Wat aantrekkelijkheden zijn, die een voordeel in de vrijage aan sommige

mannetjes geven in bovenstaande verschillende gevallen, hetzij kracht

en sterkte, of bewegingen, stem of geur, kan zelden zelfs ook worden

gegist; maar wat zij ook mogen zijn, zouden zij in den loop van vele

generaties worden bewaard en vermeerderd, indien de wijfjes van de

zelfde soort of het zelfde ras, die de zelfde streek bewonen, gedurende

achtereenvolgende generaties ongeveer de zelfde algemeene neiging en

smaak behielden; en dit komt mij niet onwaarschijnlijk voor. Ook is het

niet volstrekt noodzakelijk, dat alle wijfjes volkomen den zelfden

smaak hebben: het eene wijfje zou meer kunnen worden aangetrokken door

een bepaalde eigenschap van het mannetje, en een ander door een andere;

en beide zouden, indien zij niet onvereenigbaar waren, langzamerhand

door alle mannetjes worden verkregen. Hoe weinig wij ook kunnen

beoordeelen welke kenmerken het wijfje aantrekken, scheen het toch in

sommige der door mij opgeteekende gevallen, duidelijk de kleur te zijn;

in andere gevallen vroegere bekendheid met een bijzonder mannetje; in

wederom andere juist het omgekeerde, of nieuwheid. Wat het eerste

optreden aangaat der bijzonderheden die later door seksueele teeltkeus

worden vermeerderd, dit hangt natuurlijk af van de sterke neiging van

alle deelen van alle organismen om kleine individueele verschillen te

vertoonen, en van sommige organismen om op duidelijke wijze te

varieeren. In mijn boek over het Varieeren der Huisdieren en

Cultuurplanten zijn ook bewijzen gegeven, dat mannelijke dieren meer

vatbaar zijn om te varieeren dan vrouwelijke, en dit zou aan de

seksueele teeltkeus in hooge mate bevorderlijk zijn. Blijkbaar hangt

elk gering individueel verschil en elke meer in het oog loopende

afwijking af van bepaalde, ofschoon onbekende oorzaken; en deze

wijzigingen van maaksel enz. verschillen bij verschillende soorten

onder oogenschijnlijk de zelfde omstandigheden. Getuigenissen van dezen

aard zijn dikwijls verkeerd opgevat, alsof men veronderstelde, dat

afwijkingen onbepaald of fluctueerende waren, en dat de zelfde

afwijkingen bij alle soorten voorkwamen.

Met betrekking tot de seksueele teeltkeus zal ik hier alleen bijvoegen,

dat de volkomen manier, waarop de geïmporteerde honden en andere

huisdieren in Zuid-Amerika en andere landen zich hebben vermengd,

zoodat alle sporen van hun oorspronkelijke rassen zijn verdwenen, mij

dikwijls een verwonderlijk feit scheen. Dit houdt, volgens Rengger

[365], zelfs steek ten opzichte van de honden in zulk een geïsoleerd

land als Paraguay. Ik schreef vroeger de vermenging alleen daaraan toe,

dat de rassen niet afzonderlijk waren gehouden en aan de grootere

levenskracht van gekruist kroost; maar indien de wijfjes dikwijls aan

vreemdelingen de voorkeur geven boven hun oude gezellen, gelijk het

geval schijnt te zijn, volgens Nordenskiöld in Siberië en in Syrië,

gelijk in het volgend opstel wordt aangetoond, dan kunnen wij

gemakkelijk begrijpen hoe snel en volkomen de voortgang der

rasvermenging zou zijn. Ik zal nu zonder verder commentaar de

verhandeling mededeelen welke Dr. W. van Dijck, leeraar in de dierkunde

aan het Protestantsche college te Beyrut, welke uitstekende gelegenheid

tot waarneming heeft gehad gedurende een twintigjarig verblijf aldaar,

zoo vriendelijk is geweest mij te zenden.

Over de wijziging van een ras van Syrische straathonden door middel van

Seksueele Teeltkeus. Door W. van Dijck, M. D.

