menschen in wilden staat hebben gedurende vele geslachten om het bezit
der vrouwen gestreden. Eenvoudige lichamelijke kracht en groote
gestalte zouden echter slechts weinig tot de zegepraal bijdragen,
wanneer zij niet waren verbonden met moed, volharding en onverschrokken
geestkracht. Bij sociale dieren moeten de jonge mannetjes menigen
strijd doorstaan, voor zij een wijfje winnen en de oude mannetjes
kunnen hun wijfjes alleen door hernieuwde gevechten behouden. Zij
moeten ook, in het geval van den mensch, hun wijfjes en ook hun jongen
tegen allerlei soort van vijanden verdedigen en voor hun
gemeenschappelijk onderhoud op de jacht gaan. Om echter vijanden te
vermijden of hen met goed gevolg aan te vallen, om wilde dieren te
vangen en wapenen uit te vinden en te fatsoeneeren, wordt de hulp van
hoogere geestvermogens, namelijk waarnemingsvermogen, rede,
uitvindingsvermogen of verbeeldingskracht vereischt. Deze
onderscheidene vermogens zullen dus voortdurend op de proef zijn
gesteld en gedurende den manbaren leeftijd voor de voortteling
uitgekozen; zij zullen daarenboven gedurende dit zelfde levenstijdperk
door het gebruik zijn versterkt. Derhalve mochten wij, in
overeenstemming met het meermalen aangehaalde beginsel, verwachten, dat
zij minst genomen een neiging zouden bezitten om hoofdzakelijk op de
mannelijke sekse op den overeenkomstigen mannelijken leeftijd te worden
overgeplant.
Wanneer nu twee mannen, of een man en een vrouw, die alle
geestvermogens in gelijke volkomenheid bezitten, met uitzondering dat
de eene grooter geestkracht, volharding en moed heeft, met elkander in
wedstrijd komen, zal over het algemeen die eene de uitnemendste blijken
te zijn en de zegepraal behalen, wat ook het onderwerp van den
wedstrijd moge zijn. [442] Hij mag worden gezegd genie te bezitten:
want een groote autoriteit heeft verklaard, dat genie geduld is, en
geduld, in dezen zin, beteekent onversaagde, onbezweken volharding. Dit
begrip van genie is echter wellicht onvolledig; want zonder de hoogere
vermogens van verbeeldingskracht en rede kan men in vele zaken niet op
uitnemende wijze slagen. Deze laatste vermogens zullen zich echter even
goed als de vorige bij den man hebben ontwikkeld, gedeeltelijk door de
seksueele teeltkeus,—dat is, door den wedstrijd van de mannetjes die
elkanders medeminnaars waren, en gedeeltelijk door natuurlijke
teeltkeus,—dat is, door voorspoed in den algemeenen strijd om het
leven; en daar in beide gevallen de strijd gedurende den volwassen
leeftijd plaats zal hebben gehad, zullen de daardoor verkregen
kenmerken meer volkomen op de mannelijke dan op de vrouwelijke
nakomelingschap zijn overgeplant. Het komt met de meening, dat sommige
onzer vermogens door seksueele teeltkeus zijn gewijzigd of versterkt,
overeen, ten eerste, dat zij, gelijk algemeen wordt aangenomen, tegen
den tijd waarop men manbaar wordt, een aanmerkelijke verandering
ondergaan, en, ten tweede, dat gesnedenen gedurende hun geheele leven
in die zelfde hoedanigheden lager ontwikkeld blijven. Zoo is ten
laatste de man verstandelijk de meerdere van de vrouw geworden. Het is
inderdaad gelukkig, dat de wet van gelijke overplanting van kenmerken
op beide seksen over het geheel door de geheele Klasse der Zoogdieren
heên de overhand heeft behouden; want het is waarschijnlijk, dat anders
de man in geestelijke begaafdheid evenveel uitnemender zou zijn
geworden dan de vrouw, als de pauw in sierlijkheid van gevederte
uitnemender is geworden dan de pauwin.
