hebben bepaald, of de kenmerken door de mannetjes verkregen ter wille
van de versiering, om verschillende geluiden voort te brengen of om met
elkander te vechten, alleen op de mannetjes of op beide seksen,
blijvend of periodiek gedurende zekere tijden van het jaar, zijn
overgeplant. Waarom onderscheidene kenmerken somtijds op de eene wijze
en somtijds op de andere zijn overgeplant, is in de meeste gevallen
niet bekend; maar het tijdperk van de variabiliteit schijnt dikwijls de
bepalende oorzaak te zijn geweest. Wanneer de beide seksen alle
kenmerken gemeenschappelijk hebben geërfd, gelijken zij noodzakelijk op
elkander; maar daar de opeenvolgende afwijkingen op verschillende wijze
kunnen zijn overgeplant, kan men elken mogelijken trap van overgang
vinden, zelfs in één en het zelfde geslacht, van de grootste
overeenkomst tusschen de seksen af tot de grootste ongelijkheid toe.
Bij vele nauw-verwante soorten die bijna de zelfde levenswijze volgen,
zijn de mannetjes hoofdzakelijk door de werking der seksueele teeltkeus
er toe gekomen om van elkander te verschillen, terwijl de wijfjes er
voornamelijk toe zijn gekomen om van elkander te verschillen, doordat
zij in meerdere of in mindere mate deelden in de aldus door de
mannetjes verkregen kenmerken. De gevolgen van de bepaalde werking der
levensvoorwaarden zullen daarenboven bij de wijfjes niet evenals bij de
mannetjes zijn gemaskeerd door de opeenhooping door seksueele teeltkeus
van sterk uitgesproken kleuren en andere versierselen. De individu’s
van beide seksen zullen, hoedanig ook aangedaan, in elk opeenvolgend
tijdvak door de vrije kruising van vele individu’s omtrent gelijkvormig
zijn gebleven.
Bij de soorten bij welke de seksen in kleur verschillen, is het
mogelijk, dat er eerst een neiging bestond om de opeenvolgende
afwijkingen gelijkelijk op beide seksen over te planten, en dat de
wijfjes werden verhinderd om de levendige kleuren van het mannetje te
verkrijgen ten gevolge van het gevaar waaraan zij gedurende den
broeitijd zouden zijn blootgesteld geweest. Het zou echter, zoover ik
kan nagaan, een uiterst moeilijke zaak zijn om door middel der
natuurlijke teeltkeus den eenen vorm van overplanting in den anderen te
doen overgaan. Er zou daarentegen niet de minste moeilijkheid in zijn
gelegen, om een wijfje dof gekleurd te maken, terwijl het mannetje
levendig gekleurd bleef, door voor de voortteling opeenvolgende
afwijkingen uit te kiezen, die van den beginne af in haar overplanting
tot de zelfde sekse waren beperkt. Of de wijfjes van vele soorten
werkelijk op die wijze zijn gewijzigd, moet tegenwoordig nog
twijfelachtig blijven. Wanneer de wijfjes door de wet van de gelijke
overplanting van kenmerken op beide seksen even opzichtig zijn gekleurd
als de mannetjes, zijn haar instinkten dikwijls gewijzigd, en zijn zij
er toe gebracht koepelvormige of verborgen nesten te bouwen.
In ééne kleine of merkwaardige klasse van gevallen zijn de kenmerken en
gewoonten van de beide seksen geheel omgekeerd; want de wijfjes zijn
grooter, sterker, luidruchtiger en levendiger gekleurd dan haar
mannetjes. Zij zijn ook zoo twistziek, dat zij dikwijls met elkander
vechten evenals de mannetjes van de meest strijdlustige soorten. Indien
zij, zooals waarschijnlijk is, gewoonlijk haar medeminnaressen
wegdrijven en de mannetjes trachten aan te trekken door met haar
levendige kleuren en andere bekoorlijkheden te pronken, kunnen wij
begrijpen, hoe het komt, dat zij trapsgewijze, door middel van
seksueele teeltkeus en seksueel beperkte erfelijkheid, fraaier dan de
mannetjes zijn geworden,—terwijl de laatste ongewijzigd werden gelaten
of alleen in geringe mate gewijzigd.
