Daar het rendier de eenige soort van de geheele Familie der Herten is,

waarvan het wijfje horens bezit, hoewel iets kleiner, dunner en minder

getakt dan bij het mannetje, zou men van zelf op de gedachte komen, dat

zij haar in eenig opzicht van dienst moesten wezen. Er zijn echter

eenige feiten die tegen deze meening pleiten. Het wijfje behoudt haar

horens van den tijd af, waarop zij tot volkomen ontwikkeling komen,

namelijk in September, het geheele jaar door, tot Mei, wanneer zij haar

jongen werpt; terwijl het mannetje zijn horens veel vlugger afwerpt,

tegen het einde van November. Daar beide seksen de zelfde behoeften en

de zelfde levenswijze hebben, en daar het mannetje zijn gewei gedurende

den winter afwerpt, is het zeer onwaarschijnlijk, dat het aan het

wijfje eenigen bijzonderen dienst kan bewijzen gedurende dit

jaargetijde dat het grootste gedeelte van den tijd gedurende welken zij

horens draagt, omvat. Het is ook niet waarschijnlijk, dat zij de horens

kan hebben geërfd van den eenen of anderen ouden stamvader van de

geheele Familie der Herten; want uit het feit, dat alleen de mannetjes

bij zoovele soorten in alle deelen der wereld horens bezitten, mogen

wij besluiten, dat dit een oorspronkelijk kenmerk van de geheele groep

was. Het schijnt derhalve, dat de horens van het mannetje op het wijfje

moeten zijn overgeplant in een later tijdperk dan dat waarop de

onderscheidene soorten zich uit den gemeenschappelijken stam in

verschillende richtingen ontwikkelden; doch dat dit geen plaats greep

om haar eenig bijzonder voordeel te verschaffen. [318]

Wij weten, dat de horens zich bij het rendier op een ongewoon vroegen

leeftijd ontwikkelen; maar wat de oorzaak hiervan kan zijn geweest, is

ons niet bekend. Het gevolg daarvan schijnt echter de overbrenging van

de horens op beide seksen te zijn geweest. Het is volgens de hypothese

der pangenesis begrijpelijk, dat een zeer geringe verandering in het

gestel van het mannetje, hetzij in het weefsel van het voorhoofd of in

de kiempjes van de horens, tot hun vroege ontwikkeling zou kunnen

leiden; en daar de jongen van beide seksen, vóór het tijdperk waarin

zij in staat zijn zich voort te planten, omtrent het zelfde gestel

bezitten, zouden de horens, indien zij zich bij het mannetje op vroegen

leeftijd ontwikkelden, een neiging verkrijgen om gelijkelijk op beide

seksen te worden overgeplant. (4) Tot staving dezer meening moeten wij

bedenken, dat de horens altijd door het wijfje heên worden overgeplant,

en dat zij een latent vermogen tot ontwikkeling daarvan bezit, gelijk

wij bij oude of zieke wijfjes zien. [319] Daarenboven vertoonen de

wijfjes van sommige andere soorten van herten rudimenten van horens;

zoo heeft het wijfje van Cervulus moschatus „in een knoest eindigende

borstelachtige haarbossen, in plaats van een horen”; en „bij de meeste

voorwerpen van het wijfje van het Wapiti-hert (Cervus Canadensis) is er

een scherp beenachtig uitsteeksel op de plaats van den horen.” [320] Op

grond van deze verschillende overwegingen mogen wij besluiten, dat het

bezit van tamelijk goed ontwikkelde horens bij het vrouwelijke rendier

is veroorzaakt, doordat de mannetjes ze eerst verkregen als wapens om

met andere mannetjes te vechten en dat zij zich tevens ten gevolge van

de eene of andere onbekende oorzaak bij de mannetjes op een ongewoon

vroegen leeftijd ontwikkelden en ten gevolge daarvan op beide seksen

werden overgeplant.

