blijken, dat de horens van een hert in de Vereenigde Staten op dit
oogenblik bezig zijn met door seksueele en natuurlijke teeltkeus een
wijziging te ondergaan. Een schrijver in een uitstekend Amerikaansch
tijdschrift [336] zegt, dat hij op zijn minst een-en-twintig jaar lang
in de Adirondacks heeft gejaagd, waar het Virginische hert (Cervus
Virginianus) overvloedig voorkomt. Omtrent veertien jaar geleden hoorde
hij voor ’t eerst van spitshorenbokken („spikehorn bucks”) spreken.
Deze werden van jaar tot jaar meer algemeen; omtrent vijf jaar geleden
schoot hij er een, en later een tweeden, en tegenwoordig worden zij
veelvuldig gedood. „De spitshoren verschilt zeer van het gewone gewei
van C. Virginianus. Hij bestaat uit een enkele spits, slanker dan de
gewone horens en nauwelijks half zoo lang, die van het voorhoofd naar
voren uitsteekt en in een zeer scherpe punt eindigt. Hij geeft zijn
bezitter een aanmerkelijk voordeel over den gewonen hertebok. Behalve
dat hij dezen in staat stelt om vlugger door dichte wouden en het
onderhout te loopen (iedere jager weet, dat hinden en eenjarige
hertebokken veel sneller loopen dan de oude hertebokken, als deze met
hun lastig gewei zijn gewapend), is de spitshoren een krachtiger wapen
dan het gewone gewei. Met dit voordeel winnen de spitshorenbokken op de
gewone hertebokken, en kunnen hen na verloop van tijd in de Adirondacks
volkomen verdringen. Ongetwijfeld was de eerste spitshorenbok eenvoudig
een toevallige speling der natuur. Zijn spitshorens gaven hem echter
een voordeel en stelden hem in staat zijn eigenaardigheid voort te
planten. Zijn nakomelingen hebben, daar zij het zelfde voordeel
bezaten, de eigenaardigheid in een voortdurend klimmende reden
voortgeplant, totdat zij langzaam de een gewoon gewei bezittende herten
uit de streek die door hen wordt bewoond, verdrijven.”
Een criticus heeft tegen deze verklaring de scherpzinnige tegenwerping
gemaakt, waarom, indien de eenvoudige horens nu zoo voordeelig zijn,
het vertakte gewei van den stamvorm ooit tot ontwikkeling is gekomen?
Hierop antwoord ik, dat een nieuwe wijze van aanval en nieuwe wapens
een groot voordeel kunnen zijn, gelijk wordt aangetoond door het geval
van de Ovis cycloceros die een gewonen ram die vermaard was om zijn
kracht in het gevecht, aldus overwon. Hoewel het vertakte gewei van een
hert goed geschikt is om met zijn medeminnaars te vechten, en ofschoon
het wellicht voordeelig zou zijn voor de spitshoornige verscheidenheid
(variëteit) om langzamerhand lange en vertakte horens te verkrijgen,
indien zij alleen met anderen van de zelfde soort had te vechten, volgt
hieruit toch in geenen deele, dat vertakte horens het beste middel
zouden zijn om een anders gewapenden vijand te overwinnen. In het
voorgaande geval van Oryx leucoryx is het bijna zeker, dat de
overwinning zou worden behaald door een antilope die korte horens bezat
en dus niet noodig had neêr te knielen, hoewel het voor een Oryx
voordeelig zou kunnen zijn om nog langer horens te bezitten, als hij
alleen met mededingers van zijn eigen soort vocht.
