ander punt terug te komen. Men heeft tegen dezen vorm van teeltkeus,
voor zoover de versierselen der mannetjes aangaat, ingebracht, dat al
de wijfjes in de zelfde streek dan volkomen den zelfden smaak zouden
moeten bezitten en in toepassing brengen. Men moet hierbij echter
bedenken, dat al kan een soort binnen zeer ruime grenzen varieeren, dat
vermogen om te varieeren echter in geenen deele onbeperkt is. Er is
elders een goed voorbeeld van dit feit gegeven in de duif van welke
minstens een honderdtal verscheidenheden bestaan, die in haar kleuren
wijd uiteenloopen, en evenzoo bestaan er van het hoen een twintigtal
verscheidenheden die op de zelfde wijze van elkander afwijken, maar de
kleurenreeksen zijn bij deze beide soorten uiterst verschillend. De
wijfjes der wilde soorten kunnen dus hun smaak niet geheel onbeperkt
den teugel vieren. In de tweede plaats veronderstel ik, dat geen
voorstander van het beginsel van seksueele teeltkeus zal aannemen, dat
de wijfjes bijzondere punten van schoonheid bij de mannetjes zullen
uitkiezen; zij worden alleen door het eene mannetje meer opgewekt of
aangetrokken dan door het andere, en dit schijnt dikwijls, vooral bij
vogels van zijn meer of minder schitterende kleuren af te hangen. Zelfs
de mensch, behalve misschien een kunstenaar, analyseert de geringe
verschillen in trekken niet, waardoor de vrouw die hij bewondert, zich
van andere onderscheidt en van welke haar schoonheid afhangt. De
mannelijke mandril heeft niet alleen een schitterend gekleurd
achterdeel, maar ook een schitterend gekleurd gelaat met schuine
strepen, een gelen baard en andere versierselen. Wij mogen afleiden,
uit hetgeen wij zien van de variatie der tamme dieren, dat de
onderscheidene bovengenoemde versierselen van den mandril allengs
werden verkregen, doordat het eene individu een weinig in de eene
richting, het andere een weinig in de andere richting afweek. De
mannetjes welke door de wijfjes om de eene of andere reden het fraaist
of het aantrekkelijkst werden gevonden, paarden het veelvuldigst en
lieten iets meer nakomelingen na dan andere mannetjes. De nakomelingen
van de eersten, hoewel zij op allerlei wijzen met andere kruisten,
erfden de bijzondere kenmerken van hun vaders, òf brachten ten minste
een vermeerderde neiging om op de zelfde wijze af te wijken, op hun
nakomelingen over. Bij gevolg kregen over het algemeen al de mannetjes
die het zelfde land bewoonden, ten gevolge van voortdurende kruising
een neiging om op bijna gelijke wijze te varieeren, schoon soms een
weinig meer in het eene en soms in het andere kenmerk, hoewel zulks
uiterst langzaam ging, en werden daardoor allen aantrekkelijker voor de
wijfjes. Het proces is het zelfde dat ik onbewuste teeltkeus door den
mensch heb genoemd en waarvan ik onderscheidene voorbeelden heb
gegeven. In het eene land houden de bewoners een vluggen of lichten
hond of paard en in het andere een zwaarder en krachtiger; in geen van
beide landen kiest men met voordacht voor de voortteling dieren met
lichter of sterker lichamen en leden uit; desniettemin bevindt men na
een aanmerkelijk tijdsverloop, dat de individu’s bijna allen op de
gewenschte manier zijn afgeweken, ofschoon in beide landen
verschillend. In twee volstrekt verschillende landen die door de zelfde
soort worden bewoond, terwijl de individu’s van die soort in elk dier
beide landen gedurende een reeks van eeuwen nooit naar het andere
hebben kunnen verhuizen, noch zich met individu’s uit het andere hebben
kunnen vermengen en de afwijkingen in de beide landen waarschijnlijk
niet volkomen de zelfden zijn geweest, zou de seksueele teeltkeus de
mannetjes van het eene land verschillend kunnen maken van die uit het
andere.