Zoodra de wet van overerving op overeenkomstige leeftijden, doch niet
die van seksueel beperkte erfelijkheid heerscht, dan zal dit, als de
ouders laat in het leven afwijken,—en wij weten, dat dit bestendig bij
onze hoenders, en nu en dan bij andere vogels geschiedt,—op de jongen
geen invloed hebben, terwijl de volwassenen van beide seksen zullen
worden gewijzigd. Indien beide deze wetten van erfelijkheid heerschen
en een van de beide seksen laat in het leven afwijkt, zal alleen die
sekse worden gewijzigd, terwijl zulks op de andere sekse en op de
jongen geen invloed zal hebben. Als afwijkingen in levendigheid van
kleur of in andere in ’t oog loopende kenmerken zich vroeg in het leven
voordoen, gelijk ongetwijfeld dikwijls gebeurt, dan zal de seksueele
teeltkeus daarop niet inwerken, voordat het voortplantingstijdperk daar
is; bij gevolg zullen zij, als zij voor de jongen gevaarlijk zijn, door
natuurlijke teeltkeus worden geëlimineerd. Zoo kunnen wij begrijpen hoe
het komt, dat afwijkingen die zich laat in het leven voordoen, zoo
dikwijls tot versiering van de mannetjes bewaard zijn gebleven, terwijl
de wijfjes en de jongen bijna onaangedaan bleven, en daarom op elkander
gelijken. Bij soorten die een verschillend zomer- en winterkleed
hebben, van welke de mannetjes hetzij gelijken op, of verschillen van
de wijfjes gedurende beide jaargetijden of gedurende den zomer alleen,
zijn de graden en soorten van gelijkenis tusschen de jongen en ouden
uiterst ingewikkeld; en deze ingewikkeldheid schijnt van kenmerken af
te hangen, die eerst door de mannetjes werden verkregen, en op
onderscheidene wijzen en in onderscheiden graad, en ook door leeftijd,
sekse en jaargetijde beperkt, overgeplant.
Daar de jongen van zoovele soorten in kleur en in andere versierselen
zoo weinig zijn gewijzigd, zijn wij in staat ons eenigszins een oordeel
te vormen ten opzichte van het gevederte hunner vroege voorouders; en
wij mogen het besluit trekken, dat de schoonheid van onze levende
soorten, als wij de geheele Klasse beschouwen, sinds het tijdvak
waarvan het onvolwassen gevederte ons een indirecte herinnering geeft,
in hooge mate is toegenomen. Vele vogels, vooral die welke veel op den
grond leven, zijn ongetwijfeld donker gekleurd ter wille van de
bescherming. In sommige gevallen is de bovenste, aan het gezicht
blootgestelde oppervlakte van het gevederte bij beide seksen dof
gekleurd, terwijl de onderste oppervlakte alleen bij de mannetjes op
verschillende wijze is versierd door de seksueele teeltkeus. Eindelijk
mogen wij uit de in deze vier hoofdstukken medegedeelde feiten
afleiden, dat wapens voor het gevecht, organen om geluid voort te
brengen, versierselen van velerlei soort, levendige en opzichtige
kleuren over het algemeen door het mannetje zijn verkregen ten gevolge
van afwijking en seksueele teeltkeus, en op onderscheidene wijze zijn
overgeplant volgens de verschillende wetten der erfelijkheid, terwijl
de wijfjes en de jongen vergelijkenderwijze slechts weinig zijn
gewijzigd. [309]
AANTEEKENINGEN.
(1) Dr. Eimer [310] liet in 1887 den student Häcker in het Tübinger
Zoölogische Instituut te Tübingen onderzoekingen doen omtrent de
langzame veranderingen welke de teekeningen van het gevederte bij
verschillende orden der vogels ondergaat, van het eerste donskleed af.
Het resultaat was in het kort het volgende:
De vederen die het meest de oorspronkelijke teekening vertoonen, zooals
b.v. die van den snavelwortel van den veldleeuwerik, hebben, met
uitzondering der donzige, een grijs gekleurden wortel en een
ongekleurde vlag. Slechts aan de spits zijn drie of vijf baarden sterk
gekleurd. Een daarvan blijkt de verlenging van de schacht te zijn. De
zelfde teekening vertoont het eerste gevederte van bijna alle jonge
moeras- en zwemvogels. Deze wijze van teekening heeft ten gevolge, dat
de geheele vogel met overlangsche spikkels is bedekt. Uit haar
ontstaat, doordat de kleurstof zich langzamerhand langs den rand der
vederen uitbreidt, de „randkleuring” die een hoogeren trap van
teekening vormt. Later dringt de kleurstof ook uit den donzigen
vederwortel naar den vederrand door, en zoo kunnen verscheidene malen
achter elkander gekleurde dwarsstrepen met ongekleurde afwisselen. De
kleurstof heeft echter steeds een neiging zich naar de spits van de
veder te verplaatsen.