Mannelijke viervoetige dieren die van slagtanden zijn voorzien,
gebruiken hen op onderscheidene wijzen, evenals met horens het geval
is. Het mannelijke wilde zwijn stoot er zijdelings en naar boven mede,
het muskusdier met ernstig gevolg naar beneden. [337] De walrus kan,
hoewel hij zulk een korten hals en zulk een log lichaam heeft, „met
evenveel behendigheid, hetzij naar boven, of naar beneden, of
zijdelings stooten.” [338] De Indische olifant vecht, naar mij wijlen
Dr. Falconer heeft medegedeeld, al naar de stelling en de kromming
zijner slagtanden, op een verschillende wijze. Als zij naar voren en
naar boven zijn gericht, is hij in staat een tijger op aanzienlijken
afstand voort te slingeren—men zegt zelfs tot negen meter ver; als zij
kort en naar beneden zijn gekeerd, tracht hij den tijger plotseling aan
den grond te nagelen, en is derhalve gevaarlijk voor zijn berijder, die
kans heeft uit zijn hoedah te worden geworpen. [339]
Zeer weinige mannelijke zoogdieren bezitten wapenen van twee
verschillende soorten, bijzonder ingericht om met mededingende
mannetjes te vechten. Het mannelijk muntjac-hert (Cervulus) maakt
hierop echter een uitzondering, daar hij van horens en van uitstekende
hoektanden is voorzien. Doch de eene vorm van wapen is dikwijls in den
loop der eeuwen door een anderen vorm vervangen, zooals wij mogen
afleiden uit hetgeen volgt. Bij Herkauwende Dieren staat de
ontwikkeling van horens over het algemeen in omgekeerde reden met die
van zelfs slechts matig ontwikkelde hoektanden. Zoo zijn de kameelen,
wilde lama’s, dwergherten en muskusdieren hoornloos, en zij hebben
werkzame hoektanden die „bij de wijfjes altijd kleiner zijn dan bij de
mannetjes.” De Camelidae hebben in haar bovenkaken, behalve haar ware
hoektanden, nog een paar hoektandvormige snijtanden. [340] Mannelijke
herten en antilopen daarentegen bezitten horens, en zij hebben zelden
hoektanden; en deze zijn, wanneer zij voorhanden zijn, altijd van
geringe grootte, zoodat het twijfelachtig is, of zij bij hun gevechten
van eenigen dienst zijn. Bij Antilope montana bestaan zij alleen als
rudimenten bij het jonge mannetje en verdwijnen, als hij oud wordt; en
zij ontbreken bij het wijfje op alle leeftijden; doch bij de wijfjes
van sommige andere antilopen heeft men waargenomen, dat zij nu en dan
rudimenten van deze tanden vertoonen. [341] Hengsten hebben kleine
hoektanden die bij de merrie hetzij geheel ontbreken of rudimentair
zijn; maar zij schijnen bij het vechten niet te worden gebruikt; want
hengsten bijten met hun snijtanden en doen hun bekken niet wijd open
gelijk kameelen en wilde lama’s. In alle gevallen waarin het mannetje
hoektanden in een tegenwoordig niet werkzamen staat bezit, terwijl het
wijfje er òf in het geheel geen òf eenvoudig rudimenten er van bezit,
mogen wij besluiten, dat de vroegere mannelijke stamvader van de soort
van werkzame hoektanden was voorzien, die gedeeltelijk op het wijfje
waren overgebracht. Het kleiner worden van deze tanden bij de mannetjes
schijnt het gevolg te zijn geweest van eenige verandering in hun wijze
van vechten, dikwijls (maar niet in het geval van het paard)
veroorzaakt door de ontwikkeling van nieuwe wapenen.