Ook schijnt het mij niet geheel onmogelijk, dat twee stellen wijfjes
die in een zeer verschillende omgeving leefden, een eenigszins
verschillenden smaak zouden kunnen verkrijgen omtrent vorm, geluid of
kleur. Hoe dit ook moge zijn, in mijn „Afstamming van den Mensch” heb
ik voorbeelden van nauwgezette vogels gegeven, die verschillende landen
bewoonden, van welke de jongen en de wijfjes niet van elkander kunnen
worden onderscheiden, terwijl de volwassen mannetjes aanmerkelijk van
elkander verschillen, en dit mag met veel waarschijnlijkheid aan de
werking der seksueele teeltkeus worden toegeschreven.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.
Verschillen tusschen man en vrouw.—Oorzaken van die verschillen en
van sommige kenmerken die aan beide seksen gemeen
zijn.—Gevechten.—Verschillen in geestvermogens—en stem.—Over den
invloed der schoonheid op het bepalen der huwelijken bij den
mensch.—Opmerkzaamheid, door wilden aan versierselen gewijd.—Hun
begrippen van schoonheid bij de vrouw.—De neiging om elke
natuurlijke bijzonderheid te overdrijven.
Bij den mensch zijn de verschillen tusschen de seksen grooter dan bij
de meeste soorten van apen (Quadrumana), maar niet zoo groot als bij
sommige, bij voorbeeld den mandril. De man is gemiddeld aanmerkelijk
grooter, zwaarder en sterker dan de vrouw, met meer vierkante schouders
en sterker uitgedrukte spieren. Ten gevolge van de betrekking die
bestaat tusschen de ontwikkeling van het spierstelsel en het
vooruitsteken der wenkbrauwen [419], zijn de wenkbrauwbogen gewoonlijk
bij den man sterker uitgedrukt dan bij de vrouw. Zijn lichaam, en in
het bijzonder zijn aangezicht, is hariger, en zijn stem heeft een
verschillenden en krachtiger toon. Bij sommige rassen zegt men, dat de
vrouwen eenigszins in kleur van de mannen verschillen. Zoo zegt b.v.
Schweinfurth, sprekende van een negerin die tot de Monbuttoe’s
behoorde, die het binnenland van Afrika eenige weinige graden benoorden
den evenaar bewonen: „Gelijk bij haar geheele ras was haar huid
verscheidene tinten lichter gekleurd dan dat van haar echtgenoot, en
had zoo ongeveer de kleur van half-gebrande koffie.” [420] Daar de
vrouwen in het veld werken en geheel naakt gaan, is het niet aan te
nemen, dat zij in kleur van de mannen verschillen, omdat zij minder aan
weêr en wind zijn blootgesteld.
De man is moediger, strijdlustiger en krachtiger dan de vrouw en heeft
een vindingrijker geest. Zijn hersenen zijn absoluut grooter; maar of
zij het ook relatief naar verhouding van de meerdere grootte van het
lichaam, in vergelijking van dat der vrouw, zijn, is, geloof ik, niet
volkomen bewezen. Bij de vrouw is het gelaat ronder; de kaken en het
grondvlak van den schedel zijn kleiner; de omtrekken van haar lichaam
zijn ronder, gedeeltelijk meer uitstekend, en haar bekken is breeder
dan bij den man [421]; doch dit laatste kenmerk kan wellicht eerder als
een primair dan als een secundair seksueel kenmerk worden beschouwd.
