dat de mannetjes zich moeite geven om met hun bekoorlijkheden voor het
wijfje te pronken; en de zorgvuldige wijze, waarop dit door mannelijke
Vogels wordt volbracht, is het feit, dat het sterkst pleit ten gunste
der meening, dat de wijfjes de voor haar tentoongespreide versierselen
en kleuren bewonderen of er door worden opgewekt. Er is echter een
treffende overeenkomst (parallelisme) tusschen Zoogdieren en Vogels in
al hun secundaire seksueele kenmerken, voornamelijk in hun wapenen om
met medeminnaars te vechten, in hun tot versiering dienende aanhangsels
en in hun kleuren. In beide Klassen gelijken de jongen van beide
seksen, wanneer het mannetje van het wijfje verschilt, bijna altijd op
elkander, en in groote meerderheid van gevallen op het volwassen
wijfje. In beide Klassen verkrijgt het mannetje de aan zijn sekse eigen
kenmerken kort voor den leeftijd waarop hij zich voortplant; indien hij
wordt ontmand, verkrijgt hij die kenmerken òf nooit, òf verliest ze na
de ontmanning. In beide Klassen is de kleurverandering somtijds tot één
jaargetijde beperkt, en worden de kleuren van de naakte deelen somtijds
levendiger gedurende de vrijage. In beide Klassen is het mannetje bijna
altijd levendiger of sterker gekleurd dan het wijfje, en is met groote
kammen hetzij van haar of van vederen, of met andere aanhangsels
versierd. In eenige weinige exceptioneele gevallen is in beide Klassen
het wijfje in hoogere mate versierd dan het mannetje. Bij vele
Zoogdieren en op zijn minst in het geval van éénen Vogel verspreidt het
mannetje een sterkeren geur dan het wijfje. In beide Klassen is de stem
van het mannetje krachtiger dan die van het wijfje. Als men deze
overeenkomst (parallelisme) in aanmerking neemt, kan er weinig twijfel
zijn, dat de zelfde oorzaak, welke die dan ook moge zijn, op Zoogdieren
en Vogels moet hebben gewerkt, en de uitslag, voor zoover het tot
versiering dienende kenmerken betreft, mag, naar het mij toeschijnt,
veilig worden toegeschreven aan de lang voortgezette voorkeur van de
individu’s van de eene sekse voor zekere individu’s van de
tegenovergestelde sekse, verbonden met hun voorspoed in het nalaten van
een grooter aantal nakomelingen om hun grootere aantrekkelijkheden te
erven.
Gelijke overplanting van tot versiering dienende kenmerken op beide
seksen.—Bij vele Vogels zijn versierselen, die de analogie ons doet
vermoeden, dat oorspronkelijk door de mannetjes werden verkregen,
gelijkelijk of bijna gelijkelijk op beide seksen overgeplant; en wij
moeten nu onderzoeken, in hoever deze meening tot de Zoogdieren mag
worden uitgebreid. Bij een aanmerkelijk aantal, vooral kleinere
soorten, zijn beide seksen, onafhankelijk van seksueele teeltkeus ter
wille van de bescherming gekleurd; maar niet, zoover ik kan nagaan, in
zoo vele gevallen, en ook lang niet op zulk een treffende wijze, als in
de meeste van de lagere Klassen. Audubon merkt op, dat hij de muskusrat
[401], als deze op de oevers van een modderigen stroom zat, dikwijls
bij vergissing voor een kluit aarde heeft gehouden; zoo volkomen was de
gelijkenis. De haas in zijn leger is een algemeen bekend voorbeeld van
bescherming door de kleur en toch faalt dit beginsel gedeeltelijk bij
een nauw verwante soort, namelijk bij het konijn; want als dit dier
naar zijn hol loopt, wordt het voor den jager en ongetwijfeld voor alle
roofdieren in het oog loopend gemaakt, door zijn naar boven gekeerden
zuiver witten staart. Niemand heeft ooit betwijfeld, dat de viervoetige
