en den zelfden wensch om elk punt tot een uiterste te drijven; ook wij
geven blijken van den zelfden geest van wedijver. De modes der wilden
zijn echter veel bestendiger dan de onze; en in alle gevallen waarin
hun lichaam kunstmatig wordt gewijzigd, moet dit wel noodzakelijk zoo
zijn. De Arabische vrouwen aan den Boven-Nijl hebben omtrent drie dagen
noodig om zich het haar op te maken; zij volgen nooit andere stammen
na, „maar wedijveren slechts met elkander in het tot de hoogste
voortreffelijkheid brengen van haar eigen stijl.” Dr. Wilson, van de
samengedrukte schedels van onderscheidene Amerikaansche rassen
sprekende, voegt er bij: „dergelijke gebruiken behooren tot die welke
het moeilijkst zijn uit te roeien, en lang den schok overleven van
omwentelingen die dynastieën veranderen en meer belangrijke nationale
bijzonderheden uitwisschen.” [487] Hetzelfde beginsel komt ook in hooge
mate in het spel bij de kunst der teeltkeus; en wij kunnen op die
wijze, gelijk ik elders heb verklaard, [488] de wondervolle
ontwikkeling begrijpen van al de rassen van dieren en planten die bloot
als sieraad worden gehouden. Dierenfokkers en plantenkweekers wenschen
ieder kenmerk een weinig te vergrooten; zij bewonderen geen
middelstandaard; zij wenschen wel is waar volstrekt geen groote en
plotselinge verandering in de kenmerken van hun rassen; zij bewonderen
alleen, hetgeen zij gewoon zijn te zien, maar zij begeeren vurig elken
kenmerkenden trek een weinig meer ontwikkeld te zien.
Ongetwijfeld zijn de waarnemende vermogens van den mensch en de lagere
dieren zoo ingericht, dat schitterende kleuren en zekere vormen, gelijk
ook harmonische en rhythmische klanken hun genoegen doen en schoon
worden genoemd; maar waarom dit zoo is, weten wij evenmin, als waarom
sommige lichamelijke gevoelsgewaarwordingen aangenaam en andere
onaangenaam zijn. Het is ongetwijfeld niet waar, dat er in ’s menschen
geest de eene of andere algemeene en overal geldende maatstaf van
schoonheid met betrekking tot het menschelijk lichaam bestaat. Het is
echter mogelijk, dat zekere smaken in den loop des tijds erfelijk
kunnen worden, hoewel ik geen feiten ken, die ten gunste van deze
meening pleiten; en indien dit zoo ware, zou elk ras zijn eigen
aangeboren idealen maatstaf van schoonheid bezitten. Men heeft beweerd
[489], dat leelijkheid bestaat in een toenadering tot het maaksel der
lagere dieren, en dit is ongetwijfeld waar bij de meer beschaafde
volken bij welke het verstand hoog wordt gewaardeerd; maar een tweemaal
zoover vooruitstekende neus, of tweemaal zoo groote oogen als
gewoonlijk, zou geen toenadering in maaksel tot eenig lager dier en
toch afgrijselijk leelijk zijn. De menschen van elk ras geven de
voorkeur aan hetgeen zij gewoon zijn te zien; zij kunnen volstrekt geen
groote verandering verdragen; maar zij houden van verscheidenheid en
bewonderen elk kenmerkend punt dat tot een matig uiterste is gedreven.
[490] Menschen welke aan een ongeveer ovaal aangezicht, aan rechte en
regelmatige gelaatstrekken, en aan levendige kleuren gewoon zijn,
bewonderen, gelijk wij, Europeanen, weten, deze punten, als zij sterk
ontwikkeld zijn. Daarentegen bewonderen menschen die aan een breed
gelaat met hooge jukbeenderen, een ingedrukten neus en een zwarte huid
gewoon zijn, deze punten, wanneer die sterk ontwikkeld zijn.