Bij een kuiken van acht weken vond Eimer soortgelijke
kleurschakeeringen.
(2) De Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) zijn een Orde, geen Familie.
(3) Men zou ze in het Nederlandsch loophoenders kunnen noemen, zoo deze
naam niet reeds door sommige schrijvers (b.v. Harting, „Leerboek”, II,
1, blz. 433) voor de Familie der Megapodii was gebruikt. Zoo men echter
deze laatsten Grootpoothoenders geliefde te noemen, zou men den naam
Loophoenders voor het geslacht Turnix kunnen bewaren, dat zich van de
eigenlijke Kwartels (het geslacht Coturnix) onderscheidt door het
ontbreken van den duim en van een verbindingsvlies tusschen de teenen.
Wellicht zou ook de naam Loopkwartels voor het geslacht Turnix niet
ongeschikt zijn.
(4) „Den 14den Mei”, verhaalt Swinhoe, „joeg ik een loopkwarteltje op,
dat door zijn eigenaardig gedrag bewees, dat ik het ’t zij van zijn
eieren, ’t zij van zijn jongen moest hebben verdreven. Ik deed
nasporingen en bemerkte spoedig een jong, later ook de drie anderen die
zich onder dorre bladeren hadden verborgen. Een van de jongen zette ik
in een knip en beval een Chineeschen knaap, daarop te letten. De oude
vogel ontdekte het jong spoedig, doch wilde niet in de kooi loopen.
Toen het jong schreeuwde, antwoordde een ergerlijk knorrend geluid uit
het naburige kreupelhout, en spoedig daarop kwam de oude vogel
aanloopen, evenals een hen klokkend. Hij kwam tot vlak bij de kooi,
doch wilde die ook nu niet binnengaan, maar liep onder gestadig klokken
achteruit en vooruit naar het kreupelhout toe. Toen mijn helper hem
onder zijn hoed trachtte te vangen, kroop hij formeel over den grond;
maar slechts zelden kwam hij tot het besluit om te vliegen. Het werd
eindelijk donker en ik moest hem, om hem niet te verliezen, dooden. Tot
mijn zeer groote verwondering vond ik bij de ontleding, dat ik een
mannetje had gedood. Hij was de eenige van de beide ouders geweest, en
ik kan dus slechts aannemen, dat het wijfje òf te gronde was gegaan òf
bezig moest zijn een tweede broedsel uit te broeden; want de vermelde
jongen bezaten reeds bijna al hun vederen.” (Brehm, „Thierleben”, Bd.
IV, blz. 431.)
(5) Bij de Amphibiën vindt men treffende bewijzen hoe de ontwikkeling
van het individu een verkorte herhaling is van de ontwikkeling der
soort. De Proteus anguineus b.v. behoudt het geheele leven door
kieuwen. De Axolotl plant zich voort in het zelfde
ontwikkelingsstadium, waarin P. anguineus zijn geheele leven verkeert,
maar kan zich onder gunstige omstandigheden soms verder ontwikkelen tot
een alleen door longen ademend dier (vergelijk mijn aant. op Hoofdstuk
X). Bij den gewonen watersalamander heeft die ontwikkeling steeds
plaats en deze kan zich zoolang hij kieuwen bezit, in den regel niet
voortplanten, zoodat de bij Proteus altijd en bij den axolotl
gewoonlijk blijvende vorm, hier de normale larvenvorm wordt. Die larve
stelt den voormaligen volwassen toestand der soort (met dien van
Proteus overeenkomende) voor. Bij Salamandra atra gaat de ontwikkeling
nog een stap verder en wordt de larve embryo; het dier wordt in plaats
van eierleggend, gelijk de vorige, levendbarend en wordt in volkomen
toestand als een alleen door longen ademend wezen geboren. Toch kan die
embryo zijn nog voor de geboorte verloren gaande en dus in de natuur
nooit tot ademhalen dienende kieuwen nog gebruiken om in het water te
ademen, als men hem gewelddadig uit het lichaam der moeder snijdt, en
kan het kunstmatig buiten het moederlichaam tot volkomen ontwikkeling
worden gebracht, d.i. kunstmatig worden teruggebracht tot het vroegere
ontwikkelingsstadium der soort waarin het een vrij levende larve was.