dieren die met sneeuw bedekte streken bewonen, wit zijn gemaakt om hen
voor hun vijanden te beschermen of om hun het besluipen van hun prooi
gemakkelijker te maken. In streken waar nooit lang sneeuw op den grond
ligt, zou een wit kleed schadelijk zijn; bij gevolg zijn aldus
gekleurde soorten uiterst zeldzaam in de heetere deelen der wereld. Het
verdient opmerking, dat vele viervoetige dieren welke matig koude
streken bewonen, hoewel zij geen wit winterkleed verkrijgen, toch
gedurende dat jaargetijde bleeker worden; en dit schijnt het directe
gevolg te zijn van de voorwaarden waaraan zij lang blootgesteld zijn
geweest. Pallas [402] vermeldt, dat in Siberië een verandering van deze
soort plaats grijpt bij den wolf, twee soorten van wezels (Mustela),
het tamme paard, den dziggetai (Equus hemionus), het tamme rund, twee
soorten van antilopen, het muskusdier, de ree, den eland en het
rendier. De ree, bijvoorbeeld, heeft een rood zomer- en een grijsachtig
winterkleed; en het laatste kan wellicht dienen als een bescherming
voor het dier, terwijl het door de bladerlooze, met sneeuw en rijp
bestrooide bosschen wandelt. Indien de bovengenoemde dieren
langzamerhand het door hen bewoonde gebied uitbreidden tot streken die
voortdurend met sneeuw waren bedekt, zou hun bleek winterkleed
waarschijnlijk door natuurlijke teeltkeus hoe langer hoe witter worden,
totdat zij zoo wit werden als sneeuw.
De heer Reeks heeft mij een merkwaardig voorbeeld gegeven van een dier
dat voordeel trok van zijn bijzondere kleur. Hij fokte van vijftig tot
zestig witte en bruinbonte konijnen in een grooten ommuurden boomgaard,
en hij had tegelijkertijd eenige soortgelijk gekleurde katten in zijn
huis. Dergelijke katten loopen, gelijk ik dikwijls heb gezien, over dag
zeer in het oog; maar, daar zij gewoon waren bij schemeravond voor de
openingen van de konijnenholen op den loer te liggen, schenen de
konijnen ze niet van hun soortgelijk gekleurde medekonijnen te
onderscheiden. Het gevolg hiervan was, dat binnen achttien maanden al
deze bonte konijnen waren vermoord; en er waren bewijzen, dat dit door
de katten was gedaan. Een ander dier, het stinkdier, schijnt voordeel
van zijn kleur te hebben op een wijze waarvan wij vele voorbeelden in
andere klassen hebben gezien. Geen dier zal vrijwillig een dezer
schepsels aanvallen wegens den vreeselijken stank dien zij van zich
geven, als men hen toornig maakt; maar gedurende de schemering zou het
niet gemakkelijk kunnen worden herkend en door een roofdier
aangevallen. Daarom is, naar de heer Belt gelooft [403], het stinkdier
voorzien van een grooten, witten, ruigen staart die tot een in ’t oog
loopende waarschuwing dient.
Hoewel wij moeten toegeven, dat vele viervoetige dieren hun
tegenwoordige tinten als een bescherming hebben verkregen, zijn toch
bij een menigte soorten de kleuren veel te opzichtig en te
vreemdsoortig gerangschikt, om ons de veronderstelling toe te laten,
dat zij voor dit doel dienen. Wij kunnen als een voorbeeld sommige
antilopen nemen: als wij zien, dat de vierkante witte vlek aan de keel,
de witte teekeningen op de vetlokken, en de ronde zwarte vlekken aan de
ooren, allen bij het mannetje van Portax picta duidelijker zijn dan bij
het wijfje;—als wij zien, dat de kleuren levendiger, dat de smalle
witte lijnen op de zijden en de breede witte streep op den schouder
duidelijker zijn bij den mannelijken Oreas Derbyanus dan bij den
vrouwelijken; als wij een gelijksoortig verschil zien tusschen de
seksen van den vreemdsoortig versierden Tragelaphus scriptus (Fig.
