Overzicht.—De wet van den strijd om het bezit der wijfjes schijnt door

de geheele groote Klasse der Zoogdieren te heerschen. De meeste

natuuronderzoekers zullen toegeven, dat de meerdere lichaamsgrootte,

kracht, moed en strijdlustigheid van het mannetje, zijn bijzondere

aanvals- (offensieve) en ook verdedigings- (defensieve) wapenen, allen

zijn verkregen en gewijzigd door dien vorm van teeltkeus, dien ik

seksueele teeltkeus heb genoemd. Deze hangt niet af van eenige

meerderheid in den algemeenen strijd om het leven, maar daarvan, dat

zekere bepaalde individu’s van ééne sekse, over het algemeen de

mannelijke sekse, voorspoedig zijn geweest in het behalen van de

zegepraal over andere mannetjes, en dat zij een grooter aantal

nakomelingen hebben nagelaten, om hun meerdere voortreffelijkheid te

erven, dan de minder voorspoedige mannetjes.

Er is een andere en meer vreedzame soort van wedstrijd waarbij de

mannetjes de wijfjes trachten op te wekken of aan te lokken door

onderscheidene bekoorlijkheden. Dit kan geschieden door de krachtige

geuren die de mannetjes gedurende den paartijd van zich geven; de

riekende stoffen afscheidende klieren zijn dan door seksueele teeltkeus

verkregen. Of de zelfde meening tot de stem mag worden uitgestrekt, is

twijfelachtig; want de stemorganen der mannetjes kunnen gedurende den

volwassen leeftijd door het gebruik zijn versterkt, onder de machtige

prikkels van liefde, ijverzucht of woede en op de zelfde sekse zijn

overgeplant. Onderscheidene haarkammen, haarbossen en haarmantels die

hetzij tot het mannetje zijn beperkt, of bij deze sekse meer ontwikkeld

dan bij de wijfjes, schijnen in de meeste gevallen eenvoudig tot

versiering te dienen, hoewel zij somtijds tot een verdedigingsmiddel

tegen mededingende mannetjes strekken. Er is zelfs grond om te

vermoeden, dat de vertakte horens van herten, en de bevallige horens

van sommige antilopen, hoewel oorspronkelijk tot aanvals- (offensieve)

of verdedigings- (defensieve) wapenen dienende, gedeeltelijk ter wille

van versiering zijn gewijzigd.

Als het mannetje in kleur van het wijfje verschilt, vertoont hij over

het algemeen donkerder en sterker tegen elkander afstekende tinten. Wij

ontmoeten in deze Klasse de prachtige roode, blauwe, gele en groene

kleuren niet, die bij mannelijke Vogels en vele andere dieren zoo

algemeen zijn. De naakte deelen van vele Vierhandigen (Quadrumana)

moeten hier echter worden uitgezonderd; want die deelen, dikwerf op

koddige plaatsen gelegen, zijn bij sommige soorten op de schitterendste

wijze gekleurd. De kleuren van het mannetje kunnen in andere gevallen

het gevolg zijn van eenvoudige afwijking, zonder de hulp van teeltkeus.

Wanneer echter de kleuren veel verscheidenheid vertoonen of sterk zijn

uitgedrukt, als zij niet tot ontwikkeling komen dan op omtrent

volwassen leeftijd, en als zij na ontmanning verloren gaan, kunnen wij

moeilijk het besluit vermijden, dat zij zijn verkregen door seksueele

teeltkeus ter wille van de versiering, en uitsluitend of bijna

uitsluitend op de zelfde sekse zijn overgeplant. Als beide seksen op de

zelfde wijze zijn gekleurd, en de kleuren opzichtig of opmerkelijk zijn

gerangschikt, zonder dat zij in het minst tot bescherming schijnen te

dienen, en vooral wanneer zij met onderscheidene andere tot versiering

dienende aanhangsels zijn verbonden, worden wij door de analogie tot

het zelfde besluit geleid, namelijk dat zij door de seksueele teeltkeus

zijn verkregen, hoewel zij op beide seksen worden overgeplant. Dat

opzichtige en verscheidenheid vertoonende kleuren, hetzij tot de

mannetjes beperkt of aan beide seksen gemeen, in den regel in de zelfde

groepen en onder-groepen met andere secundaire seksueele kenmerken zijn

verbonden, die voor het gevecht of tot versiering dienen, zal men

vinden, dat het steek houdt, als men terugziet op de onderscheidene in

dit en het vorige hoofdstuk medegedeelde gevallen.

