wijfjes door het bezit van meer haar, of van haar van een anderen aard,
op zekere deelen van hun gelaat. Alleen de stier heeft krullend haar op
het voorhoofd. [380] Bij drie nauw verwante soorten van de familie der
geiten bezitten alleen de mannetjes baarden, somtijds van aanzienlijke
grootte; bij twee andere onder-geslachten hebben beide seksen een
baard; doch deze verdwijnt bij sommige van de tamme rassen van de
gewone geit. Bij de Halfgeiten (Hemitragus) heeft geen van beide seksen
een baard. Bij den steenbok is de baard gedurende den zomer niet
ontwikkeld en in andere jaargetijden zoo klein, dat hij rudimentair mag
worden genoemd. [381] Bij sommige apen is de baard tot het mannetje
beperkt, gelijk bij den orang, of is veel grooter bij het mannetje dan
bij het wijfje, gelijk bij den zwarten brulaap (Mycetes caraya) en den
Satansaap (Pithecia Satanas) (Fig. 66). Evenzoo is het met de
bakkebaarden van sommige soorten van het geslacht Macacus [382], en,
gelijk wij hebben gezien, met de manen van sommige soorten van
Bavianen. Bij de meeste soorten van apen zijn echter de verschillende
haarbossen op het gelaat en den kop bij beide seksen gelijk.
De mannetjes van onderscheidene leden van de Familie der Runderen
(Bovidae) en van sommige Antilopen zijn voorzien van een kwab of groote
huidplooi aan den hals, die bij het wijfje veel minder is ontwikkeld.
Wat moeten wij nu besluiten ten opzichte van zulke seksueele
verschillen als deze? Niemand zal beweren, dat de baarden van sommige
bokken, of de halskwab van een stier, of de haarkammen langs de ruggen
van sommige antilopen hun tot eenig rechtstreeksch en gewoon gebruik
dienen. Het is mogelijk, dat de verbazende baard van den mannelijken
Satansaap, en de groote baard van den mannelijken orang hun kelen
gedurende het gevecht beschermen; want de oppassers in den Londenschen
dierentuin zeggen mij, dat vele apen elkander bij de keel aanvallen;
doch het is niet waarschijnlijk, dat de kinbaard voor een ander doel is
ontwikkeld dan dat waartoe de bakkebaarden, knevel en andere haarbossen
op het aangezicht dienen; en niemand zal veronderstellen, dat deze
nuttig zijn voor de bescherming. Moeten wij al deze aanhangsels van
haar of vel toeschrijven aan een doellooze neiging tot afwijking bij
het mannetje? Het kan niet worden ontkend, dat dit mogelijk is; want
bij vele tamme viervoetige dieren hebben zich zekere kenmerken,
blijkbaar niet door atavisme van den eenen of anderen wilden stamvorm
verkregen, vertoond bij, en zijn beperkt gebleven tot de mannetjes, of
zijn bij hen tot grooter ontwikkeling gekomen dan bij de wijfjes,—bij
voorbeeld de bult van den zebustier van Indië, de staart bij
vetstaartige rammen, de gewelfde omtrek van het voorhoofd bij de
mannetjes van onderscheidene rassen van schapen, de manen bij den ram
van een Afrikaansch ras, en eindelijk de manen, de lange haren aan de
achterpooten en de halskwab alleen bij het mannetje van de
Berbura-geit. [383] De manen die alleen bij de rammen van bovenvermeld
Afrikaansch schapenras voorkomen, zijn een waar secundair seksueel
kenmerk; want zij ontwikkelen zich niet, gelijk ik van den heer Winwood
Reade hoor, als het dier wordt ontmand. Hoewel wij, gelijk in mijn werk
over „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” is aangetoond,
zeer omzichtig moeten zijn met te besluiten, dat eenig kenmerk, zelfs
bij dieren die door halfbeschaafde volken worden gehouden, niet door
den mensch aan teeltkeus is onderworpen en zoo vermeerderd, zoo is dit
toch in de zooeven opgenoemde gevallen onwaarschijnlijk, vooral omdat
de kenmerken tot de mannetjes beperkt of bij hen sterker ontwikkeld
zijn dan bij de wijfjes. Indien men met zekerheid wist, dat de
Afrikaansche ram met manen afstamde van den zelfden oorspronkelijken
stam als de andere schapenrassen, of de Berbura-bok met zijn manen,
halskwab enz. van den zelfden stam als de andere geiten, en indien geen
teeltkeus op deze kenmerken is aangewend, dan moeten zij het gevolg
zijn van eenvoudige neiging tot afwijking verbonden met seksueel
beperkte erfelijkheid.