68),—mogen wij besluiten, dat deze kleuren en onderscheidene
versierselen op zijn minst zijn versterkt door seksueele teeltkeus. Het
is niet aan te nemen, dat dergelijke kleuren en teekeningen dezer
dieren van eenigen rechtstreekschen of gewonen dienst kunnen zijn, en
daar zij bijna zeker door seksueele teeltkeus zijn versterkt, is het
waarschijnlijk, dat zij oorspronkelijk door dit zelfde proces zijn
verkregen en daarna gedeeltelijk op de wijfjes overgeplant. Indien deze
meening mag worden aangenomen, kan er weinig twijfel overblijven, dat
de vreemdsoortige kleuren en teekeningen van vele andere antilopen,
hoewel aan beide seksen gemeen, op de zelfde wijze zijn verkregen en
overgebracht. Beide seksen, bij voorbeeld van de Koedoe-antilope
(Strepsiceros Kudu, Fig. 69), hebben smalle witte loodrechte lijnen op
het achterste gedeelte van hun zijden, en een bevallige hoekvormige
witte teekening op hun voorhoofd. In het geslacht Damalis zijn beide
seksen zeer vreemd gekleurd; bij Damalis pygarga zijn de rug en hals
purperachtig rood, aan de zijden in zwart overgaande, en scherp
gescheiden van den witten buik en de groote witte plek op het kruis; de
kop is nog vreemder gekleurd; een langwerpig wit masker, met een
smallen zwarten rand omzoomd, bedekt het gelaat tot op de hoogte der
oogen (Fig. 70); er zijn drie witte strepen op het voorhoofd en de
ooren vertoonen witte teekeningen. De jongen van deze soort zijn van
een eenvormig bleeke geelbruine kleur. Bij Damalis albifrons verschilt
de kleur van den kop van die bij de laatste soort, doordat ééne enkele
witte streep de drie strepen vervangt en de ooren bijna geheel wit
zijn. [404] Na, zoo goed mij mogelijk was, de seksueele verschillen van
dieren, tot alle klassen behoorende, te hebben bestudeerd, kan ik het
besluit niet vermijden, dat de opmerkelijk gerangschikte kleuren van
vele antilopen, hoewel aan beide seksen gemeen, het gevolg zijn van
oorspronkelijk op het mannetje toegepaste seksueele teeltkeus.
Het zelfde besluit mag wellicht worden uitgestrekt tot den tijger, een
van de schoonste dieren der wereld, waarvan de seksen niet door haar
kleur kunnen worden onderscheiden, zelfs niet door handelaars in wilde
dieren. De heer Wallace [405] gelooft, dat het gestreepte kleed van den
tijger „zoozeer gelijkt op de loodrechte halmen van het bamboesriet,
dat zulks hem zeer helpt om hem voor zijn naderende prooi te
verbergen.” Deze verklaring schijnt mij echter niet bevredigend. Wij
kennen sommige feiten die er eenigszins voor pleiten, dat zijn
schoonheid een gevolg van seksueele teeltkeus kan zijn; want bij twee
soorten van het kattengeslacht (Felis) zijn soortgelijke teekeningen en
kleuren bij het mannetje iets levendiger dan bij het wijfje. De Zebra
is opzichtig gestreept, en op de open vlakten van Zuid-Afrika kunnen
strepen volstrekt geen bescherming opleveren. Burchell [406] zegt, een
kudde beschrijvende, „hun glanzige ribben glinsterden in de zon en de
levendigheid en regelmatigheid hunner gestreepte huiden vormde een
schilderij van buitengewone schoonheid, waarin zij waarschijnlijk door
geen enkel ander viervoetig dier worden overtroffen.” Hier hebben wij
geen bewijs voor een seksueele teeltkeus, daar in de geheele groep der
Paardachtige Dieren (Equidae) de seksen in kleur overeenstemmen.