Zij is op vroeger leeftijd volwassen dan de man. (1)
Evenals bij dieren van alle Klassen, zoo komen ook bij den mensch de
onderscheidene kenmerken van de mannelijke sekse niet tot volkomen
ontwikkeling, voordat hij bijna volwassen is; en als hij wordt ontmand,
verschijnen zij nimmer. De baard is, bij voorbeeld, een secundair
seksueel kenmerk, en mannelijke kinderen zijn baardeloos, hoewel zij op
vroeger leeftijd overvloedig haar op hun hoofd hebben. Dat is
waarschijnlijk het gevolg daarvan, dat de opeenvolgende afwijkingen
waardoor de mensch zijn mannelijke kenmerken verkreeg, en die alleen op
de mannelijke sekse werden overgeplant, zich vrij laat in het leven
vertoonden. Mannelijke en vrouwelijke kinderen gelijken uiterst veel op
elkander, gelijk de jongen van zoovele andere dieren bij welke de
volwassen seksen verschillen; zij gelijken ook veel meer op de
volwassen vrouw dan op den volwassen man. De vrouw neemt echter ten
laatste zekere onderscheidende kenmerken aan, en in den vorm van haar
schedel wordt zij gezegd tusschen het kind en den man in te staan.
[422] Evenals verder de jongen van nauwverwante, hoewel verschillende
soorten lang zoo veel niet van elkander verschillen als de volwassenen,
is het eveneens gelegen met de kinderen van de verschillende
menschenrassen. Sommigen hebben zelfs volgehouden, dat rasverschillen
op den kinderschedel niet kunnen worden opgemerkt. [423] Wat de kleur
aangaat, is het pasgeboren negerkind roodachtig nootbruin, dat spoedig
in leigrijs overgaat, terwijl de zwarte kleur in Soedan binnen een
jaar, doch in Egypte niet voor den driejarigen leeftijd tot volkomen
ontwikkeling komt. De oogen van den neger zijn eerst blauw, en het haar
eerder kastanjebruin dan zwart, en slechts aan de einden gekroesd. De
kinderen van de Australiërs zijn onmiddellijk na de geboorte geelachtig
bruin en worden op lateren leeftijd donker. Die van de Guarani’s van
Paraguay zijn witachtig geel; doch zij verkrijgen in den loop van
weinige weken de geelachtig bruine tint van hun ouders. Soortgelijke
opmerkingen zijn in andere deelen van Amerika gemaakt. [424] (2)
Ik heb de voorgaande bekende verschillen tusschen de mannelijke en de
vrouwelijke sekse bij den mensch bijzonder vermeld, omdat zij op
merkwaardige wijze overeenstemmen met die bij de Vierhandige Zoogdieren
(Quadrumana). Bij deze dieren is het wijfje op vroegeren leeftijd
volwassen dan het mannetje; dit is ten minste zeker het geval bij den
Cebus Azarae. [425] Bij de meeste soorten zijn de mannetjes grooter en
veel sterker dan de wijfjes, van welk feit de gorilla een welbekend
voorbeeld oplevert. Zelfs in een zoo onbeduidend kenmerk als het meer
vooruitsteken der wenkbrauwbogen verschillen de mannetjes van sommige
apen van de wijfjes [426], en komen in dit opzicht met den mensch
overeen. Bij den gorilla en sommige andere apen vertoont de schedel van
het mannetje een sterk uitgedrukten beenkam op de plaats van den
pijlnaad, en deze ontbreekt bij het wijfje; en Ecker vond een spoor van
een soortgelijk verschil tusschen de beide seksen bij de Australiërs.