Laten wij nu tot de holhoornige Herkauwende Dieren overgaan: bij de

Antilopen kan men een trapsgewijze reeks vormen, beginnende met de

soorten waarbij de wijfjes volstrekt geen horens hebben, vervolgens

eerst overgaande tot die waarbij de wijfjes zulke kleine horens hebben,

dat zij bijna rudimentair zijn, gelijk bij Antilocapra Americana, dan

tot die waarvan de wijfjes tamelijk goed ontwikkelde horens hebben, die

echter duidelijk kleiner en dunner en somtijds anders gevormd [321]

zijn dan die van het mannetje, en eindigende met die bij welke beide

seksen horens van gelijke grootte hebben. Evenals bij het rendier,

bestaat er ook bij de antilopen een betrekking tusschen het tijdperk

van de ontwikkeling der horens en hun overplanting op ééne of op beide

seksen; het is daarom waarschijnlijk, dat hun aanwezigheid of ontbreken

bij de wijfjes van sommige soorten, en hun meer of minder volkomen

toestand bij de wijfjes van andere soorten afhankelijk is, niet van een

of ander bijzonder gebruik waartoe zij dienen, maar eenvoudig van den

vorm van erfelijkheid, die de overhand heeft behouden. Het komt met

deze meening overeen, dat zelfs in één en het zelfde geslacht van

sommige soorten beide seksen, van andere alleen de mannetjes daarvan

zijn voorzien. Het is een opmerkelijk feit, dat, hoewel de wijfjes van

Antilope bezoarctica in den regel geen horens bezitten, de heer Blyth

niet minder dan drie wijfjes heeft gezien, die er van waren voorzien;

en er was geen reden om te veronderstellen, dat zij oud of ziek waren.

De mannetjes van deze soort hebben lange, rechte, spiraalvormig

gewonden horens die bijna evenwijdig aan elkander loopen en naar

achteren zijn gericht. Die van het wijfje zijn, wanneer zij aanwezig

zijn, zeer verschillend van vorm; want zij zijn niet spiraalvormig

gewonden, en, zich wijd uiteenspreidende, buigen zij zich om, zoodat

hun punten naar voren zijn. Het is een nog merkwaardiger feit, dat bij

het gesneden (gecastreerde) mannetje, gelijk de heer Blyth mij meldt,

de horens den zelfden bijzonderen vorm hebben als bij het wijfje, maar

langer en dikker zijn. In alle gevallen hangen de verschillen tusschen

de horens van de mannetjes en de wijfjes en van gesneden en ongesneden

mannetjes waarschijnlijk van verschillende oorzaken af,—van de meer of

minder volkomen overplanting van mannelijke kenmerken op de

wijfjes,—van den vroegeren toestand van de stamouders der soort,—en

gedeeltelijk wellicht van een verschillende voeding der horens omtrent

op de zelfde wijze als de sporen van den huishaan, als zij op den kam

of op andere deelen van het lichaam worden geënt, allerlei afwijkende

(abnormale) vormen aannemen, omdat zij op een andere wijze worden

gevoed.

Bij al de wilde soorten van Geiten en Schapen zijn de horens bij het

mannetje grooter dan bij het wijfje, en ontbreken somtijds bij dit

laatste zelfs geheel. [322] Bij onderscheidene tamme rassen van schapen

en geiten zijn alleen de mannetjes van horens voorzien; en het is een

beteekenisvol feit, dat bij één dergelijk ras aan de kust van Guinea de

horens, gelijk de heer Winwood Reade mij meldt, bij het gesneden

(gecastreerde) mannetje niet tot ontwikkeling komen, zoodat zij in dit

opzicht op de zelfde wijze worden aangedaan als de horens van herten.