De wet van de gelijke overplanting van kenmerken op beide seksen heeft,

wat kleur en andere versierselen aangaat, veel uitgebreider bij de

Zoogdieren dan bij de Vogels geheerscht; wat echter wapenen, zooals

horens en slagtanden aangaat, deze zijn dikwijls uitsluitend of in veel

hoogere mate op de mannetjes dan op de wijfjes overgeplant. Dit is een

verrassende omstandigheid; want daar de mannetjes hun wapenen als een

verdedigingsmiddel tegen allerlei soort van vijanden gebruiken, zouden

deze wapenen het wijfje van dienst zijn geweest. Hun ontbreken bij deze

sekse kan, zoover wij kunnen zien, alleen worden verklaard door den

vorm van erfelijkheid die de overhand heeft behouden. Eindelijk is bij

de viervoetige dieren de wedstrijd tusschen de individu’s van de zelfde

sekse, hetzij die vreedzaam of bloedig was, op hoogst zeldzame

uitzonderingen na beperkt gebleven tot de mannetjes, zoodat deze veel

algemeener dan de wijfjes door de seksueele teeltkeus zijn gewijzigd,

hetzij om met elkander te vechten of om de tegenovergestelde sekse aan

te lokken.

AANTEEKENINGEN.

(1) Als bijdrage tot de anatomische overeenstemming tusschen den mensch

en de anthropomorphen kunnen wij hier bijvoegen, dat Prof. Gouber te

Petersburg ook aan het strottenhoofd van het lijk van een man twee

vliezige zakken aantrof, die van daaruit met lucht konden worden

gevuld, reeds uitwendig aan weerszijden van den hals voelbaar waren, en

in aard en plaats geheel overeenstemden met die welke men bij de

anthropomorphen en nog eenige andere op lageren trap slaande apen

aantreft, maar bij den mensch nog nooit waren gevonden. Bij dit

individu moet hun voorkomen door atavisme worden verklaard („Archiv f.

Anat. u. Phys.”, 1874, blz. 606).

(2) De stinkdieren (Engelsch „skunk”) vormen het geslacht Mephitis.

Brehm zegt („Thierleben”, Bd. I, blz. 505), dat hij niet in staat is de

werking der door de klieren dezer dieren afgescheiden stof naar

behooren te schilderen. „Geen scheikundig laboratorium, geen

sekreetput, geen hoop rottende krengen, om kort te gaan, geen stank op

aarde moet in hevigheid en onuitstaanbaarheid dien evenaren, welken de

uiterlijk zoo sierlijke stinkdieren verspreiden en weken lang aan een

voorwerp kunnen mededeelen. Men geeft aan dien stank den naam van

„peststank”; want werkelijk wordt iemand die het ongeluk had met een

stinkdier in aanraking te komen, gelijk aan een met de pest besmette.

De stinkdieren zijn, niettegenstaande hun geringe grootte, zulke

geweldige en machtige vijanden van den mensch, dat zij hem dien zij met

hun vreeselijk vocht hebben bespoten, bijna uit de maatschappij

verbannen en hem zelf een straf opleggen, die moeilijk door eenige

andere kan worden overtroffen. Zij zijn in staat om een geheel huis

onbewoonbaar te maken en een geheel magazijn, met de kostbaarste

stoffen gevuld, volkomen niets waard te maken” .....

..... „De eerste die een uitvoerige beschrijving van het stinkdier

[415] geeft, is Kalm. „Het dier”, zegt hij, „is wegens zijn bijzondere

eigenschap bekend. Wordt het door honden of menschen vervolgd, dan

loopt het eerst zoo snel als het kan, of klimt op een boom; vindt het

geen uitweg meer, dan wendt het nog één middel aan, dat hem overig is;

het spuit op zijn vijand zijn pis [416], en dat wel op grooten afstand.

Eenige lieden hebben mij verhaald, dat hun met dit schandelijke sap het

gezicht geheel was bespoten, hoewel zij er nog omtrent 5,4 meter van

verwijderd waren geweest. Dit vocht heeft een zoo onverdragelijken

stank, dat een erger ondenkbaar is. Is iemand op het oogenblik van het

uitspuiten in de nabijheid van het dier, dan kan hij nauwelijks adem

halen, en het is hem later te moede alsof hij zal stikken. Ja, komt dit

pestsap in de oogen, zoo loopt men gevaar het gezicht te verliezen, en

uit kleederen is de stank bijna in het geheel niet meer te krijgen, men

mag ze wasschen, zoo dikwijls men wil. Vele honden loopen weg zoodra de

straal hen treft; goede vangers houden echter niet op met den

vluchteling na te zetten voordat zij hem hebben doodgebeten. Zij

wrijven echter hun snuit op den grond om den stank eenigermate te

verdrijven.””

