Over de Voorliefde of Keus bij het Paren, waarvan beide seksen van de

Viervoetige Dieren blijken geven.—Voor ik in het volgende hoofdstuk de

verschillen tusschen de seksen in de stem, den geur dien zij

verspreiden, en de versiering beschrijf, zal het gepast zijn hier te

overwegen of de seksen bij haar vereeniging eenige keus uitoefenen.

Geeft het wijfje de voorkeur aan eenig bijzonder mannetje, hetzij voor-

of nadat de mannetjes met elkander om de heerschappij hebben gestreden;

of kiest het mannetje, als hij niet veelwijvig (polygaam) is, eenig

bijzonder wijfje voor de voortteling uit? De algemeene indruk onder

fokkers schijnt te zijn, dat het mannetje elk wijfje aanneemt; en dit

is, ten gevolge van zijn vurigheid, in de meeste gevallen

waarschijnlijk de waarheid. Of het wijfje in den regel elk mannetje

zonder verschil te maken, aanneemt, is veel twijfelachtiger. In het

veertiende hoofdstuk over Vogels, werd een aanmerkelijke hoeveelheid

directe en indirecte bewijzen bijgebracht, om aan te toonen, dat het

wijfje haar gezel uitkiest; en het zou een vreemde anomalie zijn, als

vrouwelijke viervoetige dieren die hooger staan op de ladder der

georganiseerde wezens en hooger ontwikkelde geestvermogens hebben, niet

over het algemeen, of ten minste dikwijls, eenige keus uitoefenden. Het

wijfje zou in de meeste gevallen kunnen ontsnappen, als haar het hof

werd gemaakt door een mannetje dat haar niet behaagde of opwekte; en

als zij, gelijk zoo onophoudelijk gebeurt, door verscheidene mannetjes

werd vervolgd, zou zij dikwijls de gelegenheid hebben, om, terwijl deze

samen vochten, te ontsnappen of ten minste tijdelijk te paren met eenig

ander bepaald mannetje. Dit laatste is dikwijls waargenomen in

Schotland bij wijfjes van het edelhert, naar Sir Philip Egerton mij

heeft medegedeeld. [353]

Het is nauwelijks mogelijk, dat er veel van bekend zou zijn, of

vrouwelijke viervoetige dieren in den natuurstaat eenige keus bij hun

huwelijksvereenigingen uitoefenen. De volgende zeer opmerkelijke

bijzonderheden over de vrijage van een der geoorde robben, den zeebeer

(Callorhinus ursinus), worden medegedeeld [354] op autoriteit van

Kapitein Bryant die ruimschoots gelegenheid tot waarneming had. Hij

zegt: „vele van de wijfjes schijnen bij hun aankomst op het eiland waar

zij paren, begeerig te zijn om naar het eene of andere bijzondere

mannetje terug te keeren, en beklimmen dikwijls de in zee gelegen

rotsen om het geheele gezelschap te overzien, roepen luid en schijnen

te luisteren, of zij niet een bekende stem hooren. Dan begeven zij zich

naar een andere plaats, en doen nogmaals het zelfde ... Zoodra een

wijfje het strand bereikt, gaat het dichtst bijzijnde mannetje naar

beneden naar haar toe en maakt intusschen een geluid, op het klokken

van een hen tot haar kuikens gelijkende. Hij buigt voor haar en

liefkoost haar, totdat hij tusschen haar en het water geraakt, zoodat

zij hem niet kan ontsnappen. Dan veranderen zijn manieren, en met een

norsch gebrom drijft hij haar naar een plaats in zijn harem. Dit gaat

zoo voort, totdat de onderste rij van den harem bijna vol is. Dan

kiezen de zich hooger op bevindende mannetjes den tijd uit, waarop hun

meer gelukkige buurlieden zich van hun wachtpost verwijderen, om hun

vrouwen te stelen. Dit doen zij, door haar in hun bekken te nemen en

over de koppen van de andere wijfjes heen te tillen en met

zorgvuldigheid in hun eigen harem te plaatsen, haar dragende, evenals

de kat het haar jongen doet. De mannetjes die zich nog hooger op

bevinden, gaan op de zelfde wijze voort, totdat de geheele ruimte is

ingenomen. Dikwijls volgt er een gevecht tusschen twee mannetjes om het

bezit van het zelfde wijfje, en beide, haar tegelijkertijd grijpende,

trekken haar op eens in tweeën of kwetsen haar vreeselijk met hun

tanden. Als de ruimte geheel vol is, wandelt het oude mannetje

zelfbehagelijk rond, overziet zijn familie, beknort hen die de anderen

dringen of storen, en jaagt grimmig alle indringers weg. Dit toezicht

houdt hem voortdurend ijverig bezig.”