Desniettemin zal hij, die de witte en donkere loodrechte strepen op de
zijden van verscheidene antilopen aan seksueele teeltkeus toeschrijft,
waarschijnlijk de zelfde meening tot den Koningstijger en den schoonen
Zebra uitstrekken.
Wij hebben in een vorig hoofdstuk gezien dat, wanneer jonge dieren, tot
welke Klasse zij ook behooren, bijna de zelfde levenswijze leiden als
hun ouders en toch op verschillende wijze zijn gekleurd, wij daaruit
het besluit mogen trekken, dat zij de kleur van den eenen of anderen
ouden en uitgestorven stamvader hebben bewaard. In de Familie der
Zwijnen en in het geslacht Tapirus zijn de jongen met overlangsche
strepen beteekend en verschillen dus van de volwassenen van alle
levende soorten in deze beide groepen. Bij vele soorten van Herten zijn
de jongen met bevallige witte vlekken beteekend, van welke de ouders
geen spoor vertoonen. Een reeks van trapsgewijze overgangen kan worden
gevolgd van het Axis-hert van hetwelk beide seksen op alle leeftijden
en gedurende alle jaargetijden fraai zijn gevlekt (terwijl het mannetje
iets sterker is gekleurd dan het wijfje)—tot soorten bij welke noch de
ouden noch de jongen zijn gevlekt. Ik wil eenige termen van deze reeks
opnoemen. Het Mantchoerijsche hert (Cervus Mantchuricus) is gedurende
het geheele jaar gevlekt; maar, gelijk ik in den Londenschen dierentuin
heb gezien, zijn de vlekken veel duidelijker gedurende den zomer, als
de algemeene kleur van de vacht lichter is, dan gedurende den winter,
wanneer de algemeene kleur donkerder is en de horens volkomen zijn
ontwikkeld. Bij het zwijnshert (Hyelaphus porcinus) vallen de vlekken
zeer sterk in het oog gedurende den zomer, als de vacht roodachtig
bruin is, maar verdwijnen geheel en al gedurende den winter, wanneer de
vacht bruin is. [407] Bij beide deze soorten zijn de jongen gevlekt.
Bij het Virginische hert zijn de jongen eveneens gevlekt, en omstreeks
vijf percent van de volwassen dieren die in Judge Caton’s park leven,
vertoonen, naar hij mij heeft medegedeeld, tijdelijk gedurende het
tijdperk waarin zij bezig zijn met het roode zomerkleed tegen het
blauwachtige winterkleed te verruilen, een rij vlekken op elke zijde,
die altijd evenveel in getal, hoewel zeer verschillend in duidelijkheid
zijn. Van dezen toestand is er nog slechts een zeer kleine stap tot
volkomen afwezigheid van vlekken in alle jaargetijden bij de
volwassenen, en eindelijk tot hun afwezigheid op alle leeftijden,
gelijk bij sommige soorten het geval is. Uit het bestaan van deze
volkomen reeks, en meer bijzonder uit het gevlekt zijn van de jongen
van zoovele soorten mogen wij het besluit trekken, dat de nu levende
leden van de Familie der Herten de afstammelingen zijn van de eene of
andere soort die, evenals het Axis-hert, op alle leeftijden en in alle
jaargetijden was gevlekt. Een nog ouder voorvader geleek waarschijnlijk
tot op zekere hoogte op Hyomoschus aquaticus;—want dit dier is gevlekt,
en de ongehorende mannetjes hebben groote, naar buiten uitstekende
hoektanden van welke eenige weinige ware herten rudimenten hebben
bewaard. Dit dier levert ons ook een van die belangwekkende gevallen op
van een vorm die twee groepen met elkander verbindt; want door sommige
osteologische kenmerken staat het tusschen de Dikhuidigen
(Pachydermata) en de Herkauwende Dieren (Ruminantia) in die men vroeger