„„De onaangename reuk gaat zelden vroeger dan na een maand uit de

kleederen; zij verliezen echter toch het meeste daarvan als men ze

vier-en-twintig uren lang met aarde bedekt. Ook de hand en het

aangezicht moet men ten minste een uur lang met aarde wrijven, daar

wasschen niets helpt. Toen een aanzienlijk man die onverwachts was

bespoten, zich in een huis wilde wasschen, sloot men de deuren en de

menschen liep weg. Bespoten honden laat men dagen lang in geen huis.

Als men in een bosch reist, moet men zich dikwijls langen tijd den neus

toehouden, ingeval het dier op een plaats zijn pestreuk heeft

verspreid. Ik sliep eens op een erf waar een lam was geslacht, en een

dergelijk dier kwam aansluipen; de hond zag het en verjaagde het. Daar

ontstond plotseling zulk een stank, dat ik meende te moeten verstikken;

zelfs de koeien loeiden zoo hard zij konden. De keukenmeid bemerkte,

dat verscheidene dagen na elkander van het vleesch was gesnoept; zij

versperde daarom alle toegangen om de katten er af te houden. Den

volgenden nacht hoorde zij echter een gerucht in den kelder en ging

daarom naar beneden. Daar zag zij een dier met vurige oogen, dat haar

heel rustig scheen te verwachten. Zij greep echter moed en sloeg het

dood. Plotseling ontstond echter zulk een stank, dat zij er eenige

dagenlang ziek van was en men alle eetwaren in den kelder en ook het

brood en vleesch moest wegwerpen.””

„Het stinkdier is zich van zijn vreeselijk wapen zoo goed bewust, dat

het in het minst niet schuw of bang is. Al zijn bewegingen zijn

langzaam. Het kan noch springen noch klauteren, doch slechts loopen en

huppelen. Bij het gaan zet het bijna de geheele voetzool op den grond,

welft den rug en draagt den staart naar beneden gericht. Nu en dan

woelt het in den grond of snuffelt naar iets eetbaars in het rond.

Ontmoet men het dier nu toevallig, dan blijft het heel rustig staan,

licht den staart op, draait zich om en spuit het vocht recht voor zich

uit.”

„„Toen mijn zoon”, verhaalt Siedhof, „op een avond langzaam buiten

rondwandelde, kwam plotseling een stinkdier op hem los en beet zich in

zijn broek vast. Hij schudde het met moeite los en trapte het dood.

Toen hij echter thuis kwam, verspreidde zich uit zijn door het

gevaarlijke dier natgemaakte kleederen een zoo doordringende,

afschuwelijke knoflookstank, dat er oogenblikkelijk het geheele huis

vol van was, de bevriende families die er juist een bezoek brachten,

dadelijk wegliepen en de bewoners die niet konden vluchten, er van

moesten braken. Alle berooken en luchten hielp niet; zelfs na een maand

was de stank nog te bespeuren. De laarzen riekten, zoodra zij warm

werden, nog vier maanden lang, hoewel zij in den rook waren gehangen en

met chloorwater gewasschen. Het ongeluk was in December gebeurd. Het

dier was in den tuin begraven; maar in de eerstvolgende Augustusmaand

kon men zijn rustplaats nog aan den stank herkennen.””

Van een Zuid-Amerikaansch stinkdier zegt Brehm (ibid., blz. 508), dat

een hond die acht dagen te voren er door was bespoten en meer dan

twintig malen gewasschen en nog veelvuldiger met zand gewreven, een hut

zoodanig verpestte, dat men het er niet in kon uithouden. „Azara

gelooft, dat men den stank wel 800 meter ver kan ruiken.”

In gevangen staat „worden de stinkdieren na korten tijd zeer tam en

wennen zich eenigermate aan hun verpleger, hoewel zij in het begin het

achterste voor gaan met opgeheven staart, om hun geschut altijd tot

losbranden gereed te houden.”