Daar zoo weinig bekend is omtrent de vrijage van dieren in den

natuurstaat, heb ik trachten te ontdekken, in hoever onze tamme

viervoetige dieren bij hun paringen eenige keus doen blijken. Honden

geven de beste gelegenheid tot waarneming, als men zorgvuldig op hen

let en hen goed begrijpt. Vele fokkers hebben hun meening over dit punt

in zeer sterke woorden uitgedrukt. Zoo merkt de heer Mayhew op: „De

teven zijn in staat haar genegenheid te kennen te geven; en teedere

herinneringen hebben evenveel macht over haar, als, gelijk bekend is,

in andere gevallen, waar het hoogere dieren geldt. Teven zijn niet

altijd verstandig in haar liefde, en in staat om zich weg te gooien aan

straathonden van zeer laag gehalte. Indien zij met een metgezel van

gemeen uiterlijk worden opgekweekt, ontstaat er dikwijls tusschen het

paar een trouw die geen verloop van tijd later kan doen ophouden. De

hartstocht, want dat is het werkelijk, verkrijgt een meer dan

romantische duurzaamheid.” De heer Mayhew, die zijn opmerkzaamheid

hoofdzakelijk aan de kleinere rassen toewijdde, is overtuigd, dat de

teven sterk worden aangetrokken door reuen van aanzienlijke grootte.

[355] De welbekende veearts Blaine getuigt [356], dat zijn eigen

vrouwelijke mops („pug”) zoo gehecht werd aan een Engelsch hondje

(„spaniel”), en een vrouwelijke langharige jachthond („setter”) aan een

kettinghond („cur”), dat zij in geen van beide gevallen met een hond

van haar eigen ras wilden paren, voor verscheidene weken waren

voorbijgegaan. Twee soortgelijke en betrouwbare berichten zijn mij

omtrent een vrouwelijken water-jachthond („retriever”) en een Engelsch

hondje („spaniel”) gegeven, die beide op „terrier” honden verliefd

werden.

De heer Cupples meldt mij, dat hij persoonlijk kan instaan voor de

nauwkeurigheid van het volgende, nog merkwaardiger geval waarin een

kostbare en verwonderlijk verstandige vrouwelijke „terrier” een

water-jachthond („retriever”) die aan een buurman toebehoorde, zoozeer

beminde, dat zij dikwijls van hem moest worden weggesleept. Nadat zij

voor goed waren gescheiden, wilde zij, ofschoon zich herhaaldelijk melk

in haar tepels vertoonde, nooit meer iets weten van de vrijage van

andere honden, en bracht tot spijt van haar eigenaar nooit jongen ter

wereld. De heer Cupples getuigt ook, dat een vrouwelijke hertenhond die

zich op dit oogenblik (1868) in zijn bezit bevindt, driemaal jongen ter

wereld heeft gebracht, en bij elke gelegenheid een merkbare voorkeur

aan den dag legde voor een van de grootste en schoonste, maar niet den

vurigsten, van vier mannelijke hertenhonden, allen in de kracht van het

leven, die met haar leefden. De heer Cupples heeft opgemerkt, dat een

teef over het algemeen een reu begunstigt, waarmede zij in gezelschap

is geweest en dien zij kent; haar schuwheid en beschroomdheid nemen

haar eerst tegen een vreemden reu in. De reu daarentegen schijnt eerder

genegenheid te gevoelen voor vreemde teven. Het schijnt zelden te

gebeuren, dat de reu eene of andere bijzondere teef afwijst; doch de

heer Wright van Yeldersley House, een groot hondenfokker, meldt mij,

dat eenige voorbeelden daarvan te zijner kennis zijn gekomen; hij haalt

het geval aan van een van zijn eigen hertenhonden, die volstrekt geen

acht wilde geven op een bepaalden vrouwelijken dog („mastiff”), zoodat

een andere hertenhond moest worden gebruikt. Het zou overtollig zijn

nog meer voorbeelden te geven, en ik wil alleen hierbij voegen, dat de

heer Barr die met zorg vele bloedhonden heeft aangefokt, getuigt, dat

zij bijna altijd een bijzondere voorkeur geven aan bepaalde individu’s

van de andere sekse. Eindelijk schreef mij onlangs de heer Cupples, na

nogmaals een jaar lang zijn opmerkzaamheid aan de zaak te hebben

gewijd: „Ik heb mijn vorig bericht volkomen bevestigd gezien, dat

honden bij de paring een besliste voorkeur voor elkander toonen, en

daarbij dikwijls de grootte, de levendige kleur en het individueele

karakter en ook de mate van hun vroegere vertrouwelijkheid invloed op

hen hebben.”