Beyrut is een der voornaamste havens van de Syrische kust en heeft een

bevolking van tachtig- tot honderdduizend zielen. Gelijk in de meeste

Oostersche steden is het stelsel van straatreiniging er zeer onvolkomen

en wordt het schoonmaken van de straat er grootendeels overgelaten aan

de straathonden van welke vele honderden door de stad en de voorsteden

rondzwerven en hun voedsel zoeken, waar zij het maar kunnen vinden.

Twintig jaar geleden, en vóór dien tijd, vormden deze honden een geheel

homogeen ras waarvan de typische kenmerken, in het ruwe beschreven, de

volgende waren:—schouderhoogte 50–55 centimeters, lengte van den snoet

tot den wortel van den staart 80–85 centimeters, lengte van den staart

30–37½ centimeters, kleur zandachtig grijs, in eenige verschillende

schakeeringen (zelden zoo licht, dat zij voor vuil wit konden

doorgaan), in de meeste gevallen donkerder van boven dan van onderen,

en niet zelden gespikkeld of gestreept; kop van gemiddelde grootte, met

vrij puntigen snoet en kleine, puntige, half-hangende ooren; staart

ruig behaard, gewoonlijk opgericht over den rug gedragen, soms sterk

gekruld; algemeen uiterlijk beslist jakhalsachtig of half-wolfachtig;

karakter laf, zelden kwaadaardig. De eenige vermeldenswaardige

afwijkingen van boven beschreven type, ten tijde waarvan ik schreef,

waren nu en dan enkele zwarte honden, meestal met korter haar dan de

grijze, zelden bonte, zwart en wit gevlekte exemplaren. Tegenwoordig is

het geheel anders. De zandachtige grijze kleur heeft wel is waar nog de

overhand, maar er is nauwelijks een denkbare kleur of combinatie van

kleuren, welke niet wordt gevonden; en in vorm, grootte en verhoudingen

van romp en ledematen, gedaante van den kop, vorm en grootte der ooren,

lengte en dichtheid van het haar, lengte, ruigheid en wijze van

gedragen worden van den staart, is er bijna evenveel verschil.

Twintig jaar geleden waren slechts weinige inwoners dezer stad

eigenaars van honden van eenig uitheemsch ras; maar sedert zijn

Engelsche staande honden (pointers), poedels, terriërs, eenige weinige

windhonden en patrijshonden (setters), en nu en dan Newfoundlanders,

water-jachthonden (retrievers) en bullebijters (mastifs) geïmporteerd

en hebben zich er in meerdere of mindere mate vermenigvuldigd. Verreweg

de meeste honden van uitheemsch ras, die men te Beyrut te eeniger tijd

vond, waren kleiner en stellig zwakker dan de oorspronkelijke

inlandsche; en maar zeer weinige van hen kunnen zich, als hun meester

er niet bij is, op straat wagen, zonder groot gevaar te loopen van meer

of min ernstig te worden gehavend door de straathonden.

Niettegenstaande hun merkelijke mindere spierkracht zijn echter de

uitheemsche honden er in geslaagd het geheele ras der straathonden zoo

door en door te verbasteren, dat het tegenwoordig niet gemakkelijk is

een exemplaar van deze te vinden, dat geen onmiskenbare bewijzen van

uitheemsch bloed vertoont.

Om dit te verklaren, kan ik met overtuiging de volgende feiten

mededeelen, op grond van mijn eigen waarneming en ondervinding:—1o.