[427] Als er bij apen eenig verschil in de stem bestaat, is die van het
mannetje de krachtigste. Wij hebben gezien, dat sommige mannelijke apen
een goed ontwikkelden baard bezitten, die bij het wijfje geheel
ontbreekt of veel minder is ontwikkeld. Er is geen voorbeeld bekend,
dat de kinbaard, bakkebaarden of knevels bij den vrouwelijken aap
grooter zijn dan bij haar mannetje. Zelfs in de kleur van den baard is
er een merkwaardige overeenkomst tusschen den mensch en de Vierhandige
Zoogdieren (Quadrumana); want wanneer bij den man de baard in kleur van
het hoofdhaar verschilt, gelijk dikwijls het geval is, is hij, geloof
ik, onveranderlijk van een lichter tint, terwijl hij dikwijls
roodachtig is. Ik heb dit feit in Engeland waargenomen, en Dr. Hooker
die in Rusland voor mij op dit kleine punt lette, vond geen
uitzondering op den regel. In Calcutta was de heer J. Scott, van den
Botanischen tuin zoo vriendelijk zorgvuldig op de vele menschenrassen
acht te geven, die men daar evenals in andere deelen van Indië ziet,
namelijk, twee rassen van Sikhim, de Bhotea’s, de Hindoes, de
inboorlingen van Birma en de Chineezen. Hoewel de meeste van deze
rassen zeer weinig haar op het aangezicht hebben, vond hij toch altijd,
dat, als er eenig verschil in kleur was tusschen het hoofdhaar en den
baard, deze laatste zonder uitzondering een lichter tint bezat. Nu
verschilt bij apen, gelijk reeds is gezegd, de baard dikwijls treffend
in kleur van het haar op den kop, en in dergelijke gevallen is hij
onveranderlijk van een lichter tint, dikwijls zuiver wit, somtijds geel
en roodachtig zijnde. [428]
Wat de algemeene behaardheid van het lichaam betreft, zoo zijn de
vrouwen bij alle rassen minder harig dan de mannen, en bij eenige
weinige Vierhandigen (Quadrumana) is de onderzijde van het lichaam van
het wijfje minder harig dan die van het mannetje. [429] Eindelijk zijn
mannelijke apen, evenals mannen, moediger en woester dan de wijfjes.
Zij voeren den troep aan en stellen zich, als er gevaar is, aan de
spits. Wij zien dus, hoe groot de overeenkomst tusschen de seksueele
verschillen van den mensch en van de Vierhandigen (Quadrumana) is. Bij
eenige weinige soorten echter, zooals bij sommige bavianen, den gorilla
en den orang, is er een aanmerkelijk grooter verschil tusschen de
seksen, in de grootte der hoektanden, in de ontwikkeling en kleur van
het haar, en vooral in de kleuren van de naakte deelen der huid, dan in
het geval van den mensch.
De secundaire seksueele kenmerken van den mensch zijn allen in hooge
mate aan afwijkingen onderhevig, zelfs binnen de grenzen van één en het
zelfde ras of onder-soort; en bij de onderscheidene rassen verschillen
zij veel. Deze beide regelen houden door het geheele dierenrijk heên
steek. Bij de uitnemende waarnemingen, aan boord van de „Novara” gedaan
[430], vond men, dat de mannelijke Australiërs de vrouwelijke slechts
65 millimeters in lengte overtroffen, terwijl bij de Javanen de
gemiddelde overmaat 218 millimeters was, zoodat bij dit laatste ras het
verschil in lengte tusschen de seksen meer dan driemaal zoo groot is
als bij de Australiërs. De talrijke metingen van onderscheidene andere
rassen met betrekking tot de lengte van het lichaam, den omtrek van den
hals en de lengte van den ruggegraat en de armen, toonden bijna allen,
dat de mannen veel meer van elkander verschilden dan de vrouwen. Dit
feit toont aan, dat het, wat deze kenmerken betreft, de man is, die
hoofdzakelijk is gewijzigd, sinds de rassen uit hun gemeenschappelijken
en oorspronkelijken stamvorm ontsproten.
De ontwikkeling van den baard en de behaardheid van het lichaam
verschillen aanmerkelijk bij de menschen die tot verschillende rassen
behooren, en zelfs bij de verschillende families in één en het zelfde
ras. Wij, Europeanen, zien dat onder ons zelven. Op het eiland St.
Kilda krijgen, volgens Martin [431], de mannen geen baarden die
daarenboven zeer dun zijn, voor zij dertig jaar of nog ouder zijn. Op
het Europeesch-Aziatische vasteland heerschen baarden, tot wij aan gene
zijde van Indië komen, hoewel zij bij de inboorlingen van Ceylon
dikwijls ontbreken, zooals in oude tijden door Diodorus werd
opgeteekend. [432] Aan gene zijde van Indië verdwijnen de baarden,
zooals bij de Siameezen, Maleiers, Kalmukken, Chineezen en Japanneezen;
desniettemin zijn de Aino’s [433] die de noordelijkste eilanden van den
Japanschen archipel bewonen, de harigste menschen van de wereld. Bij de
negers is de baard schraal of hij ontbreekt, en zij hebben bijna geen
bakkebaarden; bij beide seksen ontbreekt het fijne wolhaar op het
lichaam bijna geheel. [434] De Papoea’s van Insulinde, die bijna zoo
zwart als negers zijn, bezitten daarentegen goed ontwikkelde baarden.