(3) Onder de spitsmuizen zijn o.a. Sorex vulgaris en S. araneus wegens

hun muskusgeur merkwaardig. Overigens noemen wij nog als in dat opzicht

uitmuntende, de groote Aziatische vleermuizen van het geslacht

Pteropus, de desmans (Myogale moschata en M. pyrenaïca), de civetkat

(Viverra civetta), de zibethkat (Viverra zibetha), den aardwolf

(Proteles Lalandii), de ondatra (Fiber zibethicus), het rivierpaard

(Hippopotamus amphibius), enz. Als dieren die stinkende afscheidingen

als verdedigingsmiddel gebruiken, zouden hier nog de bunsing (Mustela

putorius), de Oost-Indische stinkdassen (Midaus), de Afrikaansche

bandbunsing (Rhabdogale) en honigdassen (Ratelus), en vele andere

kunnen worden genoemd.

(4) Phalangista vulpina, Desm.

(5) Phascolomys fossor, Wagn.

(6) Waarschijnlijk zijn hier het aschgrauwe eekhoorntje (Sciurus

cinereus) en het zwarte eekhoorntje (Sciurus niger) van Noord-Amerika

bedoeld. Dit zijn echter verschillende soorten, zoodat het zwarte

eekhoorntje geenszins een nu en dan voorkomende verscheidenheid van het

aschgrauwe is.

(7) Bij alle Herkauwende Dieren (Ruminantia), behalve bij Hyomoschus

aquaticus (en bij de uitgestorven groep der Anoplotheroiden) zijn de

beenderen van de middelhand en evenzoo ook die van den middelvoet, tot

één been samengesmolten; bij Hyomoschus aquaticus (en bij de

Anoplotheroiden) zijn zij gescheiden evenals bij de Dikhuidigen

(Pachydermata). Gedurende het vruchtleven echter zijn zij bij alle

Herkauwende Dieren gescheiden, hetgeen dus den regel bevestigt, dat het

individu gedurende het vruchtleven toestanden doorloopt, die als het

ware een verkorte herhaling zijn van de toestanden, in vroeger eeuwen

door de soort gedurende haar ontwikkeling doorloopen. [417]

(8) Dr. G. H. T. Eimer te Tübingen en Weismann te Freiburg i/Br. hebben

kleuren en teekeningen der dieren en de veranderingen welke deze in den

loop der ontwikkeling ondergaan, onderzocht, en zijn tot het besluit

gekomen dat deze veranderingen volstrekt niet altijd het gevolg van

teeltkeus kunnen zijn. Eimer bevond, dat in het geheele dierenrijk de

overlangsche streping de oorspronkelijke is, dat deze zich in den loop

der ontwikkeling in vlekken verdeelt, en deze laatsten zich eindelijk

tot dwarsstrepen verbinden. Zulk een regelmatige verandering moet haar

oorzaken in de geaardheid des lichaams hebben; de op een gegeven

oogenblik voorhanden eigenschappen moeten invloed bezitten op de

veranderingen welke de soort zal doorloopen. De geaardheid

(constitutie) des lichaams heeft dus invloed zoowel op het ontstaan der

afwijkingen (variaties) als op de verdere ontwikkeling daarvan. [418]

Eimer vermoedt, dat de oorspronkelijk algemeen heerschende overlangsche

streping der dieren in betrekking staat tot de oudtijds heerschende

monocotyledone plantenwereld; ook thans kan men nog waarnemen, dat

overlangs gestreepte hagedissen vooral op met gras begroeide plaatsen,

overlangs gestreepte rupsen op grassen of naaldhout (een nog ouder type

dan de monocotyledonen) zitten, waar hun overlangsche streping het

minst in het oog valt. Hier is deze blijven bestaan, terwijl zij op

plaatsen met gevlekte schaduw (zooals de dicotyledonen door den vorm

hunner bladeren afwerpen) zich in een gevlekte teekening verandert.

Het springt, dunkt ons, in het oog, dat zoo de in de vorige alinea

gemaakte onderstelling juist is, zoowel de overlangsche streping als de

gevlekte teekening door natuurlijke teeltkeus kan worden verklaard.

SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING op HOOFDSTUK XVIII.

OVER SEKSUEELE TEELTKEUS BIJ APEN,

door C. DARWIN.

(Vertaald uit „Nature”, 2 November 1876, blz. 18).