Men moet steeds bedenken, dat de neiging van door een van beide seksen
in een laat levenstijdperk verkregen kenmerken om op de zelfde sekse op
den zelfden leeftijd te worden overgeplant, en van op vroegen leeftijd
verkregen kenmerken om op beide seksen te worden overgeplant, regels
zijn, die, hoewel over het algemeen wel, toch niet altijd steek houden.
Gingen zij altijd door, dan zouden wij mogen besluiten (ik ga hier
echter eenigszins buiten de grenzen die ik mij had gesteld), dat de
overgeërfde gevolgen van de vroege opvoeding van jongens en meisjes
gelijkelijk op beide seksen zouden worden overgeplant, zoodat de
tegenwoordige ongelijkheid in geestvermogens tusschen de beide seksen
niet door een gelijken gang van hun vroege opvoeding zou kunnen worden
uitgewischt, en ook niet door hun ongelijke vroege opvoeding kan zijn
veroorzaakt. Opdat de vrouw de zelfde hoogte als de man zou bereiken,
zou zij, wanneer zij bijna volwassen was, tot geestkracht en volharding
opgeleid, en zouden haar rede en verbeeldingskracht zoo sterk mogelijk
moeten worden geoefend, en dan zou zij waarschijnlijk deze
hoedanigheden voornamelijk op haar volwassen dochters overplanten. De
vrouwen, als geheel beschouwd, zouden daardoor echter niet tot hooger
ontwikkeling kunnen worden gebracht; tenzij gedurende vele generaties
de vrouwen die in bovengenoemde krachtige deugden uitmuntten, huwden,
en een grooter aantal kinderen voortbrachten, dan andere vrouwen.
Gelijk vroeger ten opzichte van lichaamskracht werd opgemerkt, moeten
de mannen, hoewel zij heden ten dage niet vechten om vrouwen te
verkrijgen, en deze vorm van teeltkeus is voorbijgegaan, toch over het
algemeen gedurende hun mannelijken leeftijd een heftigen strijd voeren
om zich zelven en hun huisgezinnen te onderhouden; en dit zal een
neiging doen ontstaan om hun geestvermogens, en bij gevolg de
tegenwoordige ongelijkheid tusschen de seksen, op de zelfde hoogte te
houden of zelfs te vergrooten. [443]
Stem en Muzikale Vermogens.—Bij sommige soorten van Vierhandigen
(Quadrumana) is er op volwassen leeftijd een groot verschil tusschen de
seksen in de kracht van haar stem en in de ontwikkeling der
stemorganen; en de man schijnt dit verschil van zijn vroege stamouders
te hebben geërfd. Zijn stembanden zijn ongeveer een derde langer dan
bij de vrouw of bij jongens, en ontmanning brengt op hem de zelfde
uitwerking voort als op de lagere dieren; want zij doet „dien sterken
groei van het schildvormige kraakbeen enz. ophouden, die de verlenging
der stembanden vergezelt.” [444] Met betrekking tot de oorzaak van dit
verschil tusschen de seksen, heb ik niets te voegen bij de in het
vorige hoofdstuk gemaakte opmerkingen omtrent de waarschijnlijke
gevolgen van het lang voortgezet gebruik van de stemorganen door het
mannetje onder den prikkel van liefde, woede en ijverzucht. Volgens Sir
Duncan Gibb [445] verschilt de stem bij de verschillende
menschenrassen; en bij de inboorlingen van Tartarije, China enz.,
verschilt de stem van den man, naar men zegt, niet zooveel van die der
vrouw, als bij de meeste andere rassen.
