrukkelijk

tot de meening aanleiding geeft, dat communale en andere uiterst losse

vormen van huwelijk oorspronkelijk algemeen waren. Zoover ik echter de

zaak begrijp, is er geen noodzakelijkheid om op dezen grond in een

volstrekt vrije vermenging te gelooven. Mannen en vrouwen zouden,

gelijk vele van de lagere dieren, vroeger vaste hoewel tijdelijke

vereenigingen voor elke geboorte kunnen hebben gesloten, en in dit

geval zou omtrent evenveel verwarring in de woorden voor de graden van

bloedverwantschap zijn ontstaan, als in het geval van een geheel vrije

vermenging. Voorzoover er de seksueele teeltkeus in is betrokken, is al

wat noodig is, dat er een keus werd uitgeoefend, voordat de ouders zich

vereenigden, en beteekent het weinig, of de vereenigingen levenslang of

voor één jaargetijde duurden.

Behalve de bewijzen die uit de woorden worden afgeleid, welke voor de

graden van bloedverwantschap worden gebruikt, toonen ook andere

aaneenschakelingen van redeneering het vroeger wijd en zijd heerschen

van communale huwelijken aan. Sir J. Lubbock verklaart [499] op

vernuftige wijze de vreemde en ver verspreide gewoonte van

exogamie,—dat is, dat de mannen van éénen stam altijd vrouwen nemen uit

een anderen stam, doordat het communisme de oorspronkelijke vorm van

het huwelijk was, zoodat een man nimmer een vrouw voor zich alleen

verkreeg, dan wanneer hij haar van een vreemden en vijandigen stam

roofde, en dan zou zij natuurlijk zijn uitsluitend en kostbaar eigendom

zijn geworden. Zoo zou de gewoonte om vrouwen te rooven ontstaan en

wegens de daardoor behaalde eer ten laatste de algemeene gewoonte

kunnen zijn geworden. Wij kunnen, volgens Sir J. Lubbock, op die wijze

ook de noodzakelijkheid begrijpen „om voor het huwelijk boete te doen,

daar het een verkrachting van de rechten van den stam was, omdat,

volgens de oude denkbeelden, een man geen recht had om zich zelf iets

toe te eigenen, dat aan den geheelen stam behoorde.” Sir J. Lubbock

geeft verder een hoogst opmerkelijke verzameling van feiten die

aantoonen, dat in oude tijden hooge eer werd bewezen aan vrouwen die

uiterst losbandig waren; en dit is, gelijk hij verklaart, begrijpelijk,

indien wij aannemen, dat vrije vermenging de oorspronkelijke en daarom

lang geëerde gewoonte van den stam was. [500]

Hoewel de wijze waarop de huwelijksband zich heeft ontwikkeld, een

duister onderwerp is, gelijk wij mogen afleiden uit de afwijkende

meeningen omtrent verschillende punten van drie schrijvers die hem het

grondigst hebben bestudeerd, namelijk, den heer Morgan, den heer

M’Lennan en Sir J. Lubbock, schijnt het toch wegens de voorgaande en

onderscheidene andere reeksen van bewijzen zeker [501], dat het gebruik

van het huwelijk zich trapsgewijze heeft ontwikkeld, en dat bijna

algemeene vermenging eens door de geheele wereld heên uiterst algemeen

was. Desniettemin kan ik wegens de analogie van de lagere dieren, meer

in het bijzonder van die welke in de reeks het naast bij den mensch

staan, niet gelooven, dat deze gewoonte in een uiterst verwijderd

tijdperk heerschte, toen de mensch nog nauwelijks zijn tegenwoordigen

rang op de ladder van het Dierenrijk had bereikt. De mensch stamt,

gelijk ik heb trachten aan te toonen, zonder eenigen twijfel van een of

ander op een aap gelijkend schepsel af. Bij de tegenwoordige

Vierhandigen (Quadrumana) zijn, voor zoover hun levenswijze bekend is,

de mannetjes van sommige soorten eenwijvig (monogaam), maar leven

alleen gedurende een deel van het jaar met de wijfjes, gelijk met den

Orang het geval schijnt te zijn. Onderscheidene soorten, zooals sommige

van de Indische en Amerikaansche apen, zijn streng eenwijvig (monogaam)

en leven gedurende het geheele jaar in gezelschap van hun wijfjes.