Slagtanden en horens zijn blijkbaar van hoog belang voor hun bezitters;
want bij hun ontwikkeling wordt veel georganiseerde stof verbruikt. Een
enkele slagtand van den Aziatischen olifant,—één van de uitgestorven
woldragende soort (8),—en van den Afrikaanschen olifant wogen, gelijk
men heeft waargenomen, respectievelijk 66, 70 en 80 kilogram, en zelfs
nog zwaardere zijn door sommige schrijvers vermeld. [342] Bij herten
bij welke de horens periodiek worden vernieuwd, moet de invloed op het
gestel nog grooter zijn; de horens van den Amerikaanschen eland wegen
bij voorbeeld van 22 tot 27 kilogram, en die van den uitgestorven
Ierschen reuzeneland (9) van 27 tot 32 kilogram,—terwijl de schedel van
dit laatste dier gemiddeld slechts 2⅓ kilogram weegt. Bij schapen
sleept de ontwikkeling der horens, ofschoon zij niet periodiek worden
vernieuwd, volgens de meening van vele landbouwkundigen, gevoelig
verlies voor den fokker met zich. Herten zijn daarenboven bij het
ontsnappen aan roofdieren met een den wedren verzwarend extra-gewicht
belast, en worden bij het doorloopen van boschachtige streken daardoor
zeer vertraagd. De Amerikaansche eland, bij voorbeeld, met horens die
van punt tot punt 1,65 M. meten, kan, hoewel hij ze zoo goed weet te
besturen, dat hij geen dood takje zal aanraken of breken, wanneer hij
rustig rondwandelt, niet zoo behendig handelen, als hij voor een troep
wolven vlucht. „Gedurende zijn loop houdt hij zijn neus omhoog, zoodat
zijn horens horizontaal naar achteren liggen, en kan in deze houding
den grond niet duidelijk zien.” [343] De punten van de horens van den
Ierschen reuzeneland stonden werkelijk 2,44 M. uiteen! Zoolang de
horens met een fluweelachtige huid zijn bedekt, hetgeen bij het
edelhert omtrent twaalf weken duurt, zijn zij uiterst gevoelig voor een
stoot, zoodat in Duitschland de herten in dien tijd hun levenswijze tot
op zekere hoogte veranderen, en dichte bosschen vermijden, doch jong
kreupelhout en laag struikgewas opzoeken. [344] Deze feiten herinneren
er ons aan, dat mannelijke vogels siervederen hebben verkregen ten
koste van hun vliegvermogen, en andere versierselen met eenig
krachtverlies in hun gevechten met hun medeminnaars.
Als bij viervoetige dieren, gelijk dikwijls het geval is, de seksen in
grootte verschillen, zijn de mannetjes, geloof ik, altijd grooter en
sterker. Dit geldt op sterk uitgedrukte wijze, naar de heer Gould mij
meldt, bij de Buideldieren (Marsupialia) van Australië, waarvan de
mannetjes tot op een ongewoon laten leeftijd schijnen door te gaan met
groeien. Het meest buitengewone geval is echter dat van een der robben,
den zeebeer (Callorhinus ursinus) (10), waarbij een volgroeid wijfje
minder dan een zesde van een volgroeid mannetje weegt. [345] Dr. Gill
merkt op, dat bij de in veelwijverij levende robben van welke de
mannetjes, gelijk bekend is, woedend met elkander vechten, de seksen
zeer in grootte verschillen; terwijl zij bij de eenwijvige soorten
daarin slechts weinig verschillen. Ook de walvisschen leveren bewijzen
van het verband tusschen de strijdlustigheid van de mannetjes en de
grootte van hun lichaam, in vergelijking van die van het wijfje; de
mannetjes van den Groenlandschen walvisch vechten niet met elkander, en
zij zijn niet grooter, maar eer kleiner dan hun wijfjes; daarentegen
vechten mannelijke cachelotten veel met elkander, en op hun lichaam
vindt men „dikwijls litteekens met de indruksels van de tanden hunner
mededingers”, en zij zijn dubbel zoo groot als de wijfjes. De grootere
kracht van het mannetje wordt, gelijk Hunter reeds lang geleden
opmerkte [346], zonder uitzondering in die deelen van het lichaam
ontwikkeld, die bij den kampstrijd met medeminnaars in werking worden
gebracht, bij voorbeeld in den zwaren nek van den stier. Mannelijke
viervoetige dieren zijn ook moediger en strijdlustiger dan de wijfjes.