Inlandsche teven vertoonen zeer dikwijls een besliste voorkeur voor

sommige uitheemsche honden, en ik heb herhaaldelijk zulk een teef een

reeks van inlandsche vrijers, den een voor, den ander na zien afwijzen,

om zonder aarzeling een volbloed Engelschen staanden hond (pointer) aan

te nemen. Mijn vader bezat eens een Franschen staanden hond (pointer),

Jack genaamd, zeer klein, maar schoon geëvenredigd en van een fraaie

goudachtig bruine kleur. Deze reu was zoo groot een gunsteling van de

inlandsche honden van de andere sekse, dat hij een uiterst „losbandig”

leven leidde. Pointer teven weigerden hem daarentegen niet zelden, ter

wille van een straatreu. 2o. Pointer- en andere teven van goed ras zijn

dikwijls zoo beslist en volhardend in haar voorkeur voor straatreuen

(gewoonlijk voor één bijzonder individu, dat zij soms niet gezien, maar

wiens stem zij hebben gehoord), dat zij liever geheele jaargetijden

ongepaard zullen blijven dan de minnaars aannemen, die door haar

meester voor haar zijn gekozen. In zulke gevallen is een oogenblik van

zorgeloosheid of onoplettendheid genoeg om een nest van bastaardjongen

te doen ontstaan, welke als zij niet in hun vroege kindsheid worden

gedood, zeer veel kans hebben bij de eene of andere gelegenheid op

straat te geraken en daar de kans van besmetting voor het geheele ras

te vermeerderen. 3o. Bastaard voortplanting heeft het sterkst plaats in

de voorsteden, waar straathonden iets minder talrijk zijn dan in het

hart van de stad, en waar heimelijke paringen met weggeloopen honden

worden begunstigd door heggen, struikgewas enz. enz. In de stad zelve

daarentegen, waar de kans tien tegen een is, dat de aanspraken zullen

worden beslist door de wet van den strijd, valt het uitheemsche bloed

niet zoo duidelijk in het oog, en zou een toevallige waarnemer het

zelfs in vele gevallen niet opmerken; en indien er nog eenige volbloed

vertegenwoordigers van den ouden stam bestaan, moet het zijn in het

dichtst bevolkte kwartier, waar de slachterswinkels velen zijn en dicht

bij elkander liggen en de straathonden, in evenredigheid daarmede,

talrijk zijn.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE ZOOGDIEREN.—VERVOLG

Stem.—Opmerkelijke seksueele bijzonderheden bij

Robben.—Geur.—Ontwikkeling van het haar.—Kleur van het haar en de

huid.—Abnormaal geval waarin het wijfje meer opgesierd is dan het

mannetje.—Kleur en versierselen, door seksueele teeltkeus

veroorzaakt.—Kleur, verkregen ter wille van de bescherming.—De

kleur is, al is zij aan beide seksen gemeen, toch dikwijls het

gevolg van seksueele teeltkeus.—Over het verdwijnen van vlekken en

strepen bij volwassen viervoetige dieren.—Over de kleuren en

versierselen der Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana).—Overzicht.

De viervoetige dieren gebruiken hun stemmen voor onderscheidene

doeleinden, als een signaal van gevaar, als een roepstem van het eene

lid van een troep aan het andere, of van de moeder aan haar verloren

jongen, of van de laatsten om hun moeder bescherming te vragen; het

gebruik er van tot dergelijke doeleinden behoeft hier echter niet te

worden beschouwd. Wij hebben slechts te maken met het verschil tusschen

de stemmen der beide seksen, bij voorbeeld tusschen die van den leeuw

en die van de leeuwin, die van den stier en die van de koe. Bijna alle

mannelijke zoogdieren maken veel meer gebruik van hun stemmen gedurende

den paartijd dan in eenig ander jaargetijde, en men zegt, dat sommige,

zooals de giraffe en het stekelvarken [366], volkomen stom zijn behalve

in dit jaargetijde. Daar de kelen (d.i. het strottenhoofd en de

schildklieren) [367] van herten periodiek in grootte toenemen bij het

begin van den paartijd, zou men kunnen denken, dat hun machtige stemmen

dan op de eene of andere wijze van hoog belang voor hen moesten zijn;