Andere zijn veelwijvig (polygaam), gelijk de Gorilla en onderscheidene

Amerikaansche soorten, en elk gezin leeft afzonderlijk. Zelfs wanneer

dit plaats grijpt, leven de gezinnen die de zelfde streek bewonen,

waarschijnlijk gezellig; de Chimpanzee, bijvoorbeeld, wordt nu en dan

in groote troepen aangetroffen. Wederom andere soorten zijn veelwijvig

(polygaam); doch verscheidene mannetjes leven, elk met zijn eigen

wijfje, in een troep vereenigd, gelijk bij onderscheidene soorten van

Bavianen [502]. Wij mogen inderdaad uit hetgeen wij weten van de

ijverzucht van alle mannelijke viervoetige dieren, gewapend, gelijk

vele van hen zijn, met bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te

vechten, het besluit trekken, dat een algemeene vermenging in den

natuurstaat uiterst onwaarschijnlijk is. De paren mogen niet

levenslang, maar slechts voor elke geboorte bijeenblijven, toch zou

dit, indien de mannetjes die het sterkst en het best in staat zijn om

de wijfjes en de jongen te verdedigen of op andere wijze te helpen, de

aantrekkelijkste wijfjes voor de voortteling konden uitkiezen,

voldoende zijn voor de werking der seksueele teeltkeus.

Daarom is het, indien wij ver genoeg terugblikken in den stroom des

tijds, uiterst onwaarschijnlijk, dat de oorspronkelijke mannen en

vrouwen in vrije vermenging met elkander leefden. Te oordeelen naar de

sociale gewoonten van den mensch, gelijk hij nu bestaat, en naar het

feit, dat de meeste wilden in veelwijverij (polygamie) leven, is de

waarschijnlijkste meening, dat de oorspronkelijke man in den beginne in

kleine gezelschappen leefde, elk met zooveel vrouwen, als hij kon

onderhouden en verkrijgen, die hij ijverzuchtig tegen alle andere

mannen zal hebben verdedigd. Hij kan ook met onderscheidene vrouwen op

zich zelf hebben geleefd, gelijk de Gorilla; want alle inboorlingen

„zijn het hierover eens, dat in elken troep slechts één volwassen

mannetje wordt gezien; wanneer het jonge mannetje opgroeit, heeft een

strijd om de opperheerschappij plaats, en de sterkste vestigt zich,

door de andere te dooden of te verjagen, als het hoofd der

gemeenschap.” [503] De jonge mannetjes die daardoor zijn verdreven en

nu ronddwalen, zullen, als zij er eindelijk in slagen een gezellin te

vinden, een te nauwe vermenging („interbreeding”) binnen de grenzen van

de zelfde familie verhoeden.

Hoewel de wilden tegenwoordig uiterst losbandig zijn, en hoewel

communale huwelijken vroeger in hooge mate mogen hebben geheerscht, zoo

bestaat toch bij vele stammen de eene of andere vorm van huwelijk, maar

van een veel losser aard dan bij beschaafde volken. Veelwijverij

(polygamie) is, zooals juist werd aangevoerd, bijna algemeen in zwang

bij de opperhoofden in elken stam. Desniettemin zijn er stammen welke

bijna aan den voet van de ladder staan, die streng eenwijvig (monogaam)

zijn. Dit is het geval met de Veddah’s van Ceylon; zij hebben, volgens

Sir J. Lubbock [504], een spreekwoord, „dat alleen de dood vrouw en man

kan scheiden.” Een verstandelijk goed ontwikkeld opperhoofd uit Kandy,

natuurlijk een polygamist, „ergerde zich in hooge mate over de uiterste

barbaarschheid van slechts met ééne vrouw te leven en haar nooit te

verlaten, voor men door den dood van haar wordt gescheiden.” Het was,

zeide hij, „juist als bij de Wanderoe apen.” Of wilden die tegenwoordig

den eenen of anderen vorm van huwelijk, hetzij veelwijvig (polygaam) of

eenwijvig (monogaam), bezitten, die gewoonten van uit oorspronkelijke

tijden hebben behouden, dan wel, of zij tot den eenen of anderen vorm

van huwelijk zijn teruggekeerd, na een toestand van algemeene vrije

vermenging te hebben doorloopen,—daarover waag ik het niet vermoedens

uit te spreken.