voor volkomen onderscheiden hield. [408] (7)
Hier rijst een opmerkelijke zwarigheid op. Indien wij aannemen, dat
gekleurde vlekken en strepen als een versiering zijn verkregen, hoe
komt het dan, dat zoo vele thans levende soorten van herten, de
afstammelingen van een oorspronkelijk gevlekt dier, en alle soorten van
zwijnen en tapirs, de afstammelingen van een oorspronkelijk gestreept
dier, in hun volwassen toestand hun vroegere versierselen hebben
verloren? Op deze vraag kan ik geen bevredigend antwoord geven. Wij
kunnen bijna zeker zijn, dat de vlekken en strepen bij de voorouders
van onze bestaande soorten op volwassen of omtrent volwassen leeftijd
verdwenen, zoodat zij door de jongen en, volgens de wet van overerving
op overeenkomstige leeftijden, door de jongen van alle volgende
geslachten werden behouden. Het kan voor den leeuw en de puma, wegens
de open natuur van de plaatsen waar zij zich gewoonlijk ophouden, een
groot voordeel zijn geweest om hun strepen te hebben verloren, en zoo
minder in het oog loopend voor hun prooi te zijn geworden; en indien de
opeenvolgende afwijkingen waardoor dit doel werd bereikt, vrij laat in
het leven plaats hadden gegrepen, zouden de jongen hun strepen hebben
behouden, gelijk wij weten, dat werkelijk het geval is. Wat Herten,
Zwijnen en Tapirs aangaat, heeft Fritz Müller mij het vermoeden
medegedeeld, dat deze dieren door de verwijdering door natuurlijke
teeltkeus van hun vlekken en strepen minder gemakkelijk door hun
vijanden zouden zijn gezien; en zij zouden deze bescherming vooral
noodig hebben gehad, zoodra de Verscheurende Dieren (Carnivora)
gedurende de Tertiaire perioden in grootte en aantal toenamen. Dit mag
de ware verklaring zijn; maar het is toch tamelijk vreemd, dat de
jongen niet even goed zouden zijn beschermd, en nog vreemder dat bij
sommige soorten de volwassenen hun vlekken, hetzij gedeeltelijk of
geheel, gedurende een deel van het jaar zouden hebben behouden. Wij
weten, hoewel wij de oorzaak niet kunnen verklaren, dat als de gewone
ezel afwijkt en roodachtig bruin, grijs of zwart wordt, de strepen op
de schouders en zelfs op den rug dikwijls verdwijnen. [409] Zeer weinig
paarden, behalve bruin gekleurde, vertoonen strepen op eenig deel van
hun lichamen, en toch hebben wij goeden grond om te gelooven, dat het
oorspronkelijke paard op de pooten en den rug, en waarschijnlijk op de
schouders was gestreept. [410] Daarom kan het verdwijnen van de vlekken
en strepen bij de volwassenen van onze thans levende Herten, Zwijnen en
Tapirs het gevolg zijn van een algemeene verandering van de kleur van
hun vacht; maar of deze verandering door seksueele of natuurlijke
teeltkeus werd teweeggebracht, dan of zij het gevolg was van de directe
werking der levensvoorwaarden of van de eene of andere onbekende
oorzaak, is onmogelijk te beslissen. Een door den heer Sclater gemaakte
opmerking geeft een goed voorbeeld van onze onwetendheid ten opzichte
van de wetten die het verschijnen of verdwijnen van strepen regelen; de
soorten van het ezelgeslacht (Asinus), die het vasteland van Azië
bewonen, bezitten geen strepen, en missen zelfs de kruisstreep op den
schouder, terwijl die welke Afrika bewonen, opzichtig zijn gestreept,
met gedeeltelijke uitzondering van Asinus taeniopus die alleen de