Er kan weinig twijfel bestaan, dat deze kenmerken zijn verkregen,
gedeeltelijk door seksueele teeltkeus, ten gevolge van een lange reeks
overwinningen door de sterkste en moedigste mannetjes over de zwakkere
behaald, en gedeeltelijk door de overgeërfde gevolgen van het gebruik.
Het is waarschijnlijk, dat de opeenvolgende afwijkingen in kracht,
grootte en moed, hetzij die werden veroorzaakt door zoogenaamde
spontane variabiliteit of door de gevolgen van het gebruik, door de
opeenhooping waarvan de mannelijke viervoetige dieren de hen
kenmerkende hoedanigheden hebben verkregen, zich vrij laat in het leven
voordeden, en derhalve in haar overplanting in hooge mate tot de zelfde
sekse beperkt bleven.
Uit dit oogpunt was ik zeer verlangend mededeelingen te verkrijgen
omtrent den Schotschen hertenhond van welken de seksen meer in grootte
verschillen, dan die van eenig ander hondenras (hoewel zij bij
bloedhonden aanmerkelijk verschillen), of dan die van eenige wilde
hondensoort die mij bekend is. Ik wendde mij daarom tot den heer
Cupples, een welbekend fokker van deze honden, die vele van zijn eigen
honden heeft gewogen en gemeten en die met groote vriendelijkheid de
volgende feiten voor mij uit onderscheidene bronnen bijeen heeft
verzameld. Uitstekende reuen zijn aan den schouder gemeten van 71
centimeter, wat voor weinig geldt, tot 83 of zelfs 86 centimeters hoog,
en wegen van 36, hetgeen laag is, tot 54, of zelfs meer kilogrammen. De
teven zijn van 58 tot 68 of zelfs 71 centimeters hoog, en wegen 22 tot
32, of zelfs 36 kilogram. [347] De heer Cupples besluit, dat van 43 tot
45 kilogram voor de reuen en 32 voor de teven een goed middelgetal zou
zijn; maar er is reden om te gelooven, dat vroeger beide seksen een
hooger gewicht bereikten. De heer Cupples heeft jonge honden gewogen,
toen zij veertien dagen oud waren; bij een werpsel overtrof het
gemiddelde gewicht van vier reuen dat van twee teven met 184 gram; bij
een ander werpsel overtrof het gemiddelde gewicht van vier reuen dat
van ééne teef met minder dan 28 gram; de zelfde reuen overtroffen, toen
zij drie weken oud waren, de teef met 396 gram en op den leeftijd van
zes weken met bijna 212 gram. De heer Wright van Yeldersley House zegt
in een brief aan den heer Cupples: „Ik heb aanteekening gehouden van de
grootte en het gewicht van jonge honden van vele werpsels, en, zoover
mijn ondervinding gaat, verschillen jonge reuen zeer weinig van teven,
totdat zij omtrent vijf of zes maanden oud zijn; en dan beginnen de
reuen te groeien, en winnen op de teven zoowel in grootte als in
gewicht. Bij de geboorte en nog verscheidene weken daarna zal een jonge
teef nu en dan grooter zijn dan één van de reuen; maar later worden zij
zonder uitzondering door hen overtroffen.” De heer McNeill van Colinsay
komt tot het besluit, dat „de reuen hun volkomen grootte niet bereiken,
voor zij over de twee jaar oud zijn, hoewel de teven die spoediger
bereiken.” Volgens de ondervinding van den heer Cupples gaan reuen
voort met in grootte toe te nemen, tot zij twaalf of achttien, en in
gewicht, tot zij van achttien tot vier-en-twintig maanden oud zijn,
terwijl de teven ophouden met in grootte toe te nemen op den leeftijd
van negen tot veertien of vijftien maanden en in gewicht op den
leeftijd van twaalf tot vijftien maanden. Uit deze verschillende
mededeelingen blijkt duidelijk, dat het verschil in grootte tusschen
den reu en de teef van den Schotschen hertenhond eerst vrij laat in het
leven zijn toppunt bereikt. Bij de jacht worden bijna uitsluitend reuen
gebruikt; want, naar de heer McNeill mij meldt, hebben de teven geen
genoegzame kracht en gewicht om een volwassen hert naar beneden te
trekken. Uit de in oude legenden gebruikte namen blijkt het, naar ik
van den heer Cupples hoor, dat in een zeer oud tijdvak de reuen het
meest werden gevierd, terwijl de teven alleen als de moeders van
beroemde honden worden vermeld. Het is gedurende vele geslachten het
mannetje geweest, wiens kracht, grootte, vlugheid en moed voornamelijk
zijn beproefd, en de beste zullen voor de verdere aanfokking zijn
gebruikt. Daar de mannetjes echter hun volle grootte niet eer dan in
een vrij laat levenstijdperk verkrijgen, zullen zij, in overeenstemming
met de meermalen aangewezen wet, een neiging hebben bezeten om hun
kenmerken alleen op hun mannelijke nakomelingschap over te planten; en
op die wijze moet waarschijnlijk de aanmerkelijke ongelijkheid in
grootte tusschen de seksen van den Schotschen hertenhond worden
verklaard.
