geel of purper gekleurd. Op vele plaatsen wordt het haar met
onderscheidene kleuren geverfd. In verschillende landen worden de
tanden zwart, rood, blauw, enz. geschilderd, en in Insulinde houdt men
het voor schandelijk witte tanden te hebben evenals die van een hond.
Niet één groot land kan worden genoemd, van de Poolstreken in het
Noorden tot Nieuw-Zeeland in het Zuiden, waar de inboorlingen zich niet
tatoeëeren. Dit gebruik was ook in zwang bij de oude Joden en bij de
oude Britten (8). In Afrika tatoeëeren zich sommige inboorlingen; maar
het is veel algemeener om opgezwollen naden te doen ontstaan door zout
te wrijven in op onderscheidene plaatsen van het lichaam gemaakte
insnijdingen; en deze worden door de bewoners van Kordofan en Darfoer
„voor groote persoonlijke aantrekkelijkheden gehouden.” In de Arabische
landen kan geen schoonheid volkomen zijn, voordat de wangen „of slapen
met insnijdingen zijn versierd.” [458] In Zuid-Amerika zou, gelijk
Humboldt opmerkt, „een moeder van laakbare onverschilligheid jegens
haar kinderen worden beschuldigd, wanneer zij geen kunstmiddelen
gebruikte om de kuit van het been volgens de mode van het land te
fatsoeneeren.” In de Oude en de Nieuwe Wereld werd de vorm van den
schedel vroeger gedurende de kindsheid op de meest buitengewone wijze
gewijzigd, gelijk nog op vele plaatsen het geval is, en dergelijke
misvormingen worden voor versieringen gehouden. De wilden van Columbia
[459] houden bij voorbeeld een zeer afgeplat hoofd voor „een wezenlijk
punt van schoonheid.”
Het haar wordt in onderscheidene landen met bijzondere zorg behandeld;
men laat het in zijn volle lengte groeien, zoodat het tot den grond
reikt, of het wordt samengekamd tot „een dichte opeengepakte kroesige
massa die de trots en roem van den Papoea is.” [460] In Noord-Afrika
„heeft een man een tijd van acht tot tien jaar noodig om zijn kapsel
volkomen te maken.” Bij andere volken wordt het hoofd geschoren, en in
deelen van Zuid-Amerika en Afrika worden zelfs de wenkbrauwen
uitgetrokken. De inboorlingen aan den Boven-Nijl slaan zich de vier
voorste tanden uit, zeggende, dat zij niet op redelooze dieren wenschen
te gelijken. Verder zuidwaarts slaan de Batoka’s zich de twee bovenste
snijtanden uit, hetgeen, gelijk Livingstone [461] opmerkt, het gelaat
een afzichtelijk voorkomen geeft, ten gevolge van den groei van de
onderkaak; doch dit volk houdt de aanwezigheid van snijtanden voor
hoogst afzichtelijk, en riep bij het zien van eenige Europeanen uit:
„Kijk eens wat groote tanden!” Het groote opperhoofd Sebituani
beproefde te vergeefs deze mode te veranderen. In onderscheidene deelen
van Afrika en van Insulinde vijlen de inboorlingen hun snijtanden
puntig toe, evenals de tanden van een zaag, of boren er gaten in,
waarin zij pennetjes steken.