Bij sommige rassen, zooals bij dat van N.-Wales, bij hetwelk eigenlijk

beide seksen gehorend zijn, zijn de ooien zeer dikwijls horenloos. Bij

deze zelfde schapen zijn, naar mij door een te vertrouwen getuige is

medegedeeld, die met opzet een kudde gedurende den lammertijd

onderzocht, de horens bij de geboorte over het algemeen veel volkomener

ontwikkeld bij het mannetje dan bij het wijfje. De heer J. Peel kruiste

zijn Lonk-schapen van welke beide seksen altijd horens dragen, met

horenlooze Leicesters en horenlooze Shropshire Downs; en de uitslag

was, dat de mannelijke jongen veel kleiner horens bezaten, en deze bij

de vrouwelijke geheel ontbraken. Deze verschillende feiten bewijzen,

dat bij schapen de horens een veel minder vast geworden (gefixeerd)

kenmerk zijn bij ooien dan bij rammen; en dit leidt er ons toe om de

horens als een eigenlijk mannelijk kenmerk te beschouwen. Bij den

volwassen muskusos (Ovibos moschatus) zijn de horens van het mannetje

grooter dan die van het wijfje, en bij dit laatste raken de

grondvlakken der horens elkander niet. [323] Omtrent het gewone

hoornvee merkt de heer Blyth op: „Bij de meeste wilde runderen zijn de

horens langer en dikker bij den stier dan bij de koe, en bij de

Banteng-koe (Bos sondaicus) zijn de horens opmerkelijk klein, en hellen

zeer naar achteren over. Bij de tamme runderrassen, zoowel bij de typen

met een bult als bij die zonder bult, zijn de horens bij den stier kort

en dik en bij de koe en den os langer en slanker, en bij den Indischen

buffel zijn zij bij den stier korter en dikker, bij de koe langer en

slanker. Bij den wilden gaoer (B. gaurus) zijn de horens bij den stier

meestal zoowel langer als dikker dan bij de koe.” [324] Bij de meeste

holhoornige Herkauwende Dieren zijn derhalve de horens van het mannetje

hetzij langer of sterker dan die van het wijfje. Bij den stompneuzigen

neushoren (Rhinoceros simus) zijn, gelijk ik er hier bij mag voegen, de

horens van het wijfje over het algemeen langer maar minder krachtig dan

bij het mannetje; en bij sommige andere soorten van neushorens zijn

zij, naar men zegt, bij het wijfje korter. [325] Uit deze

onderscheidene feiten mogen wij het besluit trekken, dat horens van

alle soorten, zelfs wanneer zij bij beide seksen gelijkelijk zijn

ontwikkeld, oorspronkelijk door de mannetjes werden verkregen om andere

mannetjes mede te overwinnen en meer of minder volkomen op het wijfje

zijn overgeplant, in verhouding tot de kracht van den gelijken vorm van

erfelijkheid.

De uitwerkselen der ontmanning verdienen de aandacht, omdat zij licht

werpen op dit zelfde punt. Herten vernieuwen na de operatie nimmer hun

horens meer. Het mannelijke rendier maakt hierop echter een

uitzondering, daar hij hen na de castratie wel hernieuwt. Dit feit,

zoowel als het bezit van horens door beide seksen, schijnt op het

eerste gezicht te bewijzen, dat de horens bij deze soort geen seksueel

kenmerk vormen [326]; maar, daar de horens zich bij het rendier op zeer

jongen leeftijd ontwikkelen, vóórdat de seksen in gestel verschillen,

is het niet te verwonderen, dat de horens niet worden aangedaan door de

ontmanning, zelfs wanneer zij oorspronkelijk door het mannetje werden

verkregen. Bij schapen dragen eigenlijk beide seksen horens; en men

heeft mij medegedeeld, dat bij Welshschapen de horens van de rammen

door ontmanning aanmerkelijk kleiner worden gemaakt; maar de

hoegrootheid dier afneming is zeer afhankelijk van den leeftijd waarop

de operatie plaats heeft, gelijk eveneens het geval is met andere

dieren. Merino-rammen hebben groote horens, terwijl de ooien „over het

algemeen gesproken zonder horens zijn”; en bij dit ras schijnt

castratie een eenigszins sterker uitwerking te hebben, zoodat, wanneer

die op jeugdigen leeftijd wordt uitgevoerd, de horens „bijna

onontwikkeld blijven.” [327] Op de kust van Guinea is er een ras

waarbij de ooien nooit horens dragen, en, gelijk de heer Winwood Reade

mij meldt, de rammen na de ontmanning daarvan geheel worden ontbloot.