De mannetjes van eenige weinige viervoetige dieren bezitten organen of
deelen die alleen als verdedigingsmiddelen tegen de aanvallen van
andere mannetjes worden ontwikkeld. Sommige soorten van herten
gebruiken, gelijk wij hebben gezien, de bovenste takken van hun horens
hoofdzakelijk of uitsluitend om zich te verdedigen; en de Oryx-antilope
verdedigt zich, zooals de heer Bartlett mij heeft medegedeeld, zeer
behendig met zijn lange sierlijk gebogen horens; doch deze worden ook
als aanvals- (offensieve) wapenen gebruikt. Neushorens weren, gelijk de
zelfde waarnemer opmerkt, bij den strijd elkanders zijdelingsche
stooten met hun horens af, die daarbij luide tegen elkander kletteren,
gelijk ook de slagtanden van wilde zwijnen doen. Hoewel de mannelijke
wilde zwijnen wanhopig met elkander vechten, ontvangen zij, volgens
Brehm, zelden doodelijke stooten, daar de meeste op elkanders
slagtanden of op de harde spekachtige huidlaag vallen, die den schouder
bedekt, welke de Duitsche jagers het schild noemen; en hier hebben wij
een deel dat bijzonder voor de verdediging is gewijzigd. Bij mannelijke
wilde zwijnen in de kracht van het leven (Fig. 62) worden de slagtanden
in de onderkaak gebruikt om te vechten; doch in den ouderdom worden
zij, gelijk Brehm getuigt, zoozeer naar binnen en naar boven over den
snoet gebogen, dat zij daartoe niet langer kunnen worden gebruikt. Zij
kunnen nog steeds en zelfs op nog werkzamer wijze als
verdedigingsmiddel worden gebruikt. Als vergoeding voor het verlies van
de onderste slagtanden als aanvals- (offensieve) wapenen nemen die van
de bovenkaak, die altijd een weinig zijdelings uitsteken, gedurende den
ouderdom zoozeer in lengte toe en krommen zich zoozeer naar boven, dat
zij als aanvalsmiddel kunnen worden gebruikt. Desniettemin is een oud
mannelijk wild zwijn niet zoo gevaarlijk voor den mensch als een dat
zes of zeven jaar oud is. [348]
Bij het volwassen mannetje van het hertzwijn (11) van Celebes (Fig. 63)
zijn de onderste slagtanden gevaarlijke wapenen, evenals die van het
mannetje van het Europeesche wilde zwijn in de kracht van het leven,
terwijl de bovenste slagtanden zoo lang zijn en zoozeer naar binnen
omgekrulde punten hebben, dat zij somtijds zelfs het voorhoofd aanraken
en volkomen onbruikbaar zijn als aanvals- (offensieve) wapenen. Zij
gelijken meer op horens dan op tanden en zijn zoo klaarblijkelijk
nutteloos als tanden, dat men vroeger veronderstelde, dat het dier zijn
kop deed uitrusten, door ze aan een tak vast te haken. Hun bolle zijden
zouden echter, als het hoofd een weinig op zijde werd gehouden,
uitnemend tot verdediging kunnen dienen; en daardoor komt het wellicht,
dat zij bij oude dieren „gewoonlijk zijn afgebroken, alsof het ten
gevolge van een gevecht was.” [349] Wij hebben hier dus het
merkwaardige geval, dat de bovenste slagtanden van het hertzwijn, in
den bloeitijd van het leven, geregeld een vorm aannemen, die hen
blijkbaar alleen voor de verdediging geschikt maakt, terwijl bij het
Europeesche mannelijke wilde zwijn de onderste en tegenovergestelde
slagtanden in een mindere mate en alleen gedurende den ouderdom omtrent
den zelfden vorm aannemen, en dan op de zelfde wijze alleen voor de
verdediging dienen.