Evenals bij ons hoofdzakelijk het gelaat wegens zijn schoonheid wordt
bewonderd, is het bij de wilden de hoofdzetel der verminking. In alle
deelen der wereld worden het neusschot en zeldzamer de neusvleugels
doorboord en in de gaten ringen, stukken hout, vederen en andere
sieraden gestoken. De ooren worden overal doorboord en op soortgelijke
wijze versierd, en bij de Botocudo’s en Lengua’s van Zuid-Amerika wordt
het gat langzamerhand zooveel grooter gemaakt, dat de onderste rand van
de oorlel den schouder aanraakt. In Noord- en Zuid-Amerika en in Afrika
wordt hetzij de boven-, hetzij de onderlip doorboord, en bij de
Botocudo’s is het gat in de onderlip zoo groot, dat een houten schijf
van een decimeter middellijn er in wordt geplaatst. Mantegazza geeft
merkwaardige mededeelingen omtrent de schaamte die een inboorling van
Zuid-Amerika gevoelde, en van de bespotting waaraan hij zich
blootstelde, toen hij zijn tembeta verkocht,—het groote gekleurde stuk
hout, dat door het gat wordt gestoken. In Centraal-Afrika doorboren de
vrouwen de onderlip en dragen een kristal daarin, dat ten gevolge van
de beweging van de tong „gedurende het gesprek een onbeschrijfelijke
belachelijke trillende beweging” aanneemt. De vrouw van het opperhoofd
van Latoeka zeide aan Sir S. Baker [462], dat „diens vrouw er veel
beter uit zou zien, als zij de vier voorste tanden uit haar onderkaak
wilde trekken en het lange puntige gepolijste kristal in haar onderlip
wilde dragen.” Verder zuidwaarts bij de Makololo wordt de bovenlip
doorboord en een groote ring van metaal en bamboes, pelelé genaamd, in
het gat gedragen. Dit maakte in één geval, dat de lip vijf centimeter
voor de punt van den neus uitstak, en als de dame lachte, hief de
samentrekking der spieren de lip tot over de oogen op. „Waarom dragen
de vrouwen deze dingen?” werd aan het eerwaardige opperhoofd Chinsurdi
gevraagd. Blijkbaar verwonderd over zulk een domme vraag, antwoordde
deze: „Voor het mooi! Het zijn de eenige mooie dingen die de vrouwen
hebben; de mannen hebben baarden, de vrouwen niet. Wat voor een soort
van persoon zou zij zijn zonder de pelelé? Zij zou in het geheel geen
vrouw zijn met een mond evenals een man, doch zonder baard.” [463]
Nauwelijks eenig deel van het lichaam, dat voor onnatuurlijke wijziging
vatbaar is, is daaraan ontkomen. De som van het daardoor veroorzaakte
lijden moet verwonderlijk groot zijn geweest, want vele der
kunstbewerkingen vereischen voor haar voltooiing verscheidene jaren,
zoodat het denkbeeld van haar noodzakelijkheid gebiedend moet zijn. De
beweegredenen zijn van verschillenden aard; de mannen beschilderen hun
lichamen om er bij het gevecht verschrikkelijk uit te zien; sommige
verminkingen staan in verband met godsdienstige plechtigheden, of zij
geven den manbaren leeftijd te kennen, of den rang van den man, of zij
dienen om de stammen te onderscheiden. Daar bij wilden dezelfde modes
gedurende lange tijdperken heerschen [464], worden verminkingen, om
welke oorzaak zij ook eerst waren gemaakt, ten laatste onderscheidende
kenteekenen. Doch versiering van zich zelf, ijdelheid, en de
bewondering van anderen schijnen de meest gewone beweegredenen te zijn.