Ongetwijfeld kunnen kenmerken van allerlei soort gemakkelijk te veel
ontwikkeld zijn om schoon te wezen. Daarom zal een volmaakte schoonheid
die vele op een bijzondere wijze gewijzigde kenmerken vereischt, in elk
ras een wonder zijn. Gelijk de groote ontleedkundige Bichat reeds voor
langen tijd zeide, zou, indien iedereen in den zelfden vorm was
gegoten, zulk een zaak als schoonheid niet bestaan. Indien al onze
vrouwen zoo schoon als de Venus de Medici waren, zouden wij een tijd
lang bekoord zijn; maar spoedig zouden wij naar verscheidenheid
verlangen, en zoodra wij verscheidenheid hadden verkregen, zouden wij
wenschen, dat sommige kenmerken bij onze vrouwen een weinig boven den
bestaanden algemeenen standaard waren ontwikkeld.
AANTEEKENINGEN.
(1) In den beroemden „Dictionnaire de Médecine, de Chirurgie, de
Pharmacie, des Sciences accessoires et de l’Art Vétérinaire”, d’après
le plan suivi par Nysten, Douzième édition entièrement refondue par E.
Littré et Ch. Robin, Paris, Londres, Madrid et New-York, 1865, vindt
men (blz. 583) de verschillen tusschen man en vrouw als volgt
opgegeven: „En dehors des différences tirées du système pileux, des
appareils et des fonctions de reproduction et des différences
corrélatives des fonctions cérébrales, on signale les suivantes entre
l’homme et la femme. Le corps de celle-ci est circonscrit par un ovale
qui a sa plus grande largeur au bassin, tandis que chez l’homme la plus
grande largeur est aux épaules ou au moins ces dernières sont aussi
larges que le bassin. La femme a les hypochondres [491] plus rentrés,
plus serrés que ceux de l’homme, ce qu’on exprime en disant qu’elle a
la taille plus mince. La ligne qui va du sternum à la symphyse est
parallèle à l’axe du corps chez la femme, tandis qu’elle converge chez
l’homme. La distance de l’ombilic au pubis est plus grande que chez
l’homme et moindre de l’ombilic au sternum. La cavité abdominale a de 2
à 3 centimètres de plus en hauteur que chez l’homme, ce qui est dû
surtout à une plus grande longueur de la colonne lombaire. Le bassin
est plus ouvert en avant et en haut, plus incliné en avant, de sorte
que la symphyse du pubis est à 8 centimètres plus bas que l’angle
sacro-vertébral; cette disposition jointe a l’inclinaison du sacrum
d’avant en arrière concourt à une plus grande saillie des fesses. Les
côtes se portent en arrière à partir des vertèbres, puis brusquement en
avant, d’où une plus grande profondeur de la gouttière dorsale. Le
creux de l’estomac est plus élevé, car le sternum plus court descend au
niveau de la 7ième vertèbre chez la femme, de la 11ième chez l’homme;
chez celui-ci le cartilage de la 6ième côte s’articule avec le bas du
bord du sternum et à l’extrémité inférieure de cet os chez la femme;
les fausses côtes de celle-ci sont plus courtes, le diaphragme est plus
petit et sa convexité remonte plus haut que chez l’homme. La cavité
thoracique est moins haute, moins profonde d’avant en arrière sur la
ligne médiane que chez l’homme, parce que la colonne thoracique s’y
enfonce d’avantage. Les muscles du bassin sont plus courts et plus
épais chez la femme que chez l’homme. Le milieu de la taille est entre
la symphyse pubienne et l’ombilic chez la première, au dessous de
celle-là chez ce dernier; le centre de gravité du corps de l’homme est
au contraire un peu plus haut que chez elle. Les cavités cotyloïdes
sont plus écartées et situées un peu plus en avant par rapport à la
crète du sacrum; le col du fémur forme avec le corps un angle plus
droit, ce qui amène plus de saillie des trochanters; les fémurs sont
par suite plus obliques de dehors en dedans et les genoux plus rentrés
vers le plan médian que chez l’homme. Ces particularités determinent
plus de largeur des hanches, une oscillation particulière du basin
pendant la marche, et font que celle-ci a lieu à plus petits pas que
chez un homme de même taille; elle est moins sûre et la course plus
difficile. Les cuisses et les jambes sont plus courtes, les muscles ont
leur ventre charnu plus rapproché de leur extrémité supérieure, ce que
rend les membres plus effilés en bas; le pied est aussi relativement
plus petit que chez l’homme.” [492]
(2) In verband met den regel, dat de veranderingen die elk individu
gedurende zijn ontwikkeling doorloopt, slechts een verkorte herhaling
zijn van de ontwikkelingsphasen van den typus en na al wat Darwin in de
vorige hoofdstukken heeft gezegd over de kleuren van het gevederte van
jonge vogels en den pels van jonge zoogdieren, zou men hieruit wellicht
als waarschijnlijke gevolgtrekking mogen afleiden, dat:
1o. de Negers afstammen van een bruin menschenras met blauwe oogen en
dat bruin, niet kroezend haar bezat. In sommige kenmerken zouden dan de
tegenwoordige Nubiërs tusschen dit menschenras en de Negers instaan.