Kindermoord.—Dit gebruik is nu in de geheele wereld zeer veelvuldig, en

er is reden om te gelooven, dat het in vroegere tijden een nog grooter

verspreiding had. Barbaren vinden het moeilijk zich zelven en hun

kinderen te onderhouden, en het is een eenvoudig plan hun kinderen te

dooden. In Zuid-Amerika vernielden sommige stammen, gelijk Azara

getuigt, zoovele kinderen van beide seksen, dat zij op het punt waren

van uit te sterven. Op de Polynesische eilanden heeft men vrouwen

gekend, die vier of vijf tot zelfs tien van haar kinderen hadden

gedood, en Ellis kon geen enkele vrouw vinden, die er niet ten minste

één had gedood. Overal waar kindermoord heerscht, zal de strijd om het

bestaan in zoover minder hevig zijn, en zullen al de leden van den stam

een bijna even goede kans hebben om hun weinige overgebleven kinderen

groot te brengen. In de meeste andere gevallen wordt een grooter aantal

vrouwelijke dan mannelijke kinderen gedood; want het is duidelijk, dat

deze laatsten van meer waarde voor den stam zijn, daar zij, wanneer zij

volwassen zijn, hem zullen helpen verdedigen, en zich zelf kunnen

onderhouden. Doch de moeite die de vrouwen ondervinden bij het

grootbrengen van kinderen, het daardoor veroorzaakte verlies van

schoonheid, de hoogere waarde die men aan haar hecht, en haar

gelukkiger lot, als zij weinig in getal zijn, worden door de vrouwen

zelven en door onderscheidene waarnemers opgegeven als bijkomende

beweegredenen voor kindermoord. In Australië waar het dooden van

vrouwelijke kinderen nog veelvuldig plaats heeft, schatte Sir G. Grey

de verhouding van de vrouwelijke inboorlingen tot de mannelijke als één

tot drie; maar anderen zeggen, dat zij als twee tot drie is. In een

dorp op de oostelijke grens van Indië vond Kolonel MacCulloch geen

enkel vrouwelijk kind. [505]

Als ten gevolge van het dooden der vrouwelijke kinderen de vrouwen van

een stam weinig in getal zijn, zal natuurlijk de gewoonte ontstaan om

de vrouwen van naburige stammen te rooven. Sir John Lubbock schrijft

echter, gelijk wij hebben gezien, dat gebruik voornamelijk hieraan toe,

dat vroeger het communale huwelijk bestond en dat ten gevolge daarvan

de mannen vrouwen van andere stammen roofden om haar als hun

uitsluitend eigendom te houden. Bijkomende oorzaken zouden kunnen

worden aangegeven, b.v. dat de gemeenschappen zeer klein waren, in welk

geval huwbare vrouwen dikwijls zouden ontbreken. Dat de gewoonte van

vrouwenroof in vroegere tijden op groote schaal bestond, zelfs bij de

voorouders van beschaafde natiën, wordt duidelijk aangetoond door het

bewaard blijven van vele merkwaardige gebruiken en plechtigheden van

welke de heer M’Lennan een hoogst belangwekkende beschrijving heeft

gegeven. In onze eigen huwelijken schijnt de „beste man” oorspronkelijk

de voornaamste helper van den bruidegom bij de handeling van het rooven

te zijn geweest. (1) Zoolang nu de mannen zich gewoonlijk hun vrouwen

door geweld en list verschaften, is het niet waarschijnlijk, dat zij de

aantrekkelijkste vrouwen uitkozen (2); zij zullen blijde zijn geweest,

als zij slechts de eene of andere vrouw konden vermeesteren. Zoodra

echter aan de gewoonte om zich vrouwen van een anderen stam te

verschaffen, door ruilhandel werd voldaan, gelijk nu op vele plaatsen

geschiedt, zullen het algemeen de aantrekkelijkste vrouwen zijn

gekocht. De onophoudelijke kruising tusschen den eenen stam en den

anderen, die een noodzakelijk gevolg van elken vorm van deze gewoonte

is, zal echter een neiging hebben doen ontstaan om al de in het zelfde

land wonende menschen in hun kenmerken ongeveer gelijkvormig te houden;

en dit zal het vermogen der seksueele teeltkeus om de stammen te

differentieeren, aanmerkelijk hebben tegengewerkt.