Bij de levendbarende zoogdieren wordt de vereeniging tusschen moeder en
embryo nog inniger en heeft de embryo op zeker stadium van ontwikkeling
wel kieuwen, maar kan niet van de moeder worden gescheiden en
kunstmatig groot gebracht, en kunnen de kieuwen dus nimmer tot
ademhaling dienen. Voor het oog onzes geestes zien wij, dat de
zoogdieren afstammen van vormen waarbij dit wel mogelijk was (evenals
bij S. atra), deze van vormen waarbij de kieuwen bezittende embryo
larve was (gelijk bij den gewonen watersalamander), maar zich niet kon
voortplanten, deze van vormen waarbij de larve zich kon voortplanten en
slechts bij uitzondering zich tot een alleen door longen ademend dier
ontwikkelde (gelijk de axolotl), deze van vormen die hun geheele leven
zoowel kieuwen als longen bezaten (gelijk Proteus), deze van vormen
(gelijk de longvisschen in verband met de andere visschen ons leeren),
die alleen door kieuwen ademden, in het water leefden en in plaats van
longen een zwemblaas bezaten.
Als wij verder nagaan, dat de ringslang (Coluber natrix) kortweg door
den dwang der omstandigheden levendbarend wordt, wanneer zij haar
eieren niet in het zand kan leggen, dat bij Hylodes martinicensis de
larventoestanden der andere kikvorschen binnen het ei worden doorloopen
en dus ook bij dit eierleggende dier de larve embryo is geworden, dat
ook de vogelembryo kieuwen bezit, en dat de oorzaak van ’t verdwijnen
van den larvenvorm bij laatstgenoemd dier moet worden gezocht in het
gebrek aan stilstaand water in zijn vaderland, en bij S. atra in de
verandering van een vlak, waterrijk land in een waterarme bergvlakte
door uiterst langzame (seculaire) rijzing van den bodem, dan wordt ook
veel licht geworpen op de oorzaken die de door kieuwen ademende
voorouders der reptielen, vogels en zoogdieren langzamerhand hebben
veranderd in alleen door longen ademende dieren bij welke alleen de
embryo nog kieuwen bezit, en ook den zoowel kieuwen als longen
bezittenden larvenvorm welke ook de voorouders der vogels en zoogdieren
op zeker stadium van ontwikkeling hebben moeten bezeten, in een
embryonalen vorm hebben veranderd, en op de oorzaken door welke
eierleggende dieren in levendbarende kunnen veranderen. De longvisschen
die het warme jaargetijde in volkomen uitgedroogd slijk blijven leven,
geven een vingerwijzing, hoe een alleen door kieuwen ademend dier
(gelijk bijna alle visschen) naast die kieuwen longen kan verkrijgen.
(6) De Gapers (Anastomus) zijn een geslacht van Reigerachtige Vogels,
dat slechts twee soorten omvat, waarvan de eene (A. oscitans) Indië, de
andere (A. lamelligerus) Afrika bewoont, en zijn naam daaraan ontleent,
dat, ten gevolge van de kromming der kaken, deze slechts aan den wortel
en aan de punt op elkander sluiten, doch in het midden van elkander
zijn verwijderd (gapen).
(7) Het geslacht Sula.
(8) Het geslacht Phaëton.
(9) Cygnus nigricollis, een Zuid-Amerikaansche vogel.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE ZOOGDIEREN.
Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere wapenen, tot hen
alleen beperkt.—Oorzaak van het ontbreken der wapenen bij het
wijfje.—Wapenen aan beide seksen gemeen, toch oorspronkelijk eerst
door het mannetje verkregen.—Andere gebruiken van dergelijke
wapenen.—Hun hooge belangrijkheid.—Meerdere grootte van het
mannetje.—Verdedigingsmiddelen.—Over de voorkeur, door elk der
beide seksen betoond bij de paring van viervoetige dieren.