Wat het tatoeëeren aangaat, zeiden mij de zendelingen in Nieuw-Zeeland,
dat, toen zij eenige meisjes trachtten te overreden om die gewoonte te
laten varen, deze antwoordden: „Wij moeten toch een paar strepen op
onze lippen hebben; anders zullen wij, als wij oud worden, zoo ijselijk
leelijk zijn.” Omtrent de mannen van Nieuw-Zeeland zegt een hoogst
bevoegd beoordeelaar [465], „dat het voor de jonge mannen een groot
punt van eerzucht is om fraai getatoeëerde aangezichten te hebben,
zoowel om zich voor de dames aantrekkelijk als om zich in den oorlog in
het oog vallend te maken.” Een op het voorhoofd getatoeëerde ster en
een vlek op de kin worden door de vrouwen in één deel van Afrika voor
onwederstaanbare aantrekkelijkheden gehouden. [466] In de meeste, maar
niet in alle deelen van de wereld zijn de mannen in hooger mate
versierd dan de vrouwen, en dikwijls op een verschillende wijze:
somtijds, ofschoon zelden, zijn de vrouwen bijna in het geheel niet
versierd. Evenals de wilden de vrouwen het grootste gedeelte van den
arbeid laten verrichten en haar niet toestaan de beste soorten van
voedsel te eten, zoo stemt het ook met de eigenaardige zelfzucht van
den man overeen, dat zij geen verlof mogen hebben om de fraaiste
versierselen te verkrijgen of te gebruiken. Eindelijk is het een
opmerkelijk feit, dat, gelijk door de voorgaande aanhalingen wordt
bewezen, de zelfde wijzen om den vorm van het hoofd te wijzigen, om het
haar op te maken, om zich te beschilderen, om zich te tatoeëeren, om
den neus, de lippen of de ooren te doorboren, om de tanden uit te
trekken of af te vijlen, enz., op dit oogenblik heerschen en hebben
geheerscht in de verst van elkander verwijderde streken der wereld. Het
is uiterst onwaarschijnlijk, dat deze gebruiken welke bij zoovele
verschillende volken in zwang zijn, op een uit de eene of andere
gemeenschappelijke bron ontsproten overlevering wijzen. Zij wijzen veel
meer op de groote gelijkvormigheid van den geest bij den mensch, tot
welk ras hij ook moge behooren, op de zelfde wijze als de bijna
algemeene gewoonten om te dansen, zich te vermommen en ruwe
afbeeldingen te maken.
Na deze voorloopige opmerkingen te hebben gemaakt omtrent de
bewondering die door wilden wordt gevoeld voor onderscheidene
versierselen en voor in onze oogen hoogst afzichtelijke misvormingen,
willen wij zien, in hoever de mannen worden aangetrokken door het
uiterlijk aanzien hunner vrouwen, en welke hun denkbeelden over
schoonheid zijn. Daar ik heb hooren volhouden, dat wilden volkomen
onverschillig zijn omtrent de schoonheid hunner vrouwen en haar alleen
als slavinnen waardeeren, zal het goed zijn op te merken, dat dit
besluit volstrekt niet overeenstemt met de zorg welke de vrouwen
besteden om zich te versieren, of met haar ijdelheid. Burchell [467]
doet een vermakelijk verhaal van een vrouwelijke Bosjesman die zooveel
vet, roode oker en blinkend poeder gebruikte, „dat zij ieder ander dan
een zeer rijk echtgenoot zou hebben geruïneerd.” Zij spreidde ook „veel
ijdelheid en een te klaarblijkelijke bewustheid van haar meerdere
voortreffelijkheid ten toon.” De heer Winwood Reade deelt mij mede, dat
de Negers van de Westkust dikwijls de schoonheid hunner vrouwen
bespreken. Sommige bevoegde waarnemers hebben de vreeselijk verspreide
gewoonte van kindermoord gedeeltelijk toegeschreven aan de door de
vrouwen gevoelde begeerte om haar goed uiterlijk te bewaren. [468] In
onderscheidene streken dragen de vrouwen amuletten of gebruiken
minnedranken om de toegenegenheid der mannen te verkrijgen; en de heer
Brown noemt vier planten op, die door vrouwen van Noordwest-Amerika tot
dit doel worden gebruikt. [469]
Hearne [470] die vele jaren onder de Amerikaansche Indianen doorbracht,
en die een uitnemend waarnemer was, zegt, van de vrouwen sprekende:
„Vraag een Noordelijken Indiaan, wat schoonheid is, en hij zal