maar dit is zeer twijfelachtig. Volgens mij door twee ondervindingrijke

waarnemers, de heeren McNeill en Sir P. Egerton, gedane mededeelingen,

schijnt het, dat jonge herten beneden den leeftijd van drie jaren niet

loeien of brullen; en dat de oude beginnen te brullen in het begin van

den paartijd, in het begin slechts van tijd tot tijd en matig, terwijl

zij rusteloos rondzwerven om naar de wijfjes te zoeken. Hun gevechten

worden voorafgegaan door een luid en langdurig geloei; maar gedurende

het gevecht zelf zwijgen zij. Dieren van allerlei soort, die gewoon

zijn gedurig hun stemmen te gebruiken, uiten verschillende geluiden bij

elke sterke gemoedsaandoening, zooals wanneer zij woedend zijn en zich

tot den strijd gereedmaken; maar dit is wellicht slechts het gevolg van

hun zenuwachtige opgewondenheid, die aanleiding geeft tot krampachtige

samentrekking van bijna al de spieren van hun lichaam, evenals wanneer

een man op de tanden knerst en zijn handen in razernij of doodsangst

wringt. Ongetwijfeld dagen de herten elkander door hun geloei tot een

gevecht op leven en dood uit; maar het is niet waarschijnlijk, dat deze

gewoonte door seksueele teeltkeus, dat wil zeggen, doordat de mannetjes

die de luidste stem hadden, het voorspoedigst zijn geweest in hun

gevechten, aanleiding heeft gegeven tot de periodieke vergrooting der

stemorganen; want de herten met de luidste stemmen zouden, tenzij zij

tegelijkertijd de sterkste, best gewapende en moedigste waren,

volstrekt geen voordeel hebben gehad over hun medeminnaars met zwakkere

stemmen. Daarenboven zouden de herten met zwakkere stemmen, hoewel niet

zoo goed in staat om andere herten uit te dagen, even zeker naar de

plaats van het gevecht zijn getrokken, als die met sterker stemmen.

Het is mogelijk, dat het brullen van den leeuw hem werkelijk eenigszins

van dienst is om zijn tegenstander vrees aan te jagen; want als hij

woedend is, zet hij ook zijn manen op en tracht zich zoo instinktmatig

zoo vreeselijk mogelijk voor te doen. Men kan echter moeilijk

veronderstellen, dat het loeien van het hert, zelfs als het hem op deze

wijze eenigszins van dienst was, belangrijk genoeg kan zijn geweest om

aanleiding te hebben gegeven tot de periodieke vergrooting van de keel.

Sommige schrijvers uiten het vermoeden, dat het geloei als een lokstem

voor het wijfje dient; doch de ondervindingrijke boven aangehaalde

waarnemers deelen mij mede, dat de hinde het hert niet zoekt, hoewel de

herten vurig de hinden zoeken, zooals inderdaad mocht worden verwacht,

naar hetgeen wij van de gewoonten van andere mannelijke zoogdieren

weten. De stem van de hinde brengt daarentegen spoedig een of meer

herten tot haar [368], gelijk wel bekend is aan de jagers die in wilde

landen haar geschreeuw nabootsen. Indien wij konden gelooven, dat het

hert het vermogen had de hinde door zijn stem aan te lokken of op te

wekken, zou de periodieke vergrooting van zijn stemorganen begrijpelijk

zijn volgens het beginsel van seksueele teeltkeus, verbonden met

overerving beperkt tot de zelfde sekse en den zelfden tijd van het

jaar; maar wij kennen geen feiten die ten gunste van deze meening

pleiten. Zooals het met het geval staat, schijnt de luide stem van het

hert gedurende den bronstijd hem van volstrekt geen bijzonderen dienst

te zijn, noch gedurende zijn vrijage of gevechten, noch op eenige

andere wijze. Mogen wij echter niet gelooven, dat het veelvuldig

gebruik van de stem onder den sterken prikkel van liefde, ijverzucht en

woede gedurende vele geslachten voortgezet, en ten laatste een

erfelijke uitwerking op de stemorganen van het hert en ook van andere

mannelijke dieren kan hebben gehad? Dit schijnt mij bij den

tegenwoordigen staat onzer kennis de meest waarschijnlijke meening.