Bij runderen worden de horens der stieren door de castratie zeer

veranderd; want, in plaats van kort en dik te zijn, worden zij langer

dan die van de koe, maar gelijken overigens op deze. De Antilope

bezoarctica levert een eenigszins soortgelijk geval op; de mannetjes

hebben lange, rechte, schroefsgewijs gedraaide horens, ongeveer

evenwijdig aan elkander loopende en naar achteren gericht; de wijfjes

bezitten soms horens; maar, als deze aanwezig zijn, hebben zij een

geheel andere gedaante, want dan zijn zij niet schroefvormig, maar

spreiden zich ver uit elkander uit, zijn rondgebogen met de punten naar

voren. Nu is het een opmerkelijk feit, dat bij het gesneden mannetje,

gelijk de heer Blyth mij meldt, de horens van den zelfden bijzonderen

vorm zijn als bij het wijfje, maar langer en dikker. Als wij naar de

analogie mogen oordeelen, vertoont het wijfje ons, in deze beide

gevallen van runderen en de antilope, den vroegeren toestand van de

horens bij den eenen of anderen voormaligen stamvader van elk der beide

soorten. Maar waarom de ontmanning ten gevolge heeft, dat een vroegere

toestand van de horens opnieuw verschijnt, kan niet met eenige

zekerheid worden verklaard. Desniettemin komt het mij waarschijnlijk

voor, dat op ongeveer dezelfde wijze, als de storing in het gestel van

de jongen, veroorzaakt door de kruising van twee verschillende soorten

of rassen, dikwijls leidt tot het opnieuw verschijnen van lang verloren

kenmerken [328], zoo ook hier de storing in het gestel van het

individu, ten gevolge der ontmanning, de zelfde uitwerking voortbrengt.

De slagtanden van den olifant verschillen bij de onderscheidene soorten

of rassen volgens de sekse op omtrent de zelfde wijze als de horens van

Herkauwende Dieren. In Indië en Malakka zijn alleen de mannetjes van

goed ontwikkelde slagtanden voorzien. De olifant van Ceylon wordt door

de meeste natuuronderzoekers als een afzonderlijke soort beschouwd en

hier „wordt er op een honderdtal niet één gevonden met slagtanden,

terwijl de weinige die ze bezitten, uitsluitend mannetjes zijn.” [329]

De Afrikaansche olifant is ongetwijfeld een afzonderlijke soort, en het

wijfje heeft groote, goed ontwikkelde slagtanden, hoewel niet zoo groot

als die van het mannetje. Deze verschillen in de slagtanden bij de

verschillende rassen en soorten van olifanten,—de groote

verscheidenheid bij de horens van herten en in ’t bijzonder van het

wilde rendier,—het nu en dan aanwezig zijn van horens bij de

vrouwelijke Antilope bezoartica,—de aanwezigheid van twee stoottanden

bij eenige weinige mannelijke narwals,—het volkomen ontbreken van

slagtanden bij sommige vrouwelijke walrussen,—zijn allen voorbeelden

van de uiterst groote vatbaarheid voor variabiliteit van secundaire

seksueele kenmerken en van hun zeer groote geneigdheid om bij nauw

verwante vormen te verschillen.