antwoorden: een breed plat aangezicht, kleine oogen, hooge
jukbeenderen, drie of vier breede zwarte lijnen dwars over elke wang,
een laag voorhoofd, een groote breede kin, een ineengedrongen haakneus,
een tanige huid, en borsten die tot den gordel nederhangen.” Pallas die
de Noordelijke gedeelten van het Chineesche rijk bezocht, zegt: „aan
die vrouwen wordt de voorkeur gegeven, welke den Mandschoe-vorm
bezitten; dat wil zeggen, een breed gelaat, hooge jukbeenderen, zeer
breede neuzen en verbazend groote oogen” [471]; en Vogt merkt op, dat
de schuinheid van het oog, die aan de Chineezen en Japanneezen eigen
is, in hun schilderijen wordt overdreven, naar het schijnt, met het
doel „om er de schoonheid van te doen uitkomen, in tegenstelling met
het oog der roodharige barbaren.” Het is welbekend, gelijk Huc
herhaaldelijk opmerkt, dat de Chineezen van het binnenland de
Europeanen met hun blanke huid en vooruitstekende neuzen voor
afgrijselijk leelijk houden. De neus is ver van te vooruitstekend te
zijn, volgens onze denkbeelden, bij de inboorlingen van Ceylon; toch
„stonden de Chineezen in de zevende eeuw, gewend als zij waren aan de
platte gelaatstrekken der Mongoolsche rassen, verbaasd over de
vooruitstekende neuzen der Singaleezen”; en Thsang beschrijft hen als
hebbende „den snavel van een vogel met het lichaam van een mensch.”
Finlayson zegt, na het volk van Cochin-China zeer nauwkeurig te hebben
beschreven, dat hun ronde hoofden en aangezichten hun voornaamste
kenmerken zijn; en hij voegt er bij, „de rondheid van het geheele
voorkomen is nog sterker uitgedrukt bij de vrouwen wier schoonheid voor
des te grooter wordt gehouden, naarmate zij dezen gelaatsvorm meer
vertoonen.” De Siameezen hebben kleine neuzen met uit elkander staande
neusgaten, een grooten mond, vrij dikke lippen, een opmerkelijk breed
gelaat met zeer hooge en breede jukbeenderen. Het is daarom niet te
verwonderen, dat „schoonheid volgens onze begrippen voor hen een
vreemdelinge is. Toch beschouwen zij hun eigen vrouwen als veel
schooner dan die uit Europa.” [472]
Het is welbekend, dat bij vele Hottentotsche vrouwen het achterdeel van
het lichaam op verwonderlijke wijze achteruitsteekt; zij zijn
steatopygisch (9), en Sir Andrew Smith is overtuigd, dat deze
bijzonderheid door de mannen in hooge mate werd bewonderd. [473] Hij
zag eens een vrouw die voor een schoonheid werd gehouden, en zij was
van achteren zoo verbazend ontwikkeld, dat zij, als zij op den vlakken
grond zat, niet op kon staan en zich zoo lang moest inspannen om
vooruit te komen, tot zij aan een helling kwam. Bij verschillende
negerstammen bezitten sommige vrouwen het zelfde kenmerk; en, volgens
Burton, „zegt men, dat de Somali-mannen hun vrouwen kiezen door haar op
een rij te zetten en diegene uit te zoeken, die a tergo (10) het meest
vooruitsteekt. Niets kan voor een neger hatelijker zijn dan de
tegenovergestelde vorm.” [474]
Wat de kleur aangaat, bespotten de negers Mungo Park wegens de
blankheid zijner huid en het vooruitsteken van zijn neus, hetwelk zij
beide als „afzichtelijke en onnatuurlijke mismaaktheden” beschouwden.
Hij beantwoordde dit door de glanzende zwartheid hunner huid en de
bekoorlijke platheid hunner neuzen te prijzen; dit, zeiden zij, was
vleierij („honigmond”); maar toch gaven zij hem voedsel. Ook de
Afrikaansche Mooren „fronsten hun wenkbrauwen en schenen te rillen” van
de blankheid zijner huid. Op de Oostkust riepen de negerjongens, toen
zij Burton zagen, uit: „Kijk dien blanken man eens; ziet hij er niet
uit als een witte aap?” Op de Westkust bewonderen de Negers, gelijk de
heer Windwood Reade mij mededeelt, een zeer zwarte huid meer dan een
van lichtere tint. Hun afschuw van blankheid moet echter, volgens dezen
zelfden reiziger, worden toegeschreven aan het geloof, dat bij de
meeste negers heerscht, dat duivels en geesten blank zijn.