De mannelijke gorilla heeft een ontzaglijke stem, en bezit, als hij

volwassen is, een keelzak, gelijk ook bij den mannelijken orang [369]

het geval is. De Gibbons behooren tot de luidruchtigste apen, en de

Sumatraansche soort (Hylobates syndactylus) is ook van een keelzak

voorzien; doch de heer Blyth die gelegenheid tot waarnemingen heeft

gehad, gelooft niet, dat het mannetje luidruchtiger dan het wijfje is.

(1) Deze laatste apen gebruiken dus hun stem waarschijnlijk als een

wederkeerige roepstem; en dit is ongetwijfeld ook het geval met sommige

viervoetige dieren, bij voorbeeld met den bever. [370] Een andere

gibbon, de H. agilis, is uiterst merkwaardig, daar hij het vermogen

bezit om een volkomen en juist octaaf van muzikale noten voort te

brengen, [371] die, naar wij wel met grond zullen mogen vermoeden, tot

een seksueel bekoringsmiddel dienen; doch ik zal op deze zaak in het

volgende hoofdstuk terug moeten komen. De stemorganen van den zwarten

Amerikaanschen brulaap (Mycetes caraya) zijn bij het mannetje een derde

grooter dan bij het wijfje en wonderlijk krachtig. Deze apen doen, als

het weder warm is, de wouden gedurende den morgen en avond van hun

oorverdoovende stemmen weêrgalmen. De mannetjes beginnen het

vreeselijke concert waarbij zich somtijds de wijfjes met haar minder

krachtige stemmen voegen, en dat dikwijls gedurende vele uren wordt

voortgezet. Een uitnemend waarnemer, Rengger [372], kon niet bemerken,

dat zij door eenige bijzondere oorzaak werden opgewekt om hun concert

te beginnen; hij denkt, dat zij, evenals vele vogels, behagen scheppen

in hun eigen muziek, en elkander trachten te overtreffen. Of de meeste

der voorgaande apen hun krachtige stemmen hebben verkregen om hun

medeminnaars te overwinnen en de wijfjes te bekoren—dan wel, of de

stemorganen zijn versterkt door de overgeërfde gevolgen van lang

voortgezet gebruik, zonder dat daardoor eenig bijzonder voordeel werd

verkregen, zal ik niet wagen te beslissen; maar de eerste meening

schijnt, ten minste in het geval van Hylobates agilis, de meest

waarschijnlijke.

Ik wil hier twee hoogst opmerkelijke seksueele bijzonderheden

vermelden, die bij Robben voorkomen, omdat door sommige schrijvers

wordt verondersteld, dat zij op de stem invloed hebben. De neus van den

mannelijken zeeolifant (Macrorhinus proboscideus) wordt, wanneer hij

omstreeks drie jaar oud is, gedurende den paartijd zeer verlengd en is

dan vatbaar voor oprichting (erectie). In dezen toestand is hij

somtijds een voet lang. Het wijfje is in geen tijdperk van haar leven

aldus uitgedost, en haar stem is verschillend. Die van het mannetje

bestaat in een wild, heesch, gorgelend geluid dat op grooten afstand

hoorbaar is en, naar men gelooft, door den snuit wordt versterkt.

Lesson vergelijkt de oprichting (erectie) van den snuit met het zwellen

van de vleeschlappen van mannelijke hoenderachtige vogels, terwijl zij

het wijfje het hof maken. Bij een andere verwante robbensoort, de

Klapmuts (Cystophora cristata) is de kop met een groote kap of blaas

bedekt. Deze wordt inwendig door het tusschenschot van den neus

ondersteund, dat ver naar achteren is verlengd en zich tot een 17,5

centimeter hooge lijst verheft. De kap is met kort haar bekleed en

spierachtig; zij kan worden opgeblazen, totdat zij den geheelen kop in

grootte overtreft! In den bronstijd vechten de mannetjes woedend op het

ijs, en hun gebrul „wordt gezegd somtijds zoo sterk te zijn, dat het op

vier mijlen afstands kan worden gehoord.” Als zij door den mensch

worden aangevallen, brullen en schreeuwen zij eveneens; en als zij

toornig worden, wordt de kap opgeblazen. De heer R. Brown denkt, dat

zij tot een bescherming dient tegen ongevallen van allerlei aard. Deze

laatste meening is niet waarschijnlijk, indien datgeen wat de

robbenvangers lang hebben volgehouden, juist is, namelijk, dat de kap

of blaas bij de wijfjes en bij de jonge mannetjes zeer gebrekkig is

ontwikkeld. [373]