Bij het Afrikaansch breedsnuitig varken (12) (Phacochoerus aethiopicus,
Fig. 64) krommen zich de slagtanden in de bovenkaak van het mannetje
gedurende den bloeitijd van het leven naar boven en dienen, daar zij
puntig zijn, als vreeselijke wapenen. De slagtanden in de onderkaak
zijn scherper dan die in de bovenkaak; maar wegens hun kortheid schijnt
het, dat zij nauwelijks ooit als aanvals- (offensieve) wapenen kunnen
worden gebruikt. Zij moeten echter die van de bovenkaak zeer
versterken, daar zij zoo zijn afgesleten, dat zij nauwkeurig tegen de
basis van deze laatste passen. Noch de bovenste, noch de benedenste
slagtanden schijnen bijzonder te zijn gewijzigd om als verdedigende
(defensieve) wapenen te dienen, hoewel zij daartoe ongetwijfeld in
zekere mate worden gebruikt. Het breedsnuitig varken is echter niet
ontbloot van andere bijzondere middelen van bescherming; want het bezit
aan beide zijden van het gelaat onder de oogen een tamelijk hard, maar
toch veerkrachtig, kraakbeenig, langwerpig kussen (Fig. 64), dat vijf
tot zeven en een halven centimeter naar buiten uitsteekt, en het scheen
den heer Bartlett en mij zelf toe, toen wij het levende dier zagen, dat
deze kussens, als zij aan de onderzijde door de slagtanden van een
tegenstander werden getroffen, naar boven zouden worden gedraaid, en
zoo op bewonderenswaardige wijze de een weinig uitpuilende oogen
beschermen. Deze wilde zwijnen staan, gelijk ik er op autoriteit van
den heer Bartlett bij mag voegen, als zij te zamen vechten, direct met
de aangezichten naar elkander toe.
Eindelijk bezit het Afrikaansche penseelzwijn (Potamochoerus
penicillatus) een harden kraakbeenigen knobbel aan elke zijde van het
gelaat beneden de oogen, die aan het veerkrachtig kussen van het
breedsnuitig varken beantwoordt. Het bezit ook twee beenige
uitsteeksels aan de bovenkaak boven de neusgaten. Een mannetje van deze
soort in den Londenschen dierentuin brak onlangs in het hok van een
breedsnuitig varken in. Zij vochten den geheelen nacht door en werden
’s morgens zeer uitgeput, maar niet ernstig gewond, gevonden. Het is
een beteekenisvol feit, dat het doel van de boven beschreven
uitsteeksels en uitwassen aantoont, dat deze met bloed waren bedekt en
op buitengewone wijze gekerfd en afgeschaafd.