In dit geval zou het verstandig schijnen de zelfde meening uit te
breiden tot de vele soortgelijke kenmerken die bij dieren in den
natuurstaat voorkomen. Ik kan er desniettemin niet toe komen, om aan te
nemen, dat deze meening in vele gevallen, zooals in dat van de
buitengewone haarontwikkeling aan de keel en voorpooten van het
mannetje van het manenschaap (Ammotragus), of van den ontzaglijken
baard van den mannelijken Satans-aap toepasselijk is. Bij die Antilopen
bij welke het mannetje op volwassen leeftijd sterker is gekleurd dan
het wijfje, en bij die apen bij welke dit eveneens het geval is, en bij
welke het haar op het aangezicht van een andere kleur dan op het
overige gedeelte van den kop en met de meeste verscheidenheid op de
bevalligste wijze gerangschikt is, schijnt het waarschijnlijk, dat de
haarkammen en haarbossen tot sieraad zijn verkregen; en dit weet ik,
dat de meening van sommige natuuronderzoekers is. Indien zij juist
mocht zijn, kan er weinig twijfel zijn, dat die kenmerken door
seksueele teeltkeus zijn verkregen of ten minste gewijzigd.
Bij een groot aantal vledermuizen is de pels lichter bij het mannetje
dan bij het wijfje. [384] De heer Dobson merkt ook ten opzichte van
deze dieren op: „Verschillen, gedeeltelijk of geheel afhangende van het
bezit door het mannetje van een pels met een veel schitterender kleur,
of onderscheiden door verschillende teekening of door de grootere
lengte van eenige deelen, worden alleen in eenige opmerkelijke mate
gevonden bij de vruchtenetende vledermuizen bij welke de gezichtszin
goed is ontwikkeld.” Deze laatste opmerking verdient aandacht, daar zij
in betrekking staat met de vraag, of levendige kleuren voor mannelijke
dieren nuttig zijn, omdat zij hen versieren. Bij één geslacht (genus)
van luiaards is het tegenwoordig uitgemaakt, gelijk Dr. Gray opmerkt,
„dat de mannetjes anders zijn versierd dan de wijfjes”;—dat is te
zeggen, dat zij tusschen de schouders een plek zacht kort haar hebben,
dat over het algemeen min of meer oranjekleurig, en bij ééne soort
zuiver wit is. Bij de wijfjes komt daarentegen dit kenteeken niet voor.