Hoewel slagtanden en horens zich in alle gevallen oorspronkelijk als

seksueele wapens hebben ontwikkeld, dienen zij dikwijls voor andere

doeleinden. De olifant gebruikt zijn slagtanden om den tijger aan te

vallen; volgens Bruce kerft hij de stammen der boomen daarmede in, tot

zij gemakkelijk kunnen worden omvergeworpen, en haalt er ook het melige

binnenste gedeelte van palmboomen mede uit. In Afrika gebruikt hij

dikwijls een slagtand, en wel altijd den zelfden, om den grond te

beproeven en zich daardoor te vergewissen, of deze zijn gewicht kan

dragen. De gewone stier verdedigt de kudde met zijn horens; en volgens

Lloyd heeft men in Zweden waargenomen, dat de eland een wolf met éénen

enkelen slag van zijn groote horens doodsloeg. Vele soortgelijke feiten

zouden kunnen worden opgesomd. Een van de merkwaardigste secundaire

gebruiken waartoe de horens van eenig dier somtijds worden gebruikt, is

dat hetwelk door kapitein Hutton [330] is waargenomen bij de wilde geit

(Capra aegagrus) van het Himalayagebergte, en ook van den steenbok (5)

wordt verhaald, dat namelijk het mannetje, wanneer hij toevallig van

een hoogte afvalt, zijn kop naar binnen ombuigt en, door op zijn

massieve horens te vallen, den schok breekt. Het wijfje kan haar horens

die kleiner zijn, niet op die wijze gebruiken; maar, wegens haar

rustiger aard, heeft zij die vreemde soort van schild ook niet noodig.

Elk mannelijk dier gebruikt zijn wapenen op zijn eigen bijzondere

wijze. De gewone ram neemt een aanloop en stoot met zooveel kracht met

de basis van zijn horens, dat ik een sterken man daardoor met evenveel

gemak heb zien omverwerpen, alsof het een kind was. Geiten en sommige

soorten van schapen, bij voorbeeld Ovis cycloceros van Afghanistan,

gaan op hun achterpooten staan, en stooten dan niet alleen, maar „doen

een benedenwaartschen houw en een naar boven gerichten stoot als met

een sabel met den geribden voorkant van hun den vorm van den Turkschen

sabel hebbenden horen. Toen een O. cycloceros eens een grooten tammen

ram aanviel, die een bekende vechtersbaas was, overwon hij hem door de

bloote nieuwheid van zijn wijze van vechten, daar hij zich altijd

dadelijk op zijn tegenstander wierp en hem dwars over aangezicht en

neus een scherpen benedenwaartschen houw met zijn kop gaf, en dan op

zij sprong, eer de stoot kon worden teruggegeven.” [331] In

Pembrokeshire heeft men een bok waargenomen, het opperhoofd van een

sedert verscheidene geslachten verwilderde kudde, die onderscheidene

andere mannetjes in tweegevechten had gedood; deze bok bezat verbazend

groote horens die van punt tot punt in rechte lijn 99 centimeter maten.

De gewone stier steekt, gelijk iedereen weet, zijn tegenstander en

slingert hem heên en weêr; doch de Italiaansche buffel gebruikt, zegt

men, nimmer zijn horens; hij geeft een vreeselijken stoot met zijn bol

voorhoofd, en vertrapt dan den gevallen vijand met zijn knieën—een

instinkt dat de gewone stier niet bezit. [332] Vandaar wordt een hond

die een buffel bij den neus pakt, oogenblikkelijk verpletterd. Wij

moeten echter bedenken, dat de Italiaansche buffel lang getemd is

geweest, en het is in geenen deele zeker, dat de wilde stamvorm

eveneens gevormde horens had. (6) De heer Bartlett deelt mij mede, dat

een vrouwelijke Kaapsche buffel (Bubalus Caffer) met een stier van de

zelfde soort binnen een omheining werd gebracht; zij viel hem aan, en

hij drong haar daarentegen met groote hevigheid voort. Het bleek den

heer Bartlett echter duidelijk, dat, als de stier niet een edele

verdraagzaamheid had getoond, hij haar gemakkelijk door een enkelen

zijdelingschen stoot met zijn verbazend groote horens kon hebben

gedood. De giraffe gebruikt haar korte met haar bedekte horens die bij

het mannetje iets korter dan bij het wijfje zijn, op een merkwaardige

wijze; want met haar langen nek slingert zij haar kop naar beide

zijden, bijna met de bovenzijde naar beneden, met zooveel kracht, dat

ik een harde plank heb gezien, die door een enkelen slag diepe

indrukken had verkregen.