De schaarschheid van de vrouwen, ten gevolge van het dooden der

vrouwelijke kinderen, leidt ook tot een ander gebruik, namelijk tot

veelmannerij (polyandrie) die in verscheidene deelen der wereld nog

veelvuldig is, en die vroeger, volgens de meening van den heer

M’Lennan, bijna algemeen heerschte: dit laatste besluit wordt echter

door den heer Morgan en Sir J. Lubbock betwijfeld. [506] Zoodra twee of

meer mannen zijn gedwongen ééne vrouw te huwen, is het zeker, dat al de

vrouwen van den stam zullen huwen, en zal er door de mannen geen keus

van de aantrekkelijkste vrouwen worden uitgeoefend. Onder deze

omstandigheden zullen echter de vrouwen zonder twijfel het vermogen

hebben om een keus te doen, en zullen aan de aantrekkelijkste mannen de

voorkeur geven. Azara beschrijft, bij voorbeeld, hoe zorgvuldig een

Guana-vrouw allerlei soorten van voorrechten bedingt, voor zij één of

meer echtgenooten aanneemt, en ten gevolge daarvan dragen de mannen

ongewone zorg voor hun uiterlijk aanzien. [507] De zeer leelijke mannen

zullen er wellicht geen van allen in slagen om een vrouw te krijgen, of

er slechts op later leeftijd een krijgen; maar de schoonste mannen

zullen, ofschoon zij de voorspoedigste in het verkrijgen van een vrouw

zouden zijn, voor zoover wij kunnen zien, niet meer nakomelingen

nalaten om hun schoonheid te erven, dan de minder schoone echtgenooten

van de zelfde vrouw.

Vroege Verlovingen en Slavernij der vrouwen.—Bij vele wilden is het de

gewoonte de vrouwen te verloven, als zij nog bloot kinderen zijn; en

dit zal op werkzame wijze verhinderen, dat van een van beide zijden

eenige voorkeur met betrekking tot het uiterlijk aanzien kan worden

gegeven. Het zal echter niet verhinderen, dat de aantrekkelijkste

vrouwen later door de mannen die meer macht hebben, aan hun

echtgenooten worden ontstolen of met geweld ontnomen; en dit geschiedt

dikwijls in Australië, Amerika en andere deelen der wereld. De zelfde

gevolgen ten opzichte van seksueele teeltkeus zullen tot op zekere

hoogte plaats hebben, wanneer de vrouwen bijna uitsluitend als

slavinnen of lastdieren worden gewaardeerd, gelijk bij de meeste wilden

het geval is. De mannen zullen echter ten allen tijde de voorkeur geven

aan de slavinnen die, volgens hun maatstaf van schoonheid, de schoonste

zijn.

Wij zien dus dat bij wilden onderscheidene gebruiken heerschen, die de

werking der seksueele teeltkeus sterk belemmeren of volkomen kunnen

opheffen. Daarentegen zijn de levensvoorwaarden waaraan wilden zijn

blootgesteld, en sommige van hun gebruiken gunstig voor de natuurlijke

teeltkeus; en deze komt altijd te zamen met de seksueele teeltkeus in

het spel. Het is bekend, dat wilden veel hebben te lijden van telkens

terugkeerende hongersnooden; zij vermeerderen hun voedsel niet door

kunstmatige middelen; zij onthouden zich zelden van het huwelijk [508]

en huwen over het algemeen op jeugdigen leeftijd. Bij gevolg moeten zij

nu en dan aan een heftigen strijd om het leven zijn blootgesteld en

zullen alleen de begunstigde individu’s blijven leven.

Als wij de oorspronkelijke tijden beschouwen, toen de menschen nog

slechts twijfelachtig den rang der menschelijkheid hadden bereikt,

zullen zij waarschijnlijk, gelijk reeds is gezegd, hetzij in

veelwijverij (polygamie) of tijdelijk in eenwijverij (monogamie) hebben

geleefd. Hun vermenging zal, te oordeelen naar de analogie, niet

volkomen algemeen zijn geweest. Zij zullen ongetwijfeld hun vrouwen,

zoo goed als zij maar konden, tegen allerlei soort van vijanden hebben

verdedigd en waarschijnlijk voor hun onderhoud en tevens voor dat van

hun kroost op de jacht zijn gegaan. De sterkste en bekwaamste mannen

zullen het best zijn geslaagd in den strijd om het leven en in het

verkrijgen van aantrekkelijke vrouwen. In dit vroege tijdvak zullen de

stamouders van den mensch, daar zij slechts zwakke verstandelijke

vermogens bezaten, niet vooruit hebben gezien op zaken die mogelijk in

de toekomst konden gebeuren. Zij zullen door hun instinkt meer en door

hun rede minder dan zelfs de tegenwoordige wilden zijn bestuurd. Zij

zullen in dat tijdvak niet een van de sterkste van alle instinkten, dat

aan alle lagere dieren gemeen is, namelijk de liefde voor hun jong

kroost, gedeeltelijk hebben verloren, en zullen bij gevolg geen

kindermoord hebben uitgeoefend. Er zal geen kunstmatige schaarschte van

vrouwen zijn geweest en derhalve geen veelmannerij (polyandrie) plaats

hebben gehad; er zullen geen vroege verlovingen in zwang zijn geweest;