kruisstreep op den schouder en gewoonlijk ook eenige onduidelijke
dwarsstrepen op de pooten bezit; en deze soort bewoont de omstreeks
daar tusschen in liggende streek Opper-Egypte en Abessinië. [411] (8)
Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana).—Voor wij eindigen, zal het
raadzaam zijn eenige weinige opmerkingen te voegen bij die welke wij
reeds hebben gemaakt omtrent de tot versiering dienende kenmerken bij
apen. Bij de meeste soorten gelijken de seksen op elkander in kleur;
maar bij sommige verschillen, gelijk wij hebben gezien, de mannetjes
van de wijfjes, vooral in de kleur van de naakte deelen der huid, in de
ontwikkeling van den baard, de bakkebaarden en manen. Vele soorten zijn
hetzij op een zoo buitengewone of op een zoo schoone wijze gekleurd en
van merkwaardige en bevallige haarkammen voorzien, dat wij moeilijk
kunnen nalaten om deze kenmerken als ter wille van de versiering
verkregen te beschouwen. De nevensgaande afbeeldingen (fig. 71–75)
dienen om de rangschikking van het haar op het gelaat en den kop bij
onderscheidene soorten te toonen. Het is moeilijk aan te nemen, dat
deze haarkammen en de sterk tegen elkander afstekende kleuren van den
pels en de huid alleen het gevolg zouden zijn van veranderlijkheid
(variabiliteit) zonder de hulp der teeltkeus; en het is volstrekt niet
te begrijpen, dat zij voor die dieren van eenig gewoon nut zijn. Indien
dit zoo is, dan zijn zij door seksueele teeltkeus verkregen, hoewel
gelijkelijk of bijna gelijkelijk op beide seksen overgeplant. Bij vele
Vierhandigen (Quadrumana) hebben wij nog meer bewijzen voor de werking
der seksueele teeltkeus in de meerdere grootte en sterkte der mannetjes
en in de grootere ontwikkeling der hoektanden in vergelijking van de
wijfjes.
Ten opzichte van de vreemde wijze waarop beide seksen van sommige
soorten zijn gekleurd en de schoonheid van andere, zullen weinige
voorbeelden voldoende zijn. Het gelaat van Cercopithecus petaurista
(Fig. 76) is zwart, terwijl de bakkebaarden en kinbaard wit zijn, met
een scherp begrensde ronde witte vlek op den neus, die met kort wit
haar is bedekt, hetgeen aan het dier een bijna belachelijk uiterlijk
geeft. Ook Semnopithecus frontatus heeft een zwartachtig gelaat met een
langen zwarten baard en een groote naakte plek van blauwachtig witte
kleur op het voorhoofd. Het gelaat van Macacus lasiotus heeft een vuile
vleeschkleur met een scherp begrensde roode vlek op elke wang.
Cercopithecus aethiops heeft een potsierlijk uiterlijk met zijn zwart
gelaat, witte bakkebaarden en halskraag, kastanjebruinen kop en een
groote naakte witte vlek over elk ooglid. Bij zeer vele soorten zijn de
kinbaard, bakkebaarden en haarkammen rondom het gelaat van een andere
kleur dan het overige gedeelte van den kop en zijn in dit geval altijd
van een lichter tint [412], dikwijls zuiver wit, somtijds helder geel
of roodachtig. Het geheele gelaat van den Zuid-Amerikaanschen
Brachyurus calvus heeft een „gloeiende scharlakenroode tint”; maar deze
kleur verschijnt niet voor het dier bijna volwassen is. [413] De naakte
huid van het gelaat verschilt bij de onderscheidene soorten
verwonderlijk veel in kleur. Zij is dikwijls bruin of vleeschkleurig,
met volkomen witte gedeelten, en dikwijls zoo zwart als die van den
meest roetzwarten neger.