[435] In den Stillen Oceaan hebben de bewoners van den Fidsji-archipel
groote ruige baarden, terwijl die van de niet ver van daar gelegen
archipels van Tonga en Samoa baardeloos zijn; maar deze menschen
behooren tot verschillende rassen. In de Ellice-groep behooren al de
inwoners tot het zelfde ras, en toch hebben alleen op één eiland,
namelijk Nunemaya, „de mannen prachtige baarden”, terwijl zij op de
andere eilanden in plaats van een baard slechts een dozijn
alleenstaande haartjes hebben. [436]
Door het groote Amerikaansche vasteland heên kan men zeggen, dat de
mannen baardeloos zijn; doch bij bijna al de stammen gebeurt het wel
eens, dat eenige weinige korte haren op het gelaat verschijnen, vooral
gedurende den ouderdom. Bij de stammen van Noord-Amerika schat Catlin,
dat aan achttien van elke twintig mannen door de natuur geen baard is
geschonken; maar nu en dan kan men wel eens een man aantreffen, die in
zijn jongelingsjaren heeft verzuimd de haren uit te trekken, en die een
zachten baard van een centimeter of vijf lang bezit. De Guarani’s van
Paraguay verschillen van alle omringende stammen, doordat zij een
kleinen baard hebben, en zelfs eenig haar op het lichaam, doch geen
bakkebaarden. [437] De heer D. Forbes die bijzonder op deze zaak acht
heeft geslagen, deelde mij mede, dat de Aymara’s en Quichua’s van de
Cordilleras opmerkelijk arm aan haar zijn, en toch verschijnen in den
ouderdom nu en dan eenige alleenstaande haren op de kin. De mannen van
deze beide stammen hebben zeer weinig haar op de onderscheidene deelen
van het lichaam, waarop bij de Europeanen overvloedig haar groeit, en
de vrouwen hebben op de overeenkomstige deelen in het geheel geen haar.
Het hoofdhaar bereikt echter bij beide seksen een ongewone lengte, daar
het dikwijls tot op den grond reikt, en dit is eveneens het geval bij
sommige der Noord-Amerikaansche stammen. In de hoeveelheid haar en in
den algemeenen vorm van het lichaam verschillen de seksen bij de
oorspronkelijke bewoners van Amerika niet zooveel van elkander, als bij
de meeste andere menschenrassen het geval is. [438] Dit feit komt
overeen met hetgeen bij sommige verwante apen het geval is; zoo
verschillen de seksen van den chimpanzee niet zooveel van elkander als
die van den gorilla of orang. [439]
In de vorige hoofdstukken hebben wij gezien, dat bij de Zoogdieren,
Vogels, Visschen, Insekten enz. vele kenmerken welke men alle reden
heeft om te gelooven, dat oorspronkelijk door seksueele teeltkeus
alleen door ééne sekse werden verkregen, op beide seksen zijn
overgebracht. Daar deze zelfde vorm van overplanting bij den mensch in
ruime mate de overhand schijnt te hebben behouden, zullen wij veel
nuttelooze herhalingen vermijden, indien wij de aan mannelijke seksen
bijzonder eigen kenmerken tegelijk met zekere andere aan beide seksen
gemeene kenmerken beschouwen.