Het vermogen om te zingen of muziek te maken en het behagen scheppen
daarin, mag, hoewel het bij den mensch geen seksueel kenmerk is, hier
niet stilzwijgend worden voorbijgegaan. Hoewel de door allerlei soort
van dieren voortgebrachte geluiden tot vele doeleinden dienen, kan toch
nadrukkelijk worden verzekerd, dat de stemorganen oorspronkelijk werden
gebruikt en volkomener gemaakt in verband met de voortplanting van de
soort. Insekten en eenige weinige Spinnen zijn de laagste dieren die
eenig willekeurig geluid voortbrengen; en dit wordt over het algemeen
bewerkstelligd met behulp van schoon gebouwde sjirporganen die dikwijls
alleen tot de mannetjes zijn beperkt. De aldus voortgebrachte klanken
bestaan, ik geloof in alle gevallen, uit den zelfden toon die
rhythmisch wordt herhaald [446]; en dit is soms aangenaam zelfs voor de
ooren van den mensch. Hun voornaamste en in sommige gevallen
uitsluitend gebruik schijnt te zijn om de andere sekse te roepen of te
bekoren.
De door Visschen voortgebrachte geluiden worden, naar men zegt, in
sommige gevallen alleen door de mannetjes gedurende den paartijd
gemaakt. Al de luchtademende Gewervelde Dieren bezitten noodzakelijk
een toestel om lucht in te ademen en uit te blazen met een pijp die
vatbaar is om aan het einde te worden gesloten. Als dus de
oorspronkelijke leden van deze Klasse (4) sterk werden opgewekt en hun
spieren hevig samengetrokken, zullen bijna zeker doellooze geluiden
zijn voortgebracht; en deze zouden, als zij op eenige wijze nuttig
bleken te zijn, gemakkelijk kunnen zijn gewijzigd of versterkt door het
bewaard blijven van daartoe geschikte afwijkingen. De Amphibieën zijn
de laagste luchtademende Gewervelde Dieren, en vele van deze dieren,
namelijk kikvorschen en padden, bezitten stemorganen die gedurende den
paartijd onophoudelijk worden gebruikt, en die dikwijls hooger
ontwikkeld zijn bij het mannetje dan bij het wijfje. Alleen het
mannetje van de Schildpad maakt een geluid en dit alleen gedurende het
jaargetijde der liefde. Mannelijke Alligators brullen of loeien
gedurende het zelfde jaargetijde. Iedereen weet, op hoe groote schaal
Vogels hun stem gebruiken als een middel om het hof te maken; en
sommige soorten voeren ook iets uit, dat instrumentale muziek zou mogen
worden genoemd.
In de Klasse der Zoogdieren waarmede wij hier meer bijzonder hebben te
maken, gebruiken de mannetjes van bijna alle soorten hun stemmen
gedurende den paartijd veel meer dan op eenigen anderen tijd; en
sommigen zijn volkomen stom behalve gedurende dien tijd van het jaar.
Van andere soorten gebruiken beide seksen of alleen de wijfjes, haar
stemmen als een liefderoepstem. Als men deze feiten overweegt en tevens
in het oog houdt, dat de stemorganen van sommige viervoetige dieren bij
het mannetje veel meer zijn ontwikkeld dan bij het wijfje, en wel
hetzij bestendig of slechts tijdelijk gedurende den paartijd, en verder
dat bij de meeste lagere Klassen de door het mannetje voortgebrachte
tonen niet alleen dienen om het wijfje te roepen, maar ook om haar op
te wekken of te lokken, is het een verwonderingwekkend feit, dat wij
tot dusverre nog geen enkel goed bewijs hebben, dat deze organen door
mannelijke Zoogdieren worden gebruikt om de wijfjes te bekoren. De
Amerikaansche zwarte brulaap (Mycetes caraya) vormt misschien een
uitzondering, gelijk waarschijnlijk ook een van die apen doet, welke
nader bij den mensch komen, namelijk, de Hylobates agilis. Deze gibbon
heeft een uiterst luide doch muzikale stem. De heer Waterhouse getuigt
[447]: „Het scheen mij, dat bij het opklimmen en het afdalen van de
toonladder de intervallen altijd nauwkeurig halve tonen waren; en ik
ben zeker, dat de hoogste noot juist een octaaf hooger was dan de
laagste. De hoedanigheid der tonen is zeer muzikaal; en ik twijfel
niet, of een goed vioolspeler zou in staat zijn een nauwkeurig
denkbeeld te geven van de compositie van den gibbon, behalve wat haar
luidheid aangaat.” Daarna deelt de heer Waterhouse de noten mede.