De Banyai van het meer zuidelijke gedeelte van het vasteland zijn
negers; „maar een groot aantal van hen zijn van een lichte op koffie
met melk gelijkende kleur, en die kleur wordt inderdaad door het
geheele land heên voor schoon gehouden”; zoodat wij hier een
verschillenden maatstaf van smaak hebben. Bij de Kaffers die veel van
de Negers verschillen, is „de huid, behalve onder de stammen in de
nabijheid van de Delagoa-baai, over het algemeen niet zwart, daar de
heerschende kleur een mengsel van zwart en rood en de meest gewone
schakeering chocoladebruin is. Een donkere huidskleur wordt, daar zij
het meest algemeen is, natuurlijk het hoogst geschat. Te hooren, dat
hij licht van kleur is, of op een blanke gelijkt, zou bij een Kaffer
voor een zeer schraal compliment worden gehouden. Ik heb van éénen
rampzaligen man gehoord, die zoo bijzonder blank was, dat geen enkel
meisje hem wilde huwen.” Een der titels van den koning der
Zoeloe-Kaffers is: „Gij die zwart zijt.” [475] De heer Galton merkte,
met mij over de inboorlingen van Zuid-Afrika sprekende, op, dat hun
denkbeelden van schoonheid zeer verschillend van de onze schijnen te
zijn; want in éénen stam werden twee slanke, tengere en mooie meisjes
door de inboorlingen niet bewonderd.
Laten wij ons nu tot andere deelen der wereld wenden. Op Java wordt een
geel, niet een blank meisje volgens mevrouw Pfeiffer voor een
schoonheid gehouden. Een man uit Cochin-China „zeide met verachting van
de vrouw van den Engelschen gezant, dat zij witte tanden had, evenals
een hond, en een rosé kleur, evenals die van aardappelbloesems.” Wij
hebben gezien, dat de Chineezen onze blanke huid leelijk vinden en dat
de Noord-Amerikanen „een tanige huid” bewonderen. In Zuid-Amerika zijn
de Yura-Cara’s die de met bosschen begroeide vochtige hellingen van de
oostelijke Cordilleras bewonen, opmerkelijk bleek gekleurd, gelijk hun
naam in hun eigen taal uitdrukt; desniettemin beschouwen zij de
Europeesche vrouwen als veel leelijker, dan de hunne. [476]
Bij onderscheidene Noord-Amerikaansche stammen groeit het hoofdhaar tot
een verwonderlijke lengte; en Catlin geeft een merkwaardig bewijs, hoe
hoog dit wordt geschat; want het opperhoofd der Kraai-Indianen werd tot
zijn ambt verkozen, omdat hij het langste haar van alle mannen van den
stam had; het was namelijk 3,22 meter lang. De Aymara’s en Quichua’s
van Zuid-Amerika hebben eveneens zeer lang haar; en dit wordt, gelijk
de heer D. Forbes mij mededeelt, wegens de schoonheid zoo hoog
gewaardeerd, dat het afsnijden er van de strengste straf was, die hij
hun op kon leggen. Op beide helften van het vasteland vermeerderen de
inboorlingen somtijds de schijnbare lengte van hun haar door er
vezelige stoffen doorheên te vlechten. Hoewel het haar op het hoofd dus
bemind is, wordt dat op het gelaat door de Noord-Amerikaansche Indianen
„voor zeer gemeen” gehouden en elk haartje zorgvuldig uitgetrokken. Dit
gebruik heerscht door het geheele Amerikaansche vasteland heen van
Vancouver’s Eiland in het noorden tot Vuurland in het zuiden. Toen York
Minster, een Vuurlander aan boord van de „Beagle”, naar zijn land werd
teruggebracht, zeiden hem de inboorlingen, dat hij de weinige korte
haren op zijn aangezicht moest uittrekken. Zij dreigden ook een jongen
zendeling die voor een tijd lang bij hen was gelaten, hem naakt uit te
kleeden en de haren van zijn aangezicht en lichaam uit te trekken, en
toch was hij lang geen harig man. Deze mode werd tot zulk een uiterste
gedreven, dat de Indianen van Paraguay hun wenkbrauwen en oogharen
uittrekken, zeggende, dat zij niet op paarden wenschen te gelijken.