Gevechten.—Bij barbaarsche volken, bij voorbeeld bij de Australiërs,
zijn de vrouwen voortdurend de oorzaak van oorlog, zoowel tusschen de
individu’s van éénen en den zelfden stam als tusschen verschillende
stammen. Evenzoo was het ongetwijfeld in oude tijden; „nam fuit ante
Helenam mulier teterrima belli causa.” Bij de Noord-Amerikaansche
Indianen is de strijd tot een systeem herleid. Hearne [440], die
uitnemende waarnemer, zegt:—„Bij die volken is het altijd het gebruik
geweest, dat de mannen worstelen om elke vrouw waaraan zij zijn
gehecht; en de sterkste partij gaat, gelijk van zelf spreekt, altijd
met den prijs weg. Aan een zwak man, tenzij hij een goed jager en zeer
bemind is, wordt zelden veroorloofd een vrouw te houden, welke een
sterker man zijn opmerkzaamheid waardig keurt. Deze gewoonte heerscht
bij alle stammen en veroorzaakt een grooten geest van wedijver onder
hun jonge lieden die bij alle gelegenheden, van kindsbeen af, hun
kracht en bekwaamheid in het worstelen beproeven.” Bij de Guana’s van
Zuid-Amerika getuigt Azara, dat de mannen zelden huwen, voor zij
twintig en meer jaren oud zijn, daar zij vóór dien leeftijd hun
medeminnaars niet kunnen overwinnen.
Andere soortgelijke feiten zouden kunnen worden medegedeeld; maar zelfs
indien wij daaromtrent geen bewijzen hadden, zouden wij volgens de
analogie met de hoogere Vierhandigen (Quadrumana) [441] bijna met
zekerheid mogen aannemen, dat de wet van den strijd bij den mensch
gedurende de vroegere trappen zijner ontwikkeling heeft geheerscht. Het
nog heden ten dage nu en dan voorkomen van hoektanden die boven de
andere uitsteken, met sporen van een diastema of open ruimte tot
opneming van de tegenovergestelde hoektanden, is volgens alle
waarschijnlijkheid een geval van atavisme, van terugkeer tot een
vroegeren toestand waarin de voorvaders van den mensch van deze wapenen
waren voorzien, evenals de mannetjes van zoovele nog levende
Vierhandigen (Quadrumana). In een vorig hoofdstuk wordt opgemerkt, dat
toen de mensch allengs den opgerichten stand aannam en zijn handen en
armen voortdurend gebruikte om met stokken en steenen te vechten,
zoowel als voor de andere doeleinden van het leven, hij zijn kaken en
tanden hoe langer hoe minder zal hebben gebruikt. De kaken zullen toen,
tegelijk met haar spieren, door onbruik zijn verkleind, evenals het ook
met de tanden door de nog niet goed begrepen beginselen van correlatie
en besparing van groei zal zijn gegaan; want wij zien overal, dat
deelen die niet langer van dienst zijn, in grootte afnemen. Door
dergelijke stappen zal de oorspronkelijke ongelijkheid tusschen de
kaken en tanden bij de beide seksen van den mensch ten laatste volkomen
zijn uitgewischt. Het geval is bijna evenwijdig met dat van vele
mannelijke Herkauwende Dieren (Ruminantia) bij welke de hoektanden tot
bloote rudimenten zijn verkleind of verdwenen, naar het schijnt ten
gevolge van de ontwikkeling van horens. Daar het verbazende verschil
tusschen de schedels van de beide seksen bij den Gorilla en Orang in
nauw verband staat met de ontwikkeling van ontzaglijke hoektanden hij
de mannetjes, mogen wij het besluit trekken, dat de verkleining van de
kaken en tanden bij de vroege mannelijke voorouders van den mensch tot
een zeer in het oog loopende en gunstige verandering in zijn uiterlijk
leidde.