2o. de Australiërs afstammen van een geelachtig bruin menschenras dat
derhalve in kleur meer overeenkomst had met de tegenwoordige Maleiers.
3o. de inboorlingen van Amerika afstammen van een geel gekleurd
menschenras; waarschijnlijk kwam dit ras overeen met de tegenwoordige
Mongolen.
Zoo deze gevolgtrekkingen niet geheel ongegrond zijn, dan zou Haeckel’s
Stamboom der twaalf menschensoorten (Deel I, blz. 381), wat de
afstamming der Negers aangaat, belangrijke wijzigingen moeten
ondergaan, daar zij, ofschoon Ulotrichen, van Lissotrichen zouden
afstammen. Deze beschouwing is ook alleszins geschikt om het overdreven
gewicht dat sommige anthropologen aan het verschil in aard van het haar
hechten, een weinig te doen afnemen.
(3) Dit oordeel schijnt mij in de hoogste mate onbillijk. Het zou
alleen op kunnen gaan, wanneer de vrouw in onze maatschappij de zelfde
gelegenheid tot het aanleeren van kunsten en wetenschappen had als de
man, als de wijze van opvoeding voor beide seksen de zelfde was. Daar
dit geenszins het geval is, staan de kansen niet gelijk. Het is niet te
verwonderen, dat de vrouwen betrekkelijk zoo weinig in kunsten en
wetenschappen hebben uitgemunt, wanneer de geheele inrichting der
maatschappij haar de gelegenheid om zich daarin te oefenen zooveel
mogelijk afsluit en daarentegen alles wordt gedaan om de mannen zooveel
mogelijk tot de beoefening er van aan te sporen!
Voor allen die de minderheid der vrouw tegenover den man volhouden,
moet het onverklaarbaar zijn, dat in de Vereenigde Staten van 1790 tot
1888 aan vrouwen niet minder dan 2500 patenten voor verschillende
uitvindingen zijn verleend. Hoe dit te rijmen met de vermeende
minderheid der vrouw? In de Vereenigde Staten behooren tegenwoordig
14.465 der handelsreizigers tot het vrouwelijk geslacht.
Zie ook Dr. Büchner in zijn door mij bewerkt boekje „Feiten en
Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.
(4) De Gewervelde Dieren (Vertebrata) zijn geen Klasse, maar een Typus
of Onder-Rijk.
(5) Brehm („Thierleben”, Bd. I, blz. 39) zegt van den vrouwelijken H.