Bij de Antilopen is het dikwijls moeilijk om zich voor te stellen hoe

zij bij mogelijkheid haar merkwaardig gevormde horens kunnen gebruiken;

zoo heeft de Springbok (7) (Ant. euchore) vrij korte rechtopstaande

horens waarvan de scherpe punten bijna rechthoekig naar binnen zijn

gebogen, zoodat zij tegenover elkander staan; de heer Bartlett weet

niet, hoe zij worden gebruikt, maar merkt op, dat zij een vreeselijke

wonde onder aan elke zijde van het gelaat van een tegenstander zouden

maken. De zacht gebogen horens van de Oryx leucoryx (Fig. 60) zijn naar

achteren gericht en zoo lang, dat hun punten tot over het midden van

den rug reiken, over welken zij in daaraan bijna evenwijdige lijn

staan. Zij schijnen dus al zeer slecht geschikt om mede te vechten;

maar de heer Bartlett deelt mij mede, dat wanneer twee dezer dieren

zich tot den strijd gereed maken, zij nederknielen, met hun koppen

tusschen hun voorpooten, en in deze houding staan de horens omtrent

evenwijdig aan en dicht bij den grond met de punten naar voren en een

weinig naar boven gericht. De strijders naderen elkander dan allengs en

trachten de naar boven gekeerde punten onder elkanders lichamen te

brengen; indien een hunner hierin slaagt, springt hij plotseling op,

tegelijkertijd zijn kop omhoog werpende, en kan aldus zijn tegenstander

wonden of misschien zelfs doorboren. Beide dieren knielen altijd

zoodanig neder, dat zij zich zooveel mogelijk tegen deze beweging

beschutten. Er is een voorbeeld opgeteekend, dat een dezer dieren zijn

horens met goed gevolg zelfs tegen een leeuw heeft gebruikt; maar toch

moet hij, omdat hij genoodzaakt is zijn kop tusschen zijn voorpooten te

nemen om de punten van zijn horens naar voren te brengen, over het

algemeen zeer in het nadeel zijn, als hij door eenig ander dier wordt

aangevallen. Het is daarom niet waarschijnlijk, dat de horens tot hun

tegenwoordige groote lengte en bijzondere stelling zijn gewijzigd, als

een bescherming tegen roofdieren. Wij kunnen echter begrijpen, dat,

zoodra een of ander voormalig mannelijk voorouder van den Oryx matig

lange horens verkreeg, die een weinig naar achteren waren gericht, hij

in zijn gevechten met medeminnaars zou gedwongen zijn geweest om zijn

kop iets naar binnen of naar beneden te buigen, gelijk het thans

sommige herten doen, en het is niet onwaarschijnlijk, dat hij de

gewoonte eerst om nu en dan, en later om geregeld neder te knielen, zou

hebben verkregen. In dit geval is het bijna zeker, dat de mannetjes die

de langste horens bezaten, een groot voordeel zouden hebben gehad boven

andere met korter horens; en dan zouden de horens allengs hoe langer

hoe langer zijn gemaakt door seksueele teeltkeus, totdat zij hun

tegenwoordige buitengewone lengte en stelling verkregen.