de vrouwen zullen niet alleen als slavinnen zijn gewaardeerd; beide

seksen zullen, indien aan de vrouwen even goed als aan de mannen werd

veroorloofd eenige keus uit te oefenen, hun gezellen hebben gekozen,

niet wegens geestelijke bekoorlijkheden, of rijkdom of plaats in de

maatschappij (sociale positie), maar bijna alleen wegens uiterlijke

schoonheid. Al de volwassenen zullen zijn gehuwd of hebben gepaard, en

al de kinderen zullen, zoover dat mogelijk was, zijn grootgebracht,

zoodat de strijd om het leven periodiek uitermate heftig was. Zoo

zullen gedurende deze oorspronkelijke tijden al de voorwaarden voor

seksueele teeltkeus veel gunstiger zijn geweest dan in eenig later

tijdperk, toen de mensch in zijn verstandelijke vermogens vooruit-,

maar in zijn instinkten achteruit was gegaan. Daarom zal, welken

invloed de seksueele teeltkeus ook moge hebben gehad op het ontstaan

van de verschillen tusschen de menschenrassen en tusschen den mensch en

de hoogere apen, die invloed veel machtiger zijn geweest in een zeer

verwijderd tijdperk, dan op den huidigen dag.

Over de Wijze waarop de Seksueele Teeltkeus op den Mensch heeft

gewerkt.—Bij den oorspronkelijken mensch onder de gunstige zooeven

geschilderde voorwaarden, en bij die wilden van den tegenwoordigen

tijd, welke den eenen of anderen huwelijksband sluiten, zal de

seksueele teeltkeus (hoewel in meerdere of mindere mate belemmerd, al

naar de gewoonten van het dooden der vrouwelijke kinderen, vroege

verlovingen enz., meer of minder in zwang waren) waarschijnlijk op de

volgende wijze hebben gewerkt. De sterkste en moedigste mannen,—die

welke hun gezinnen het best konden verdedigen en door de jacht

onderhouden, en gedurende latere tijden de aanvoerders of opperhoofden

werden,—die welke van de beste wapenen waren voorzien en de meeste

eigendommen, zooals een grooter aantal honden of andere dieren bezaten,

zullen er in zijn geslaagd om gemiddeld een grooter aantal nakomelingen

groot te brengen, dan de zwakkere, arme en lagere leden van de zelfde

groep. Er kan ook geen twijfel bestaan, dat dergelijke mannen over het

algemeen in staat zijn geweest om de aantrekkelijkste vrouwen uit te

kiezen. Tegenwoordig slagen de opperhoofden van bijna elken stam door

de geheele wereld heên er in om meer dan ééne vrouw te verkrijgen. Tot

voor korten tijd toe was, naar ik van den heer Mantell hoor, bijna

ieder meisje in Nieuw-Zeeland, dat mooi was, of mooi beloofde te

worden, taboe (3) voor het eene of andere opperhoofd. Bij de Kaffers

hebben, gelijk de heer C. Hamilton getuigt [509], „de opperhoofden over

het algemeen de keus uit de vrouwen van vele mijlen in den omtrek, en

geven zich veel moeite om hun voorrecht te bevestigen en te

bestendigen.” Wij hebben gezien, dat elk ras zijn eigen maatstaf van

schoonheid heeft, en wij weten, dat het den mensch van nature eigen is

elk kenmerkend punt in zijn tamme dieren, kleeding, versierselen en

persoonlijk uiterlijk te bewonderen, als het een weinig boven den

gewonen standaard is opgevoerd. Indien derhalve de voorgaande

stellingen als juist werden aangenomen, en ik kan niet zien, dat zij

twijfelachtig zijn, zou het een onverklaarbare omstandigheid zijn,

indien het voor het huwelijk uitkiezen van de aantrekkelijkste vrouwen

door de krachtigste mannen die gemiddeld een grooter aantal kinderen

zouden aankweeken, niet na verloop van vele generatiën tot op zekere

hoogte de kenmerken van den stam wijzigde.