agilis uit den Londenschen dierentuin, dat hij „somtijds zeer luid en
wel op hoogst eigenaardige, van muzikaal gehoor getuigende wijze
schreeuwde. Men kon het geschreeuw zeer goed in noten teruggeven. Het
begon met den grondtoon E en steeg dan in halve tonen een vol octaaf
naar boven, de chromatische toonladder doorloopende. De grondtoon bleef
altijd hoorbaar en diende als voorslag voor elke volgende noot. Bij het
opklimmen van de toonladder volgden de afzonderlijke tonen hoe langer
hoe langzamer, bij het afdalen echter hoe langer hoe sneller en
eindelijk buitengewoon snel op elkander. Het slot vormde telkens een
gillenden schreeuw die met alle kracht werd uitgestooten. De
regelmatigheid, snelheid en zekerheid waarmede het dier de toonladder
uitschreeuwde, verwekte algemeene bewondering. Het scheen, alsof de
gibbon zelve daardoor in de hoogste mate werd opgewekt; want elke spier
spande zich en het lichaam geraakte in sidderende beweging.” Omtrent de
luidheid van het geschreeuw der gibbons zegt Brehm (ibid.): „Het zijn
de brulapen der oude wereld, de wekkers van de Maleische bergbewoners
en tegelijkertijd de ergernis der stedelingen wien zij het verblijf op
hun landhuizen verbitteren. Men moet hun geschreeuw een halve Engelsche
mijl (804 meters) ver kunnen hooren.”
(6) „Het Rendiertijdperk”, vergelijk Deel I, aanteekening 23, blz. 44.
(7) Vandaar noemden de Romeinen zelfs een der Britsche stammen Picti.
In vele streken van Europa vindt men nog heden bijna geen boer, of hij
heeft een vlammend hart of iets dergelijks, en bijna geen matroos, of
hij heeft een anker op zijn arm getatoeëerd. In een der Egyptische
koningsgraven in de vallei Biban-el-Moloek nabij het oude Thebe (het
graf van Seti-Menephtha I) zijn in gekleurde reliefbeelden 16 personen
afgebeeld, waarvan elk viertal een der grondvormen van het menschelijk
geslacht voorstelt. Eerst komen de Remen-Kemi (de Egyptenaars zelf, die
rood gekleurd zijn), daarop de geelkleurige Namu (Semieten), daarna de
zwarte Nahsu (Negers) en eindelijk een blanke type, volgens het
opschrift bewoners van Ta-Mah. [493] Deze laatste schijnen voor de
Egyptenaars uit den tijd van Seti-Menephtha I het barbaarsche en laag
ontwikkelde ras bij uitnemendheid te zijn geweest, zij zijn in
beestevellen gekleed, dragen vederen in het haar, en hun lichaam en
armen vertoonen sporen van tatoeëering. Zij worden ook afgebeeld in Dr.
W. Pleyte’s Ned. Oudheden, afdeeling: Drenthe, die ze Ta-Mehu noemt.
(8) „Steatopygisch”; eigenlijk beteekent dit vetbillig (van στέαο, vet,
en πυγή, bil). Vergelijk Deel I, aanteekening 11, blz. 378.
(9) „a tergo” beteekent: aan de achterzijde.
(10) In het „Archiv für Anthropologie”, Bd. IV, 1870, blz. 221, komt
een zeer belangwekkend artikel van H. Welcker, „Ueber die künstliche
Verkrüppelung der Füsse der Chinesinnen” voor, waarin ook de uitvoerige
anatomie van een dergelijken misvormden voet voorkomt. In dit artikel
(blz. 327) wordt een geneesheer van het Fransche gezantschap in Peking,
Dr. G. Morache aangehaald, die o.a. zegt: „Een overerving in den zin
van Darwin heeft het achthonderd jarige samenpersen niet
teweeggebracht; de voeten der jonge meisjes in China zijn volkomen
normaal gebouwd.” Men zou echter eenigszins een erfelijk gevolg van de
kunstmatige misvorming kunnen zien in de buitengewoon kleine voeten die
de Chineezen, volgens Darwin, van nature hebben. Waarschijnlijk is
echter de meening van Darwin zelf, dat namelijk de bewondering van dit
natuurlijke kenmerk aanleiding tot de overdrijving daarvan door
kunstmatige misvorming der voeten heeft gegeven.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.—SLOT.