Wat paarden aangaat, deelt de heer Blenkiron, de grootste fokker van

renpaarden op de wereld, mij mede, dat de hengsten zoo dikwijls grillig

in hun keus zijn, en de eene merrie afwijzende, zonder eenige blijkbare

oorzaak aan een andere de voorkeur geven, dat voortdurend de meest

verschillende kunstgrepen in het werk moeten worden gesteld. De

vermaarde Monarque wilde, bij voorbeeld, nooit met bewustheid de moeder

van Gladiateur met een blik verwaardigen, en men moest list te baat

nemen. Wij kunnen gedeeltelijk de reden inzien, waarom kostbare

renpaard-hengsten waarnaar zooveel vraag is, zoo eigenzinnig in hun

keus zijn. De heer Blenkiron heeft nimmer waargenomen, dat een merrie

een hengst afwees; doch dit is geschied in den stal van den heer

Wright, zoodat de merrie moest worden misleid. Prosper Lucas [357]

haalt onderscheidene getuigenissen van Fransche autoriteiten aan en

merkt op: „On voit des étalons, qui s’éprennent d’une jument, et

négligent toutes les autres.” Hij deelt, op gezag van Baëlen,

soortgelijke feiten ten opzichte van stieren mede. Hoffberg zegt, het

tamme rendier van Lapland beschrijvende: „Foeminae majores et fortiores

mares prae caeteris admittunt, ad eos confugiunt, a junioribus

agitatae, qui hos in fugam conjiciunt.” Een geestelijke die vele

zwijnen heeft gefokt, verzekert mij, dat zeugen dikwijls den eenen beer

afwijzen en dadelijk daarop een anderen aannemen.

Wegens deze feiten kan er geen twijfel bestaan, dat bij de meeste onzer

tamme viervoetige dieren dikwijls sterke individueele antipathieën en

voorliefden worden getoond, en dat wel veel algemeener door het wijfje

dan door het mannetje. Daar dit het geval is, is het onwaarschijnlijk,

dat de paringen van viervoetige dieren in den natuurstaat aan het

bloote toeval zouden zijn overgelaten. Het is veel waarschijnlijker,

dat de wijfjes door bijzondere mannetjes worden aangelokt of opgewekt,

die zekere kenmerken in hoogere mate bezitten dan andere mannetjes;

maar welke deze kenmerken zijn, kunnen wij zelden of nooit met

zekerheid ontdekken.

AANTEEKENINGEN.

(1) Auchenia huanaco.

(2) Gedurende de oudheid en Middeleeuwen leefden in Midden-Europa twee

soorten van wilde runderen, de Wisent of Europeesche Bison (Bos

bonasus) en de Urus (Bos Urus), de eerste waarschijnlijk een

rechtstreeksche afstammeling van den diluvialen Bos priscus, de tweede

van het rund der voorwereld (Bos primigenius). Beide worden bij Caesar,

Seneca en Plinius, bij vele middeleeuwsche schrijvers, in oude Duitsche

wetten en jachtberichten vermeld en scherp van elkander onderscheiden.

Beide waren zeer groote, sterke en woeste dieren; van den Urus zegt

Caesar, dat hij in grootte weinig voor den olifant onderdeed en dat

zijn jacht bij de Germanen voor de roemrijkste gold. In het

Niebelungenlied worden beide als jachtdieren vermeld; bij de

beschrijving toch van de jacht van Siegfried in Wasgau wordt gezegd:

„Darnach schlug er wieder einen Wiesent und einen Elk [358],

Starker Ure viere und einen grimmen Schelk.” [359]