Professor Owen die eveneens een beoefenaar van de muziek is, bevestigt
het voornoemde getuigenis, en voegt er bij, dat deze gibbon „het eenige
der redelooze („brute”) zoogdieren is, dat gezegd kan worden te
zingen.” (5) Hij schijnt na de uitvoering van zijn zang zeer opgewekt
te zijn. Ongelukkig zijn zijn gewoonten in den natuurstaat nooit
nauwkeurig waargenomen; maar wegens de analogie van bijna alle andere
dieren is het in hooge mate waarschijnlijk, dat hij zijn muzikale tonen
vooral gedurende het jaargetijde der liefde doet hooren.
De waarneming van muzikale maten en van den rhythmus, zooal niet het
behagen daarin, schijnt aan alle dingen gemeen te zijn, en hangt
ongetwijfeld van den gemeenschappelijken physiologischen aard van hun
zenuwstelsels af. Zelfs Schaaldieren (Crustacea) die niet in staat zijn
eenig willekeurig geluid te maken, bezitten zekere gehoorharen die men
in trilling heeft zien geraken [448], als de juiste muzikale tonen
werden aangeslagen [449]. Het is welbekend, dat sommige honden huilen,
wanneer zij bijzondere tonen hooren. Robben schijnen muziek op prijs te
stellen, en hun voorliefde daarvoor „was aan de ouden goed bekend, en
wordt nog heden ten dage dikwijls door de jagers benuttigd.”[449] Bij
al die dieren, namelijk Insekten, Amphibieën en Vogels, waarvan de
mannetjes gedurende het jaargetijde der liefde muzikale tonen of
eenvoudige rhythmische klanken voortbrengen, moeten wij aannemen, dat
de wijfjes in staat zijn die naar waarde te schatten, en daardoor
worden opgewekt of bekoord; anders zouden de onophoudelijke inspanning
der mannetjes en de samengestelde organen die somtijds uitsluitend door
hen worden bezeten, nutteloos zijn.
Bij den mensch neemt men algemeen aan, dat de zang de grondslag of
oorsprong der instrumentale muziek is. Daar noch het behagen in
muzikale tonen, noch het vermogen om ze voort te brengen voor den
mensch van eenig direct nut zijn met betrekking tot zijn gewone
levensverrichtingen, moeten zij worden gerangschikt onder de meest
geheimzinnige vermogens waarmede hij is begiftigd. Zij bestaan, hoewel
in een zeer ruwen en, naar het schijnt, bijna latenten toestand, bij
menschen van alle rassen, zelfs de wildste; maar zoo verschillend is de
smaak der verschillende rassen, dat onze muziek aan wilden niet het
minste genoegen verschaft, en hun muziek voor ons afgrijselijk en
zonder uitdrukking is. In eenige belangwekkende opmerkingen omtrent dit
onderwerp [450] twijfelt Dr. Seemann, „of zelfs onder de volken van
westelijk Europa, innig verbonden als zij zijn door nauw en veelvuldig
verkeer, de muziek van het eene door het andere in den zelfden zin
wordt opgevat. Als wij oostwaarts reizen, dan vinden wij, dat daar
zeker een andere muzikale taal is. Vreugdezangen en dansmuziek zijn
daar niet langer, gelijk bij ons, in de majeur-, maar altijd in de
mineur-toonsoorten.” Hetzij de half-menschelijke voorouders van den
mensch, evenals de bovenvermelde gibbon, het vermogen bezaten om
muzikale tonen voort te brengen en ongetwijfeld ook op prijs te
stellen, of niet, zoo hebben wij toch alle reden om te gelooven, dat de
mensch deze vermogens in een zeer verwijderd tijdperk bezat, want
zingen en muziek zijn uiterst oude kunsten. De dichtkunst die als de
dochter van den zang mag worden beschouwd, is eveneens zoo oud, dat
vele personen er zich over hebben verbaasd, dat zij gedurende de
vroegste tijden waarvan wij eenig bericht hebben, zou zijn ontstaan.