Bij de bespreking der seksueele teeltkeus in mijn „Afstamming van den

Mensch” vond ik geen geval belangwekkender en moeilijker verklaarbaar

dan de levendig gekleurde achterdeelen en aangrenzende streken bij

zekere apen. Daar deze gedeelten levendiger zijn gekleurd bij de eene

sekse dan bij de andere, en daar zij gedurende het jaargetijde der

liefde schitterender worden, besloot ik, dat de kleuren waren

verkregen, omdat zij de andere sekse aantrokken. Ik wist wel, dat ik

mij blootstelde om belachelijk te worden gevonden; hoewel het eigenlijk

niet verwonderlijker zou zijn, dat een aap met zijn levendig gekleurd

achterdeel dan dat een pauw met zijn prachtigen staart pronkte. Ik had

echter te dien tijde geen bewijzen, dat apen met dit deel van hun

lichaam pronkten gedurende hun vrijage; en het pronken van vogels met

hun siervederen leverde mij dus het beste bewijs, dat de siervederen

der mannetjes hun dienen om de wijfjes aan te trekken of op te wekken.

Ik heb onlangs een artikel gelezen van Joh. von Fischer te Gotha,

voorkomende in „Der Zoologische Garten”, April 1876, over de wijze

waarop apen verschillende gemoedsaandoeningen uitdrukken, welk artikel

wel waard is te worden bestudeerd door ieder die in het onderwerp

belang stelt. De schrijver er van is blijkbaar een zorgvuldig en

scherpzinnig waarnemer. In dit artikel vindt men een beschrijving van

het gedrag van een jongen mannelijken mandril, toen hij zich zelf voor

de eerste maal in een spiegel zag, en er wordt bijgevoegd, dat hij zich

na eenigen tijd omkeerde en zijn roode billen naar den spiegel

toedraaide. Ik schreef daarom aan den heer J. von Fischer, om te

vragen, wat hij onderstelde, dat de beteekenis van deze vreemde

handelwijs was, en hij heeft mij twee lange brieven geschreven, vol

nieuwe en merkwaardige bijzonderheden welke naar ik hoop later publiek

zullen worden gemaakt. Hij zegt, dat hij eerst zelf versteld stond over

bovengenoemde handelwijze, en er daardoor toe kwam om waarnemingen te

doen bij verschillende individu’s van onderscheidene andere soorten van

apen, die hij lang in zijn huis hield. Hij bevond, dat niet slechts de

mandril (Cynocephalus mormon), maar ook de dril (Cynocephalus

leucophoeus) en drie andere soorten van bavianen (C. hamadryas, sphinx

en babouin) alsmede Cynopithecus niger en Macacus rhesus en

nemestrinus, dit deel van hun lichaam, dat bij al deze soorten min of

meer levendig is gekleurd als zij goed gehumeurd zijn, naar hem en

andere personen bij wijze van groet toekeeren. Hij gaf zich moeite om

een Macacus rhesus dien hij vijf jaar had gehouden, deze onfatsoenlijke

gewoonte af te leeren, en slaagde daarin ten laatste. Deze apen zijn

vooral geneigd om aldus te handelen en daarbij tevens te grijnzen, als

zij voor het eerst met een nieuwen aap in aanraking komen, maar doen

het ook dikwijls tegen hun oude apenvrienden; en na deze wederzijdsche

begroeting beginnen zij samen te spelen. De jonge mandril hield na

eenigen tijd van zelf op om aldus tegen zijn meester, von Fischer, te

doen, maar ging daarmede voort tegen personen die hem vreemd waren, en

tegen nieuwe apen. Een jonge Cynocephalus niger deed het nooit, éénmaal

uitgezonderd, tegen zijn meester, maar dikwijls tegen vreemdelingen, en

gaat daarmede tot heden toe voort. Uit deze feiten trekt von Fischer

het besluit, dat de apen welke zich op deze manier tegen een spiegel

gedroegen (namelijk de mandril, dril, Cynopithecus niger, Macacus

rhesus en nemestrinus) handelden alsof hun spiegelbeeld een nieuwe

kennis was. De mandril en dril die bijzonder uitmunten door de

levendige kleur van hun achterdeel, pronken daarmede, zelfs als zij

zeer jong zijn, veelvuldiger en met meer vertooning dan andere

aapsoorten. Daarop volgt Cynocephalus hamadryas, terwijl de andere

soorten zeldzamer op deze wijs handelen. De individu’s van een en de

zelfde soort verschillen echter in dit opzicht, en sommige die zeer

schuw waren, pronkten nimmer met hun achterkwartier. Het verdient

bijzondere aandacht, dat von Fischer nooit een soort wier achterdeel

volstrekt niet was gekleurd, dat deel opzettelijk heeft zien vertoonen.