Het tweede dezer runderen (Bos Urus) was het dier dat de Duitschers

„Auerochs” noemden; sedert het op het vasteland van Europa is

uitgestorven wordt de naam door zeer vele schrijvers voor Bos bonasus

gebruikt; hiertegen bestaat m.i. niet veel bezwaar (verba valent usu)

wanneer slechts altijd, ’t zij uit den zin, ’t zij door de bijvoeging

van den Latijnschen naam, blijkt, van welk der twee runderen sprake is,

nog liever, wanneer men dan den naam „Auerochs” niet voor Bos Urus

gebruikt. Dat oorspronkelijk Bos Urus Auerochs werd genoemd, doch

tevens, dat de naamsverwarring reeds uit oude tijden dagteekent, blijkt

o.a. uit twee afbeeldingen van wilde runderen, die in een oud boekje

over Rusland en Polen van den Oostenrijkschen gezant von Herberstain

voorkomen. Onder de eerste die een op ons tam rund gelijkend dier

voorstelt, staat: „Ich bin der Urus, welchen die Polen Tur nennen, die

Deutschen Auerox, die Nichtkenner Bison”, en onder de tweede: „Ich bin

der Bison, welchen die Polen Subr nennen, die Deutschen Wysent, die

Nichtkenner Urochs.”

Van de Wisent leeft nog ééne enkele kudde in het woud van Bialowicza in

Lithauen, dank zij de bescherming, haar aldaar achtereenvolgens door de

koningen van Polen en de keizers van Rusland verleend. In 1853 was deze

kudde 1543 stuks sterk, doch in 1866 nog slechts 500 stuks. Daarenboven

heeft men in de laatste jaren ook in den Kaukasus Wisents aangetroffen,

en ook in Midden-Azië moeten er nog in den omtrek van het meer Koko-Nor

voorkomen.

Deze Wisents, gewoonlijk minder juist Auerossen genoemd, zijn runderen

met sterke manen op schoft en hals, met zeer breed gewelfd voorhoofd,

op den bekenden Amerikaanschen Bison gelijkende; in den loop der eeuwen

schijnen zij in grootte te zijn afgenomen; een in 1555 in Pruisen

gedoode Wisentstier toch was 2,1 meter hoog en 3,9 meter lang;

tegenwoordig zijn de grootste stieren zelden meer dan 1,5 meter hoog en

2,25 meter lang.

De Urus of eigenlijke Aueros geleek, volgens oude beschrijvingen,

volkomen op het tamme rund, en onderscheidde zich slechts daarvan door

zijn meerdere grootte, zijn sterker ontwikkelde horens en zijn kleur

die zwart was met een witachtige streep op den rug. Volgens sommigen

(o.a. Fitzinger) zouden onze inlandsche tamme runderen van dit dier

afstammen. [360]

Zooals wij reeds zeiden, is de Urus op het vaste land van Europa

uitgestorven. Ook in Groot-Brittannië kwamen echter in de Middeleeuwen

wilde runderen voor, die o.a. de bosschen in den omtrek van Londen zeer

onveilig maakten en door wier bestrijding sommige ridders zich veel

roem verwierven. Waarschijnlijk behoorden deze runderen tot de zelfde

soort als de Urus, of waren ten minste van nauwverwante soort.

In de dertiende eeuw waren deze wilde runderen in den omtrek van Londen

reeds geheel uitgestorven; ook elders worden zij hoe langer hoe

zeldzamer. In 1260 werd door toedoen van Williams van Farrarus het park

van Chartly in Staffordshire met een omheining omgeven, opdat de wilde

runderen daar rustig in volle vrijheid zouden kunnen blijven

voortleven. Op verscheidene andere plaatsen vond dit voorbeeld

navolging. In het begin der zestiende eeuw werd het nergens dan in deze

parken aangetroffen, wier aantal tegenwoordig tot vier of vijf is

geslonken, waarvan het bekendste dat van Chillinghamcastle bij Berwick

aan de Tweed in Northumberlandshire is. Eén dier parken (dat in het

Cadzowwoud bij Hamilton in Lanarcshire) ligt in Schotland. Men

vergelijke over deze parkrunderen, Darwin, „Het Varieeren der

Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 100.

(3) De spoor van het mannetje is doorboord en de holte staat in verband

met een aan de binnenzijde der dij gelegen klier. Volgens Harting

(„Leerboek van de grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz.