De muzikale vermogens die bij geen enkel ras volkomen ontbreken, zijn
vatbaar voor snelle en hooge ontwikkeling, gelijk wij bij Hottentotten
en Negers zien, die gemakkelijk uitnemende muziekbeoefenaars zijn
geworden, hoewel zij in hun oorspronkelijk vaderland nauwelijks iets
beoefenen, dat wij den naam van muziek waardig zouden keuren. Er is
echter niets vreemds in deze omstandigheid; aan sommige soorten van
vogels die van nature nooit zingen, kan men dit zonder veel moeite
leeren; zoo heeft de huismusch den zang van het kneutje geleerd. Daar
deze beide soorten nauw verwant zijn, en tot de Orde der Roestvogels
(Insessores) behooren, die bijna al de zangvogels van de wereld omvat,
is het zeer mogelijk of waarschijnlijk, dat een voorvader van de musch
een zanger is geweest. Het is een veel opmerkelijker feit, dat
papegaaien die tot een geheel van de Roestvogels (Insessores)
verschillende groep behooren, en anders gebouwde stemorganen bezitten,
niet alleen kunnen leeren spreken, maar ook door den mensch uitgevonden
deuntjes kunnen leeren fluiten of zingen, zoodat zij eenigen muzikalen
aanleg moeten bezitten (6). Desniettemin zou het uiterst overijld zijn
te veronderstellen, dat de papegaaien afstammelingen zijn van den eenen
of anderen ouden voorvader die een zanger was. Vele soortgelijke
gevallen zouden kunnen worden bijgebracht van organen en instinkten die
oorspronkelijk waren ingericht (geadapteerd) voor het eene doel, doch
later voor het eene of andere geheel verschillende doel zijn benuttigd.
[451] Daarom kan de aanleg tot hooge muzikale ontwikkeling, welken de
wilde menschenrassen bezitten, òf het gevolg daarvan zijn, dat onze
half-menschelijke voorouders den eenen of anderen ruwen vorm van muziek
hebben beoefend, òf daarvan, dat zij voor eenig ander bepaald doel de
daartoe geschikte stemorganen hebben verkregen. In dit laatste geval
moeten wij echter aannemen, dat zij reeds, evenals in het bovenvermelde
voorbeeld van de papegaaien, en zooals bij vele dieren het geval
schijnt te zijn, eenig gevoel voor melodie bezaten.
De muziek werkt op elke gemoedsaandoening, maar wekt uit zich zelve bij
ons de meer vreeselijke gemoedsaandoeningen van afschuw, woede, enz.