Bij de Zoogdieren schijnt het mannetje het wijfje veel meer te
verkrijgen door den kampstrijd met zijn medeminnaars, dan door het
pronken met zijn bekoorlijkheden. De vreesachtigste dieren die
volstrekt geen bijzondere wapenen voor den strijd bezitten, leveren
elkander gedurende den paartijd wanhopige gevechten. Men heeft twee
rammelaars (mannelijke hazen) met elkander zien vechten, totdat de eene
was gedood; mannelijke mollen vechten dikwijls en niet zelden met
noodlottig gevolg; mannelijke eekhoorns „bekampen elkander dikwijls en
brengen elkander daarbij meermalen zware wonden toe”; de mannelijke
bevers handelen evenzoo, „zoodat nauwelijks een vel zonder litteekens
is.” [311] Ik nam het zelfde waar bij de huiden der wilde lama’s (1) in
Patagonië; en eens waren verscheidene hunner zoo verdiept in het
gevecht, dat zij zonder vrees tot in mijn onmiddellijke nabijheid
kwamen. Livingstone zegt, dat de mannetjes der vele dieren van
Zuid-Afrika bijna altijd litteekens vertoonen van in vroegere gevechten
ontvangen wonden.
De wet van den strijd heerscht zoowel bij de zoogdieren welke het
water, als bij die welke het land bewonen. Het is bekend, hoe wanhopend
de mannelijke zeehonden, zoowel met hun tanden als met hun klauwen,
gedurende den paartijd vechten, en hun huid is ook dikwijls met
litteekens bedekt. De mannelijke cachelotten zijn in dien tijd zeer
ijverzuchtig en in hun gevechten „geraken zij dikwijls met hun kaken in
elkander verward, en gaan op hun zijde liggen en draaien zich rond”,
zoodat door sommige natuuronderzoekers wordt geloofd, dat de veelvuldig
voorkomende misvormingen van hun onderkaken door deze gevechten worden
veroorzaakt. [312]
Van alle mannelijke dieren die van bijzondere wapenen voor het gevecht
zijn voorzien, is het bekend, dat zij elkander vinnig bevechten. De
moed en wanhopende gevechten van herten zijn dikwijls beschreven; in
verschillende werelddeelen heeft men hun geraamten gevonden, met de
horens onontwarbaar in elkander gestrengeld, aantoonende, hoe ellendig
overwinnaar en overwonnene waren omgekomen. [313] Geen dier ter wereld
is zoo gevaarlijk als de olifant in den bronstijd. Lord Tankerville
heeft mij een levendige beschrijving gegeven van de gevechten tusschen
de wilde stieren van Chillingham Park, de afstammelingen ontaard in
lichaamsgrootte, maar niet in moed, van het reusachtige rund der
voorwereld (Bos primigenius). (2) In 1861 streden verscheidene met
elkander om de oppermacht; en men nam waar, dat twee van de jongere
stieren den ouden leider van de kudde gezamenlijk aanvielen, hem
overwonnen en buiten gevecht stelden, zoodat de boschwachters
geloofden, dat hij doodelijk gewond in een naburig woud lag. Doch
eenige weinige dagen later naderde een van de jonge stieren alleen het
woud; en toen kwam de „koning der jacht” die zich slechts om wraak te
nemen, schuil had gehouden, daaruit te voorschijn en doodde in korten
tijd zijn tegenstander. Daarna begaf hij zich wederom rustig naar de
kudde en voerde daar nog langen tijd onbetwist de heerschappij.
Admiraal Sir B. J. Sulivan meldt mij, dat hij, toen hij op de
Falklands-eilanden verblijf hield, een jongen Engelschen hengst
invoerde, die met acht merries de heuvels nabij Port William veelvuldig
bezocht. Op deze heuvels bevonden zich twee wilde hengsten, elk met een
kleine kudde merries; „en het is zeker, dat deze hengsten elkander
nooit zouden zijn genaderd zonder te vechten.” Beide hadden
afzonderlijk beproefd met den Engelschen hengst te vechten en zijn
merries weg te drijven, doch waren daarin niet geslaagd. Op zekeren dag
kwamen zij te zamen en vielen hem aan. Dit werd gezien door den
kapitein aan wien de zorg voor de paarden was opgedragen, en die, naar
de plaats toe rijdende, een van de beide hengsten met den Engelschen
hengst in gevecht vond, terwijl de andere bezig was de merries weg te
drijven, en er reeds vier van de overige had gescheiden. De kapitein
maakte een einde aan de zaak, door het geheele gezelschap in de kraal
(„corral”) te drijven; want de wilde hengsten wilden de merries niet
verlaten.
Mannelijke dieren die reeds met toereikend snijdende of scheurende
tanden voor de gewone doeleinden van het leven zijn voorzien, zooals
bij de Verscheurende Dieren (Carnivora), Insektenvreters (Insectivora)
en Knaagdieren (Rodentia), zijn zelden van wapenen voorzien, die
bijzonder zijn ingericht voor den kamp met hun medeminnaars. Met de
mannetjes van vele andere dieren is het echter een geheel ander geval.