Over de gevolgen van de voortdurende teeltkeus van vrouwen volgens
een verschillenden maatstaf van schoonheid in elk ras.—Over de
oorzaken die de werking der seksueele teeltkeus tegenwerken bij
beschaafde en wilde volken.—Over de voor de seksueele teeltkeus
gunstige omstandigheden in voorhistorische tijden.—Over de
werkingswijze der seksueele teeltkeus bij den mensch.—Over het
feit, dat de vrouwen bij wilde stammen eenigermate in de
gelegenheid zijn haar echtgenooten te kiezen.—Afwezigheid van haar
op het lichaam, en ontwikkeling van den baard.—Kleur der
huid.—Overzicht.
Wij hebben in het vorige hoofdstuk gezien, dat bij alle onbeschaafde
rassen versierselen, kleeding en uiterlijk aanzien op hoogen prijs
worden gesteld, en dat de mannen de schoonheid hunner vrouwen volgens
een zeer verschillenden maatstaf beoordeelen. Wij moeten nu
onderzoeken, of deze voorkeur en de daarvan het gevolg zijnde teeltkeus
gedurende vele geslachten van die vrouwen welke aan de mannen van elk
ras de meest aantrekkelijke schijnen, de kenmerken van de vrouwen,
alleen of van beide seksen had veranderd. Bij zoogdieren schijnt de
algemeene regel te zijn, dat kenmerken van alle soorten gelijkelijk
door de mannetjes en door de wijfjes worden overgeërfd; wij zouden
daarom mogen verwachten, dat bij den mensch elk door seksueele
teeltkeus door de vrouwen verkregen kenmerk gewoonlijk op de
nakomelingschap van beiderlei sekse zou zijn overgeplant. Indien eenige
verandering op die wijze is voortgebracht, is het bijna zeker, dat de
verschillende rassen op verschillende wijze zullen zijn gewijzigd, daar
elk zijn eigen maatstaf van schoonheid heeft.
Bij den mensch, vooral bij wilden, storen vele oorzaken de werking der
seksueele teeltkeus, voorzoover het lichamelijk maaksel aangaat.
Beschaafde menschen worden in hooge mate aangetrokken door de
geestelijke bekoorlijkheden der vrouwen, door haar rijkdom, en
voornamelijk door haar maatschappelijken rang; want mannen huwen zelden
ver beneden hun stand. Die mannen welke het best slagen in het
verkrijgen der schoonere vrouwen, zullen geen beter kans hebben om een
lange lijn van nakomelingen na te laten dan andere mannen met leelijker
vrouwen, met uitzondering van de weinige die hun vermogen volgens de
wet der eerstgeboorte vermaken. Wat den tegenovergestelden vorm van
teeltkeus, namelijk van de meer aantrekkelijke mannen door de vrouwen
aangaat, zoo heeft op de keus der vrouwen, hoewel zij bij beschaafde
natiën een vrije of bijna vrije keus hebben, hetgeen bij barbaarsche
rassen niet het geval is, de maatschappelijke rang en rijkdom der
mannen een grooten invloed; en de voorspoed van deze laatsten in het
leven hangt in groote mate af van hun verstandelijke vermogens en
geestkracht (energie), of van de vruchten van die zelfde vermogens bij
hun voorvaders. Wij behoeven geen vergiffenis te vragen, dat wij dit
onderwerp eenigszins uitvoerig behandelen; want, gelijk de Duitsche
wijsgeer Schopenhauer opmerkt: „is het einddoel van alle
liefde-intriges, hetzij zij komisch of tragisch zijn, in werkelijkheid
belangrijker dan alle andere zaken in het menschelijk leven. Want het
komt geheel en al neêr op niets minder dan de samenstelling van het
volgende geslacht (generatie). Niet het geluk of ongeluk van eenig
bijzonder individu, maar dat van het geheele toekomstige menschdom
staat hier op het spel.” [494]
Er is echter reden om te gelooven, dat de seksueele teeltkeus bij
sommige beschaafde en half beschaafde volken eenigen invloed heeft
gehad. Vele personen zijn overtuigd en naar het mij schijnt terecht,
dat de leden van onze aristocratie, als men onder dit woord alle rijke
families verstaat, bij welke het recht van eerstgeboorte lang heeft
geheerscht, omdat zij gedurende vele geslachten de schoonste vrouwen
van alle klassen tot hun echtgenooten hebben gekozen, volgens den
Europeeschen maatstaf van schoonheid schooner zijn geworden, dan de
middelklassen; en toch zijn de middelklassen geplaatst onder
levensvoorwaarden die even gunstig zijn voor de volkomen ontwikkeling
van het lichaam. Cook merkt op, dat de meerdere voortreffelijkheid in
persoonlijke schoonheid, „die bij de areois of edelen op al de andere
eilanden (van den Stillen Oceaan) kan worden opgemerkt, op de
Sandwich-eilanden algemeen is”; doch dit kan hoofdzakelijk het gevolg
zijn van hun betere voeding en levenswijze.