niet op. Zij doet de zachtere gevoelens van teederheid en liefde
ontwaken, die gemakkelijk in stichting overgaan. Zij wekt eveneens in
ons het gevoel van zegepraal en den roemvollen ijver voor den oorlog
op. Deze krachtige en gemengde gevoelens kunnen zeer goed het gevoel
van verhevenheid doen ontstaan. Wij kunnen, gelijk Dr. Seemann opmerkt,
een grootere intensiteit van gevoel in ééne enkele muzieknoot dan in
bladzijden schrift concentreeren. Bijna dezelfde gemoedsaandoeningen,
maar veel zwakker en minder samengesteld, worden waarschijnlijk door
vogels gevoeld, wanneer het mannetje, om het wijfje voor zich in te
nemen, den vollen omvang van zijn stem in mededinging met andere
mannetjes doet hooren. Liefde is nog steeds het meest gewone onderwerp
van onze eigen zangen. Gelijk Herbert Spencer opmerkt, „wekt de muziek
sluimerende gevoelens bij ons op, waarvan wij de mogelijkheid niet
hadden begrepen, en de beteekenis niet kennen; of, gelijk Richter zegt,
zij verhaalt ons van dingen die wij niet hebben gezien en niet zullen
zien.” [452] Omgekeerd worden, wanneer levendige gemoedsaandoeningen
worden gevoeld of uitgedrukt door den redenaar of zelfs in het gewone
gesprek, instinktmatig muzikale maten en rhythmus gebruikt. Ook de apen
drukken sterke gevoelens door verschillende tonen, toorn en ongeduld
door lage,—vrees en smart door hooge noten uit. [453] De gevoelens en
denkbeelden, in ons door de muziek en door de maten van een
hartstochtelijke rede opgewekt, schijnen, wegens hun onbestemdheid en
toch diepte, om zoo te zeggen geestelijke teruggangen tot de
gemoedsaandoening en gedachten van een lang vervlogen tijd.
Al deze feiten betrekkelijk de muziek worden tot op zekere hoogte
begrijpelijk, indien wij mogen aannemen, dat de muzikale tonen en
rhythmus door de half-menschelijke voorouders van den mensch werden
gebruikt gedurende het jaargetijde der liefde, wanneer dieren van alle
soorten door de sterkste hartstochten worden geprikkeld. In dit geval
zouden, wegens het diep ingeplante beginsel van overgeërfde
verbindingen van denkbeelden („associations”), muzikale tonen geschikt
zijn om op onbestemde en onbepaalde wijze de sterkste
gemoedsaandoeningen van een lang vervlogen verleden in ons op te
wekken.
Daar wij alle reden hebben om te gelooven, dat de gearticuleerde spraak
een van de laatste kunsten is, gelijk het voorzeker de hoogste is, die
door den mensch werden verkregen, en daar het instinktmatige vermogen
om muzikale tonen voort te brengen en maat te houden, reeds bij dieren
die laag op de ladder staan, is ontwikkeld, zou het geheel en al in
tegenspraak zijn met de beginselen der ontwikkelingstheorie, indien wij
moesten aannemen, dat ’s menschen muzikale aanleg zich heeft ontwikkeld
uit de klanken die bij een hartstochtelijke redevoering werden
gebruikt. Wij moeten veronderstellen, dat de maten en klanken der
welsprekendheid afkomstig zijn van reeds vroeger ontwikkelde muzikale
vermogens. Wij kunnen zoodoende begrijpen, hoe het komt, dat muziek,
dans, zang en dichtkunde zulke oude kunsten zijn. Wij kunnen zelfs
verder gaan dan dit, en, gelijk in een vorig hoofdstuk is opgemerkt,
gelooven, dat muzikale geluiden een van de grondslagen van de
ontwikkeling der spraak waren. [454] Wanneer men bedenkt, dat de
mannetjes van sommige Vierhandige Zoogdieren veel meer ontwikkelde
stemorganen bezitten, dan hun wijfjes, en dat ééne anthropomorphe soort
een geheel octaaf muzieknoten uitgalmt en gezegd mag worden te zingen,
komt het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat de voorouders van den
mensch, hetzij de mannetjes of de wijfjes, hetzij beide seksen, voordat