Kleur van het Haar en van de Naakte Huid.—Ik zal eerst kortelijk alle
mij bekende gevallen opsommen van mannelijke viervoetige dieren die in
kleur van de wijfjes verschillen. Bij de Buideldieren (Marsupialia)
verschillen de seksen zelden in dit opzicht; maar de groote roode
kangoeroe levert een treffende uitzondering op, „daar teeder blauw de
heerschende tint is van die deelen van het wijfje, die bij het mannetje
rood zijn.” [385] Bij de buidelrat (Didelphys opossum) van Cayenne zegt
men, dat het wijfje een weinig rooder dan het mannetje is. Omtrent de
Knaagdieren (Rodentia) merkt Dr. Gray op: „Afrikaansche eekhoorns,
vooral die welke men in de tropische gewesten vindt, hebben een veel
helderder en levendiger pels op sommige tijden van het jaar dan op
andere, en de pels van het mannetje is over het algemeen helderder dan
die van het wijfje.” [386] Dr. Gray meldt mij, dat hij bijzonder de
Afrikaansche eekhoorns noemt, omdat zij, wegens hun ongewoon heldere
kleuren, het best dit verschil vertoonen. Het wijfje van de dwergmuis
(Mus minutus) van Rusland is van een bleeker en vuiler kleur dan het
mannetje. Bij eenige weinige Vledermuizen (Cheiroptera) is het mannetje
lichter en helderder dan het wijfje. [387]
De Landroofdieren (Fera) en Insekteneters (Insectivora) vertoonen
zelden eenig soort van seksueele verschillen, en hun kleuren zijn bijna
altijd volkomen de zelfde bij de beide seksen. De ocelot of panterkat
(Felis pardalis) maakt hierop echter een uitzondering; want de kleuren
van het wijfje zijn, vergeleken met die van het mannetje, „moins
apparentes, le fauve étant plus terne, le blanc moins pur, les raies
ayant moins de largeur et les taches moins de diamètre.” [388] De
seksen van de verwante Felis mitis verschillen ook, maar zelfs in nog
mindere mate, daar de algemeene tint van het wijfje iets bleeker en de
vlekken minder zwart, dan bij het mannetje zijn. De Zeeroofdieren
(Pinnipedia) of Robben verschillen daarentegen somtijds aanmerkelijk
van kleur, en zij vertoonen, gelijk wij reeds hebben gezien, andere
aanmerkelijk seksueele verschillen. Zoo bezit het mannetje van Otaria
nigrescens van het zuidelijk halfrond van boven een rijke bruine
schakeering, terwijl het wijfje dat haar volwassen kleuren op vroegeren
leeftijd dan het mannetje verkrijgt, van boven donkergrijs is, en de
jongen van beiderlei sekse een zeer diepe chocolaadkleur bezitten. Het
mannetje van den noordelijken Groenlandschen zeehond (Phoca
Groenlandica) is vaalgrijs, met een merkwaardige zadelvormige donkere
vlek op den rug; het wijfje is veel kleiner en heeft een zeer
verschillend uiterlijk, daar het „vuilwit is of een geelachtige
strookleur heeft met een bruinroode tint op den rug”; en de jongen zijn
eerst zuiver wit en kunnen „nauwelijks worden onderscheiden tusschen de
ijsschotsen en de sneeuw, zoodat hun kleur derhalve tot bescherming
dient.” [389]
Bij de Herkauwende Dieren (Ruminantia) komen seksueele kleurverschillen
veelvuldiger voor, dan in eenige andere Orde. Een verschil van deze
soort is algemeen bij de antilopen van de Strepsiceros-groep; zoo is de
mannelijke nilgau (Portax picta) blauwachtig grijs en veel donkerder
dan het wijfje; ook zijn de vierkante witte vlekken op de keel, de
witte teekeningen op de vetlokken en de zwarte vlekken op de ooren
allen veel duidelijker. Wij hebben gezien, dat bij deze soort ook de
kammen en haarvlokken bij het mannetje meer zijn ontwikkeld dan bij het
horenlooze wijfje. Het mannetje wordt, gelijk de heer Blyth mij
mededeelt, zonder te ruien, periodiek donkerder gedurende den paartijd.