Geur.—Bij sommige dieren, gelijk de bekende stinkdieren (2) van

Amerika, schijnt de afschuwelijke stank dien zij van zich geven,

uitsluitend tot een verdedigingsmiddel te dienen. Bij de spitsmuizen

(Sorex) bezitten beide seksen aan de zijden van het lichaam of aan den

wortel van den staart klieren die een stinkende stof afscheiden, en er

kan weinig twijfel bestaan wegens de wijze waarop hun lichamen door

vogels en roofdieren worden weggeworpen, dat hun stank tot bescherming

dient; desniettemin nemen de klieren bij de mannetjes in omvang toe

gedurende den paartijd. Bij vele viervoetige dieren zijn de klieren bij

beide seksen van de zelfde grootte [374]; maar hun gebruik is onbekend.

Bij andere soorten zijn de klieren tot de mannetjes beperkt of bij hen

meer ontwikkeld dan bij de wijfjes; en zij worden bijna altijd

werkzamer gedurende den paartijd. In dien tijd nemen de klieren aan de

zijden van het aangezicht van den mannelijken olifant in grootte toe en

scheiden een stof af, die een sterken muskusgeur verspreidt.

De ransige stank van den bok is welbekend, en die van sommige

mannelijke herten is verwonderlijk sterk en blijvend. Aan de oevers van

de Platarivier heb ik waargenomen, dat de geheele lucht was doortrokken

met den geur van het mannetje van Cervus campestris, op den afstand van

een halve mijl lijwaarts van een kudde; en een zijden zakdoek waarin ik

een huid naar huis bracht, behield, hoewel herhaaldelijk gebruikt en

gewasschen, als hij pas was ontvouwd, sporen van den geur gedurende een

jaar en zeven maanden. Dit dier geeft dien sterken geur niet van zich,

voordat het meer dan een jaar oud is, en wanneer het, terwijl het nog

jong is, wordt ontmand, geeft het dien nimmer van zich. [375] Behalve

den algemeenen geur waarmede het geheele lichaam van sommige

Herkauwende Dieren gedurende den paartijd schijnt te zijn doortrokken,

bezitten vele herten, antilopen, schapen en geiten riekende stoffen

afscheidende klieren, op onderscheidene plaatsen, vooral op hun

aangezicht gelegen. De zoogenaamde traanzakken of suborbitaalgroeven

behooren hiertoe. Deze klieren scheiden een halfvloeibare stinkende

stof af, die somtijds zoo overvloedig is, dat zij het geheele

aangezicht bevlekt, gelijk ik in het geval van een antilope heb gezien.

Zij zijn „gewoonlijk bij het mannetje grooter dan bij het wijfje, en

hun ontwikkeling wordt door ontmanning verhinderd.” [376] Volgens

Desmarest ontbreken zij geheel bij het wijfje van Antilope

subgutturosa. Er kan daarom geen twijfel zijn, dat zij in eenig nauw

verband met de voortplantingsfuncties staan. Zij zijn ook soms

voorhanden en soms afwezig bij nauw verwante vormen. Bij het volwassen

mannetje van het muskusdier (Moschus moschiferus) is een naakte ruimte

rondom den staart met een riekende vloeistof bevochtigd, terwijl bij

het volwassen wijfje en bij het mannetje, zoolang het nog geen twee

jaar oud is, deze ruimte met haar bedekt en niet riekend is. De

eigenlijke muskuszak is wegens zijn ligging noodzakelijk tot het

mannetje beperkt en vormt een bijkomend, riekende stoffen afscheidend

orgaan. Het is een vreemd feit, dat de door deze laatste klier

afgescheiden stof, volgens Pallas, gedurende den paartijd niet van

consistentie verandert, noch in hoeveelheid toeneemt; desniettemin

neemt deze natuuronderzoeker aan, dat haar tegenwoordigheid op de eene

of andere wijze in verband staat met de voortplantingshandeling. [377]

Hij geeft echter slechts een op gissing berustende en onvoldoende

verklaring van haar gebruik.