Bij den Brachyurus is de scharlakenroode tint levendiger dan die van
het meest blozende Kaukasische juffertje. Zij is soms duidelijker
oranje dan bij eenigen Mongool, en bij onderscheidene soorten is zij
blauw, in violet en grijs overgaande. Bij al de aan den heer Bartlett
bekende soorten waarbij de volwassenen van beiderlei sekse sterk
gekleurde aangezichten hebben, zijn de kleuren dof of ontbreken
gedurende de vroege jeugd. Dit gaat eveneens door bij den Mandril en
den Rhesus-aap bij welke het gelaat en de achterdeelen van het lichaam
alleen bij de eene sekse schitterend zijn gekleurd. In deze laatste
gevallen hebben wij alle reden om te gelooven, dat de kleuren door
seksueele teeltkeus werden verkregen; en wij worden er van zelf toe
gebracht de zelfde meening tot de voorgaande soorten uit te strekken,
hoewel beide seksen, wanneer zij volwassen zijn, op de zelfde wijze
gekleurde aangezichten hebben.
Hoewel, volgens onzen smaak, vele soorten van apen ver van schoon zijn,
worden andere soorten algemeen bewonderd wegens hun bevallig uiterlijk
en levendige kleuren. De Semnopithecus nemaeus, hoewel op bijzondere
wijze gekleurd, wordt als uiterst fraai beschreven; het oranjekleurig
gelaat wordt omgeven door lange bakkebaarden van een glanzend witte
kleur, met een lijn van roodachtig kastanjebruin over de wenkbrauwen;
de pels op den rug is van een teeder grijs, met een vierhoekige vlek op
de lendenen; de staart en de voorarmen zijn allen zuiver wit; boven de
borstkas vindt men een kastanjebruine keel; het achterste gedeelte van
de dijen is zwart, en de beenen zijn roodachtig kastanjebruin. Ik wil
nog slechts twee andere apen wegens hun schoonheid vermelden en heb
deze uitgezocht, daar zij kleine seksueele kleurverschillen vertoonen,
hetgeen eenigermate waarschijnlijk maakt, dat beide seksen hun bevallig
uiterlijk aan seksueele teeltkeus hebben te danken. Bij den knevelaap
(Cercopithecus cephus) is de algemeene kleur van den pels groenachtig
gevlekt, met witte keel; bij het mannetje is het uiteinde van den
staart kastanjebruin; doch het gelaat is het meest versierde gedeelte,
daar de huid er van grootendeels blauwachtig grijs is, onder de oogen
in een zwartachtige tint overgaande, met de bovenlip van een teeder
blauw, langs den benedenrand met een dunnen zwarten knevel versierd; de
bakkebaarden zijn oranjekleurig, met een zwart bovengedeelte en vormen
een band die zich achterwaarts tot de ooren uitstrekt, welke laatsten
met witachtige haren zijn versierd. In den Londenschen dierentuin heb
ik dikwijls de bezoekers de schoonheid van een anderen aap hooren
bewonderen, die naar verdienste de Diana-aap (Cercopithecus Diana, Fig.
77) wordt genoemd; de algemeene kleur van den pels is grijs; de borst
en de binnenzijde van de voorpooten zijn wit; een groote scherp
begrensde driehoekige ruimte op het achterste gedeelte van den rug is
rijk kastanjebruin; bij het mannetje zijn de binnenzijden der dijen en
de onderbuik teeder vaalbruin, en de kruin van den kop is zwart; het
gelaat en de ooren zijn donkerzwart en steken fraai af bij een dwarsen
witten haarkam die over de wenkbrauwen loopt, en bij een langen witten
puntbaard waarvan het basale gedeelte zwart is. [414]
Bij deze en vele andere apen, dwingen de schoonheid en de
vreemdsoortige rangschikking hunner kleuren, en nog meer de veel
verscheidenheid vertoonende en bevallige rangschikking van de
haarkammen en haarbossen op hun koppen, van mijn geest de overtuiging
af, dat deze kenmerken door seksueele teeltkeus uitsluitend als
versierselen zijn verkregen.