[477]
Het is opmerkelijk, dat door de geheele wereld heên de rassen die bijna
volstrekt geen baard hebben, haren op het aangezicht en het lichaam
leelijk vinden, en zich moeite geven om ze uit te trekken. De Kalmukken
zijn baardeloos, en het is welbekend, dat zij, evenals de Amerikanen,
de enkele haartjes die zich hier of daar nog vertoonen, uittrekken; en
evenzoo gaat het bij de Polynesiërs, sommige Maleiers en de Siameezen.
De heer Veitch zegt, dat de Japansche vrouwen „allerlei bedenkingen
maakten tegen onze bakkebaarden, die voor zeer leelijk hielden, en ons
raadden ze af te scheren en er als Japansche mannen uit te zien.” De
Nieuw-Zeelanders zijn baardeloos; zij plukken zich zorgvuldig de haren
uit het gelaat, en hebben een spreekwoord dat luidt: „Er is geen vrouw
voor een harig man.” [478]
Gebaarde rassen daarentegen bewonderen hun baarden en waardeeren ze
hoog; bij de Angelsaksers had ieder deel van het lichaam volgens hun
wetten een erkende waarde; „het verlies van den baard werd op twintig
shilling (ƒ 12) geschat, terwijl op het breken van het dijbeen slechts
twaalf shilling (ƒ 7,20) stond.” [479] In het Oosten zweren de mannen
plechtig bij hun baard. Wij hebben gezien, dat Chinsurdi, het
opperhoofd van Makalolo in Afrika, blijkbaar dacht, dat baarden een
groote versiering waren. Bij de Fidsji-eilanders in den Stillen Oceaan
is de baard „welig en ruig en is hun grootste trots”; terwijl de
bewoners van de naburige archipels van Tonga en Samoa „baardeloos zijn
en een ruige kin verafschuwen.” Alleen op één eiland van de
Ellice-groep „zijn de mannen sterk gebaard en niet weinig trotsch
daarop.” [480]
Wij zien dus, hoezeer de verschillende menschenrassen in hun smaak voor
het schoone verschillen. Bij iedere natie, ontwikkeld genoeg om
afbeeldingen van haar goden of tot goden verheven wetgevers te maken,
hebben de beeldhouwers hun best gedaan om hun hoogste ideaal van
schoonheid en grootheid uit te drukken. [481] Uit dit oogpunt is het
nuttig in onzen geest den Jupiter of Apollo der Grieken met de
Egyptische of Assyrische beelden, en deze op hun beurt met de
afzichtelijke bas-reliefs op de verwoeste gebouwen van Centraal-Amerika
te vergelijken.
Ik heb zeer weinig opgaven ontmoet, die met het bovenvermelde besluit
in strijd waren. De heer Winwood Reade die ruimschoots gelegenheid tot
waarneming heeft gehad, niet alleen op de Negers van de Westkust van
Afrika, maar ook op die uit de binnenlanden, is overtuigd, dat hun
denkbeelden van schoonheid over het geheel de zelfde zijn als de onze.