Als gedurende den paartijd alleen het mannetje een sterken geur

verspreidt, dient deze waarschijnlijk in de meeste gevallen om het

wijfje op te wekken of aan te lokken. Wij moeten hieromtrent niet op

onzen eigen smaak afgaan; want het is wel bekend, dat ratten door

sommige aetherische oliën en katten door valeriaan worden aangelokt,

zelfstandigheden die voor ons ver van aangenaam zijn; en dat honden,

hoewel zij geen aas zullen vreten, het toch beruiken en er zich in

rondwentelen. Op grond van de redenen, medegedeeld bij het bespreken

van de stem van het hert, mogen wij het denkbeeld verwerpen, dat de

geur dient om de wijfjes van uit de verte naar de mannetjes te leiden.

Rijkelijk en lang voortgezet gebruik kan hier niet in het spel zijn

gekomen, gelijk in het geval der stemorganen. De voortgebrachte geur

moet van aanmerkelijk belang voor het mannetje zijn, in zoover als zich

in sommige gevallen groote en samengestelde klieren hebben ontwikkeld,

voorzien van spieren om den zak om te keeren en de monding te sluiten

of te openen. De ontwikkeling van deze organen is begrijpelijk door

seksueele teeltkeus, indien de sterker riekende mannetjes er het best

in slaagden om de wijfjes voor zich in te nemen en nakomelingschap na

te laten om hun trapsgewijze volkomener gemaakte klieren en geuren te

erven. (3)

Ontwikkeling van het Haar.—Wij hebben gezien, dat bij mannelijke

viervoetige dieren het haar op hun nek en schouders dikwijls veel meer

is ontwikkeld dan bij het wijfje; en nog vele voorbeelden daarvan

zouden daarenboven hier nog kunnen worden bijgevoegd. Dit dient

somtijds als een verdedigingsmiddel voor het mannetje bij zijn

gevechten; maar of het haar in de meeste gevallen zich bijzonder met

dit doel heeft ontwikkeld, is zeer twijfelachtig. Wij kunnen ons bijna

met zekerheid overtuigd houden, dat dit niet het geval is wanneer een

dunne en smalle haarkam langs de geheele lengte van den rug loopt; want

een haarkam van deze soort zou nauwelijks eenige bescherming opleveren,

en de scherpe kant van den rug is geen gemakkelijk kwetsbare plaats;

desniettemin zijn dergelijke haarkammen somtijds tot de mannetjes

beperkt, of zijn bij hen veel meer ontwikkeld dan bij de wijfjes. Twee

antilopen, de Tragelaphus scriptus [378] (Fig. 65) en Portax picta

kunnen als voorbeelden worden gegeven. De haarkammen van sommige herten

en van den wilden bok staan rechtop, wanneer deze dieren woedend zijn

of schrikken [379]; doch men kan moeilijk veronderstellen, dat zij zijn

verkregen, om aan hun vijanden schrik aan te jagen. Een der

bovengenoemde antilopen, de Portax picta, heeft een groote scherp

begrensde vlok zwart haar aan de keel, en deze is veel grooter bij het

mannetje dan bij het wijfje. Bij het manenschaap (Ammotragus

tragelaphus) van Noord-Afrika worden de voorpooten bijna verborgen door

een buitengewonen groei van haren die van den nek en de bovenhelft der

pooten naar beneden hangen; doch de heer Bartlett gelooft niet, dat

deze mantel van eenig nut is voor het mannetje, waarbij hij veel meer

is ontwikkeld dan bij het wijfje.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 23 / 39 段