Bij vele soorten van Herten levert de vertaktheid der horens een

opmerkelijke moeilijkheid op; want ongetwijfeld zou een enkele rechte

punt een veel ernstiger wond veroorzaken dan verscheidene divergeerende

punten. In Sir Philip Egerton’s museum is er een horen van het edelhert

(Cervus elaphus) van 75 centimeter lang, met „niet minder dan vijftien

einden of takken”; en te Moritzburg wordt er nog een gewei van een

edelhert bewaard, in 1699 door Frederik I geschoten, waarvan elke horen

het verbazende aantal van drie-en-dertig takken draagt. Richardson

beeldt een paar horens van het wilde rendier met negen-en-twintig

punten af. [333] Uit de wijze waarop de horens zijn vertakt, en meer in

het bijzonder uit het bekende feit, dat herten nu en dan vechten door

elkander met hun voorpooten te trappen [334], trok de heer Bailly

werkelijk het besluit, dat hun horens veel meer nadeelig dan nuttig

voor hen waren! Deze schrijver ziet echter de geregelde gevechten

tusschen mededingende mannetjes over het hoofd. Daar ik zeer in

verlegenheid was over het gebruik of voordeel van de takken, wendde ik

mij tot den heer McNeill van Colinsay, die lang en zorgvuldig zijn

aandacht aan de levenswijze van het edelhert heeft gewijd, en deze

meldt mij, dat hij nooit heeft gezien, dat een der takken een werkzame

rol in het gevecht speelde, doch dat de oogtakken, daar zij naar

beneden hellen, een groote bescherming aan het voorhoofd verleenen, en

dat hun punten ook bij den aanval worden gebruikt. Sir Philip Egerton

deelt mij ook zoowel ten opzichte van het edelhert als van het damhert

mede, dat zij, wanneer zij vechten, plotseling tegen elkander stooten,

en hun geweien tegen elkanders lichaam drukkende, een vertwijfelden

kamp beginnen. Als het eene ten laatste is gedwongen te wijken en zich

om te keeren, tracht de overwinnaar zijn oogtakken in het lichaam van

zijn verslagen vijand te steken. Het schijnt dus, dat de bovenste

takken hoofdzakelijk of uitsluitend worden gebruikt om voorwaarts te

dringen en af te weren. Bij sommige soorten worden desniettemin de

bovenste takken als aanvals- (offensieve) wapenen gebruikt; toen in het

park van Judge Caton te Ottawa een man door een Wapiti-hert (Cervus

Canadensis) werd aangevallen, en verscheidene mannen hem trachtten te

helpen, „lichtte het hert zijn kop niet van den grond op; hij hield

inderdaad zijn kop omtrent plat op den grond, met zijn neus bijna

tusschen zijn voorpooten, behalve wanneer hij zijn kop naar de eene

zijde draaide om een nieuwe waarneming als voorbereiding voor een

uitval te doen.” In deze houding waren de eindpunten van de horens op

zijn tegenstanders gericht. „Bij het draaien van zijn kop was hij

genoodzaakt hem iets op te lichten, omdat zijn gewei zoo lang was, dat

hij zijn kop niet om kon draaien zonder het aan de eene zijde op te

lichten, terwijl het aan de andere zijde den bodem aanraakte.” Het hert

dreef op die wijze de te hulp geschoten mannen langzamerhand terug tot

op een afstand van 45 tot 60 meter; en de aangevallen man werd gedood.

[335]

Hoewel de horens van herten werkzame wapenen zijn, kan het, geloof ik,

niet worden betwijfeld, dat één enkele punt veel gevaarlijker zou zijn

geweest dan een vertakt gewei, en Judge Caton die een groote

ondervinding omtrent herten heeft, is het hierin geheel met mij eens.

Ook schijnen de vertakte horens, hoewel hoogst belangrijk als

verdedigingsmiddel tegen mededingende herten, voor dit doel niet

volkomen geschikt te zijn, daar zij vatbaar zijn om in elkander verward

te geraken. Het vermoeden is mij daarom in de gedachte gekomen, dat zij

wellicht gedeeltelijk tot versiering dienden. Dat de vertakte horens

van herten zoowel als de schoone liervormige horens van sommige

antilopen, met hun bevallige dubbele bocht (Fig. 61) in onze oogen tot

sieraad strekken, zal niemand betwisten. Indien dus de horens, gelijk

de prachtige uitrusting der ridders van weleer, bijdragen tot het edel

uiterlijk van herten en antilopen, kunnen zij gedeeltelijk voor dit

doel, hoewel voornamelijk voor werkelijken dienst in den strijd, zijn

gewijzigd; maar ik heb geen bewijzen voor deze meening.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 20 / 39 段