Hoewel de mannetjes van zoovele leden van de familie der zwijnen van
wapenen, en, gelijk wij zooeven hebben gezien, van verdedigingsmiddelen
zijn voorzien, schijnen die wapenen in een vrij laat geologisch tijdvak
te zijn verkregen. Dr. Forsyth Major beschrijft [350] verschillende
miocene soorten bij geen waarvan de slagtanden bij de mannetjes sterk
ontwikkeld schijnen te zijn geweest; en Prof. Rütimeyer werd vroeger
door dit zelfde feit getroffen.
De manen van den leeuw vormen een goed verdedigingsmiddel tegen het
eenige gevaar waaraan hij bloot staat, namelijk de aanvallen van andere
leeuwen die zijn medeminnaars zijn; want de mannetjes leveren elkander,
gelijk mij de heer A. Smith mededeelt, woedende gevechten, en een jonge
leeuw durft een ouden niet naderen. In het jaar 1857 brak een tijger te
Bromwich in het hok van een leeuw, en een vreeselijk tooneel volgde
hierop; „de manen van den leeuw beschutten zijn hals en kop voor erge
verwondingen; maar de tijger slaagde er ten laatste in hem den buik
open te rijten, en binnen weinige minuten was hij dood.” [351] De
breede kraag rondom den hals en de kin van den Canadaschen lynx (Felix
Canadensis) is veel langer bij het mannetje dan bij het wijfje; maar of
hij als een verdedigingsmiddel wordt gebruikt, weet ik niet. Het is
bekend, dat mannelijke robben wanhopig met elkander vechten, en de
mannetjes van sommige soorten (de zeeleeuw, Otaria jubata) [352] hebben
groote manen, terwijl de wijfjes kleine of in het geheel geen manen
hebben. Het mannetje van den choakkama van de Kaap de Goede Hoop
(Cynocephalus porcarius) heeft veel langer manen en grooter hoektanden
dan het wijfje, en de manen dienen waarschijnlijk tot bescherming; want
toen ik aan de oppassers van den Londenschen dierentuin, zonder hun
eenigen leiddraad tot mijn doel te geven, vroeg, of een van de apen
andere van zijn soort bijzonder bij den nek aanviel, kreeg ik ten
antwoord, dat dit niet het geval was, behalve bij de bovengenoemde
soort van baviaan. Bij den Hamadryas-baviaan vergelijkt Ehrenberg de
manen van het volwassen mannetje bij die van den jongen leeuw, terwijl
bij de jongen van beiderlei sekse en bij het wijfje de manen bijna
geheel ontbreken.
Het scheen mij waarschijnlijk, dat de verbazend groote wollige manen
van het mannetje van den Amerikaanschen bison, die bijna tot den grond
toe reiken en veel meer zijn ontwikkeld bij de mannetjes dan bij de
wijfjes, hun tot bescherming dienden bij hun vreeselijke gevechten;
maar een ondervindingrijk jager verhaalde Judge Caton, dat hij nooit
eenig feit had waargenomen, dat ten gunste dezer meening sprak. De
hengst heeft dikker en voller manen dan de merrie, en ik heb bijzondere
nasporingen gedaan bij twee groote africhters en fokkers, aan wier
zorgen vele hengsten waren toevertrouwd, en zij verzekerden mij, dat de
hengsten, „zonder uitzondering, elkander bij den hals trachten te
pakken.” Uit de voorgaande opgaven volgt echter geenszins, dat, wanneer
het haar aan den hals tot verdedigingsmiddel dient, het zich
oorspronkelijk tot dit doel ontwikkelde, hoewel dit in sommige
gevallen, gelijk in dat van den leeuw, waarschijnlijk is. De heer
McNeill heeft mij medegedeeld, dat de lange haren aan de keel van het
edelhert (Cervus elaphus) het zeer tot bescherming dienen, als het
wordt gejaagd; want de honden trachten het over het algemeen bij de
keel te grijpen; doch het is niet waarschijnlijk, dat deze haren zich
bijzonder tot dat doel hebben ontwikkeld; want in dat geval kunnen wij
ons verzekerd houden, dat ook de jongen en het wijfje op de zelfde
wijze zouden zijn beschermd.