Jonge mannetjes kunnen niet van jonge wijfjes worden onderscheiden,
voor zij meer dan twaalf maanden oud zijn, en indien het mannetje voor
dien tijd wordt gesneden (gecastreerd), verandert hij, volgens de
zelfde autoriteit, nooit van kleur. De belangrijkheid van dit laatste
feit, als onderscheidend voor seksueele kleuring, springt in het oog,
wanneer wij hooren [390], dat noch het roode zomerkleed, noch het
blauwe winterkleed van het Virginische hert in het minst door
ontmanning worden aangedaan. Bij de meeste of al de in hooge mate
versierde soorten van Tragelaphus zijn de mannetjes donkerder dan de
horenlooze wijfjes, en hun haarkammen zijn volkomener ontwikkeld. Bij
het mannetje van Derby’s Eland, die prachtige antilope, is het lichaam
rooder, de geheele nek veel zwarter, en de witte band die deze kleuren
scheidt, breeder dan bij het wijfje. Bij den Kaapschen Eland is het
mannetje ook iets donkerder dan het wijfje. [391]
Bij den Indischen zwartbok (Antilope bezoarctica), die tot een andere
afdeeling van antilopen behoort, is het mannetje zeer donker, bijna
zwart, terwijl het horenlooze wijfje vaalbruin is gekleurd. Wij hebben
bij deze soort, gelijk de heer Blyth mij meldt, een rij van feiten,
volkomen evenwijdig aan die bij de Portax picta, namelijk in de
periodieke kleurverandering van het mannetje gedurende den paartijd, in
de uitwerkselen van de ontmanning op deze verandering en in het niet te
onderscheiden zijn van de jongen van beiderlei sekse. Bij de Antilope
nigra is het mannetje zwart, terwijl het wijfje, en evenzoo de jongen,
bruin zijn; bij A. sing-sing is het mannetje veel lichter gekleurd dan
het horenlooze wijfje, en zijn borst en buik zijn zwarter; bij den
mannelijken A. caama zijn de teekeningen en lijnen die op verschillende
deelen van het lichaam voorkomen, zwart in plaats van bruin, gelijk bij
het wijfje; bij den gestreepten gnoe (A. gorgon) „zijn de kleuren van
het mannetje omtrent de zelfde als die van het wijfje, alleen dieper en
helderder van tint.” [392] Andere soortgelijke gevallen zouden nog nier
kunnen worden bijgevoegd.
De Banteng-stier (Bos sondaicus) van Insulinde is bijna zwart met witte
pooten en dijen; de koe is helder bruin, evenals de jonge mannetjes,
totdat zij omtrent drie jaren oud zijn, op welken leeftijd zij snel van
kleur veranderen. De ontmande stier keert terug tot de kleur van het
wijfje. De Kemasgeit is bleeker en de Bezoar-geit (Capra aegagrus),
naar men zegt, eenvormiger gekleurd dan hun respectieve bokken. Herten
vertoonen zelden eenig seksueel kleurverschil. Judge Caton meldt mij
echter, dat bij de mannetjes van het Wapiti-hert (Cervus Canadensis) de
nek, buik en pooten veel donkerder zijn dan de zelfde deelen bij het
wijfje; maar gedurende den winter verbleeken en verdwijnen de donkerder
tinten allengs. Ik kan hier vermelden, dat Judge Caton in zijn park
drie rassen van het Virginische hert heeft, die eenigszins in kleur
verschillen; maar de verschillen zijn bijna uitsluitend beperkt tot het
blauwe winter- of paringskleed; zoodat dit geval kan worden vergeleken
met die, welke in een vorig hoofdstuk zijn medegedeeld, van
nauw-verwante of elkander vertegenwoordigende soorten die alleen in hun
bruiloftskleed verschillen. [393] De wijfjes van Cervus paludosus van
Zuid-Amerika bezitten evenmin als de jongen van beide seksen de zwarte
strepen op den neus en de de zwartachtige bruine lijn op de borst, die
de volwassen mannetjes kenmerken. [394] Eindelijk is het volwassen
mannetje van het fraai gekleurde en gevlekte Axis-hert, naar mij de
heer Blyth meldt, aanmerkelijk donkerder dan het wijfje, en deze tint
verkrijgt het ontmande mannetje nooit.