314) bezit het door de klier afgescheiden vocht echter geen vergiftige

eigenschappen, en bezit het wijfje op de plaats waar zich bij het

mannetje de spoor bevindt, een holte, vermoedelijk dienende tot

opneming van de spoor tijdens de paring. Om deze redenen vermoed ik,

dat Darwin de spoor van het vogelbekdier ten onrechte voor een aanvals-

(offensief) wapen houdt, en zij integendeel een paringsorgaan is.

(4) Van der Hoeven („Handboek der Dierkunde”, 2de uitgave, Deel II,

blz. 633) merkt, na te hebben vermeld, dat zich bij gesneden herten

geen horens ontwikkelen, of zoo zij reeds, voor de castratie plaats

had, waren ontwikkeld, niet meer afvallen, in een noot op: „Van het

rendier nochtans zegt Linnaeus, „castratus quotannis cornua deponit”,

Syst. nat. I, ed. 12, p. 93. Het zelfde wordt ook door Sundevall tegen

latere tegenspraak verdedigd.” Dit feit is in volkomen overeenstemming

met de vroege ontwikkeling der horens bij beide seksen van het rendier,

waardoor zij als het ware ophouden een seksueel kenmerk te zijn. [361]

Bij de overige soorten van herten bij welke de horens en hun geregeld

jaarlijks afvallen tot de mannelijke sekse zijn beperkt, is het

duidelijk, dat wanneer de speciaal seksueele ontwikkeling door de

castratie is gestuit, de horens zich niet meer ontwikkelen, of, als zij

vóór de castratie waren ontwikkeld, niet meer afvallen.

(5) Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 571) houdt dit, wat den steenbok

aangaat, voor een sprookje. Hij zegt: „Die alten kindlichen

Berichtstatter ersannen wunderliche Märchen um diese auffallenden

Fähigkeiten der Steinböcke zu erklären, und manche dieser Märchen haben

sich Jahrhunderte fortgesponnen und werden heute noch von Unbewanderten

auf Treue und Glauben hingenommen. So meint Geszner, dasz das Thier

seine gewaltigen Hörner hauptsachlich benutze, um sich aus bedeutenden

Höhen auf sie zu stürzen” enz. Daar Capra aegagrus veel minder stevige

en groote horens heeft dan de steenbok, geloof ik, dat, als zulks bij

den steenbok een sprookje is, het ook bij Capra aegagrus waarschijnlijk

als zoodanig moet worden beschouwd.

(6) Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 630) zegt van den Italiaanschen

buffel, dat het volstrekt niet valt te betwijfelen, dat hij uit Indië

komt, daar hij met den aldaar nog in het wild levende volkomen

overeenstemt. Derhalve is het wel degelijk zeker, dat de wilde stamvorm

eveneens gevormde horens bezat als de tamme. Vergelijk mijn aant. op

hoofdst. III van Darwin’s „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”,

Deel I, blz. 121.

(7) Springbok is de naam dien de Nederlandsche kolonisten aan de Kaap

de Goede Hoop aan Antilope euchore hebben gegeven. Het is merkwaardig,

hoevele Zuid-Afrikaansche dieren op die wijze Nederlandsche namen

hebben ontvangen, die later, hoewel soms min of meer misvormd, ook in

andere talen, in het Duitsch, Engelsch, ja zelfs soms in het Fransch

het burgerrecht hebben verkregen. Wij noemen als zoodanig, behalve den

Springbok, onder de Antilopen: den Rietbok (Eleotragus arundinaceus),

den Duiker (Cephalophus mergens), den Bleekbok (Antilope scoparia), den

Klipspringer (Oreotragus saltatrix), den Blauwbok (Aegocerus

leucophaeus), den Waterbok (Kobus ellipsiprymnus), den Spietsbok (Oryx

gazella), het Hartebeest (Acronotus Caama), het Wildebeest (Catoblepas

Gnu), enz. Ook onder andere groepen van Zuid-Afrikaansche dieren vindt

men er met Nederlandsche namen, bij voorbeeld de Muishond (zoo noemen

de Afrikaanders de civetkat), het tot de Tandelooze dieren (Edentata)

behoorende Aardvarken (Orycteropus capensis), enz. (vergelijk ook

aanteekening 12, en Deel I, blz. 574, aanteekening 9).

(8) Elephas primigenius.

(9) Megaceros hibernicus.

(10) Volgens Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 783) wordt het mannetje

1,8 tot 2,7, het wijfje 0,9 tot 1,2 meter lang.

(11) Poreus babyrussa.