zij het vermogen hadden verkregen om hun wederkeerige liefde door
gearticuleerde spraak uit te drukken, elkander door muzikale tonen en
rhythmus trachtten te bekoren. Zoo weinig is bekend omtrent het gebruik
der stem door de Vierhandigen (Quadrumana) gedurende het jaargetijde
der liefde, dat wij nauwelijks eenig middel bezitten om te beoordeelen,
of de gewoonte om te zingen eerst door de mannelijke of door de
vrouwelijke voorouders van den mensch werd verkregen. Vrouwen bezitten,
naar men over het algemeen aanneemt, liefelijker stemmen dan mannen, en
voor zoover dit ons eenigen leiddraad kan geven, mogen wij er uit
afleiden, dat zij het eerst muzikale vermogens verkregen om daardoor de
andere sekse aan te trekken. [455] Indien dit echter zoo is, moet het
lang geleden zijn geschied, voor de voorouders van den mensch
menschelijk genoeg waren geworden om hun vrouwen eenvoudig als
bruikbare slavinnen te behandelen en te waardeeren. De hartstochtelijke
redenaar, bard of muzikant vermoedt weinig, als hij met zijn
afwisselende tonen en maten bij zijn hoorders de sterkste
gemoedsaandoeningen opwekt, dat hij het zelfde middel gebruikt,
waardoor, in een uiterst verwijderd tijdvak, zijn half-menschelijke
voorouders elkanders gloeiende hartstochten opwekten, gedurende hun
wederzijdsche vrijage en medeminnarij.
Over den Invloed der Schoonheid op het bepalen der Huwelijken bij den
Mensch.—In het beschaafde leven oefent uiterlijke schoonheid in hooge
mate, maar in geenen deele uitsluitend, invloed uit op den man bij de
keus zijner vrouw; wij hebben hier echter hoofdzakelijk met
oorspronkelijke tijden te maken, en ons eenig middel om ons een oordeel
hierover te vormen, is de gewoonten van thans levende halfbeschaafde en
wilde volken te bestudeeren. Indien kan worden aangetoond, dat mannen
van verschillende rassen de voorkeur geven aan vrouwen die zekere
eigenaardige kenmerken bezitten, of omgekeerd, dat de vrouwen aan
zekere mannen de voorkeur geven, dan blijft ons te onderzoeken over, of
een dergelijke keus, gedurende vele generatiën voortgezet, eenige
merkbare uitwerking op het ras zou voortbrengen, hetzij dan op ééne
sekse of op beide seksen, welke laatste omstandigheid zou afhangen van
den vorm van erfelijkheid die de overhand behield.
Het zal goed zijn eerst eenigermate uitvoerig aan te toonen, dat wilden
de grootste aandacht wijden aan hun uiterlijk aanzien. [456] Dat zij
een hartstocht voor versiering bezitten, is algemeen bekend; en een
Engelsch wijsgeer gaat zoo ver van vol te houden, dat kleederen het
eerst voor versiering en niet voor de warmte werden gemaakt. Gelijk
Professor Waitz opmerkt: „hoe arm en ellendig een mensch ook is, toch
schept hij er behagen in zich op te schikken.” De buitensporigheid der
naakte Indianen van Zuid-Amerika in het versieren van hun lichaam
blijkt hieruit, „dat een man van groote gestalte door den arbeid van
veertien dagen met moeite genoeg verdient om zich in ruil de chica te
verschaffen, die hij noodig heeft om zich rood te schilderen.” [457] De
oude barbaren van Europa gedurende de Rendierperiode (7) brachten alle
schitterende of vreemde voorwerpen die zij toevallig vonden, naar hun
holen. Op den huidigen dag tooien de wilden zich allerwegen met
vederen, halssnoeren, armbanden, oorringen enz. Zij beschilderen zich
op de meest verschillende wijzen. „Indien de beschilderde volken”,
gelijk Humboldt opmerkt, „met de zelfde opmerkzaamheid als de gekleede
volken waren onderzocht, zou men hebben opgemerkt, dat de vruchtbaarste
verbeeldingskracht en de veranderlijkste grilligheid evenzoo goed de
modes van het beschilderen, als die der kleeding hebben uitgevonden.”