De laatste Orde die wij hebben te beschouwen,—want het is mij niet
bekend, dat seksueele kleurverschillen bij de andere groepen van
zoogdieren voorkomen,—is die der Primaten. Het mannetje van den Lemur
macaco is koolzwart, terwijl het wijfje roodachtig geel, maar zeer
veranderlijk van kleur is. [395] Van de Vierhandigen (Quadrumana) van
de Nieuwe Wereld zijn de wijfjes en jongen van den zwarten brulaap
(Mycetes caraya) grijsachtig geel en gelijk, in het tweede jaar wordt
het mannetje roodachtig bruin, in het derde jaar zwart, behalve de buik
die echter in het vierde of vijfde jaar ook geheel zwart wordt. Er is
ook een sterk uitgedrukt verschil in kleur tusschen de seksen bij den
rooden brulaap (Mycetes seniculus) en den kapucijneraap (Cebus
capucinus), terwijl de jongen van de eerste en, naar ik meen, ook van
de tweede soort op de wijfjes gelijken. Bij den Saki (Pithecia
leucocephala) gelijken de jongen ook op de wijfjes die van boven
bruinachtig zwart en van onderen licht roestbruin zijn, terwijl de
mannetjes zwart zijn. De kraag van haar rondom het gelaat van Ateles
marginatus is bij het mannetje geel en bij het wijfje wit gekleurd.
Laten wij ons tot de Oude Wereld wenden. De mannetjes van Hylobates
hoolock zijn altijd zwart, met uitzondering van een witten band over de
wenkbrauwen; de wijfjes verschillen (varieeren) van witachtig bruin tot
een donkere met zwart vermengde tint, maar zijn nooit geheel en al
zwart. [396] Bij den schoonen Diana-aap (Cercopithecus diana) is de kop
van het volwassen mannetje diep zwart, terwijl die van het wijfje
donkergrijs is; bij het eerste is de pels tusschen de dijen van een
bevallig bruine kleur; bij het laatste is hij bleeker. Bij den even
schoonen en merkwaardigen knevelaap (Cercopithecus cephus) is het
eenige verschil tusschen de seksen, dat de staart van het mannetje
kastanjebruin en die van het wijfje grijs is; doch de heer Bartlett
deelt mij mede, dat al de tinten sterker worden uitgedrukt bij het
mannetje wanneer het volwassen is, terwijl zij bij het wijfje blijven
gelijk zij gedurende de jeugd waren. Volgens de door Salomon Müller
gegeven gekleurde afbeeldingen is het mannetje van Semnopithecus
chrysomelas omtrent zwart, terwijl het wijfje bleekbruin is. Bij
Cercopithecus cynosurus en chryseo-viridis is één deel van het lichaam,
dat alleen door de mannelijke sekse wordt bezeten, van het
schitterendste blauw of groen, en steekt sterk af bij het naakte vel
van het achterdeel van bet lichaam, dat levendig rood is.
In de Familie der Bavianen eindelijk, verschilt het volwassen mannetje
van den mantelbaviaan (Cynocephalus hamadryas) van het wijfje niet
alleen door zijn verbazende manen, maar ook eenigszins door de kleur
van het haar en van de naakte eeltplekken. Bij den dril (Cynocephalis
leucophaeus) zijn de wijfjes en jongen veel bleeker gekleurd, met
minder groen dan de volwassen mannetjes. Geen ander lid van de geheele
Klasse der Zoogdieren is zoo op buitengewone wijze gekleurd als de
volwassen mannelijke mandril (Cynocephalus mormon). Het gelaat wordt op
dezen leeftijd fraai blauw, en de rug en punt van den neus zeer
schitterend rood. Volgens sommige schrijvers is het gelaat ook met
witachtige strepen versierd en gedeeltelijk met zwart geschakeerd: doch
de kleuren schijnen aan afwijking onderhevig (variabel) te zijn. Op het
voorhoofd bevindt zich een haarkam en aan de kin een gele baard.