Als bij onze tamme dieren een vreemd ras in een nieuw land wordt

ingevoerd of als aan een inlandsch ras langen tijd wegens zijn

nuttigheid of sierlijkheid bijzondere zorg wordt gewijd, bevindt men na

vele generatiën, overal waar de middelen tot vergelijking bestaan, dat

het een grootere of geringere verandering heeft ondergaan. Dat is een

gevolg van onbewuste teeltkeus gedurende een lange reeks van

geslachten,—dat is het bewaard blijven van de best gekeurde

individu’s—zonder eenigen wensch of verwachting van een dergelijken

uitslag van de zijde van den fokker. Indien twee zorgvuldige fokkers

gedurende vele jaren dieren van de zelfde familie aanfokken, en hen

niet met elkander of met een gemeenschappelijken standaard vergelijken,

vindt men na eenigen tijd, dat de dieren tot verwondering van hun

eigenaars eenigszins verschillend zijn geworden. [510] Elke fokker

heeft, gelijk von Nathusius het juist uitdrukt, den stempel van zijn

eigen geest—zijn eigen smaak en oordeel—op zijn dieren gedrukt. Welke

reden kan dan worden opgegeven, waarom soortgelijke uitwerkselen niet

zouden volgen op het lang voortgezette voor het huwelijk uitkiezen van

de meest bewonderde vrouwen door die mannen van elken stam, die in

staat waren om het grootste aantal kinderen tot op volwassen ouderdom

groot te brengen? Dit zou een onbewuste teeltkeus zijn; want een

uitwerking zou worden voortgebracht, onafhankelijk van elken wensch of

verwachting van den kant der mannen die aan zekere vrouwen boven andere

de voorkeur gaven.

Laten wij veronderstellen, dat de leden van een stam bij welken de een

of andere vorm van huwelijk in gebruik was, zich over een onbewoond

vastland verspreidden; zij zouden zich spoedig in afzonderlijke horden

splitsen, die van elkander zouden worden gescheiden door allerlei

slagboomen, en nog werkdadiger door de onophoudelijke oorlogen die

tusschen alle barbaarsche volken plaats grijpen. De horden zouden dus

aan eenigszins verschillende levensvoorwaarden en levenswijze zijn

onderworpen, en er vroeger of later toe komen om in geringe mate van

elkander te verschillen. Zoodra dit plaats greep, zou elke

afzonderlijke stam voor zich zelf een eenigszins verschillenden

maatstaf van schoonheid aannemen [511]; en dan zou onbewuste teeltkeus

in werking treden, doordat de machtigste en aanvoerende wilden aan

zekere vrouwen boven andere de voorkeur gaven. Zoo zouden de

verschillen tusschen de stammen, in het eerst zeer gering, allengs en

onvermijdelijk in hoe langer hoe aanzienlijker mate worden vermeerderd.

Bij dieren in den natuurstaat zijn vele aan de mannetjes eigen

kenmerken, zooals grootte, kracht, bijzondere wapenen, moed en

strijdlust door de wet van den strijd ontstaan. De half-menschelijke

voorouders van den mensch zullen, gelijk hun verwanten, de Vierhandige

Zoogdieren (Quadrumana), bijna zeker daardoor zijn gewijzigd; en,

evenals wilden nog heden om het bezit hunner vrouwen strijden, is een

soortgelijk proces van teeltkeus waarschijnlijk in meerdere of mindere

mate tot op den huidigen dag toe werkzaam geweest. Andere kenmerken,

aan de mannetjes der lagere dieren eigen, zooals levendige kleuren en

onderscheidene versierselen, zijn verkregen, doordat door de wijfjes

aan de meer aantrekkelijke mannetjes de voorkeur werd gegeven. Er zijn

echter exceptioneele gevallen waarin de mannetjes in plaats van de

gekozenen de kiezers zijn geweest. Wij herkennen dergelijke gevallen,

doordat de wijfjes in hoogere mate zijn versierd dan de

mannetjes,—terwijl haar tot versiering dienende kenmerken uitsluitend

of hoofdzakelijk op haar vrouwelijke nakomelingschap zijn overgeplant.

Één dergelijk geval is beschreven uit de Orde waartoe de mensch

behoort, namelijk dat van den Rhesus-aap.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 31 / 39 段