De oude reiziger Chardin zegt, de Perzen beschrijvende, dat hun „bloed
tegenwoordig zeer is veredeld door veelvuldige kruisingen met de
Georgiërs en Circassiërs, twee volken die alle andere in persoonlijke
schoonheid overtreffen. Er is nauwelijks een man van rang in Perzië,
die niet uit een Georgische of Circassische moeder is geboren.” Hij
voegt er bij, dat zij hun schoonheid „niet erven van hun voorvaders;
want zonder bovenvermelde vermenging zouden de mannen van rang in
Perzië, die afstammelingen van de Tartaren zijn, uiterst leelijk
wezen”. [495] Zie hier een nog merkwaardiger geval: de priesteressen
die in den tempel van Venus Erycina te San-Giuliano in Sicilië den
dienst verrichtten, werden uit de schoonste vrouwen van geheel
Griekenland uitgezocht, zij waren geen Vestaalsche maagden, en
Quatrefages [496] aan wien deze mededeeling is ontleend, zegt, dat de
vrouwen van San-Giuliano nog tegenwoordig beroemd zijn als de schoonste
van het eiland, en door kunstenaars als modellen worden gezocht. Het is
echter klaarblijkelijk, dat de bewijzen in de bovengemelde gevallen
twijfelachtig zijn.
Het volgende geval verdient, hoewel op wilden betrekking hebbende,
wegens zijn merkwaardigheid wel hier te worden medegedeeld. De heer
Winwood Reade meldt mij, dat de Jollofs, een negerstam aan de westkust
van Afrika, „opmerkelijk zijn wegens hun algemeen fraai uiterlijk”. Een
zijner vrienden vraagde eens een dezer menschen: „hoe komt het, dat
iedereen dien ik ontmoet, er zoo fraai uitziet, niet slechts uw mannen,
maar ook uw vrouwen?” De Jollof antwoordde: „Dat is zeer gemakkelijk te
verklaren: het is altijd onze gewoonte geweest diegenen onzer slaven,
die een leelijk uiterlijk hadden, uit te zoeken en te verkoopen.” Het
behoeft hier nauwelijks te worden bijgevoegd, dat bij alle wilden de
slavinnen als bijwijven worden gebruikt. Dat deze neger, hetzij terecht
of ten onrechte, het fraaie uiterlijk van zijn stam zou hebben
toegeschreven aan de lang voortgezette eliminatie van de leelijke
vrouwen, is niet zoo verwonderlijk, als het wellicht op het eerste
gezicht schijnt, want ik heb elders [497] aangetoond, dat negers de
belangrijkheid van teeltkeus bij het fokken hunner huisdieren ten volle
naar waarde schatten, en zou op gezag van den heer Reade nog meer
bewijzen daarvoor kunnen mededeelen.
Over de Oorzaken die de Werking der Seksueele Teeltkeus bij Wilden
voorkomen of belemmeren.—De hoofdoorzaken zijn, ten eerste, zoogenaamde
communale huwelijken of algemeene vermenging (promiscuïteit); ten
tweede, kindermoord, vooral van vrouwelijke kinderen; ten derde, vroege
verlovingen; en eindelijk de geringschatting die men voor vrouwen, als
bloote slavinnen, gevoelt. Deze vier punten moeten eenigszins uitvoerig
worden beschouwd.