„Toutes les parties supérieures de leurs cuisses et le grand espace nu
de leurs fesses sont également colorés du rouge le plus vif, avec un
mélange de bleu qui ne manque réellement pas d’élégance.” [397] Als het
dier opgewekt wordt, worden al de naakte deelen veel levendiger
gekleurd. Onderscheidene schrijvers hebben de sterkste uitdrukkingen
gebruikt bij de beschrijving van deze glansrijke kleuren welke zij bij
die der schitterendste vogels vergelijken. Een andere hoogst
opmerkelijke bijzonderheid is, dat zich, wanneer de groote hoektanden
volkomen zijn ontwikkeld, verbazend groote beenige uitsteeksels op elke
wang vormen, die diep overlangs zijn gegroefd, en het naakte vel dat
daarover groeit, is schitterend gekleurd, gelijk daareven is beschreven
(Fig. 67). Bij de volwassen wijfjes en bij de jongen van beide seksen
zijn deze uitsteeksels nauwelijks merkbaar; en de naakte deelen zijn
veel minder levendig gekleurd, daar het gelaat bijna zwart is, met een
weinig blauw vermengd. Bij het volwassen wijfje wordt echter de neus op
zekere regelmatig terugkomende tijden rood geverfd.
In alle tot dusverre medegedeelde gevallen is het mannetje sterker of
levendiger gekleurd dan het wijfje en verschilt in een grootere mate
van de jongen van beide seksen. Evenals echter een omgekeerde
kleurverhouding van beide seksen kenmerkend is voor eenige weinige
vogels, zoo heeft bij den Rhesus-aap (Macacus Rhesus) het wijfje een
groote oppervlakte naakte huid rondom den staart van een schitterend
karmozijnrood dat, naar mij door de oppassers in den Londenschen
dierentuin werd verzekerd, periodiek zelfs nog levendiger wordt, en
haar gelaat is ook bleek rood. Bij het volwassen mannetje en bij de
jongen van beide seksen vertoonen daarentegen, gelijk ik in den
dierentuin zag, noch de naakte huid aan het achterste einde van het
lichaam, noch het gelaat een spoor van rood. Het schijnt echter volgens
eenige openbaar gemaakte berichten, dat het mannetje nu en dan of
gedurende zekere jaargetijden eenige sporen van rood vertoont. Hoewel
hij dus minder is versierd dan het wijfje, volgt hij toch door zijn
meerdere lichaamsgrootte, grootere hoektanden, meer ontwikkelde
bakkebaarden en meer vooruitstekende wenkbrauwbogen den algemeenen
regel, dat het mannetje boven het wijfje uitmunt.
Ik heb nu alle mij bekende gevallen van een kleurverschil tusschen de
seksen van zoogdieren medegedeeld. De kleuren van het wijfje
verschillen òf niet in voldoende mate van die van het mannetje, òf zijn
van zoodanigen aard, dat zij geschikt zijn haar bescherming te geven,
en kunnen daarom niet volgens dit beginsel worden verklaard. In
sommige, wellicht in vele gevallen kunnen deze verschillen het gevolg
zijn van afwijkingen die tot ééne sekse waren beperkt en op de zelfde
sekse werden overgeplant, zonder dat daardoor eenig voordeel werd
verkregen en derhalve zonder de hulp van teeltkeus. Wij hebben
voorbeelden van deze soort bij onze tamme dieren, zooals in de
roestbruine kleur van de mannetjes van sommige katten, terwijl de
wijfjes driekleurig zijn. Soortgelijke gevallen komen ook in de natuur
voor; de heer Bartlett heeft vele zwarte verscheidenheden van den
jaguar, luipaard, vosachtigen phalanger (4) en wombat (5) gezien; en
hij is zeker, dat allen of bijna allen mannetjes waren. Daarentegen
worden beide seksen van wolven, vossen en, naar het schijnt, van
Amerikaansche eekhoorns (6) nu en dan zwart geboren. Het is daarom zeer
mogelijk, dat bij sommige zoogdieren de zwartheid van de mannetjes,
vooral wanneer die kleur is aangeboren, eenvoudig een gevolg daarvan
is, dat zich, zonder de hulp van teeltkeus, ééne of meer afwijkingen
voordeden, die van den beginne af in haar overplanting seksueel waren
beperkt. Desniettemin kan men moeilijk aannemen, dat de zooveel
verscheidenheid vertoonende, levendige en tegen elkander afstekende
kleuren van sommige viervoetige dieren, bij voorbeeld van de
bovenvermelde apen en antilopen, op die wijze moeten worden verklaard.