(12) Onder dezen naam wordt Pacochoerus aethiopicus beschreven in een

Nederlandsch boekje uit de vorige eeuw (Vosmaer, „Beschrijving van het

Afrikaansch Breedsnuitig Varken”, Amsterdam, 1766, 4o, met gekleurde

afbeeldingen). De Nederlandsche kolonisten aan de Kaap noemen dit dier

den Hardlooper of Snellooper.

SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING op HOOFDSTUK XVII.

over de wijziging van een ras van Syrische straathonden door middel van

seksueele teeltkeus,

door Dr. VAN DIJCK.

Met een inleiding door CHARLES DARWIN.

(Vertaald uit „Proceedings of the scient. meetings of the Zool. Soc.”,

1882, blz. 367.)

De meeste natuuronderzoekers welke aannemen, dat natuurlijke teeltkeus

een werkzame rol heeft gespeeld bij de vorming der soorten, nemen ook

aan, dat de wapenen van mannelijke dieren het resultaat zijn van

seksueele teeltkeus—dat is daarvan, dat de best gewapende mannetjes er

in slaagden de meeste wijfjes te verkrijgen en hun voortreffelijkheid

boven andere mannetjes op hun mannelijk kroost overplantten. Doch vele

natuuronderzoekers betwijfelen, of ontkennen, dat vrouwelijke dieren

ooit eenige keus uitoefenen, zoodanig, dat zij zekere mannetjes bij

voorkeur boven andere uitkiezen. Het zou echter juister zijn te zeggen,

dat de wijfjes in bijzondere mate worden opgewekt of aangetrokken door

het uiterlijk, de stem enz. van zekere mannetjes, dan dat zij ze met

overleg uitkozen. Het zal mij wellicht veroorloofd zijn, te zeggen, dat

ik, na zorgvuldig, zoo goed ik kon, de verschillende bewijsgronden te

hebben overwogen die tegen het beginsel der seksueele teeltkeus zijn

ingebracht, vast overtuigd blijf van de waarheid daarvan. Het is echter

waarschijnlijk, dat ik het te ver heb uitgestrekt, gelijk bij voorbeeld

in het geval der vreemd gevormde horens en bovenkaken (mandibulae) van

mannelijke bladsprietige kevers (Lamellicornia), welke onlangs met veel

kennis zijn besproken door W. von Reichenau [362], en omtrent welke ik

altijd eenigen twijfel heb gevoeld. Van den anderen kant schijnt mij de

verklaring van de ontwikkeling dier horens, welke door genoemden

entomoloog wordt gegeven, verre van voldoende.

Om mij te vergewissen of vrouwelijke dieren ooit of dikwijls een

besliste voorkeur voor bepaalde mannetjes vertoonen, deed ik vroeger

onderzoek bij sommige der grootste fokkers in Engeland, die geen

theoretische inzichten hadden te verdedigen en groote ervaring bezaten;

en ik heb hun antwoorden, zoowel als sommige publiek gemaakte

getuigenissen in mijn „Afstamming van den Mensch” medegedeeld. [363] De

daar medegedeelde feiten bewijzen duidelijk, dat bij honden en andere

dieren de wijfjes somtijds op de meest besliste wijze de voorkeur geven

aan bepaalde mannetjes, maar dat het zeer zeldzaam is, dat een mannetje

niet elk wijfje aanneemt, ofschoon zulke gevallen ook voorkomen. De

volgende mededeeling, ontleend aan het reisverhaal van de „Vega” [364]

steunde bovenvermeld besluit indirect op treffende wijze. Nordenskiöld

zegt: „Wij hadden twee Schotsche herdershonden (collies) bij ons op de

„Vega.” Zij verschrikten in den beginne de inboorlingen zeer door hun

geblaf. Tegenover de honden der Tchuktchen namen zij weldra het zelfde

hoogere standpunt in, waarop de Europeaan voor zich zelf in betrekking

tot den wilde aanspraak maakt. Aan den reu werd duidelijk de voorkeur

boven den inlandsche gegeven door de Tchuktchische vrouwelijke

hondenwereld, en dat zelfs zonder de gevechten waartoe zulk een gunst

van de zijde der schoone sekse gewoonlijk aanleiding geeft. Een talrijk

hondenkroost van gemengd Schotsch-Tchuktchisch bloed is te Pitlekay

ontstaan. De jonge honden geleken volkomen op hun vader en de

inboorlingen waren zeer met hen ingenomen.”

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 22 / 39 段