Er kan weinig twijfel zijn, dat de meerdere lichaamsgrootte en kracht
van den man in vergelijking met de vrouw, en evenzoo zijn breedere
schouders, meer ontwikkelde spieren, hoekiger lichaamsvorm, grootere
moed en strijdlustigheid, allen voornamelijk zijn geërfd van den eenen
of anderen vroegen voorvader welke, gelijk de bestaande anthropomorphe
apen, deze kenmerken bezat. Deze kenmerken zullen echter behouden zijn
gebleven of zelfs vermeerderd gedurende de lange eeuwen die de mensch
nog in barbaarschen toestand doorbracht, doordat de sterkste en
stoutmoedigste mannen het best slaagden in den algemeenen strijd om het
leven, en ook in het bemachtigen van vrouwen en daardoor een groot
aantal nakomelingen nalieten. Het is niet waarschijnlijk, dat de
grootere kracht van den man oorspronkelijk werd verkregen door de
overgeërfde gevolgen van zijn zwaarder werken dan de vrouw voor zijn
eigen onderhoud en dat van zijn huisgezin (3); want bij alle
barbaarsche volken zijn de vrouwen gedwongen om op zijn minst even
zwaar te werken als de mannen. Bij beschaafde volken heeft de
beslissing van het bezit der vrouwen door een gevecht sinds lang
opgehouden; daarentegen moeten bij hen de mannen in den regel zwaarder
werken dan de vrouwen voor hun gemeenschappelijk onderhoud; en op die
wijze zal hun grooter kracht behouden zijn gebleven.
Verschil in Geestvermogens van de beide Seksen.—Wat verschillen van
dezen aard tusschen man en vrouw aangaat, is het waarschijnlijk, dat de
seksueele teeltkeus een zeer belangrijke rol heeft gespeeld. Ik weet
zeer goed, dat sommige schrijvers betwijfelen of er eenig dergelijk hun
van nature aanklevend verschil bestaat; maar dit is minst genomen
waarschijnlijk wegens de analogie der lagere dieren die andere
secundaire seksueele kenmerken vertoonen. Niemand zal tegenspreken, dat
de stier in aard van de koe, het mannelijke wilde zwijn van de zeug, de
hengst van de merrie, en, gelijk aan de bezitters van menagerieën
welbekend is, de mannetjes van de grootere aapsoorten van de wijfjes
verschillen. De vrouw schijnt van den man te verschillen in
verstandelijken aanleg, en vooral ook door haar grootere teederheid en
geringer zelfzucht; en dit geval gaat zelfs bij wilden door, gelijk uit
een welbekende plaats uit Mungo Park’s reizen en uit mededeelingen,
door vele andere reizigers gedaan, blijkt. Ten gevolge van haar
moederlijke instinkten spreiden vrouwen deze hoedanigheden in
buitengewone mate jegens haar kinderen ten toon; daarom is het
waarschijnlijk, dat zij die dikwijls tot haar medeschepselen zullen
uitbreiden. De man is de mededinger van andere mannen; hij schept
behagen in het wedijveren en dit leidt tot eerzucht die maar al te
gemakkelijk in zelfzucht overgaat. Deze laatste hoedanigheden schijnen
zijn natuurlijk en rampzalig geboorterecht te zijn. Men neemt algemeen
aan, dat bij de vrouw de vermogens van rechtstreeksche erkenning
(intuïtie), van snelle opmerking, en wellicht van navolging sterker
zijn uitgedrukt dan bij den man; maar op zijn minst sommige van deze
vermogens zijn kenmerkend voor de lagere rassen, en derhalve voor een
vervlogen en lageren trap van beschaving.
Het hoofdonderscheid in de verstandelijke vermogens der beide seksen
blijkt hieruit, dat de man, in al wat hij aangrijpt, een hoogeren graad
van voortreffelijkheid bereikt dan de vrouw kan bereiken,—hetzij zulks
diepe gedachte, rede of verbeeldingskracht, of wel alleen het gebruik
van zinnen en handen vereischt. Indien er twee lijsten werden gemaakt
van de mannen en de vrouwen die het meest hebben uitgeblonken in
dichtkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst, muziek—met inbegrip van
compositie en uitvoering—, geschiedenis, wetenschap en wijsbegeerte,
met een half dozijn namen onder elk vak, dan zouden die beide lijsten
niet met elkander te vergelijken wezen. Wij mogen derhalve uit de wet
van de afwijking van het gemiddelde die de heer Galton in zijn werk
„Hereditary Genius” zoo uitnemend heeft uiteengezet, afleiden, dat
indien de mannen in staat zijn in vele onderwerpen beslist uit te
munten, de gemiddelde maatstaf van het verstandelijk vermogen bij den
man hooger moet staan dan bij de vrouw. (3)