Hij heeft herhaaldelijk bevonden, dat hij met de Negers overeenkwam in
hun waardeering van de schoonheid der inlandsche meisjes, en dat hun
oordeel over de schoonheid van Europeesche vrouwen niet van het onze
afweek. Zij bewonderen lang haar en gebruiken kunstmiddelen om het
overvloedig te doen schijnen; zij bewonderen ook een baard, hoewel zij
zelf zeer spaarzaam daarvan zijn voorzien. De heer Reade is in twijfel,
welke soort van neus het hoogst wordt geschat; men heeft een meisje
hooren zeggen: „ik heb geen zin met hem te trouwen, hij heeft geen
neus”; en dit bewijst, dat een zeer platte neus geen voorwerp van
bewondering is. Wij moeten echter bedenken, dat de zeer platte en
breede neuzen en vooruitstekende kaken van de Negers van de Westkust
exceptioneele typen bij de inwoners van Afrika zijn. Niettegenstaande
de voorgaande opgaven, houdt de heer Reade het niet voor
waarschijnlijk, dat negers ooit „aan de schoonste Europeesche vrouw
bloot op grond van physieke bewondering boven een negerin die er goed
uitzag, de voorkeur zouden geven” [482].
De waarheid van het beginsel waarop Humboldt reeds voor langen tijd met
aandrang heeft gewezen [483], dat de mensch alle kenmerken, welke ook,
die de natuur hem heeft gegeven, bewondert en tracht te overdrijven,
wordt op vele wijzen aangetoond. De gewoonte van baardelooze rassen om
elk spoor van een baard en over het algemeen ook alle haren op het
lichaam uit te trekken, levert daarvan een voorbeeld op. De schedel is
gedurende oude en nieuwe tijden door vele volken zeer gewijzigd; en er
kan weinig twijfel bestaan, dat dit, vooral in Noord- en Zuid-Amerika,
is gedaan om de eene of andere natuurlijke en bewonderde bijzonderheid
te overdrijven. Het is bekend, dat vele Amerikaansche Indianen een
hoofd bewonderen, hetwelk in zoo hooge mate is afgeplat, dat het ons op
dat van een idioot schijnt te gelijken. De inboorlingen aan de
Noord-Westkust drukken het hoofd in den vorm van een puntigen kegel
samen, en het is hun standvastige gewoonte het haar in een knoop op de
kruin van het hoofd bijeen te zamelen, om zoo, gelijk Dr. Wilson
opmerkt, „de schijnbare hoogte van den geliefden kegelvorm te
vergrooten.” De bewoners van Arakhan „bewonderen een breed, glad
voorhoofd, en om dat voort te brengen, bevestigen zij een looden plaat
op het voorhoofd hunner pasgeboren kinderen.” Bij de Fidsji-eilanders
daarentegen „wordt een breed, goed afgerond voorhoofd als een groote
schoonheid beschouwd.” [484]
Evenals met den schedel, is het ook met den neus; de oude Hunnen
gedurende den tijd van Attila waren gewoon de neuzen van hun kinderen
door middel van verbanden plat te maken, „om daardoor een hun van
nature eigen kenmerk te overdrijven.” Bij de bewoners van Otaheite
wordt de naam langneus als een beleediging beschouwd, en zij drukken de
neuzen en voorhoofden hunner kinderen ter wille der schoonheid samen.
Evenzoo is het bij de Maleiers van Sumatra, de Hottentotten, sommige
Negers, en de inboorlingen van Brazilië. [485] De Chineezen hebben van
nature buitengewoon kleine voeten [486]; en het is welbekend, dat de
vrouwen van de hoogere klassen haar voeten misvormen om ze nog kleiner
te maken (11). Eindelijk denkt Humboldt, dat de Amerikaansche Indianen
hun lichamen daarom gaarne met roode verf besmeren om hun natuurlijke
kleur te overdrijven; en tot voor korten tijd verhoogden Europeesche
vrouwen haar natuurlijke levendige kleuren door middel van rood en wit
blanketsel; maar ik betwijfel, of vele barbaarsche volken eenige
dergelijke bedoeling hebben gehad, als zij zich beschilderden.