Wij behooren te bedenken, dat deze kleuren zich bij het mannetje niet
bij de geboorte vertoonen, gelijk in het geval van de meeste gewone
afwijkingen, maar alleen op volwassen of bijna volwassen leeftijd; en
dat zij, hetgeen met gewone afwijkingen niet het geval is, indien het
mannetje wordt ontmand, nooit verschijnen of na de ontmanning
verdwijnen. Het is over het geheel genomen een veel waarschijnlijker
besluit, dat de sterk uitgedrukte kleuren en andere tot versiering
dienende kenmerken van mannelijke viervoetige dieren hun voordeelig
zijn in hun medeminnarij met andere mannetjes en derhalve door
seksueele teeltkeus zijn verkregen. De waarschijnlijkheid van deze
meening wordt versterkt, doordat de verschillen in kleur tusschen de
seksen, gelijk men kan opmerken, als men de vroeger vermelde
bijzonderheden doorloopt, bijna uitsluitend voorkomen bij die groepen
en ondergroepen van zoogdieren, die andere en duidelijke secundaire
seksueele kenmerken vertoonen, terwijl deze laatste evenzeer het gevolg
van de werking der seksueele teeltkeus zijn.
Viervoetige dieren letten blijkbaar op kleur. Sir S. Baker nam
herhaaldelijk waar, dat de Afrikaansche olifant en neushoren witte of
grijze paarden met bijzondere woede aanvielen. Ik heb elders [398]
aangetoond, dat half wilde paarden het liefst schijnen te paren met
andere van de zelfde kleur en dat kudden van damherten van een
verschillende kleur, hoewel te zamen levende, zich toch afzonderlijk
hielden. Het is een meer beteekenisvol feit, dat een zebramerrie de
liefkozingen van een ezelhengst niet wilde toelaten, voordat hij
zoodanig was beschilderd, dat hij op een zebra geleek, en toen „ontving
zij hem”; gelijk John Hunter opmerkt, „zeer gaarne. In dit opmerkelijk
feit, hebben wij instinkt, eenvoudig door de kleur opgewekt, die zulk
een sterke werking had, dat al het andere er voor moest wijken. De
hengst had dit echter niet noodig; dat de merrie een dier was, dat
eenigszins op hem geleek, was voldoende om zijn hartstocht te doen
ontvlammen.” [399]
In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien, dat de geestvermogens der
hoogere dieren niet in hoedanigheid, hoewel zoo verbazend in
hoeveelheid, van de overeenkomstige vermogens van den mensch, vooral
van de lagere en barbaarsche rassen verschillen, en het schijnt, dat
zelfs hun smaak voor het schoone niet veel van dien der Vierhandigen
(Quadrumana) afwijkt. Evenals de neger van Afrika het vleesch van zijn
aangezicht in evenwijdige voren „of litteekens, hoog boven de
natuurlijke oppervlakte” doet opzwellen, „welke afzichtelijke
misvormingen voor groote persoonlijke aantrekkelijkheden worden
gehouden” [400],—evenals negers, gelijk ook de wilden van vele andere
deelen der wereld, hun gelaat met roode, blauwe, witte of zwarte
strepen beschilderen,—schijnt ook de mandril van Afrika zijn met diepe
voren doorploegd en opzichtig gekleurd gelaat te hebben verkregen,
omdat hij daardoor aantrekkelijk voor het wijfje werd gemaakt. Het is
voor ons ongetwijfeld een hoogst potsierlijk denkbeeld, dat het
achtereinde van het lichaam ter wille van de versiering zelfs nog
schitterender zou zijn gekleurd dan het gelaat; maar dit is eigenlijk
niet vreemder, dan dat juist de staarten van vele vogels bijzonder zijn
versierd.