Deze opmerking heeft betrekking op vele individu’s van Macacus

cynomolgus en Cercocebus radiatus (die nauw met M. rhesus verwant is),

op drie soorten van Cercopithecus en op verschillende Amerikaansche

apen. De gewoonte om het achterdeel bij wijze van begroeting naar een

ouden vriend of een nieuwe kennis toe te keeren, welke ons zoo

zonderling schijnt, is zulks in werkelijkheid niet meer dan de

gewoonten van vele wilden, b.v. die van zich den buik met hun handen of

hun neuzen tegen elkander te wrijven. De gewoonte schijnt bij den

mandril en dril erfelijk te zijn, daar zij door zeer jonge dieren werd

gevolgd; maar zij wordt evenals zoovele andere instinkten door de

ervaring gewijzigd of geleid; want von Fischer zegt, dat zij zich

moeite geven om hun pronkerij zoo volkomen mogelijk te maken; en als

zij in tegenwoordigheid van twee waarnemers zijn, draaien zij hun

achterdeel naar hem toe, die het oplettendst schijnt te zijn.

Ten opzichte van den oorsprong dezer gewoonte merkt von Fischer op, dat

zijn apen gaarne op hun naakte achterste worden gestreeld en geklopt,

en dat zij dan grinniken van pleizier. Zij draaien dit deel van hun

lichaam ook dikwijls naar andere apen toe, opdat deze er stukjes vuil

af zouden halen, en evenzoo zouden zij zich waarschijnlijk met dorens

gedragen. Bij volwassen dieren staat echter deze gewoonte tot op zekere

hoogte met seksueele gevoelens in verband, want von Fischer bespiedde

door een glazen deur een vrouwelijken Cynopithecus niger die zich

gedurende verscheidene dagen, „umdrehte und dem Männchen mit gurgelnden

Tönen die stark gerötheten Sitzflache zeigte, was ich früher nie an

diesem Thier bemerkt hatte. Beim Anblick dieses Gegenstandes erregte

sich das Männchen sichtlich, denn es polterte heftig an den Stäben,

ebenfalls gurgelnde Läute ausstossend.” Daar alle apen die min of meer

levendig gekleurde achterdeelen bezitten, volgens von Fischer op open,

rotsachtige plaatsen leven, denkt hij, dat deze kleuren dienen om de

eene sekse op een afstand voor de andere sekse duidelijk kenbaar te

maken; maar daar de apen dieren zijn, die altijd in troepen leven, zou

ik meenen, dat de seksen er geen behoefte aan hadden om elkander op een

afstand te kunnen onderscheiden. Het komt mij waarschijnlijker voor,

dat de levendige kleuren, hetzij op het gelaat of op het achterdeel,

of, gelijk bij den mandril, op beide, tot een seksueel versiersel of

lokmiddel dienen. Hoe dit ook zij, nu wij weten, dat apen de gewoonte

hebben om hun achterdeel naar andere apen toe te keeren, is het

volstrekt niet verwonderlijk meer, dat juist dit gedeelte van hun

lichaam min of meer is versierd. Het feit, dat (voor zoover tot heden

bekend is) alleen die apen welke zulke versierde achterdeelen bezitten,

andere apen op deze wijze begroeten, maakt het twijfelachtig, of deze

gewoonte oorspronkelijk werd verkregen ten gevolge van de eene of

andere daarvan onafhankelijke oorzaak en eerst later die deelen als een

seksueel sieraad werden gekleurd, dan wel of eerst de kleur en de

gewoonte om zich om te draaien, werden verkregen door variatie en

seksueele teeltkeus, en dat later die gewoonte behouden bleef als een

teeken van genoegen of als een groet, door het beginsel van overgeërfde

associatie van denkbeelden. Dit beginsel komt blijkbaar bij vele

gelegenheden in het spel: zoo wordt algemeen aangenomen, dat het gezang

der vogels gedurende het jaargetijde der liefde hoofdzakelijk dient om

de andere sekse te lokken, en dat de leks of groote bijeenkomsten der

korhoenders met hun vrijage in verband staan; maar vele vogels, zooals

b.v. het gewone roodborstje, hebben de gewoonte behouden om te zingen,

als zij zich gelukkig gevoelen, en de korhoenders hebben de gewoonte

behouden om ook in andere tijden van het jaar bijeenkomsten te houden.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 26 / 39 段