Wij zien dit aan de horens der herten en van zekere soorten van
antilopen, bij welke de wijfjes ongehorend zijn. Bij vele dieren zijn
de hondstanden in de boven- of benedenkaak, of in beide, veel grooter
bij de mannetjes dan bij de wijfjes, of ontbreken bij deze laatsten,
met uitzondering somtijds van een verborgen rudiment. Sommige
antilopen, het muskusdier, de kameel, het paard, het wilde zwijn,
onderscheidene apen, robben en de walrus leveren voorbeelden van de
onderscheidene gevallen op. Bij de wijfjes van den walrus ontbreken de
slagtanden somtijds geheel. [314] Bij den mannelijken Indischen olifant
en bij den mannelijken dugong [315] vormen de snijtanden van de
bovenkaak aanvallende wapenen. Bij den mannelijken narwal of
zeeëenhoren is slechts een van de tanden der bovenkaak ontwikkeld tot
den welbekenden, spiraalvormig gewonden, zoogenaamden horen die
somtijds van 2,7 tot 3 meter lengte heeft. Men gelooft, dat de
mannetjes deze horens gebruiken om met elkander te vechten; want „een
ongebroken horen kan men slechts zelden verkrijgen, en nu en dan vindt
men een waarbij de punt van een anderen in de gebroken plaats is
vastgeklemd”. [316] De tand aan de tegenovergestelde zijde van den kop
van het mannetje bestaat uit een rudiment van omstreeks 25 centimeter
lengte, dat door de kaak wordt omsloten. Het is echter geen zeer groote
zeldzaamheid om tweehoornige narwals te vinden, bij welke beide tanden
goed zijn ontwikkeld. Bij de wijfjes zijn beide tanden rudimentair. De
mannelijke cachelot heeft een grooter kop dan de vrouwelijke, en deze
helpt ongetwijfeld deze dieren bij hun zeegevechten. Het mannetje van
het vogelbekdier (Ornithorhynchus) eindelijk is van een merkwaardigen
toestel voorzien, namelijk van een spoor aan den achtervoet, die zeer
veel gelijkt op den gifttand van een vergiftige slang; het gebruik
daarvan is niet bekend; maar wij mogen veronderstellen, dat zij tot
aanvallend wapen dient. [317] Bij het wijfje wordt zij alleen door een
rudiment vertegenwoordigd. (3)
Als de mannetjes van wapens zijn voorzien, die de wijfjes niet
bezitten, kan het nauwelijks worden betwijfeld, dat zij worden gebruikt
om met andere mannetjes te vechten, en dat zij door seksueele teeltkeus
zijn verkregen. Het is niet waarschijnlijk, ten minste in de meeste
gevallen, dat de wijfjes dergelijke wapenen niet hebben verkregen,
omdat zij nutteloos en overtollig, of op de eene of andere wijze
nadeelig waren. Daar zij dikwijls door de mannetjes van vele dieren
voor verschillende doeleinden, meer in het bijzonder als
verdedigingsmiddel tegen hun vijanden worden gebruikt, is het
integendeel een verwonderingwekkend feit, dat zij bij de wijfjes zoo
armelijk zijn ontwikkeld of geheel ontbreken. Ongetwijfeld zou bij de
hinde de ontwikkeling gedurende elk opeenvolgend jaar van groote
vertakte horens, en bij vrouwelijke olifanten de ontwikkeling van
verbazend groote slagtanden, een groote verspilling van levenskracht
zijn geweest, als men aanneemt, dat zij van geen nut voor de wijfjes
waren. Bij gevolg zouden afwijkingen in de grootte dezer organen, die
tot hun geheel verdwijnen leidden, onder de heerschappij der
natuurlijke teeltkeus zijn gekomen, en, indien zij in hun overplanting
tot de vrouwelijke nakomelingschap waren beperkt, hun ontwikkeling door
seksueele teeltkeus bij de mannetjes niet hebben verhinderd. Hoe kunnen
wij echter volgens deze beschouwingswijze de aanwezigheid van horens
bij de wijfjes van sommige antilopen en van slagtanden bij de wijfjes
van vele dieren die slechts weinig voor die der mannetjes in grootte
onderdoen, verklaren? De verklaring moet, geloof ik, in bijna alle
gevallen in de wetten der erfelijkheid worden gezocht.